De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het Valkhof, 2000 jaar geschiedenis.

Lees meer over achtergronden om een goed begip te krijgen van waar de historici in de fout gingen.

"Stabilitas loci"


wetenschap is twijfel


ongelooflijk


Heiligenlevens


Kletspraat

Deze pagina wordt steeds bijgewerkt!



Feitelijk is Het Valkhof een misplaatste naam. Deze naam impliceert de bij de Karolingen gebruikelijk Valkenjacht. Maar van een Valkenjacht is daar nooit sprake geweest, immers de Karolingen zijn nooit in Nijmegen geweest.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!




Laat Badorf aardewerk: tweede helft 9e eeuw.


Het aardewerk uit de Maas
Bij het duiken zijn aanzienlijke hoeveel heden aardewerk en baksteen geborgen. Het complex bestaat echter niet volledig uit laat-Romeinse ceramiek. Voor een klein deel gaat het om over het algemeen goed herkenbare, meestal relatief jonge, weinig spectaculaire vondsten (18e-19e eeuw), hoewel daar sporadisch ook wel middeleeuwse hij zitten. Recente en opvallende aanvullingen op dit beeld zijn een bodem- en wandfragment van Merovingisch ruwwandig aardewerk en naar goed Cuijks gebruik zijn zowel de oxide rend als de reducerend gebakken variant vertegenwoordigd. Niet onverwacht is daarbij ook een kleine hoeveelheid aarde werk, dat een afspiegeling vormt van oudere Romeinse bewoningsfasen met inbegrip van de Flavische periode. Daarbij zitten geen opvallende vondsten en gaat het om doorsnee Romeins aardewerk: terra sigillata (ook versierd) uit Zuid- en Midden-Gallië, Belgische en geverfde waar, glad-, ruw- en dikwandig aardewerk. Het laat-Romeinse deel van het complex bestaat voor het overgrote deel uit slechts twee categorieën cerarniek: term sigillata en ruwwandig aardewerk. Andere categorieën zijn wel vertegenwoordigd, maar het gaat daarbij om betrekkelijk kleine aantallen fragmenten, waarmee overigens niet gezegd wil zijn dat die minder belang moeten worden toegekend. Integendeel: bij alle categorieën zijn wel interessante vormen en/of baksels aanwezig.
Westerheem 60/4 p.167/168.


De oude parochiekerk op het Valkhof.
Na de uiteindelijke instemming en de overdracht van de kerk aan de broeders van St. Jan , is de nieuwe St.Stevenskerk gebouwd. Gegevens over de bouw zijn niet bekend gebleven, enkel het feit dat Albertus de Grote, toen wijbisschop van Keulen, op 7 September 1272, de dag voor het feest van Maria Geboorte, de kerk heeft gekonsakreerd. Bij deze gelegenheid heeft zich iets voorgedaan, dat van het hoogste belang is voor de Karolingische kwestie. Albertus de Grote legde namelijk aan de parochie de verplichting op om elk jaar, acht dagen na Pinksteren een processie te houden naar de plaats van de oude kerk, speciaal om de gelovigen te herdenken, die daar begraven waren. In die processie moesten het H. Sakrament, het beeld van de H. Maagd en de relieken van de heiligen meegedragen worden.
Het staat vast, dat de processie het Valkhof als doel had.
Dit voorschrift is door de parochie trouw opgevolgd en heeft geleid tot de beroemde Maria-Omdracht van Nijmegen, die in de middeleeuwen een grote faam genoot. Een zijdelings gevolg ervan is geweest, dat de schrijver van een mirakelspel dit in Nijmegen situeerde als Mariken van Nimwegen. Dit mirakelspel valt in de categorie nep in Nijmegen, want het heeft zich daar, of waar dan ook, nooit voorgedaan. Het is een mirakelspel, ook al wordt men in tegenwoordig Nijmegen er overal aan herinnert, zonder de nadruk te leggen op 'mirakel'.
Tijdens de protestantse overheersing werd de Maria-Omdracht verboden; de traditie is vooral op instigatie van Prof. Titus Brandsma in 1926 hernomen, al bleek spoedig dat zij doodgebloed was en de mens van vandaag niet meer aanspreekt.
In 1962 is plotseling en zonder enige uitleg de Maria-Omdracht van het programma geschrapt.
Let goed op: in hetzelfde jaar werd het Keizer Karelbeeld in Nijmegen opgericht! Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden dat dit gebeurde nadat Albert Delahaye met zijn publikaties over de Maria-Omdracht naar Brabant was verjaagd. De ware reden van de opheffing van deze aloude traditie is - en laat U niets anders wijsmaken - dat het voor de Karolingische toeteraars onverdraaglijk was, dit jaarlijks terugkerend bewijs dat de oude parochiekerk en het oude kerkhof op het Valkhof aanwezig zijn geweest, en er geen sprake is geweest van een Karolingische palts voor de burcht van Barbarossa uit 1155. De fraudes van het Bronnenboek zijn systeem geworden in Nijmegen. Om de mythe in stand te houden, ziet men er zelfs geen been in de ware historie om zeep te helpen.

Uit de opdracht van St. Albertus de Grote blijken vier gewichtige zaken:

1. Voor de bouw van het paleis van Frederik van Barbarossa, dat er in 1155 was gesticht, was het Valkhof het kerkelijke domein van de stad en was de St. Nicolaas-kapel de parochie-kerk.

2. Op het tijdstip van de bouw van deze kerk, het einde van de 11de eeuw -de kerk is immers aan St.Nicolaas gewijd en daarmee de oudste St.Nicolaaskerk van Nederland. Vóór 1087 was St.Nicolaas, die de patroon van de schippers was, in Westelijk Europa nog onbekend- ,was het Valkhof nog geen keizerlijk domein, laat staan een overblijfsel van een Karolingische residentie. Opvallend detail: de tweede voornaam van prof.dr.F.Hugenholtz was Nicolaas. Was hij daarom zo fel tegen Albert Delahaye die van Nicolaas meer bleek te weten dan hij? De naam Nicolaaskapel, zoals de kapel tegenwoordig heet, bevestigt immers het gelijk van Delahaye, dat er nooit een Karolingische residentie heeft bestaan.

3. Een en ander verklaart nog beter de aanvankelijke tegenzin van Nijmegen om toe te stemmen in de verplaatsing van de kerk, wat nog te aanvaarden was bij het vooruitzicht op een nieuwe en fraaiere kerk, maar wat pijnlijker was met betrekking tot het kerkhof, waaraan de mensen gevoelsmatig meer gehecht waren. De verplichting tot de jaarlijkse processie was dan ook het belagrijkste element dat Albertus de nieuwe kerk en parochie oplegde.

4. Het voorschrift van de jaarlijkse processie mag men terecht opvatten als een zacht protest tegen de houding van de graaf van Gelre, die de kerk en het kerkhof uit zijn voortuin weg wilde hebben. Met dit zacht protest wilde Albertus de gelovigen van Nijmegen op een devote manier op het hart binden door hen elk jaar eraan te doen herinneren, dat de kerk voor een wereldlijk heer had moeten wijken. De parochie had haar doden moeten achterlaten op een geprofaneerd terrein, waar de mensen van Nijmegen normaal geen toegang toe hadden. Die toegang kregen zij nu door jaarlijkse processie, voorgeschreven door de aartsbisschop van Keulen, die meer te vertellen had dan de graaf van Gelre.



Rode mortel bij de Romeinen
De Romeinen waren zeer deskundig op het gebied van mortel. Ruďnes van hun bouwwerken staan al eeuwen bloot aan weer en wind, zonder dat de mortel uitgespoeld is. Romeinse mortel bestaat meestal uit kalk, zand en water. Voor waterwerken kon de kalk door puzzolaan vervangen worden, dat bij Napels gewonnen werd. De Romeinse architect Vitruvius geeft een variant, die een rode mortel oplevert. Hij kiest daarvoor 1 deel kalk, 2 delen rivierzand, aangevuld met 1 deel gemalen dakpan, en 15 ŕ 20% water. Het resultaat is herkenbaar aan de rood-roze voegen, bij beschadigingen is te zien dat het hele metselwerk met deze rode mortel is opgetrokken: navoegen was bij de Romeinen een uitzondering.

Deze rode mortel die in Nijmegen Karolingisch wordt verklaard, maar in werkelijkheid Romeins is, bevestigt het enorme gat van Nijmegen in de continuďteit. Dat gat wordt met die rode mortel aangetonnd tussen de derde (vierde?) en de twaalfde eeuw. Dat gat van Nijmegen zie je ook telkens terug in diverse publicaties. Zie als voorbeeld het Verhaal van Gelderland. Enkele opmerkingen daaruit worden hiernaast al genoemd.



De eerste vraag is of die 2000 jaar geschiedenis slechts voor het Valkhof geldt of ook voor de hele stad? In Nijmegen meent men dan wel dat het de oudste stad van Nederland is, maar daarvoor bestaan bij voorbaat al twee problemen: ① er is geen enkel bewijs dat Nijmegen ooit stadsrechten kreeg van de Romeinen en ② er bestaat geen continuďteit in de geschiedenis van Nijmegen. Naast deze twee problemen kent de geschiedenis van Nijmegen nog meerdere bezwaren, zoals het paleis van Karel de Grote in Noviomagus. Stond dat in Nijmegen of toch in Noyon?

De visie van Albert Delahaye.
Het is wel duidelijk dat Albert Delahaye tijdens zijn werk in Nijmegen een totaal andere kijk kreeg op de continuďteit van de stad. Die bleek er niet te zijn geweest. Het Romeins werd door hem niet ontkend, al beweren kwaadaardige opponenten dat wel eens. Maar zelfs in de Romeine periode zijn enkel hiaten aangetoond en daarn brak een lange tijd van een nagenoeg onbewoonde periode aan. Er zijn wel enkele graven gevonden uit verschillende eeuwen, maar met een graf bevestig je geen bewoning, zolang er geen nederzetting wordt gevonden. Zo is van de aanwezigheid van een Karolingische Palts die er ruim 4 eeuwen gestaan moet hebben ook nog steeds niets teruggevonden. Maar het belangrijkste in de visie van Delahaye vormen de teksten. En die wijzen allemaal naar het Noviomagus waar Karel de Grote tot Koning van de Franken werd gekroond, wat onmiskenbaar het Noord-Franse NOYON was. Alle teksten die in Het Bronnenboek van Nijmegen opgevoerd worden om daarmee te bewijzen dat 'toch Nijmegen bedoeld zal zijn', blijken over Noyon te gaan. Ligt Nijmegen aan een rivier die uitstroomt in de Seine? Ligt Nijmegen vlak bij Parijs? Ligt Nijmegen tussen Soissons en Amiens? Ligt Nijmegen in Picardië? Heeft Nijmegen ooit een bisschopszetel gehad? Op al deze vragen is het antwoord volmondig NEEN. Dan was Noviomagus ook niet Nijmegen, maar Noyon.

