De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De Tempel van Empel.

Let speciaal op de onderstreepte woorden in de letterlijke citaten!






De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!


Afbeelding van de (bijgewerkte) altaarsteen uit Ruimel waardoor meerdere onjuiste opvattingen zijn ontstaan. Klik op de steen voor een ware afbeelding. De vindplaats vormt geen enkel bewijs voor de aanwezigheid van de erop vermelde volkeren of personen, wat met een in NIjmegen gevonden wijsteen van een MoriniŽr uit Terwaan wel duidelijk wordt aangetoond. Stenen met vermeldingen van Bataven zijn over het hele Romeinse Rijk gevonden. Wat ze daar niet bewijzen, bewijzen ze ook in Nederland niet. En ook al zou die steen in de Betuwe gevonden zijn, dan bewijst het ook niets.

De Latijnse tekst is:
ACSUSA
NO HERCUL
SACRV FLAVS
VIHIRMATIS FIL
VMMVS MAGISTRA
IVITATIS BATAVOR
V S L M

en wordt gelezen als: de letters tussen [ ] zijn interpretaties.
[M]AGUSA
[N]O HERCUL [I]
[S]ACRV(M) FLAV[V]S
VIHIRMATIS FIL[IVS]
[S]VMMVS MAGISTRA[TVS]
[C]IVITATI[S] BATAVOR[VM]
V[OTVM] S[OLVIT] L[IBENS] M[ERITO]

De traditionele Nederlandse vertaling is:
Aan Magusanus Hercules
(is deze steen) gewijd. Flavus
zoon van Vihirmas
opperste magistraat
van het district der Bataven
heeft (hiermede) zijn gelofte
ingelost, gaarne en met reden

Er zijn enkele opmerkingen te maken over de interpretatie van de tekst, zoals, er wordt geen God (Deae) genoemd. Was Agusano Hercul dan wel een God?
Er staat ook niet dat Flavus een Bataaf is, maar dat zijn vader Vihirmatis magistraat in het district van de Bataven was.
Dat district kan dus overal gelegen hebben.

Lees meer over de altaarsteen van Ruimel.
De Tempel van Empel is een klein heiligdom gewijd aan Hercules Magusanus, dat werd opgericht rond het begin van onze jaartelling. Tenminste, dat is de conclusie van enkele archeologen die zich in allerlei bochten wringen om hun eigen fantasie de vrije loop te laten. Dat er Romeinse resten gevonden zijn is ook niet het probleem, maar was het een Cultusplaats van de Bataven? In de buurt zijn veel vondsten uit de Romeinse tijd tijd gedaan, zoals mantelspelden en Romeinse munten, maar ook gebruikte wapens. 'Aangezien het hoogst ongewoon was in het Romeinse Rijk om wapens aan goden te offeren, is het onwaarschijnlijk dat het een Romeins heiligdom was, maar eerder voor de Bataafse hulptroepen om hun oppergod te aanbidden. De veteranen uit die Bataafse legereenheden legden ritueel hun wapens neer, als dank voor de bescherming die de god hun verleend had tijdens hun militaire carriŤre', stellen Nico Roymans en Ton Derks in hun publicaties over de tempel van Empel.

De visie van Albert Delahaye.
Dat er in/bij Empel Romeinse overblijfselen gevonden zijn die men nu interpreteert als een tempel, is geen probleem. Echter men moet dit niet de kwalificatie 'Bataafs' geven. Dat is een onbewezen aanname op grond van een cirkelredenering. Men heeft in een ver verleden (17de eeuw) de Bataven op grond van enkele aannames (zoals de overeenkomst van twee letters B-t-) in de Betuwe geplaatst en nadien alles wat daar aan archeologische overblijfselen wordt gevonden, onbekommerd Bataafs verklaard. Kijkt men verder in de geschiedenis, dan blijken die Bataven in Noord-Frankrijk te wonen (hun buren zijn de MoriniŽrs!) waar ook verklaarbaar is, dat ze al dienst deden in de Romeinse legers, voordat er ook maar ťťn Romeins in Nederland was geweest. Lees meer over de Bataven.

De tempel van Empel.
In het hiernaast afgebeelde boek 'De tempel van Empel' (1994) noemen de auteurs Nico Roymans en Ton Derks het 'Een Hercules-heiligdom in het woongebied van de Bataven' In hoeverre was het een heiligdom van de Bataven? Waarom stond dit heiligdom dan niet in de Betuwe? Oh ja, daar was al een heiligdom in Elst, maar dat was toch van de Romeinen? Zouden de Romeinen voor de Bataven een tempel hebben gebouwd? Het is eenzelfde kromme redenering die men er in Nijmegen op na houdt, waar de Romeinen bij hun vertrek voor de achterblijvende Bataven de nieuwe stad Noviomagus zouden hebben gebouwd.
Een en al zand.
In het artikel in het boek 'Een en al zand' (1993) noemen de auteurs Nico Roymans en Ton Derks de tempel van Empel 'Een Bataafse cultusplaats aan de Maas'. Hetzelfde artikel heeft eerder in Spiegel Historiael van okt.1992 gestaan. In hoeverre is het een Bataafse cultusplaats en niet gewoon een Romeinse cultusplaats? Waarom zouden de Bataven een Romeinse tempel bouwen, anders dan dat zij als slaven te werk werden gesteld? Hetzelfde geldt ook voor Hercules-Magusanus. Waar kwam die naam vandaan en in hoeverre was deze godheid expliciet van de Bataven?