Al met al is 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' een heel eerlijk boek. Er wordt niet om de hete brij heen geschreven, maar er wordt volledig erkend dat de geschiedenis van het Valkhof grote problemen kent. Alles wat traditioneel ooit voor het Valkhof als ware geschiedenis is vastgesteld, blijkt onderhevig aan flinke twijfel. Zelfs zoveel twijfel dat er nauwelijk iets van overblijft. Geldt dat ook voor de stad Nijmegen? In feite is de beste manier om het gelijk van Albert Delahaye aan te tonen, te lezen wat zijn opponenten schrijven. Zowel tijdens Romeins Nijmegen en Nederland, maar ook tijdens Merovingisch en Karolingisch Nijmegen en Nederland vormde Het Valkhof een centrale plaats, tenminste volgens de traditionele geschiedenis. Of was het slechts een hooggelegen uitkijkpost aan de Waal, waar Claudius Civilis stond te tandenknarsen toen hij de Romeinse legerscharen zag naderen?

Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis.
De geschiedenis van het Valkhof gaat meer dan 2000 jaar terug. Al in de late bronstijd was de heuvel in de bocht van de Waal bewoond. De Romeinen vestigden er aan het begin van onze jaartelling de Romeins-Bataafse burgernederzetting Oppidum Batavorum. Ook de Frankische heersers namen de strategische plek dankbaar in gebruik en bouwden er vermoedelijk (sic ?) een kerk. Onder Karel de Grote verrees op het Valkhof een palts, die hij met enige regelmaat bezocht. In de lange periode daarna groeide het gebouwencomplex uit tot een trotse burcht die onder opeenvolgende keizers, graven, hertogen en stadhouders vele malen werd verbouwd en uitgebreid, verwaarloosd en gerestaureerd. Alle protesten van de Nijmegenaren ten spijt viel nagenoeg het gehele complex in 1796 ten prooi aan de slopershamer. Het Valkhof werd een park, met de Barbarossaruďne en de Sint-Nicolaaskapel als stille getuigen van het roemruchte verleden.
De redactie en de auteurs.
Het Valkhof. 2000 jaar geschiedenis vertelt én toont het verhaal van de rijke geschiedenis van deze lieu de mémoire, die gezien de vele plannen en discussies over reconstructie van de hele burcht of alleen de donjon nog altijd de harten beroert. De redactie bestond uit Hettie Peterse, Dolly Verhoeven, Rob Camps, Ruth Klein, Barbara Kruijsen, Jan Kuys, Martijn Nicasie en Mieke Smit. De auteurs van de verschillende hoofdstukken zijn: Arjan den Braven, Harry van Enckevort, Jac Geurts, Elizabeth den Hartog, Joep Hendriks, Jan Kuys, Hettie Peterse, Louis Swinkels, Jan Thijssen en Bert Thissen. Bij elkaar een aantal van liefst 18 deskundigen, die de traditionele opvattingen weer eens 'gekunsteld' te berde brengen. Echter geen van hen, op Bert Thissen na, gaat in op de prublicaties van Albert Delahaye. Bert Thissen maakt zich er overigens met enkele misplaatste opmerkingen over 'complottheorieën' en 'spelregels van interpretaties' vanaf, zonder in te gaan op wat hij daarmee precies bedoeld.

De Karolingische Palts.
Het meest essentiële onderdeel van het Valkhof is de aanwezigheid van de Karolingische Palts, waarop de hele middeleeuwse geschiedenis van Nijmegen is gebasseerd. Heeft dat paleis van Karel de Grote met de naam Noviomagus of Numaga in Nijmegen gestaan, zoals traditioneel aangenomen is, of stond dit paleis in Noyon, zoals Albert Delahaye beweerde?
Wat schrijft men in Het Valkhof daarover? In hoofdstuk 3 de Palts te Nijmegen van 777 tot 1247, wordt over die Paltsen een erg uitvoerig verhaal verteld. Wat lezen we nu werkelijk over die Palts in Nijmegen?
  • Bij Paltsen die eeuwenlang hebben bestaan, zoals die van Nijmegen, deden zich in de loop van de tijd grote veranderingen voor in de context. De palts in Nijmegen zou eeuwenlang hebben bestaan! Waarom wordt er dan nog steeds, zowel archeologisch als tekstueel, niets van teruggevonden?
  • Op dit moment is vooral de situatie ten tijde van de eerste vermelding van Nijmegen en de Palts van belang. We bevinden ons in 777 nog in de beginperiode van de regering van Karel de Grote, die pas negen jaar eerder, in 768, koning was geworden. In de oorkonde uit 777 wordt geen enkele palts vermeld, ook niet die van Nijmegen. Slechts de ondertekening met Numaga heeft historici in het verleden op de geachte gebracht dat het best wel eens over Nijmegen zou kunnen gaan. Die oorkonde ging over schenkingen aan het bisdom van Willibrord, waarvan men aanname dat dat Utrecht was. Dat was voor prof.dr.R.R.Post ook de reden om te menen dat het om Utrecht ging, omdat het zo dicht bij Nijmegen ligt. Lees meer over de oorkonde uit het jaar 777.
  • Voor een beeld van de eigentijdse geografische context van de Nijmeegse Palts rond 777 kunnen we allereerst teruggrijpen op de Kosmografie van de geograaf van Ravenna . Die plaatst Nijmegen binnen het gebied van de Rijnfranken, aangeduid als Francia Rinensis. Dat was het deel van het door de Franken beheerste gebied dat zich in het stroomgebied van de Rijn bij Keulen concentreerde.
  • Ook bij de Palts Nijmegen heeft dat strategische aspect een rol gespeeld: vanaf hier overzag men het gebied van de Betuwe met de Waal en de Rijn tot aan de zuidrand van de Veluwe. Dat strategische aspect gold voor de Nijmeegse historici met betrekking tot de strijd tegen de Saksen die men in Oost-Nederlane en westelijk Duitland had gedacht. Toen Delahaye de twijfel over de locatie van de Saksen naar voren bracht, werd het strategische aspect plots ontkend.
  • De belangrijke landroute tussen de Maas bij Mook en de Waal bij Nijmegen was feitelijk onderdeel van een oude Romeinse wegverbinding die vanaf de omgeving van Tongeren noordwaarts liep en bij Nijmegen de oude Romeinse weg die vanaf Keulen noordwaarts de Rijn volgde en vervolgens in westelijke richting de Waal volgde. het is ook opvallend dat behalve van die palts van Karel de Grote, ook van de Romeinse wegen rondom Nijmegen zo goed als niets van teruggevonden is. Van Romeinse wegen langs de Waal al helemaal niets. Nu zijn die Romeinse wegen ook geen probleem, immers Romeins Nederland heeft bestaan, maar zaken die niet terugevonden zijn, slchts aangenomen, kunnen niet als bewijs dienen.

    Op pagina 81 wordt het specifieke probleem van de identificatie van de vermeldingen van Noviomagus besproken. Juist hierover gaat de studie van Albert Delahaye. Wordt met Noviomagus en andere naamsvormen Nijmegen bedoeld, zoals men traditioneel zo gemakkelijk aanneemt? Het is een traditie die beslist niet tot de Romeinen teruggaat, zoals prof.dr. F.Hugenholtz eens wat te gemakkelijk stelde. Het gaat slechts terug tot de 15e eeuw, toen dit door enkele fabelschrijvers o.a. kanunnik Willem van Berchen voor het eerst beweerd werd.
    Willem van Berchen had dit volgens eigen zeggen gelezen bij Gregorius van Tours. En hier valt Willem nu door de mand, in 1480 niet, want wist iemand toen wie Greorius van Tours was? Nu wil het ongelukkig toeval voor Willem (en zijn hedendaagse navolgers) dat Gregorius van Tours, geboren ca. 538, tot ca. 594 heeft geleefd en geschreven, niets over Karel de Grote van twee eeuwen later heeft kunnen schrijven. Met andere woorden: Willem staat te fabelen; hij heeft een en ander uit een grote duim "bijeengegaard" en wil zijn mededelingen ook nog met valse referenties dekken. Ook latere historici zoals prof.dr.F.Hugenholtz hebben deze mededeling van Willem van Berchen nooit doorzien. Als dit probleem, men noemt het in Nijmegen immers een probleem, is opgelost is de hele mythe van Karolingisch Nijmegen in een klap opgelost.

  • De tekst op p.81 luidt: "Een specifiek Nijmeegs probleem is de identificatie van de vermeldingen. In de bronnen, die in het Latijn geschreven zijn, komen we naamsvormen als Neomaga, Neumaga, Niumaga, Nivimagun en Noviomagus tegen. Het is niet bij voorbaat duidelijk dat hiermee inderdaad Nijmegen wordt bedoeld, want er zijn andere plaatsen met vergelijkbare namen. Soms blijkt het bij de middeleeuwse vermeldingen bijvoorbeeld te gaan om het Franse Noyon, soms om het Duitse Neumagen. Voor de Nijmeegse archivaris Albert Delahaye vormde dit, in combinatie met het feit dat de Karolingische palts op het Valkhof voor zover destijds werd onderkend nog niet was teruggevonden, vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw aanleiding om het bestaan van heel Karolingisch Nijmegen te ontkennen: alle vermeldingen zouden betrekking hebben op Noyon in Noord-Frankrijk? [noot 30: zie hierna]. Ook alle andere plaatsnamen die in de middeleeuwse bronnen direct of indirect met Noviomagus in verband worden gebracht, zouden in die contreien moeten worden gesitueerd. Noord-Nederland zou in de vroege en volle middeleeuwen een vrijwel leeg gebied zijn geweest. Toen dit in de twaalfde eeuw voor menselijke bewoning werd ingericht, zouden oude namen zijn gekopieerd en zou de mythe zijn ontstaan dat de bewoning hier al van eeuwen her dateerde. Delahaye, die zich uiteindelijk verloor in complottheorieën, is duidelijk te ver doorgeslagen in zijn kritiek, maar een feit blijft wel dat de juiste interpretatie bij naamsvormen als Noviomagus problematisch kan zijn. Vaak geeft de context uitsluitsel, maar soms resteert er een onzekerheidsmarge". (p.81).

    Wat in deze tekst geschreven wordt is helemaal juist (op enkele tekstuele onvolkomenheden na). Het komt er op neer dat Delahaye twijfelde aan de toepassing van de naam Noviomagus op Nijmegen, zeker omdat van het Paleis van Karel de Grote dat in pracht en praal was gebouwd, zoals Einhard vermeldde, nooit iets gevonden is. Bert Thissen, de auteur van deze tekst (en de co-auteur van Het Bronnenboek van Nijmegen -dat verklaart al een heleboel!), geeft wel meerdere keren aan dat de identificaties problematisch zijn. En juist over de 'problematische interpretaties van naamsvormen' gaat de studie van Delahaye. In zijn studie maakt Delahaye duidelijk dat alle teksten over Noviomagus tot het jaar 1047 niet over Nijmegen gaan maar over Noyon. En als die identificatie van Noviomagus problematisch zijn. Geldt dat dan ook niet voor meerdere plaatsen die hun geschiedenis juist te danken hebben aan de verbinding met Nijmegen en het Karolingisch paleis ter plaatse, zoals met de oorkonde uit 777 gezwaaid wordt? Als Karolingisch Nijmegen van het voetstuk valt, neemt het in die val ook alle plaatsen mee die onlosmakelijk met Karolingisch Nijmegen verbonden zijn, zoals Utrecht en 'Dorestad' en alle overige plaatsen uit die befaamde oorkonde uit het jaar 777. En dat 'problematische' van de plaatsnamen in alle teksten, vormen in Frankrijk geen enkel probleem. Die zijn daar allemaal aan te wijzen, ook de honderden plaatsen uit die teksten die in Nederland onvindbaar blijken, volgens de toponymisten Blok en Gysseling.

    Over complottheorieën gesproken. Mogen we ook weten welke theorieën dat dan zijn? Volgens Van Dale is een complot een samenzwering tegen iets of iemand. Samenzwering? Met wie zweert Delahaye dan samen? Hij stond volgens prof.dr.Leupen toch alleen in zijn opvattingen? Is het niet precies andersom en wel dat de gevestigde historici tegen Delahaye samenzweerden? Zij weren en verzwijgen en-bloc de boeken van Delahaye, die in alle literatuurlijsten over Nijmegen ontbreken. Wat hier over complotteheorieën geschreven wordt, waartegen Delahaye zich verloor, kun je ook opvatten dat Delahaye het uiteindelijk verloor van het complot tegen hem, waarbij het complot bestond uit het zwijgen en verzwijgen van de theorieën van Delahaye. In elke literatuurlijst over Middeleeuws en Romeins Nederland ontbreken steevast de boeken van Delahaye en dat gebeurt heel bewust. Blijkbaar mag het publiek niet te weten komen wat Delahaye nu precies geschreven heeft. Maar geen nood: deze boeken zijn nog steeds te bestellen. Zie daar.


    [Noot 30]: In noot 30 lezen we het volgend: 'Pas later zijn muurresten die al eerder bij opgravingen op het Valkhof waren aangetroffen als daterend uit de Karolingische tijd herkend, vgl. hoofdstuk 2'. In hoofdstuk 2 gezocht naar 'muurresten' en 'Karolingische tijd'. Er wordt een skelet uit de Karolingische tijd genoemd (zie pun 4 hieronder) en Romeinse verdedigingsmuren die in de Karolingische tijd nog overeind stonden. Daarover lezen we:
    1. Leupen nam aan dat Nijmegen werd versterkt in de eerste helft van de negende eeuw, na een reeks Vikingaanvallen in het Friese gebied. Het is nog niet helemaal duidelijk of bij die gelegenheid de Romeinse verdedigingswerken werden hersteld of dat een nieuwe versterking werd aangelegd. (p.66). Leupen gaat hier dus uit van een periode ná 880, dus niet ten tijde van Karel de Grote.
    2. Hoe de palts er in de Karolingische tijd uitzag, is onbekend. De enige paltsgebouwen die nog (deels) overeind staan, de Sint-Nicolaaskapel en de Sint-Maartenskapel, dateren van na de Karolingische tijd (p.67). Ook deze gebouwen zijn van lang ná Karel de Grote en wel uit 1087 en 1155.
    3. Misschien was dit in het begin van de Karolingische tijd een vrij open terrein waar op Rijksdagen en tijdens andere belangrijke evenementen grote groepen mensen bijeenkwamen om een tentenkamp op te slaan (p.68). Tentenkampen! Dat daar niet eerder aan gedacht is. Daarmee wordt wel simpel verklaard waarom er maar geen sporen van, zoals Einhard schreef, een in pracht en praal gebouwd paleis gevonden is. Tenten laten geen muurresten achter!
    4. Een radiokoolstofanalyse van het bot van het skelet uit graf I maakte onlangs duidelijk dat deze begraafplaats mogelijk zelfs nog tot in de Karolingische tijd in gebruik was (p.70. Probleem van dat skelet ook weer opgelost.
    5. Ongeveer halverwege de apsis werd haaks op de funderingsmuur aan beide zijden muurwerk aangetroffen bestaande uit tufsteenblokken, die eveneens gevoegd waren met rode mortel (lees daar meer over in de linker kolom). Weve veronderstelde dat de funderingsmuur behoorde tot de Merovingische voorganger van de palts. Het slechts gedeeltelijk bewaard gebleven opgaande metsel werk en het haaks op de funderingsmuur aangetroffen muurwerk plaatste hij in de Karolingische tijd (noot 136). Het is echter goed mogelijk dat de fundering en het opgaand metselwerk beide dateren uit de Karolingische tijd (p.71). Naast de veronderstellingen en de mogelijkheid hebben we noot 136 even nagezocht.
      In noot 136 wordt verwezen naar Weve 1993, De Valkhofburcht te Nijmegen. Een alsnog-Uitgave van bet manuscript uit 1925 (redactie J.M.T. Nooy), Nijmegen. p.99. Dat hebben we even nagezocht. Maar wat schrijft Weve precies?
      Voorts kan gesteld worden dat de in rode mortel uitgevoerde metselwerken, zowel hier bij de halfronde ruďne alswel bij de achthoekige kapel, moeten geacht worden te behoren tot de paleisbouw van Karel de Grote en Lodewijk de Vrome. Is het paleis van Karel de Grote of van zijn zoon, dus van ná 814? In deze bouw zijn waarschijnlijk bouwstenen verwerkt, die van elders afgebroken Romeinse gebouwen afkomstig waren. De noord-zuid gerichte funderingsmuur, die aan zijn einden metselwerk in rode mortel draagt, zou, als zijnde van jongere dagtekening dan het einde der Romeinse cultuur en tevens ouder dan Keizer Karel's paleis, tot metselwerk van de Merovingische palts kunnen behoord hebben, vanwaar Karel in 777 de bekende giftbrief aan de bisschop van Utrecht deed toekomen. Deze palts zou dan sedert 804, onder gebruikmaking van een deel van zijn gemetselde fundering, door een nieuw keizerspaleis kunnen vervangen zijn. Het is goed dat Weve naast 2x het zou kunnen (weg zekerjheid!), de oorkonde uit 777 noemt. Daarmee gaat dit hele verhaal naar het rijk der fabelen, immers de toepassing van de oorkonde uit 777 op Nijmegen en Utrecht is pure speculatie. Utrecht bestond niet eens in 777 en de rode mortel verwijst zonder meer naar de Romeinen, waarbij nog vermeldt wordt dat die bouwstenen van elders kwamen, dus niet al op het Valkhofterrein lagen, laat staan er deel uitmaakten van een Romeins bouwwerk.

      Wat lezen we verder nog over de Palts van Karel de Grote?
    6. Als we onderzoeken in welke perioden de Palts bijzonder vaak is bezocht, constateren we allereerst een onevenwichtigheid tijdens de regering van Karel de Grote. Na zijn bezoek in 777 wordt er geen enkel bezoek meer vermeld tot 804. In de laatste tien jaar van zijn leven is hij driemaal in Nijmegen. Na zijn dood in 814 bezoekt zijn zoon Lodewijk de Vrome deze Palts in dezelfde hoge frequentie. Dit biedt reden te veronderstellen dat het prachtige paleis dat Karel de Grote volgens zijn biograafEinhard te Nijmegen bouwde, dateert uit de periode na 777 en tegen 804 ten minste grotendeels voltooid was. Vermoedelijk had Einhard de palts te Nijmegen op het oog toen hij stelde dat Karel enkele door hem begonnen bouwwerken ook voltooid heeft.
      Karel de Grote is volgens de Nijmeegse opvattingen slechts 3x in zijn Palts op het Valkhof geweest. Het jaar 777 valt af: zie hiervoor. Verder is het knap dat deze auteurs weten wat Einhard 'op het oog had'. Een bril misschien? Het is slechts een vermoeden, naast een veronderstelling, en dat telt niet mee als bewijs.
    7. Vermoedelijk was net als in de Merovingische tijd ook tijdens de Karolingische periode sprake van bewoning in de nabijheid van de palts op het Valkhof. Geen bewoning bij de palts, waar dan wel? Krijgt Delahaye hier weer gelijk? Maar geen bewoning betekent dus dat Nijmegen als stad niet bestond.
    8. Herhaaldelijk is in de bronnen sprake van grote vergaderingen en zelfs algemene rijksvergaderingen te Nijmegen. Het is goed dat hier de bronnen worden genoemd, maar in die bronnen staat nergens 'Nijmegen'. Dat is een aangenomen interpretatie. Zoals in opmerkingg 3 hiervoor is vermeldt, verbleven de hooggeplaatste heren in tentenkampen. De informatie over afzonderlijke vergaderingen is meestal vrij fragmentarisch. We kunnen naast de gegevens over Nijmegen (zie opmerking hiervoor) echter een algemenere beschrijving leggen, die is overgeleverd via een geschrift van aartsbisschop Hincmar van Reims uit 882, getiteld "De ordine palatii". Hincmar geeft hierin aan de West-Frankische koning Karloman een uiteenzetting over het koningschap en legt uit hoe de hofhouding moet worden ingericht. Hier worden twee details genoemd die niet in Nijmegen te plaatsen zijn: Reims en West-Francië. De tekst uit 882 gaat over Frankrijk. Het is opvallend dat deze tekst in het Bronnenboek van Nijmegen ontbreekt, terwijl er toch bisschip Immo van Noviomagus wordt genoemd. De index van de Monumenta Germanica wijst deze bisschop aan Nijmegen toe. Het gebeurt nota bene in hetzelfde deel waar de studenten van Nijmegen Harduinus van Noyon ook aan Nijmegen toewijzen. Zelfs bij het raadplegen van de indices blijken zij blind te zijn geweest. het bewijst nogmaals dat deze studenten onder leiding van prof.dr.Leupen op indices hebben gewerkt en niet op de inhoud van de teksten zelf, dieze blijkbaar niet eens gezien hebben. Foei studenten!, maar driewerf FOEI voor hun professor. En deze studenten zijn de historici van regenwoordig die Delahaye wel even gaan vertellen waar hij fout was.