Waar gaat het om?
Bestaat er een bewijs dat de Bataven behalve in de Betuwe, ook aan de overzijde van de Maas rond 's-Hertogenbosch woonden? Of is hier sprake van de zoveelste cirkelredenering, waarmee de traditionele geschiedenis vol zit? Wat weten we uit de klassieke teksten?


Bij zorgvuldige lezing van de teksten blijkt er helemaal NIETS bewezen te worden: er is geen enkel bewijs dat de Bataven in de Betuwe woonden, noch in Noord-Brabant. Er bestaat evenmin bewijs dat deze Romeinse tempel (die we beslist niet ontkennen) een Bataafse Cultusplaats was. Het verhaal van deze tempel zit vol met veronderstellingen van de Roymans en Derks, gebaseerd op aannamen, vermoedens en 'aantrekkelijke gedachten', zoals ze zelf schrijven. De basis van al deze gedachten ligt in de aangenomen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden. Daar bestaat geen enkel tekstueel of archeologisch bewijs voor of is ooit gevonden. Die opvatting gaat terug tot de 16de eeuw, want het was Cornelius Aurelius die als eerste ooit stelde dat de Bataven in de Betuwe verbleven. Naschrijverij deed de rest! Echter, de klassieke schrijvers Tacitus en Orosius maken radikaal een einde aan deze mythe.

Het is wel duidelijk dat de klassieke teksten waarin de Bataven genoemd worden, door de historici altijd zijn misverstaan. Met name de tekst van Tacitus, die de Bataven in Gallia plaatste. Tacitus schrijft: "De Bataven trokken over de Renus en door het land van de Chatten en vestigden zich op het onbewoonde uiterste deel van GalliŽ en op een daar gelegen eiland dat van voren door de Oceaan, van achteren en ter weerszijden door de Renus wordt omspoeld" (HistoriŽn IV.12.3).

Grondslag tot het misverstand ligt in het feit dat de Duitse historici de Chatten in Midden-Duitsland plaatsten en wel rond Kassel en over de Rijn lieten trekken. In deze tekst staat ook niet dat de Bataven zich afsplitsten van de Chatten, wat de algemene traditionele opvatting is. Het in de tekst genoemde castel-(lum) was niet Kassel, maar Cassel.

Mocht het nog niet helemaal duidelijk zijn, dan maakt Orosius (c.400 n.C.) aan alle twijfel een eind, als hij schrijft: "Op de kust van Brittannia aan de overkant van de zee en het dichtst bij GalliŽ gelegen bevindt zich de stad Rutupi-portus (Richborough) vanwaar men de MenapiŽrs en de Bataven ziet, niet ver van de Morinii die in het zuiden wonen".
Dan moet toch wel duidelijk waar de Bataven woonden? Precies op dezelfde plaats waar Tacitus in ca.100 na Chr. ze plaatste: aan de kust in Frans-Vlaanderen naast de MoriniŽrs.

De historici hebben zich in het verleden (met name in de 17de eeuw) laten misleiden door de vermelding van Rhenus, dat bij hen de Rijn was. Het was echter de Schelde, etymologisch te herleiden tot Rien-Renus. Lees meer over de Renus.

Toch hebben ook Nederlandse historici en archeologen in het verleden hun twijfel uitgesproken over de plaats van de Bataven. Zelfs in Nijmegen hebben kritische historici altijd getwijfeld over Betuwse Bataven. Enkele citaten o.a. uit Numaga, tijdschrift en Jaarboek van de Historische Vereniging in Nijmegen, wijzen daar al op. Het boek 'Bataven een verdwenen volk' toont die twijfel ook helder aan, net als de brief van prof.dr.J.de Vries (zie hieronder).



Meerdere historici en archeologen hebben hun twijfels over de locatie van de Bataven geuit. Hun opvattingen zijn bekend, tenminste, bij de echte kenners van de geschiedenis, echter niet bij de fabelogen die blijkbaar nog steeds de dienst uitmaken.

Dr.W.J.H.WILLEMS, archeoloog van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, stelde ten aanzien van de opgravingen naar het Oppidum Batavorum in Nijmegen: "We hebben het niet gevonden". En ten aanzien van de Bataven dat "als er al Bataven in Nijmegen of omgeving zijn geweest, dan hoorden zij bij het Romeinse leger ter plaatse". Wij bedanken dr.Willems voor deze openhartige uitspraak. Waren er maar meer historici die zo openhartig waren en hun onjuiste inzichten toegaven.

STIJN HEEREN gaat in zijn boek over de opgravingen in Tiel-Passewaaij in op de identiteit van de Bataven en in hoeverre die ook Romeins was. Hij schrijft daarover: "De archeologie is niet de meest geschikte discipline om persoonlijke identiteiten en andere sociale aspecten van samenlevingen te bestuderen, omdat deze slechts in beperkte mate uit materiŽle overblijfselen zijn af te lezen". Met andere woorden: "uit archeologische relicten is niet op te maken of het over Bataven of Romeinen gaat", precies wat dr.De Vries in zijn brief betoogt. Als Heeren dan ook nog moet erkennen dat de Betuwe te weinig bevolking had om de grote hoeveelheden soldaten te leveren, valt de Bataafse mythe als een kaartenhuis in elkaar. Heeren brengt het als groot nieuws dat hij zelf 'ontdekt' zou hebben. Maar ja, als je de boeken van Albert Delahaye nooit leest, is dit inderdaad zelf ontdekt groot nieuws. Delahaye wist dit al in 1965 en heeft dat toen ook gepubliceerd in 'Vraagstukken in de Historische Geografie van Nederland'.