    Een interessante aanvulling over de Palts van Karel de Grote lezen we in het Verhaal van Gelderland, ook onder redactie van Dolly Verhoeven (e.a.).
    In het verhaal van Gelderland wordt uiteraard Nijmegen besproken en natuurlijk ook de daar wel of niet aanwezige Karolingische Palts. Op p. 334 worden kort de opvattingen van Albert Delahaye beschreven. Echter op deze ene bladzijde worden meerdere onjuistheden genoemd. Het geheel van het op deze pagina gestelde is onvolledig, onjuist en zelfs in tegenspraak met wat Delahaye in zijn boeken geschreven heeft. Blijkbaar proberen de auteurs met valse citaten en ongenuanceerde opmerkingen de opvattingen van Albert Delahaye belachelijk te maken. Lees er meer over in het verhaal van Gelderland. Wat schrijven de auteurs over dat paleis van Karel de Grote in Nijmegen? Daarvoor spitten we hoofdstuk 7 'Aan de rand van de Merovingische Wereld' en hoofdstuk 8 'Het Karolingische en Ottoonse Rijk' door.

  • Als er één plek in Gelderland is waar de aanwezigheid van de Merovingische vorsten of de rijksadel verwacht kan worden, is dat het Valkhofplateau in Nijmegen. Hier lag immers het Romeinse castellum dat zeker tot in de vroege vijfde eeuw een van de laatste steunpunten van het Romeins gezag in onze streken moet zijn geweest. Wetenschappers veronderstellen dat al het voormalig Romeinse staatsbezit, waaronder de militaire vestingen, stedelijke bestuurs-gebouwen en staatsgronden, in de late vijfde eeuw is overgegaan in de handen van de Frankische koningen. Maar vooralsnog zijn er geen sporen van voortzetting van de bezetting van dit castellum in de vroege middeleeuwen.
  • De vele kleine onderzoeken op het Valkhof en de grotere opgravingen op het aanpalende Kelfkensbos, waarvan de laatste plaatsvonden in 1996 en 1998 voorafgaand aan de bouw van Museum Het Valkhof, hebben nauwelijks resten uit de Merovingische tijd opgeleverd. Wel wijzen aardewerkscherven in de vulling van de grachten van het castellum op activiteit in de late vijfde en zesde eeuw, maar van de vroege inrichting van een Merovingische adellijke zetel lijkt geen sprake te zijn.
  • Van een stedelijke nederzetting zoals in de Romeinse tijd, die als centrum en marktplaats de regio bediende, lijkt geen sprake meer te zijn geweest. Wat er in Nijmegen gebeurde na het begin van de zesde eeuw blijft een vraag. Merovingische bewoningssporen op en rond het Valkhof. plateau ontbreken en het cluster met bijzondere graven aan de Burchtstraat lijkt na 500 geen vervolg te hebben gekregen
  • Terwijl nieuwkomers in de omgeving in de zesde eeuw meerdere Angelsaksische nederzettingen stichtten, bleef het voormalige Romeinse stadsgebied leeg. Hier zie je dus een van de gaten in de continuďteit van Nijmegen. Pas in het midden van de zevende eeuw liet de koning van Wessex een christelijke kerk bouwen, onmiddellijk ten zuiden van het Romeinse forum, en was Angelsaksische bewoning in de stad een feit (noot 40). Mogelijk geldt voor Nijmegen eenzelfde soort institutionele continuďteit, wat zou betekenen dat het Valkhof gedurende een ruime eeuw als plek van autoriteit op last van de koning in onbruik bleef. Hier zien we een volgend hiaat in de de continuďteit van Nijmegen In noot 40 dient zich, volgens Engelse onderzoekers M.Biddle e.a. over onderzoek in Winchester, Wessex and Anglo-Saxon, een parallel aan met de Britse stad Winchester, als voorbeeld dat het voorbestaan van koninklijk bezit niet altijd door een fysieke aanwezigheid bekrachtigd hoefde te worden. Zonder dat er iemand aanwezig was, bleef het koninklijk bezit voortbestaan, stellen deze onderzoekers. En bewijzen voor die stelling? Die zijn er niet, immers er was niemand die dat kon noteren of bevestigen.

  • De palts van Karel de Grote.
    Het eerste bezoek van Karel de Grote aan Nijmegen is gedocumenteerd in het jaar 777. Karel bezocht zijn palts met Pasen en vaardigde er later dat jaar een oorkonde uit (Actum Niumaga palacio publico) (noot 33). Karels biograaf Einhard beschreef, zoals al genoemd, duidelijk waar de palts lag (noot 34). Het moet een indrukwekkend gebouwencomplex geweest zijn, want Einhard noemde de Nijmeegse palts in één adem met die van Ingelheim en Aken, paleizen met een volgens hem indrukwekkende architectuur. De toevoeging 'publico' in de oorkonde kan erop duiden dat het op dat moment nog geen persoonlijk paleis van de koning was, maar ook diende als overheidsgebouw met een openbare functie (noot 35). (p.325/326).
  • In enkele kleine opgravingsputten op het Valkhof zijn sporen van uitgebroken muren gevonden die mogelijk uit de eerste helft van de achtste eeuw dateren. Dit zou het gebouw geweest kunnen zijn dat Karel in 777 bezocht en dat hij kort erna liet slopen om uiteindelijk een palacium regium, een koninklijk privépaleis te bouwen. Tussen 777 en 814 is Karel zeker vier keer in Nijmegen geweest om Pasen te vieren. (noot 36) (p.326).
  • Een opgravingsfoto uit 1911 met helemaal onderaan een mogelijk Karolingische muur van grote tufstenen blokken. In 2019 kwam dit deel van de noordwestelijke hoektoren boven aan de Nijmeegse Valkhofheuvel opnieuw aan het licht bij archeologisch onderzoek. (p.327) Deze Karolingische zuil werd in 1155 verwerkt in de Sint-Maartenskapel (Barbarossaruďne). Barbarossa verwees daarmee bewust naar de oude palts van zijn illustere voorganger Karel de Grote. (p.328) Dit is dus wat wij bewuste geschiedvervalsing noemen. Die zuilen werden altijd Romeins genoemd en zijn nu plots Karolingisch. Op grond waarvan? En Barbarossa verwees niet, ook niet bewust, naar zijn illustere voorganger Karel de Grote, maar Barbarossa verwees naar Julius Caesar, ofwel naar de Romeinen. Zie de gedenksteen uit 1155 onderaan dit hoofdstuk! Barbarossa had graag naar Karel de Grote verwezen, hij verheerlijkte hem immers, maar wist als geen andere dat er in Nijmegen niets van Karel de Grote te vinden was.
  • Het was echter vooral Lodewijk de Vrome, Karels zoon, die Nijmegen vaak bezocht tijdens zijn regeerperiode (814-840). Wellicht is de palts in deze periode versterkt als reactie op een reeks Vikingaanvallen (noot 37). Nijmegen wordt in ieder geval vanaf 837 herhaaldelijk met de Latijnse term voor versterking aangeduid (castra, oppidum). Het is onduidelijk of het om geheel nieuwe versterkingen ging of dat men teruggreep op de resten van een laat-Romeins castellum uit de vierde eeuw. Het kan ook een combinatie van beide zijn geweest. Archeologen zijn het erover eens dat de palts gelegen was binnen de resten van deze vierde-eeuwse versterking, die de Valkhofheuvel en het Kelfkensbos omvatte. Dankzij de opgravingen voorafgaand aan de bouw van Museum Het Valkhof en de bijbehorende parkeergarage is er veel informatie beschikbaar over ligging en aard van de vierde-eeuwse versterking. Delen van de castellum-muur lijken nog in de negende eeuw overeind te hebben gestaan en de brede verdedigingsgracht moet zelfs tot in de elfde eeuw zichtbaar zijn geweest. Maar in de achtste of negende eeuw zijn er ook muren toegevoegd aan de voet van de Valkhofheuvel.
  • Exterieur en interieur van de Sint-Nicolaaskapel op de Valkhofheuvel. De kapel werd lang voor Karolingisch aangezien, en zo genoemd, maar uit recent onderzoek bleek dat ze (post-) Ottoons is (p328). De naamwijziging van deze kapel bevestigt het gelijk van Albert Delahaye. Er is niets Karolingisch aan deze kapel, die 'een kopie' zou zijn van de paltskapel in Aken. De palts in Aken was het belangrijkste paleis van Karel de Grote. Het was een groot complex midden in het huidige centrum van Aken (p.325). Het is een vraag of Aken wel die belangrijkste plaats van Karel de Grote was. In de tweedelige uitgave "Aachen, von den Anfängen bis zu Gegenwart" (2013) wordt (ook in Duitsland) aan een aantal traditionele opvattingen ernstig getwijfeld. Lees meer over Aken.
  • Het werd al langer vermoed, maar recent onderzoek bevestigde dat de Sint-Maartenskapel op het Nijmeegse Valkhof (Barbarossaruďne) muurwerk bevat van de oude palts uit de tijd van Karel de Grote. Door de sublieme ligging met uitzicht over het Waal- en Rijndal was dit een logische plek voor een palts. Over het uiterlijk van de Karolingische palts is weinig bekend. Van een mogelijk oudste bouwfase zijn in kleine opgravingsputten enkel sporen van uitgebroken muren gevonden. Recente studies maken het aannemelijk dat de ruďne van de in het Valkhofpark gelegen Sint-Maartenskapel resten bevat van een Karolingische bouwfase (noot 40). (p.327-329). In noot 40 worden enkele publicaties van Hein Hundertmark genoemd en komen we tot de kern van de bewijsvoering. Voor de uitkomst van deze bewijsvoering verwijzen we naar punt 5 hiervoor en noot 136 de verwijzing naar de publicatie van Jan Jacob Weve p.99.

    De noten:
    33. Oorkonde van 8 juni 777, in: Gysseling en Koch (ed.), Diplomata Belgica, nr. 178. Volgens Gysseling is Niumaga op deze oorkonde Nijmegen. Deze oorkonde is een kopie uit de 10e of zelfs uit de eind 11e eeuw of uit eind 12de eeuw (1191) zoals Gysseling vermeldt.
    34. Einhard, Vita Karoli Magni, 17. In regel 17 schrijft Einhard: "Iuxta villam cui vocabulum Ingilenheim, alterum Noviomagi super Vahalem fluvium, qui Batavorum insulam a parte meridiana praeterfluit", werd altijd als het ultime bewijs beschouwd van de aanwezigheid van een paleis van Karel de Grote in Nijmegen en daarmee de Karolingische waarheid voor Nijmegen. De vertaling luidt: (Karel liet nieuwe paleizen bouwen) "zowel de villa die Ingelheim heet, alsook te Nijmegen aan de rivier de Waal die het eiland van de Bataven in het zuiden voorbij stroomt". Is deze zin een interpolatie uit de 12de eeuw (1191) of selfs uit de 13de eeuw? Lees meer over deze tekst bij Einhard
    35. Thissen, 'Die Königspfalz', 105· In dit boek 'Die Königspfalz Nimwegen', spreekt Thissen over Funktion - Topographie - Ausstattung', in: J. Lieven, B. Thissen en R.C.M. Wientjes (red.), schrijft men over Verortete Herrschaft. Königspfalzen, Adelsburgen und Herrschaftsbildung in Niederlothringen während des frühen und hohen Mittelalters (Bielefeld 2014) 53-106. Er wordt niets bewezen van wat in de stelling ten aanzien van het begrip 'publico' wordt gesteld. Betekent het dat het 'publiek' is of betekent het dat het 'gepubliceerd' (vastgelegd) is?
    36. Thissen, 'Die Königspfalz', 69-79·
    37. Leupen, 'Viking-age raids'.
    38. Den Braven (dissertatie in voorbereiding). Fysisch antropologisch onderzoek door Rachel Schats (Universiteit Leiden) en C14-onderzoek.
    39. Leupen.P. 'Het oudste patrocinium van Nijmegens parochiekerk', Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland 21 (1979) 131-145.
    40. Hundertmark, H.F.G., De Valkhofburcht. Bouwhistorische verkenning Barbarossaruďne (intern rapport in opdracht van de gemeente Nijmegen, 2019). Hundertmark, H.F.G., 'De aula regia van Karel de Grote. Karolingisch muurwerk in de Barbarossaruďne van de Valkhofburcht te Nijmegen', in: T. Hermens en R. Gruben (red.), 'De Lagchende Val!ei', Recent onderzoek op het gebied van kastelen en buitenplaatsen in Gelderland (Zwolle 2020) 139-154. Hundertmark, De Valkhofburcht; Hundertmark, 'De aula regia'. De titel 'Lagchende Vallei' is hier wel heel toepasselijk. Er wordt wat afgelachen in Nijmegen, zeker over de visie van Delahaye.
    In een interview met Charles Groenhuijsen in de Volkskrant van 6 oktober 1979 stelde prof.dr.F.Hugenholtz: "Nou als ooit wordt bewezen wat Delahaye beweert - maar ik zie dat nog niet gebeuren" voegde hij er gespeeld zelfverzekerd aan toe, "maar als het ooit bewezen wordt, dan moeten we met zijn allen eens hard lachen en opnieuw beginnen". Vandaar dat Hugenholtz zijn studenten verbood aanwezig te zijn bij een lezing van Albert Delahaye, bang dat hij was dat het lachen al zou beginnen! In datzelfde interview werd Delahaye vanuit de veilige veste van de 'wetenschap' gekogeld met kreten als "fantast", "mythe", "twijfelachtig", "niet serieus", "terecht verwaarloosd", "bedenksels" en ook de vaste prik bleef niet uit: "Ik moet er een beetje om lachen".
    Ook prof.dr.J.E.Bogaers, archeoloog uit Nijmegen, heeft eens eerlijk bekend, dat, hoewel men aanvankelijk om "de voorstelling van Delahaye flink gelachen heeft", ze toch de bittere conclusie moesten trekken dat in de bodem van Nijmegen NIETS gevonden is uit de Karolingische periode, noch lang daarvoor, noch lang daarna, wat Albert Delahaye in 1965 al had geschreven. Na de Romeinse periode kent de archeologie van Nijmegen een gat van 8 eeuwen.


    Hein Hundertmark: Wat schrijft hij over de Valkhofburcht en de daar gevonden muurresten? In hoeverre zijn die Karolingisch? Maar dan niet uit de 10de eeuw (dat kan ook nog 'Karolingisch' zijn), maar uit de 8ste eeuw en wel uit het jaar 777?
    Hundertmark baseert zich voor de Karolingische datering dus op anderen en brengt eigenlijk maar weinig nieuws. Hij haalt die informatie bij Weve vandaan "dat het funderingswerk is ingegraven in Romeinse grondlagen, en dus uit een na-Romeinse periode is." Maar zitten we dan al in de Karolingische periode? Het verhaal over de zalmkleurige mortel blijft toch een beetje giswerk, al is het maar 'een verhaal'. Waarom het dan de 8e eeuws zou moeten zijn wordt niet beargumenteerd. De redenering is: in Aken is het de 8e eeuws, dan in het in Nijmegen dus ook in de 8ste eeuw. Opvallend is de vergelijking met de paltskapel en Granustoren en Aken (hetzelfde recept specie, Hundertmark, 2019, (p.26), maar in Aken was er geen vast recept, maar zijn er grote verschillen in de gehele bouw. (zie Kohlberger-Schaub & Schaub in: Papajanni & Ley, 2016, p 22).
    Hundertmark haalt dat rapport van Kohlberger-Schaub aan als bron. Gezien zijn vermoedelijk beperkte budget wel erg slim. Maar is er een scheikundig profiel van de bewuste mortel toegevoegd? In Aken hebben ze wel hout, maar van de Granustoren is de datering onzeker. Het zalmroze kan komen van nat in rood aangebrachte fresco's, die doortrekken in de witte grondlaag van gebluste kalk (Zie bijv. Grote kerk Elst, Derks et al., 2008, p 93 en 94 met verwijzing naar Bogaers, 1955, p 123.)
    Maar is die Akense bouw in de 8ste eeuw een vaststaand feit? In de tweedelige uitgave "Aachen, von den Anfängen bis zu Gegenwart" (2013) wordt (ook in Duitsland) aan een aantal traditionele opvattingen ernstig getwijfeld. Lees meer over Aken.

    Arjan den Braven maakt het Karolingisch muurwerk groter dan Hundertmark. Er zijn inderdaad enkele verschillen met Aken, al zijn ze niet groot. Begrijpend lezen en onbevoordeeld vertalen van de Duitse tekst zijn dan wel belangrijk! Wellicht heeft Den Braven niet echt de bedoeling gehad om het heel exact aan te geven. Een beetje op de vlakte blijven is daar ook echt heel erg geschikt voor. Wellicht heeft hij niet teveel van Hundertmark willen afwijken, immers hij is de 'deskundige'. En als je iets niet doet in de historische wereld, dan is dat wel kritisch zijn op je collega's. Klokkeluiders worden niet gewaardeerd en ook helemaal niet geaccepteerd. Dat heeft Albert Delahaye wel ervaren. Men wil vooral niet het verwijt krijgen 'niet collegiaal te zijn', of te horen krijgen 'schoenmaker blijf bij je leest', ofwel 'wat weet jij daar nou helemaal van?' - "Heb jij dat gestudeerd?". Het zijn voorbeelden van de verwijten die Albert Delahaye te horen kreeg. Op zijn argumenten ging men maar niet in en dat zegt eigenlijk al genoeg.

    De conclusie is dan ook dat voor Nijmegen het Karolingische eigenlijk gewoon een beetje wordt opgepoetst, want sinds Jan Jacob Weve is er dus niets nieuws onder de zon.


    Wat lezen we zoal nog meer in dit boek over Het Valkhof?

    We bespreken hier de voor de studie van Delahaye de belangrijkste hoofdstukken en geven daarop in rood onze opmerkingen. Hoeveel zekerheid spreekt uit dit boek. Een kleine inventarisatie levert de volgende voorbeelden van twijfel en onzekerheid op. In de eerste 3 hoofdstukken (p.23-105; inclusief de noten: p.230-236) is liefst 278 keer sprake van twijfel. Dat is gemiddeld zo'n 5 keer per pagina tekst, dat er aan iets wordt getwijfeld. Een kleine inventarisatie van de teksten levert het volgende op: er wordt liefst 47 keer over een vermoeden of iets vermoedelijk gesproken, wordt 23 keer wellicht geschreven, 63 keer is iets mogelijk geweest, wordt 42 keer iets waarschijnlijk, 10 keer iets onduidelijk en 13 keer het problematisch of wordt het een probleem genoemd en 18 keer is zelfs het woord twijfel te lezen of wordt geschreven dat het aangenomen wordt of aannemelijk is . (Telling is uitgevoerd met een tekstgenerator!). Over hoeveel zekerheid gaat het dan?
    We geven hieronder een aantal (niet alle 278) letterlijke citaten waarin sprake is van die twijfel: (Voor Uw gemak en voor vragen of om opmerkingen te kunnen maken -zie email op de beginpagina-, hebben we de teksten van een nummering voorzien).