In een verder verleden hebben ook anderen hun twijfels geuit, zoals W.A.VAN ES die ondermeer schrijft:
  • Het historisch beeld van de Bataven is tegenwoordig nuchterder dan voorheen. Het is voor een groot deel gebaseerd op veronderstellingen.
  • Overigens blijft de positie van de Bataven in hun nieuwe thuisland (bedoeld wordt de Betuwe) schimmig.
  • De gedachte dat de Bataven een verlaten gebied, de Betuwe en het Brabantse achterland met hun aanwezigheid vulden, vindt thans geen bijval meer. Blijkbaar hebben Roymans en Derks dit nooit gelezen bij Van Es?
  • Dat er Bataven in het Kromme Rijngebied zijn neergestreken is hoogst onwaarschijnlijk.
  • Overigens zullen contacten met de Bataven evenals trouwens de aanwezigheid van Bataven zelf, archeologisch altijd moeilijk aantoonbaar blijven.

    Bij dit laatste sluiten Stijn Heeren en dr.J.de Vries met hun opvattingen feilloos aan.

    In een nog wat langer geleden schreef dr. A.W.BYVANCK het volgende:
  • De Bataven woonden in hetzelfde gebied, want zij worden door klassieke schrijvers (Tacitus, Plinius) afstammelingen van de Chatti (Katsberg) en de gelijken van de Mattiaci (Watten) genoemd.
  • In Nijmegen is nooit iets gevonden van het zogenaamde Oppidum Batavorum, nog in Leiden van Lugdunum Batavorum, de twee hoofdsteden van de Bataven.
  • Drusus heeft door het gebied van de Bataven een kanaal laten aanleggen, waardoor een veiliger vaarweg ontstond van de Renus en hij heeft een dam laten bouwen om een betere verdeling te maken van het water dat door de Renus wordt aangevoerd. (Byvanck, o.c. p.203). Deze constatering van Byvanck weerspreekt de traditionele visie in Nederland onmiskenbaar.
  • Volkeren ten noorden van de Rijn in ons land worden door Caesar niet vermeld. het hoofdstuk over de Bataven, die worden vermeld bij Caesar in De Bello Gallico IV 10, moet worden beschouwd als een interpolatie. Dez tekst van Caesar past niet in de traditie, vandaar interpolatie. Of moeten we concluderen dat de traditie niet bij deze tekst past.

    Op grond van archeologische vondsten zijn geen volkenkundige conclusies te trekken, stelde prof.De Vries terecht. Toch doen Roymans en Derks dit in hun boek en artikel. Zie hieroder!

  • Welke bewijzen voor de hierboven gestelde vragen vinden we in beide boeken?
    Let speciaal op de door mij onderstreepte worden! Het zijn veronderstelling die zonder feitelijk bewijs -dat is er ook niet- geponeerd worden.


    In het hiernaast afgebeelde boek 'De tempel van Empel' (1994) noemen de auteurs Nico Roymans en Ton Derks het 'Een Hercules-heiligdom in het woongebied van de Bataven'.

    We lezen in dit boek de volgende letterlijke citaten:
    1. Het onderzoek van cultusplaatsen kan een bijdrage leveren aan de theorievorming over betekenisgeving en symboliek van materiŽle cultuur (p.10). Het blijkt dus om een theorivorming te gaan, ofwel aangenomen opvattingen.
    2. We dienen ons echter te realiseren dat de betekenis van materiŽle cultuur varieert naar gelang de context waarin zij wordt gebruikt (p.10). De context waarin zij wordt gebruikt? Door wie? De historicus of de archeoloog?
    3. Het is vanuit deze gedachte dat de bijdragen aan deze bundel telkens de vraag gesteld, wat de specifiek symbolische betekenis van de betreffende voorwerpen in een heiligdom kan zijn geweest (p.11). Hieruit blijkt dat de auters bevooroordeeld zijn. Immers ze gaan uit van de gedachte dat de Bataven in de Betuwe (en ten zuiden van de Maas?) woonden en dat alles wat daar gevonden wordt dus wel Bataafs zal zijn.
    4. Een vraag die onmiddellijk rijst, is hoe wij als archeoloog in staat zijn ons van deze voor- of vroeghistorische betekenisgevingen een beeld te vormen. De vraag stellen is eenvoudiger dan hem beantwoorden (p.11). Het antwoord op die vraag geven Roymans en Derks vervolgens zelf al en wel: vanuit onze maatschappij-theoretische opvattingen. Vanuit hedendaagse maatschappij opvattingen valt niets te bewijzen hoe dat in het verleden ging. Kennen wij nog mensenoffers, om een voorbeeld te geven? Gelukkig noemen beide het een theorie. Feitelijk bewijs voor hun opvattingen ontbreekt. Men kan nu eenmaal niet vanuit het heden terugredeneren zonder feitelijke bewijzen uit dat verleden.
    5. Het is onze overtuiging..., kan worden begrepen..., het ideeŽngoed vergelijken met andere samenlevingen..., alleen zinvol als we onze keuze beperken...(p.11) Het is wel duidelijk dat de duimzuigerij van beide auteurs hier een belangrijke rol toebedeeld krijgt.

    6. Empel is het eerste inheems-Romeinse heiligdom in het Nederrijnse gebied waarvan vast staat dat het een voor-Romeinse oorsprong heeft. Dit blijkt vooral uit de aanwezigheid van c. 100 metalen voorwerpen. Genoemd worden mantelspeldenm, Keltische munten, gordelhaken, waarover dan gezegd wordt: 'Hun precieze datering is nog steeds een probleem, doch een plaatsing in de 1ste eeuw voor Chr. is waarschijnlijk' (p.14). Dat die voor-Romeinse oorsprong vast staat, blijft dus weinig over als de precieze datering een probleem is en slechts waarschijnlijk is, ofwel slechts 'wishfull thinking' is. Veel in dit verhaal wordt 'opgehangen' aan Keltische munten. Wat zijn 'Keltische' munten? Munten van de Eburonen? Zijn die alleen gevonden in Empel? Zie de afbeelding hiernaast van 'Keltische' munten uit dit boek. Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm. Lees meer over de muntschat van Amby, waaruit blijkt dat vergelijkbare munten tot ver in Frankrijk gevonden zijn. In Frankrijk kent men deze munten als ĎStatŤres Ambianií in de omgeving van Amiens en in de omgeving van Soissons als ĎStatŤres Suessionsí. Klik hier voor de kaart van de verspreiding van deze munten zoals deze op p.144 in dit boek te vinden is. Deze munten zijn tot ver in Frankrijk gevonden (de kaart opent in een apart scherm). Empel blijkt die ene uitzondering te zijn!

    7. Op p.17 lezen we het volgende: 'aangenomen mag worden'..., 'is echter niet uitgesloten..., 'doch sprene zijn verloren gegaan'...., maken eerder de indruk.... Bijzondere vondsten die men als offergaven zou kunnen interpreteren ontbreken. Hoeveel zekerheid spreekt hieruit? Het is slechts speculeren wat hier gebeurd, wat het 'zou kunnen interpreteren' onmiskenbaar duidelijk aangeeft.
    8. De vraag blijft hoe we ons dit "ontstaan" van de cultusplaats moeten voorstellen (p.17). Die vraag wordt in de volgende hoofdstukken beantwoord met veel aannamen en veronderstellingen en met... ...getracht moet worden de archeologische gegevens te begrijpen.
    9. Onderzoekers zijn het erover eens dat ten tijde van Caesars verovering Zuidoost-Nederland ten zuiden van de Rijn of Waal deel uitmaakte van het woongebied van de Eburonen. Ook de bewoners van Noordoost-BelgiŽ en het aansluitende gebied tussen Rijn en Maas behoorden vermoedelijk tot het vrij losse Eburoonse stamverband. Uitgaande van deze visie is het Empelse heiligdom begonnen als een cultusplaats van een deelgroep van de Eburonen. Dit wordt bevestigd door de aanwezigheid te Empel van een opmerkelijk aantal aan deze stam toegeschreven gouden munten.(p.18).
      Wat hier geschreven wordt is de kern van het hele betoog omtrent de tempel van Empel. Alle onderzoekers zijn het over een vermoeden eens. Maar dit vermoeden blijkt volkomen achterhaald te zijn.
      1. Dat alle onderzoekers het erover eens zijn, is een misvatting. Meerdere onderzoekers hebben vastgesteld dat dit uitgangspunt onjuist is. Zo stelde prof.dr.H.Thoen dat Caesar nooit in BelgiŽ is geweest, wat vervolgens een verblijf in Nederland volledig uitsluit! Via de Rijn dan? Caesar had zijn belangrijkste basis in Amiens, van waaruit hij naar Britannia trok.
      2. De opvatting over de Eburoonse munten is een typische cirkelredenering, die bestaat uit de opvatting dat de Eburonen ten zuiden van de Rijn en Waal woonden en munten die daar gevonden worden zijn dan van de Eburonen geweest.
      3. Deze opvatting wordt aan een tekst van Caesar toegeschreven, wat een dubbele onjuistheid is. Immers Caesar schrijft helemaal niet 'ten zuiden van Rijn en Waal'. Hij noemt dan wel Mosa, Vacalus en Renus, waarvan dan nog moet worden aangetoond of het wel de Maas, Waal en Rijn zijn. Zouden het de Maas en Rijn zijn, dan kan men dit ook in Noord-Frankrijk plaatsen waar beide rivier ook stromen. Vast staat dat Caesar daar wel geweest is. Dat de Vacalus de Waal is, past zoals Caesar het beschrijft in het geheel niet op de Waal. Lees daar meer over in Caesar, Oorlog in GalliŽ, IV, 15. uitgelegd in noot 96 in de rechter kolom.
      4. Lees meer over de Waal. Lees meer over Julius Caesar. Zijn boek heet niet voor niets "Commentarii de bello Gallico". Het gaat over zijn oorlog in GalliŽ. Nederland heeft nooit bij GalliŽ gehoord.