    1. Het Valkhofplateau lag min of meer centraal binnen de grenzen van Oppidum Batavorum, maar door het ontbreken van voldoende mogelijkheden voor archeologisch onderzoek en door latere bouwactiviteiten zijn slechts weinig overblijfselen bekend van de nederzetting op deze plek. Welke overblijfselen zijn dat? Of is dit de archeologisch manier om te vermelden dat er niets gevonden is? Over het Oppidum Batavorum heeft archeoloog W.Willems opgemerkt dat hij het niet gevonden heeft! Lees meer over W.Willems.
    2. Zonder het castellum was de stad vermoedelijk niet op deze plaats ontstaan en was zij ook niet de spil geweest in tal van ontwikkelingen in de wijde regio. Oorzaak en gevolg dat hier geschets wordt, gaat niet op voor zoveel andere steden, dus ook niet voor Nijmegen. Is in Vechten een stad met spilfunctie voor de wijde regio ontstaan? Of in Woerden?
    3. Een jaar later herstelde Julianus ten minste drie versterkingen aan de Maas, waaronder vermoedelijk Cuijk.
    4. Het aan het einde van de derde eeuw gebouwde castellum werd waarschijnlijk beschermd door een zware hout-aarden wal, maar hiervan zijn nooit sporen aangetroffen.
    5. Er zou sprake zijn van een inval van Saksen bij Deuson, vermoedelijk de rivier de Dieze in Noord-Brabant Bij Blok en Gysseling, maar ook bij Theuws was Deoson(e) geen rivier, maar de plaats Diessen, bij Gysseling was het overigens Diesen met één -s-.
    6. Het is goed mogelijk dat de verstening van beide castella het gevolg is van een door Valentinianus 1 geďnitieerd bouwprogramma. Zou het ook slecht mogelijk geweest kunnen zijn?
    7. Een deel van de inwoners vond waarschijnlijk onderdak in het rond die tijd gebouwde castellum op het Valkhof. Waar verbleven dan de overige inwoners?
    8. In de dorpskern van Lent lag waarschijnlijk een nederzetting van bovenlokaal belang, mogelijk een villa.
    9. Een eerste summiere bestudering daarvan lijkt erop te wijzen dat het begin van het castellum in verband mag worden gebracht met de regeringsperiode van ConstantinusI en waarschijnlijk zelfs daarvoor. Lees deze zin een zorgvuldig door. Daar bewijs je toch helemaal niets mee?
    10. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat ook daarna mensen de verlaten stad bezochten en er misschien nog woonden. Je kan niet ergens misschien wonen. Of je woont er of je woont er niet! Het gaat hier over Ulpia Noviomagus dat in de jaren 270-280 ten onder ging (p.31). Het is dus duidelijk gesteld dat Ulpia Noviomagus verlaten werd. Er is dus geen enkele sprake geweest van continuďteit in de geschiedenis. Dat Nijmegen een stad was en de naam Ulpia Noviomagus droeg zijn twee onbewezen aannamen. Lees meer over de Stadsrechten van Traianus en De naam Ulpia Noviomagus.

    11. De gevonden imitaties van antoniniani uit de tijd van Claudius II Gothicus (268-270) en daaropvolgende jaren, boden Van der Vin de mogelijkheid de lange tijd veronderstelde kloof in de bewoning van Cuijk tussen 270/280 en 310 te dichten. Ook hier is toch sprake van een bewoningshiaat in de geschiedenis, dat men met in de rivier gevonden aardewerk wil dichten. In noot 60 wordt verwezen naar Thijssen 2011, die verwijst naar Westerheem 60/4 p.166-176. Maar in dit artikel lees ik toch iets anders, dan hier als mogelijkheid wordt genoemd. In dat artikel in Westerheem wordt Jos van der Vin overigens nergens genoemd, maar hij zou dan wel die kloof gedicht hebben? Lees in het kader in de linker kolom het citaat uit Westerheem 4 augustus 2011. Het blijkt een ratjetoe aan vondsten te zijn uit allerlei verschillende tijdperken en streken. Daar bewijs je toch niets mee voor Nijmegen? Wat hier laat-Romeins wordt genoemd, blijkt begin 4de eeuw gedateerd te zijn, met name door Jules Bogaers en Simon Wynia. Auteur van dit artikel Jan Thijssen bedankt nog even Cees van Duijn en Arie van Pernis (veldtechnici van de ROB) die mij in Cuijk de kneepjes van het archeologisch veldwerk hebben bijgebracht. De kneepjes? Op een achternamiddag zeker? Het is dezelfde Jan Thijssen die (met dank aan Titus Panhuijsen) van NIjmegen de oudste stad van Nederland maakte. De VVV deed de verdere promotie!
      P.S. Je wordt vanzelf sarcastisch als je dit hele gang van zaken leest over de archeologie en de geschiedkunde. Lees meer over Jules Bogaers om te weten hoe de archeologie werkt en hoe Bogaers er vaak grondig naast zat.


    12. Verschillende vondsten wijzen erop dat zich in de oude bewoningskern mogelijk foederati gevestigd hadden. Of waren het toch andere groepen?
    13. Het is mogelijk dat het merendeel van de hier begraven personen niet op het Valkhof plateau heeft gewoond.
    14. Grafgiften uit een laat-Romeins graf van een vrouw met een mogelijk Germaanse herkomst. Was het een Romeinse vrouw of een Germaanse? Met dit soort bewoordingen kun je dus alle kanten op. Het is maar de historicus 'nodig heeft' voor zijn/haar verhaal.
    15. Deze omslag ging in Nijmegen gepaard met een verandering van de grafrichting, mogelijk als gevolg van culturele invloeden die meegebracht zijn door soldaten uit het Nabije Oosten. Culturele invloeden zijn niet met grafgiften te bepalen. Welke deskundige in Nijmegen kan dat wel? Ben er zeer benieuwd naar!
    16. Na de overplaatsing van het Tiende Legioen naar Boedapest (Aquincum) in 104 werd de bezetting van de legerplaats geleidelijk teruggebracht. Omstreeks 170-180, in een periode van grote onrust, werd de Hunerberg zelfs geheel verlaten. In diezelfde tijd raakten grote delen van Ulpia Noviomagus verwoest. In de eerste helft van de derde eeuw werd de stad herbouwd. Mogelijk maakten in die tijd gewapende groepen deel uit van de stadsbevolking. Hier worden liefst 2 hiaten in de geschiedenis van Nijmegen genoemd. 1.tussen 104 en 170 en 2.tussen 180 en eerste helft derde eeuw. Dat er gewapnde groepen waren is slechts een mogelijkheid, maar wie dat waren en op grond waarvan zij gewapend waren blijft kennelijk giswerk?
    17. Beide Frankische rijken grensden in het zuiden vermoedelijk aan twee Gallo-Romeinse territoria.
    18. in de omgeving van de Gruitberg en Pauwelstraat lag hier vermoedelijk in deze latere fase de kern van het grafveld,
    19. De nederzetting waartoe het grafveld in het Lentseveld behoorde, is vermoedelijk aan het eind van de zesde eeuw opgegeven. Mogelijk verhuisden de bewoners naar een nieuwe plek in de huidige kern van Lent. Daar ontwikkelde zich vanaf die tijd een nieuwe nederzetting, die waarschijnlijk aansloot bij de structuren van de voormalige villa of vicus uit de Romeinse tijd Het is zeker de moeite waard deze twee zinnen nog eens na te lezen. Over hoeveel zekerheid wordt hier gesproken?
    20. Van de vermoedelijk ongeveer 160 inhumatiegraven in het zuidelijke cluster zijn er 94 opgegraven. Deze lagen aanzienlijk dichter op elkaar en bevatten veel minder vaak grafgiften Hoe komt men hier aan die 160 graven? Gissen is missen!
    21. Maar de voornaamste reden om juist op het Valkhof een palts te bouwen was vermoedelijk de militair-strategische betekenis van het oude castellum. Maar die palts is op het Valkhof nooit gevonden. Verwijzingen naar Lindenberg of Kelfkensbos brrngen daar geen verandering in.
    22. Waar nodig hebben ze het terrein vermoedelijk ook met een houten palissade afgeschermd.
    23. Ook de in het vorige hoofdstuk besproken fragmenten van de Romeinse ‘godenpijler’ waren vermoedelijk opgenomen in de architectuur van de Karolingisch/Ottoonse palts.Er wordt hier met de palts al geschoven van Karolingisch naar Ottoons. Maaar ook dat zal niet helpen, immers een Ottoonse palts is in Nijmegen net zo min aangetroffen als een Karolingische. Op p.71 wordt de palts Staufisch genoemd, wat uiteraard klopt met het jaartal 1155. Karolingisch is van 751 tot ca.987, Ottoons is van ca.936 tot ca.1002, en Staufisch is van ca.1150 tot ca.1250, maar niet alle historici zijn het precies eens met elkaar over de jaartallen.
    24. Wellicht dat andere gelijktijdige begravingen zich buiten het opgegraven areaal bevinden. Wellicht geef hier slechts aan dat die graven niet en nergens gevonden zijn.
    25. Wellicht begroef men ook overledenen meer oostwaarts, op het terrein ten zuiden van het Valkhof Zie vorige opmerking!

    26. De muntschat van Escharen.
      1. Het belang van het Nijmeegse domeincentrum blijkt wellicht uit de in 1897 gedane vondst van een muntschat in Escharen, ten zuiden van Wijchen op de noordelijke oever aan de Maas. In deze muntschat van 66 gouden munten, die tussen 590 en 600 gedateerd wordt, bevonden zich twee solidi en vijf tremisses met op de voorzijde de tekst ‘Niomago/Nionag’ en op de keerzijde ‘Magnia vico’.
      2. Omdat normaal gesproken op dergelijke munten de naam van de muntplaats en die van de muntmeester vermeld worden, vermoedt men dat Niomago als Nijmegen geďnterpreteerd mag worden en dat Magnia vico een plaats is, afhankelijk van of wellicht gelegen in Nijmegen.
      3. De solidus en vier tremisses met op de voorzijde de tekst ‘Teledanus’ zouden wellicht ook aan Nijmegen toegeschreven mogen worden, aangezien op de keerzijde van de tremisses eveneens Niomago (Ni-omd-go) staat.
      4. Wanneer deze munten in Nijmegen geslagen zijn, misschien wel op het Valkhof, onderstreept dit het belang van deze plaats als regionaal centrum

        Hier wordt summier de muntschat van Escharen genoemd. Lees deze zinnen nog eens zorgvuldig na. Zo schrijft men in Nijmegen geschiedenis en praat men de zaken aan elkaar. Maar vormt een muntschat enig bewijs ten aanzien van de plaats? Als ik op straat een Spaanse Euromunt vind, ben ik dan in Spanje? Dat deze 7 munten aan Nijmegen worden toegeschreven en het belang van het Nijmeegse domeinscentrum aangeven is dus een negenvoudige aanname.