    10. Keltische munten. Naar de oorspronkelijke archeologische context van de munten kunnen we daarom slechts gissen. Het vermoeden bestaat .... (p.112). De hele opvatting over de Keltische munten blijft dus giswerk en is gebaseerd op een vermoeden..
    11. Alvorens nader in te gaan op de cultuurhistorische betekenis van de Empelse munten, dienen eerst vragen omtrent hun datering en herkomst aan de orde te komen. De ruim achthonderd munten uit Empel vertegenwoordigen negentien verschillende typen, waarvan de omloop ruwweg de periode tussen 70 voor Chr. en 50 na Chr. omvat. Voor een nadere datering van de afzonderlijke munttypen zijn we geheel aangewezen op informatie die elders is verzameld (p.112). De datering van de munten omvat een periode van ruim 120 jaar. Wat valr er nu mee te bewijzen over een periode van 15 v.Chr. (zie volgende punt). Is informatie van elders zomaar toepasbaar op Empel?
    12. Empelse munten bieden vervolgens de grote aantallen laagwaardige (bronzen) Keltische munten uit de vroegste Romeinse legerkampen in het Nederrijnse gebied; vast staat dat deze kampen pas na ca. 15 voor Chr. zijn gebouwd. Daardoor weten wij welke munttypen in de vroeg-Romeinse tijd in circulatie waren en welke toen reeds uit de omloop waren verdwenen (p.113). Op grond waarvan staat het jaartal 15 voor Chr. vast? De bewijzen die men in Nijmegen gebruikt zijn speculaties. Lees meer over het oudste kamp in Nijmegen. Ziet U ook hier weer de cirkelredenering over gebruik van munten en het onbewezen jaartal 15 voor Chr. Een Romeinse gouden munt kan toch zelfs in de Middeleeuwen nog gebruikt zijn vanwege de intrinsieke waarde van goud?
    13. Enkele goudstukken en een bronzen munt die aan de stam van de NerviŽrs worden toegewezen, vormen waarschijnlijk de oudste exemplaren; zij zijn geslagen in de eerste helft van de 1ste eeuw voor Chr. (p.113). De auteur (Nico Roymans) schrijft hier zeer terecht dat zijn opvatting slechts 'waarschijnlijk' is. Wat wel opvalt dat hij de goede kant op wijst met het noemen van de NerviŽrs, die in Noord-Frankrijk (omgeving Bavay) woonden..
    14. Van iets jongere datum zijn munten met een relatief laag goudgehalte, die men gewoonlijk aan de stam van de Eburonen toeschrijft; hun produktie lijkt zich te beperken tot de periode van Caesars Gallische veroveringen (58-51 voor Chr.). Deze Eburoonse munten zijn in Empel met 22 exemplaren opvallend goed vertegenwoordigd. (p.113). Gewoonlijk? Zijn er dan ook andere opvattingen? De productie lijkt maar zo te zijn. Welke bewijzen heeft Roymans? Dat 22 exemplaren (van de 810) goede vertegenwoordigd zijn, is een farce. Dat is minder dan 3 procent.
    15. Voorts kennen we uit deze eerste fase een elftal zilveren triquetrum-munten, die in het Nederrijnse gebied (wellicht zelfs door de Bataven) zijn geslagen in de eerste decennia na Caesars vertrek uit GalliŽ (p.113). Dat de Bataven munten geslagen hebben zou ik toch graag eens bewezen zien worden. Hier wordt dus iets gratis beweerd, zonder ook maar enige vorm van bewijs dan slechts het woord 'wellicht'. En dit gaat dus weer de boeken als historische wetenschap!.
    16. Tot slot is er een dertigtal kleine zilverstukken die, in tegenstelling tot bovengenoemde munten, van ver buiten het Nederrijnse gebied zijn aangevoerd; zij stammen uit Centraal/Oost-GalliŽ. Uitzonderingen vormen twee stukken van het type Forrer 351, geslagen in het Middenrijngebied en een zeldzame munt met de legende ANNAROVECI, waarvan de produktie in Midden-BelgiŽ wordt vermoed (p.113). Zouden niet al deze munten van ver zijn aangevoerd? Zolang het bij een vermoeden blijft heeft men geen enkel feitelijk bewijs voor dit hele verhaal.
    17. Een interessante vraag is voor wat voor doeleinden en door wie de Keltische munten zijn geslagen. Daarover kunnen hier slechts enkele algemene opmerkingen worden gemaakt (p.114/118). Het komt hier neer op speculeren en onbewezen opvattingen. Alsof Roymans er bij was en wel even kan verklaren hoe het zit!.
    18. Het nieuwe verspreidingsbeeld bevestigt de traditionele toeschrijving van deze munten aan de Eburonen. Van Caesar weten we immers dat hun stamgebied niet alleen oostelijk BelgiŽ maar ook Zuidoost-Nederland omvatte. Afgaande op het huidige verspreidingsbeeld is het zelfs denkbaar dat Eburoonse munten ook in ons land zijn geslagen; dat zouden dan de eerste in ons land geproduceerde munten zijn (p.119). Het speculeren is Roymans niet vreemd. Hij gaat nog steeds uit van de aangenomen opvatting dat de Eburonen in Ooostelijk BelgiŽ, maar ook in Zuidoost-Nederland verbleven en door Caesar uitgemoord zijn. Maar Caesar is daar met zijn legers nooit geweest. Daarvoor ontbreekt elk bewijs. Er kan niet nadrukkelijk nog eens op gewezen worden, dat de toewijzing van deze munten aan de Eburonen, een cirkelredenering is. Dus een Spaanse Euromunt gevonden in Nederland zou aantonen dat je dan in Spanje bent?
    19. Wij wagen echter te betwijfelen of de vernietiging van de Eburonen zo volledig was als Caesar ons wil doen geloven; wellicht bleven restgroepen over, die hierna in nieuwe stamformaties werden opgenomen. In het Nederlandse rivierengebied denken ik in dit verband vooral aan de Bataven (p.119). Wie is 'wij'? Gelukkig heeft ook Roymans wel eens twijfel over traditionele opvattingen, al voegt hij er weer nieuwe mythen aan toe. Meestal is het zo dat wie waagt die wint. Hier is het wie waagt die verliest zich in nieuwe dwalingen.