    27. De mogelijkheid bestaat dat dit het stichtersgraf is van een elitegroep uit het zuiden, wellicht behorend tot het gevolg van koning Dagobert I, die zich te Lent gevestigd heeft. Is het graf wellicht van een volgeling van Dagobert I of moeten we lezen dat Dagobert I zich wellicht in Lent gevestigd heeft.
    28. Enkele diep uitgegraven kuilen met verticale wanden zouden wellicht vroegmiddeleeuwse latrines kunnen zijn. In een van deze kuilen op de hoek van de Lindenberg en de Ridderstraat is een vrij complete, met radstempels versierde tuitpot gevonden van laat-Badorfaardewerk uit de tweede helft van de negende eeuw Die Badorfpot zal wel een pispot geweest zijn. Ook deze tekst is geschreven door een historicus. Dat kun je toch niet serieus nemen?
    29. Mogelijk zijn ze gebruikt als haarnaald of wellicht als stylus voor het schrijven op een wastablet. Die eenvoudige boeren of vissers uit de 10e eeuw konden dus al schrijven. Naar welke school zijn ze geweest? Zijn die wastablets, de voorlopers van de huidige tablets, ooit ergens gevonden?
    30. Dat werpt meteen de vraag op of een blok natuursteen dat Weve waarnam in het noordwestelijk gedeelte van het halfrond wellicht een bestanddeel is geweest van een oudere (Karolingische) steenbouwfase. Het is veel betekenend dat men hier (Karolingische) tussen haken heeft gezet.
    31. Fragment met leeuwenkop van Karolingisch/Ottoons beeldhouwwerk (28 cm hoog) uit de fundering van de Hof van Lydborch tot Styrom op de Eiermarkt, en zeer waarschijnlijk afkomstig van het Valkhof. Is het Karolingisch of Ottoons? En als niet eens zeker is wwaar het fragment vandaan komt, vervalt ook dit stukje geschiedenis.
    32. De Frankische immigranten zullen deels aansluiting hebben gevonden bij de nog resterende Romeinse structuren en namen waarschijnlijk -zoals vaker in de voorafgaande eeuw- als foederati de bescherming van de Rijngrens op zich. Waarom zouden die Franken de Rijngrens gaan beschermen? Voor wie of wat? Om het weglopen te voorkomen?
    33. Er wordt algemeen aangenomen dat de castella langs de Rijngrens – in naam – in Frankische handen overgingen, nadat het Romeinse leger zich in de loop van de vijfde eeuw had teruggetrokken. Ze kwamen waarschijnlijk in bezit van de Rijnfrankische koningen. Een algemene aanname vormt geen enkel bewijs, zeker niet vanwege die onnavolgbare naschrijverij in de historische wereld. Ook als zijn alle historici het met elaar eens, dan hoeven ze nog geen gelijk te hebben!
    34. In Nijmegen ging het waarschijnlijk om een lokale of Rijnfrankische elitegroep die zich tijdens de laatste decennia van de vijfde eeuw op het Valkhof gevestigd had. Zijn daar specifieke bewijzen voor anders dan 'waarschijnlijk'?
    35. Waarschijnlijk hebben zich in onze streken al aan het begin van de zesde eeuw leden van de nieuwe elite uit het kerngebied van de Salische Franken gevestigd. Zie vorige opmerking.
    36. Omdat het nieuwe grafveld waarschijnlijk rond 500 in gebruik genomen is en het cloissonné-versierde beslagstuk in de directe nabijheid gevonden werd, zou het afkomstig kunnen zijn uit een nog onbekend of reeds verstoord elitegraf, ergens in het Lentseveld. Ergens? Is het dan gevonden? Zie ook de vorige opmerkingen.
    37. Toch is hier, naast vele ‘lege’ graven – zonder kledingaccessoires of grafgiften en dus nauwelijks te dateren –, een redelijke hoeveelheid Merovingisch aardewerk aangetroffen dat waarschijnlijk uit graven afkomstig is. Zie vorige opmerking.
    38. Dergelijke amforen werden waarschijnlijk gebruikt voor het vervoer en de opslag van wijn en zijn ook in grote hoeveelheden gevonden in handelsnederzettingen als Dorestad, Deventer en Tiel. Hier komen drie mythen bij elkaar. Lees meer over Dorestad, Deventer en Tiel.
    39. Mogelijk gaat het hier om een aan de palts gerelateerde vicus of wijk waar ambachtelijke activiteiten plaatsvonden. Is die vicus nu wel of niet gevonden?
    40. De begravingen en de fibulae maken duidelijk dat er op en mogelijk rond het Valkhof werd gewoond. Is die bewoning nu wel of niet aangetroffen?

    41. De oude kerk en het oude kerkhof op Het Valkhof.
      Voor de locatie van de vroegste kerk zijn twee scenario’s mogelijk. In de eerste plaats zou deze kerk in de loop van de zevende of vroege achtste eeuw in de directe nabijheid van de begraafplaats kunnen zijn gesticht, waar de oudste graven toen al aangelegd waren. De kerk zou dan op de plek van de Sint-Maartenskapel gestaan kunnen hebben. Hierop zou een eerder door Weve waargenomen blok natuursteen kunnen wijzen. Deze kerk was hoogstwaarschijnlijk een eigenkerk van de Merovingische elite of de Keulse bisschop, waarbij het de vraag is of ze alleen als residentiële kapel voor de Merovingische ‘palts’ op het Valkhof in gebruik was of tegelijkertijd diende als parochiekerk. In het laatste geval is het voorstelbaar dat de oude begraafplaats later uitgegroeid is tot een kerkhof, dat zich vanaf de Sint-Maartenskapel in de richting van de latere Voerweg uitstrekte. De bouw van de Karolingische palts in de late achtste of vroege negende eeuw zou dan reden zijn geweest voor verplaatsing van de kerk naar de zuidoostelijke hoek van het voormalige castellumterrein. Op de oude begraafplaats is dan vervolgens de voorganger van de latere Sint-Maartenskapel gebouwd.
      Een tweede mogelijkheid is, dat de vroegste kerk een parochiekerk was die in de loop van de zevende of vroege achtste eeuw is gesticht op het latere Kelfkensbos, in de zuidoostelijke hoek van het castellumterrein. Rond de parochiekerk ontstond dan ook meteen een begraafplaats, die in jongere bronnen aangeduid wordt als antiquum cimiterium, ofwel het Alden Kerckhoff.

      We komen hier op een belangrijk en doorslaggevend onderwerp. Waar stond de oude kerk en welke kerk was dat? Het aantal keren dat hier gespeculeerd wordt (in hoofdstuk 2 wordt liefst 16x 'zou' geschreven en 37x 'mogelijk') is erg verontrustend. Juist over die oudste kerk heeft Albert Delahaye een uitvoerig onderzoek gedaan, wat zijn visie op het ontbreken van de Karolingisch Palts in Nijmegen bevestigt. Immers een Karolingische Palts was onmogelijk zonder een kerk en een bisschop. Lees alles over de bisschop van NIjmegen, de grootste blunder in Het Bronnenboek, dus van Leupen en Thissen en het elftal historici die deze blunder niet in de gaten hadden. Hoe deskundig ben je dan? Lees meer over de oude kerk in het boek de Ware Kijk Op, te bestellen op deze website. In de linker kolom leest U een korte samenvatting over de oude kerk van Nijmegen.

    42. Waarschijnlijk speelde hierbij de definitieve kerstening van de regio een doorslaggevende rol. Doden werden vanaf die tijd immers in of nabij een kerk begraven. Na het laatste kwart van de zevende eeuw bleef alleen het zuidelijke deel van het grafveld in gebruik bij een ongeveer even grote gemeenschap. De reden van deze verandering is onbekend. Dat begin achtste eeuw ook het zuidelijke cluster werd opgegeven, heeft waarschijnlijk te maken met de voortschrijdende kerstening door Willibrord (circa 658-739) en de zijnen.De kerstening wordt steeds gekoppeld aan Willibrord en Bonifatius, maar beiden zijn nooit in Nederland geweest. Het is eenzelfde mythe als de palts van Karel de Grote op het Valkhof. Lees meer over Willibrord en over Bonifatius.
    43. In eerste instantie lijkt het erop dat deze langgerekte zone met bewoningssporen in latere tijd verploegd is. Het is ook mogelijk dat de bewoning zich hogerop langs de helling uitstrekte, tot in de buurt van de Burchtstraat en de Lange Hezelstraat. Dat de vondsten uit deze periode door erosie in de benedenstad terechtgekomen zouden zijn, is onwaarschijnlijk. Het is mogelijk dat de bewoners van de nederzetting op de Waal oever ook gebruikmaakten van het grafveld in de binnenstad. Wat hier beweerd wordt zijn slechts speculaties.
    44. een groot gebouw dat mogelijk uit de tweede of derde eeuw stamt Ook hier weer een ongenuanceerde mededeling.
    45. had men de graven boven de grond gemarkeerd met een houten grafmonument en/of een aarden heuveltje. Deze persoon was begraven in een grote houten grafkamer, die oorspronkelijk mogelijk met een grafheuvel gemarkeerd was. In deze fase lijkt het grafveld in de binnenstad -mogelijk tegelijk met de begraafplaats op het Valkhof- buiten gebruik te raken.Over graven bestaat nogal vel onduidelijkheid. Natuurlijk kun je niet alles weten van de begraven persoon, maar speculeren is hier uit den boze. Zeker als je daarmee een bepaalde opvatting wenst te onderbouwen.

    46. De plunderingen door de Noormannen.
      Het is een voorbeeld van hoe verwijzingen naar elkaar, wat onder historici gemeengoed is en wat door Delahaye 'naschrijverij' wordt genoemd, toch vaak verkeerd kan uitpakken. Begrijpend lezen geeft hierbij het grootste probleem aan. Men leest niet adequaat en men begrijpt blijkbaar niet wat men leest. Laat staan dat men de juiste conclusies uit het gelezene trekt.

      Bij opgravingen op de oostelijke Waalkade zijn direct ten noorden van de laat-Romeinse keermuur dikke brandlagen aangetroffen die op basis van het erin aangetroffen aardewerk uit de laat-Karolingische tijd lijken te stammen. Mogelijk hangen deze brandlagen samen met de aftocht van de Noormannen in 881. Nijmegen zou dan met Zutphen en Deventer tot de weinige plaatsen in Nederland behoren waar archeologische sporen van Vikinggeweld zijn aangetroffen. (p.67)
      Dit is een interesante mededeling in dit hoofdtuk. Maar het lijkt slechts en is mogelijk geweest. Dus ook hier geen enkel feitelijk bewijs. Hier worden noot 100 en 101 als bron genoemd. Overigens wordt hier steeds over Vikingengesproken, terwijl het over Noormannen gaat. In geen enkele authentieke klassieke bron komt het woord 'Vikingen' voor. Het gaat steeds over Northmanne, Dania, soms ook 'pirates' genoemd, zoals bij Alpertus Mettensis. De Vikingen was een geheel andere bevolkingsgroep, ook al was 'hun werkwijze' vergelijkbaar. Ze verschijnen pas een eeuw na de Noormannen, terwijl de naam Vikingen pas in de 16e eeuw voorkomt in de Deense Kroniek 'Gesta Danorum', die grotendeels gebaseerd is op latere Vikingsagen. Feitelijk is het een goede zaak dat de historici de Noormannen steeds Vikingen noemen. Zij geven hiermee aan dat zij geen weet hebben van de ware geschiedenis.
      1. Bron 100 is Clevis H.H.C.C., 1990 die een proefschrift schreef over 'Nijmegen. Investigations into the historical topography and development of the Lower Town between 1300 and 1500'. Wat bewijs je hiermee voor Nijmegen uit 881? Niets dus. Is dit proefschrift door onafhankelijke deskundigen beoordeeld en goed bevonden?