      Het kan niet genoeg benadrukt worden: uit verplaatsbare objecten als munten, zijn geen conclusies te trekken over woongebied of etniciteit van stammen. Blijkbaar is deze opvatting bij archeologen (en historici?) niet of tenminste onvoldoende bekend. Lees anders nog eens hierboven wat dr.J.de Vries daarover schreef in: 'De Bataven: verhalen over een verdwenen volk'.

    20. Empel in de Middeleeuwen. De naam Empel wordt in een relatief groot aantal schriftelijke bronnen vanaf de Karolingische periode tot aan het begin van de 13de eeuw genoemd. Deze vermeldingen zijn overgeleverd in de 'Codex Laureshamensis', rond 1170-1175 opgesteld in de abdij van Lorsch (p.183) In noot 2, 3 en 4 wordt verwezen naar Camps, H.P.H. Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, 1979. In feite weten we dan genoeg. Immers Camps blijkt geen kennis te hebben van het lezen van oude oorkonden. Van de 21 plaatsen die Camps in verband brengt met St.Willibrord, levert hij geen enkel bewijs. Het is slechts zijn woord dat iederen maar moet geloven. En geloof is de slechtste raadgever bij historische kwesties. Ook het vertalen uit het Latijn is niet zijn sterkste eigenschap. Waar in een tekst staat dat Oise en Seine samenvloeien, vertaalt Camps met 'waar Rijn en Waal zich splitsen', uiteraard omdat hij in Nijmegen uit wil komen, terwijl de tekst heel duidelijk over Noyon handelde. Lees meer over Harry Camps.

      Het in de teksten genoemde Empele in Taxandria, waar de abdij van Lorsch in 816 goederen ontvangt voor haar kerk van St.Nazarius, is Ablain-Saint-Nazaire, op 12 km noord-west van Atrecht.
      Empla, in Taxandria, waar de abdij van Crespin bij Valenciennes in 855 goederen en in 931 de plaats ontving, gelegen aan de rivier de Verchena, in Hamblain-les-Pres, op 13 km oost van Atrecht en aan de Trinquoise gelegen. Gelijktijdig kreeg de abdij goederen te Onnaing en Hermignies (B.).

      Het Empla van de abdij van Crespin is een geheel andere plaats dan het Empele van Lorsch, zodat Camps zich systematisch staat te verslikken met de verschillende kerkpatronen St. Landelinus en St. Nazarius voor dat ene Empel, dat in Brabant in de 9de en 10de eeuw niet als plaats bestond. Bij Camps zijn Empele en Empla steeds Empel. Zo kom je wel aan heel veel vermeldingen. Naar kerkpatronaten kijkt Camps maar niet. Overigens is Taxandria ook niet Noord-Brabant, maar was het weefland (texandria- waar ons woord textiel vandaan komt) in Vlaanderen, waar de vlasteelt wel aantoont waar dat weefland lag. Lees meer over Taxandria.

    De tempel van Empel, in 'Een en al zand' (1993).
    In dit artikel lezen we de volgende zaken:

    De centrale vraag is waaruit het blijkt dat het om een Bataafse tempel gaat?
    1. de 'tempel van Empel" heeft tal van nieuwe inzichten opgeleverd over veranderende religieuze praktijken en opvattingen bij de Bataven. (p.74)
    2. de rijkdom en samenstelling van het materiaal deden hier een cultusplaats vermoeden. Een terechte veronderstelling (p.74).
    3. heeft dienst gedaan als cultusplaats. De eerste religieuze handelingen vonden er plaats tussen ongeveer 125 en 15 voor Chr., vermoedelijk in de openlucht (p.76).
    4. Het is onwaarschijnlijk dat deze laatste afkomstig zijn van inheemse boerderijen; eerder denken we aan palen met een rituele betekenis, misschien totems (p.76).
    5. Aan de zuidzijde lagen identieke staketselrijen, zodat zij destijds vermoedelijk de gehele cultusplaats omsloten (p.76).
    6. De omheiningen kunnen ook een rol hebben gespeeld in de waterhuishouding. In natte seizoenen kunnen de door vlechtwerk verbonden palen een houten waterkering tegen het wassende water hebben gevormd. (p.76).
    7. Hoewel ondiepe sporen natuurlijk uitgewist kunnen zijn, is duidelijk dat de Empelse cultusplaats in de vroegste fasen geen monumentale gebouwen heeft gekend (p.76).
    8. In Empel kunnen we, behalve aan de al genoemde palenrijen met een rituele betekenis, ook denken aan bomen of vuurplaatsen, al zijn sporen daarvan niet gevonden (p.77).
    9. Waarschijnlijk in de Flavische periode (70 - 100 na Chr.) verrees op de cultusplaats een monumentaal tempelcomplex (p.77).
    10. De sporen daarvan waren echter, zoals te verwachten was na het aftoppen van de donk, sterk aangetast (p.77).
    11. de eigenlijke tempel, waarvan, zoals gezegd, de bodemsporen door de egalisatie plaatselijk geheel zijn uitgewist (p.77).
    12. Het aardewerk dateert de aanleg van de putten globaal in het einde van de 2de of bet begin van de 3de eeuw (p.78).
    13. Omdat de vondsten uit deze periode echter geen votiefkarakter hebben, nemen wij aan dat de cultusplaats in de loop van de 3de eeuw is opgegeven (p.78).
    14. Het is aannemelijk dat de tempelruÔne al in de 4de eeuw is gesloopt (p.78).
    15. Door de toenemende onveiligheid als gevolg van herhaalde invallen van Germaanse groepen van buiten de Romeinse rijksgrens (p.79).
    16. De geringe afstand tussen beide plaatsen en hun ligging langs de Maas rechtvaardigen de veronderstelling dat men voor de bouw van het fort te Kessel de directe omgeving heeft afgestroopt, op zoek naar bouwmaterialen (p.79).
    17. de vondst van een plaatje van 6,5 bij 7cm waarop een votiefinscriptie is aangebracht. De inscriptie kan aan het eind van de 1ste of in het begin van de 2de eeuw worden gedateerd (p.80).
    18. Afgezien van deze inscriptie bestaan er nog andere aanwijzingen voor de identiteit van de vereerde godheid, zoals een bronzen Herculesbeeldje en het belangrijke aandeel van wapens in de offergaven. De combinatie van deze drie argumenten maakt aannemelijk dat Hercules Magusenus of Magusanus, de hoofdgod van de cultusplaats is geweest (p.80).
    19. Interessant in dit verband is de herkomst van het bekende, aan Magusanus opgedragen altaar van het op ongeveer 10 km van Empel gelegen Sint-Michielsgestel-"Ruimel". Deze steen werd in 1679 in een secundaire context aangetroffen (p.80/81). Zie afbeelding en beschrijving in de linker kolom hierboven. Lees ook meer over de altaarsteen van Ruimel.
    20. Het altaar is niet op de oorspronkelijke locatie aangetroffen en moet dus van elders zijn aangesleept. Omdat niet aannemelijk is dat er binnen zo'n korte afstand een tweede heiligdom van Magusanus bestond, is het mogelijk dat de steen oorspronkelijk uit het heiligdom bij Empel stamt (p.81).
    21. De inheemse godheid Hercules Magusanus is goed bekend uit het Nederrijnse gebied. Juist in het gebied van de Bataven, waarin ook Empel ligt (p.81). Sinds wanneer ligt Empel in de Betuwe? De Betuwe was toch het eiland van de Bataven, of wordt dit nu losgelaten?

      Uit het geheel van citaten blijkt duidelijk dat er veel twijfel bestaat over de tempel van Empel. Niet zozeer over de archeologische vondsten, des te meer over de interpretaties ervan, wat wel blijkt uit woorden als 'suggereert' en 'suggesties', 'verondersteld', 'veronderstelling', 'historische interpretatie' .
      Let speciaal op de (door mij) onderstreepte woorden. Nogal vaak is er sprake van 'vermoeden/vermoedelijk', 'waarschijnlijk', aannemelijk', 'aangenomen', 'suggereert'.
    22. Aangenomen mag worden dat Magusanus de hoofdgod van de Bataven is geweest. Indien het altaar van Ruimel oorspronkelijk inderdaad uit Empel stamt, onderstreept het de betekenis van het Empelse heiligdom; het altaar is namelijk gewijd door de summus magistratus, de hoogste gezagsdrager van de civitas Batavorum (p.81).
    23. Aangenomen dat er een relatie bestaat tussen offergaven en de verhouding mens-godheid, kunnen wij door die te bestuderen meer te weten komen over hoe de mensen dachten over het goddelijke (p.82). Knap dat Roymans en Derks kunnen weten hoe mensen dachten. Dat is bij levende mensen niet mogelijk, laat staan bij doden. Lees anders nog eens de brief van prof. De Vries hierboven.
    24. Op de donk zijn, buiten de sporen van de cultusplaats. geen andere bewoningssporen uit de Romeinse tijd of Late IJzertijd aangetroffen. Op grond hiervan mogen alle op het opgravingsterrein gedane vondsten direct of indirect met religieuze activiteiten in verband worden gebracht (p.83).
    25. De voorwerpen zijn in hoofdzaak uit de periode tussen c. 125 voor Chr. en 250 na Chr. afkomstig (p.83).
    26. Vreemde munten zijn de gouden munten van de stam van de Eburones en een groep zilverstukken, die vermoedelijk een Bataafse emissie vormen. (p.83).
    27. De meer dan 250 Romeinse munten begint met een tiental republikeinse zilveren denarii uit de 1ste eeuw voor Chr. en eindigt met een vijftiental bronzen 4de-eeuwse exemplaren. Uit de 2de en 3de eeuw zijn relatief weinig munten aangetroffen. Stukken uit de voor-Flavische tijd (vůůr 69) zijn veruit het sterkst vertegenwoordigd (p.83).
    28. Behalve veel munten zijn in Empel meer dan 400 mantelspelden aangetroffen van late IJzertijd tot vroeg-Romeinse tijd (p.83/84).
    29. De soldaten die op de cultusplaats hebben geofferd, waren voor een belangrijk deel inheemse lieden, waarschijnlijk Bataven (p.84).
    30. Het hoeven echter niet uitsluitend soldaten te zijn geweest die munten of fibulae offerden. Niet-militaire offergaven zijn een verzilverde bronzen spiegel en een snoer van barnstenen kralen (p84/85).
    31. Het is opvallend dat onder de vele honderden aardewerkscherven die zijn verzameld zich weinig luxe tafelwaar bevindt, in tegenstelling tot een ruim aanbod van kruiken en olie-amforen, Dit geeft aan dat het belang van drank- en vleesconsumptie op de cultusplaats groter was dan in een doorsnee nederzetting. Deze alinea besluit met... waarschijnlijk...kan zijn...vermoedelijk...lijken... (p.85).
    32. De bij Empel opgegraven cultusplaats lijkt een van de centrale heiligdommen te zijn geweest van de in het N ederrijnse gebied populaire Herculescultus (p.85).
    33. Empel is de eerste cultusplaats in de regio waarvan, op basis van de vondsten, een voor-Romeinse oorsprong mag worden verondersteld (p.85).
    34. Het is een aantrekkelijke gedachte de plotselinge "hausse" in de depositie van metalen offergaven in deze fase te verbinden aan de komst en vestiging van de Bataven in het Nederrijnse gebied (p.85).
    35. Door deze historische interpretatie kunnen we een verband leggen met de vroegste contacten die de Bataven met de Romeinen onderhielden (p.85).
    36. Onlangs is aannemelijk gemaakt dat de Germaanse ruiterij, die in 36 voor Chr. in het gevolg van Octavianus op SiciliŽ was, hoofdzakelijk uit Bataven bestond (p.85).
    37. Dit pleit voor een zeer vroege datering van het bijzondere verdrag dat de Bataven volgens Tacitus met de Romeinen hadden (p.85).
    38. Tegen de achtergrond van de historische gegevens over de massale levering van hulptroepen door de Bataven aan het Romeinse leger in vooral de voor-Flavische periode (p.85).
    39. Het belang van een krijgshaftige ideologie bij de Bataven was tot op heden niet aantoonbaar bij het archeologische onderzoek van rurale nederzettingen en grafvelden (p.85).
    40. Het Empelse voorbeeld suggereert dat bij de Bataven deze ideologie vooral gestalte kreeg in rituele deposities op cultusplaatsen (p.85).
    41. Wat is de relatie tussen het Empelse tempelcomplex en de Bataafse elite? (p.85)
    42. Hoewel iedere concrete aanwijzing ontbreekt, hebben we over dit thema enkele suggesties op basis van algemene ontwikkelingen in de noordelijke provincies van het Romeinse rijk (p.85).
    43. De Bataafse aristocratie financiert publieke bouwwerken, met name tempels, Ook in Empel kan dit het geval zijn geweest, evenals bij de vrijwel identieke tempel van EIst. Leden van de Bataafse aristocratie zullen ook de priesterambten in het Hercules-heiligdom van Empel hebben bekleed (p.86).
    44. Het algemene patroon in GalliŽ en het Rijnland is dat het leden van de inheemse elite waren die als priester een bemiddelende rol vervulden in de relatie tussen inheemse gemeenschappen en hun (geromaniseerde) godheden. In Empel zal dit niet anders zijn geweest (p.86). Knap van Roymans en Derks dat zij dit weten. Waaruit blijkt dat? Of is het slechts een aantrekkelijke gedachte?

    Samengevat gaat het er om of er van een cultusplaats sprake is. In de hierboven genoemde letterlijke citaten met volgnummer 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 13, 14, 18, 20, 24, 29, 32, 33 en 40 is sprake van (zie de onderstreepte woorden): vermoeden, vermoedelijk, onwaarschijnlijk, misschien, vermoedelijk, hoewel, kunnen we denken aan, waarschijnlijk, nemen we aan, aannemelijk (2x), mogelijk, mogen in verband worden gebracht, waarschijnlijk, lijkt een, mag worden verondersteld, ideologie suggereert.

    Dat het om een Bataafse cultusplaats zou gaan, moet blijken uit de letterlijke citaten met volgnummer 21, 22, 26, 29, 34, 35, 36, 39, 40, 41, 42 en 44 waarin achtereenvolgens sprake is van 'het gebied van de Bataven waarin ook Empel ligt' (sinds wanneer ligt Empel in de Betuwe?), aangenomen mag worden, vermoedelijk, waarschijnlijk, aantrekkelijke gedachte, historische interpretatie, aannemelijk, niet aantoonbaar, suggereert, iedere concrete aanwijzing ontbreekt, suggesties, kan zijn geweest, zullen ook hebben bekleed, in Empel zal dit niet anders geweest zijn.


    Hiermee bewijs je dus helemaal NIETS!

    De conclusie uit beide producties moet dan ook zijn dat er veel gespeculeerd wordt op grond van onjuiste uitgangspunten. Bewijs eerst die uitgangspunten eens en ga dan op zoek naar mogelijke verklaringen, als die al te vinden zijn! Lees bijvoorbeeld eerst eens wat Tacitus precies schrijft over de Bataven!

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor alle teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.