      2. Bron 101 is Bartels 2006 en Groothedde 2013, 65-70.
        Bartels, M., 2006: De Deventer wal tegen de Vikingen. Archeologisch en historisch onderzoek naar de vroegmiddeleeuwse wal en stadsmuren (850-1900) en een vergelijking met andere vroegmiddeleeuwse omwalde nederzettingen, Deventer (Rapportages Archeologie Deventer 18). In deze rapportage wordt veel gespeculeerd, maar niets met feiten aangetoond. Bang geworden voor de Vikingen vluchtte de bisschop van Utrecht naar Deventer, is de traditionele opvatting. Blijkbaar vluchtte de bisschop precies de vijand tegemoet, die juist daar aan het plunderen was. 'De aanwezigheid van een wal uit ca. 900 maakt dat we hier kunnen spreken van een bijzonder monument, lezen we in dit rapport. Het is immers het enig zichtbare relict van een “stads”verdediging uit die periode in heel Nederland.' Echter bij deze beschrijving gaat het om een stenen wal, waar bij boringen in 1998 in het wallichaam werd ontdekt dat de kern van het wallichaam bestaat uit duinzand dat in de 9e en 10e eeuw is opgeworpen. Duinzand bij Deventer? Ligt Deventer aan zee? Onder deze lagen zand is ook nog duidelijk een dikke aslaag te herkennen. Maar wat betekent een aslaag of een zwarte laag? Is dat altijd een brandlaag? Een heidebrand? Of een stadsbrand? Lees meer over de zwarte laag bij opgravingen. Maar bestond Deventer al in de 9de eeuw? Volgens Bartels wel want (en ik citeer) dat staat in eeuwenoude bronnen de Vikingaanval op Deventer in het jaar 882 beschreven. Dus niet in 881, maar in 882. Waar waren de Vikingen in 882 aan het plunderen? In alle teksten die daarover gaan worden de volgende plaatsen genoemd: Ascloa (zie hierna), in Soissons, Laon, Reims en Noviomagus (Noyon en niet Nijmegen), Metz, Condate aan de Somme en het klooster van St.Vaast in Atrecht. Het gaat hier duidelijk over Noord-Frankrijk en niet over Deventer. Het Taventeri dat in de tekst van de Annales Fuldenses wordt genoemd, staat dat de H.Liobomus daar begraven is. Echter, een heilige Liobomus heeft nooit bestaan. Met deze tekst bewijs je dus niets over Deventer. Lees meer over Deventer.

      3. Groothedde, M., 2013: Een vorstelijke palts te Zutphen? Macht en prestige op en rond het plein ’s-Gravenhof van de Karolingische tijd tot aan de stadsrechtverlening, Zutphen (proefschift Universiteit Leiden/Zutphense Archeologische Pulicaties 77). Ook bij dit proefschrift zijn de vragen wie de promotie begeleiders waren en wie in de promotiecommissie zat en of zij met alles hebben ingestemd? Lees meer over Zutphen. het wordt eentonig, maar ook in deze publicatie wordt geen enkel bewijs gegeven voor de juistheid van de stelling over de plunderingen van de Noormannen. De betreffende ringwal zou volgens Groothedde pas gemaakt zijn nadat de Noormannen weg waren. Ze zijn daarna nooit teruggeweest, dus alle werk voor niets! En dan schrijft Groothedde ook nog over een muur die een waterkerende functie had! Waterkering? Waartegen dan? Tegen aanvallers of tegen het water? Ook in Nijmegen is een Romeinse keermuur aan de Waal gevonden (zie tekst hierboven), die een waterkerende functie had. Maar dat weigerde archeoloog prof.dr.J.Bogaers te erkennen, immers daarmee zou hij Delahaye weer eens gelijk hebben moeten geven. In beide gevallen toch transgressies?

      De teksten uit 880, 881 en 882 gaan niet over Nederland, maar over Frankrijk. Zutphen wordt in deze teksten zowiezo al nergens genoemd, wel de Isla dat de Lys is en niet de IJssel. Ook deze riviernaam is hergebruikt met de deplacements historiques. In de teksten is duidelijk sprake dat de Noormannen door Gallië, Francië en Lotharingen trokken, wat er soms ook nadrukkelijk in staat. Dáár waren ze aan het plunderen en ook dáár staken ze het paleis van Noviomagus in brand. Plaatsen die genoemd worden in deze teksten zijn naast Noviomagus (dat Noyon is dat ze immers bereikten via de Seine en de Oise), Kamerijk, Terwaan, Doornik, Kortrijk, Amiens, Corbie, Atrecht, Reims, Beauvais en Ascloa (uiteraard wordt van al deze plaatsen in de teksten de Latijnse naam genoemd). Lees meer over Ascloa dat niet Asselt in Brabant was, maar Hasnon in Frankrijk. Waarom zou Hincmar, de aartsbisscop van Reims, zich druk hebben gemaakt over plunderingen in het verre Nederland?

      Het is wel opvallend, eigenlijk ook weer niet, dat de meeste teksten over de plunderingen van de Noormannen in 880, 881 en 882 in Het Bronnenboek van Nijmegen ontbreken. In de Ware Kijk Op, het boek van Delahaye, vindt U ze wel. In het Bronnenboek worden tussen ca.400 en ca.1480 liefst 273 teksten overgeslagen, waarin Noviomagus, de Batua, de Noormannen of Frisia genoemd wordt. Over Dorestad, een ander voorbeeld, slaat het Bronnenboek 16 teksten over die Delahaye wel geeft. Blijkbaar spreken deze teksten de tradittionele geschiedenis dusdanig tegen, dat als ze wel gegeven werden de mythe van de Palts van Karel de Grote in Nijmegen in een klap opgelost is. Het verzwijgen van alles wat de traditonele opvattingen tegenspreekt, is gemeengoed in historisch Nederland. Daarover deden de professoren dr.R,Poste en dr.B.Stolte eens de volgende nadrukkelijke uitspraak: "Zoals de oorkonde voor ons ligt, kan zij niet echt zijn." De tekst werd vals verklaard om moeilijkheden te voorkomen. Beter was geweest t.a.v. deze tekst te verklaren "Zoals de oorkonde voor ons ligt, kan zij geen betrekking op Nederland hebben". Dat zou de juiste zienswijze zijn geweest!
      Deze 273 vermeldingen over Noviomagus worden dus aan Noyon afgestaan. Het Bronnenboek zou dan ook beter "Het Bronnenboek van Noyon" geheten kunnen hebben.


      Enkel andere teksten over de Noormannen in dit boek:
    47. Voor de grond die nodig was om de wal op te werpen, hebben de Noormannen wellicht een of meer grachten van het laat-Romeinse castellum opnieuw uitgegraven (p.67). Is dit geschreven door een historicus? De Noormannen groeven geen grachten! Voor wie waren zij bevreesd? Veel infantieler kan het niet beschreven worden. Dat de Noormannen ooit Nijmegen of waar dan ook in Nederland geplunderd hebben is een van de grootste en hardnekkigste mythen, waarvoor elke bewijs ontbreekt, zowel archeologisch als ook tekstueel.
    48. Na betaling van losgeld verlieten de Noormannen Nijmegen, maar eerst staken ze nog de palts en de nabijgelegen nederzetting in brand. Daar blijkt archeologisch nooit iets van gevonden te zijn, wat prof.dr.F.Hugenholtz tot de volgende uitspraak bracht: "De Noormannen hebben na hun bezoeken aan Nederland alle sporen van hun aanwezigheid "opgeruimd". Dit is dus de verklaring van een professor bij het totaal ontbreken van relikten van de Noormannen. Hadden de Noormannen een veegploeg? Wanneer een professor die in de knel zit, met zulke infantiele uitvluchten aankomt, moet hij in het belang van de wetenschap recht in zijn gezicht gezegd krijgen dat hij beneden niveau bezig is. Hugenholtz erkent hiermee in elk geval wel dat er in Nederland (en dus ook niet in Nijmegen) niets van de Noormannen gevonden is en geeft Delahaye dus (waarschijnlijk onbedoeld) gewoon weer gelijk! Maar dat zal Hugenholtz ook wel niet begrepen hebben. En als er acheologisch niets van de Noormannen gevonden is, zijn ze er dus ook nooit geweest!
    49. Noormannenzwaard, gevonden in de Waal bij Nijmegen en gedateerd rond 850-900. De knop en de pareerstand zijn ingelegd met zilver. De gewoonte om kostbare metalen voorwerpen, vooral wapens, aan de goden te offeren in water of moeras bestond al voor onze jaartelling (p.85). We moeten ons hierbij dus voorstellen dat de goddeloze Noormannen hun door roof verkregen kostbaarheden aan de goden offerden door ze in het water te gooien. Zeker als dank voor hun behouden aftocht uit Nijmegen (zie vorige punt). En dit schrijven serieuze historici die daarvoor doorgeleerd hebben.

      De conclusie moet dan ook zijn dat de hier genoemde plunderingen in Nijmegen, Deventer en Zutphen nooit hebben bestaan. Ze zijn zowel archeologisch als tekstueel niet aan te tonen. Einde mythe van de Noormannen in Nederland.

      De opmerking over 'vermoedelijk', 'waarschijnlijk' enz worden vervolgd met:
    50. Het is verleidelijk te veronderstellen dat net als in Nijmegen en Wijchen ook in Lent kort voor of rond 500 een elite groep was neergestreken.
    51. Het lijkt erop dat de aan de dode meegegeven goederen niet simpelweg een weerspiegeling vormden van de tijdens het leven vergaarde rijkdom, maar dat de nabestaanden het belangrijk vonden om met een zorgvuldig samengestelde selectie van voorwerpen te investeren in het grafritueel.
    52. Beide Frankische rijken grensden in het zuiden vermoedelijk aan twee Gallo-Romeinse territoria.
    53. Afbeelding: Lent in de Merovingische periode: vermoedelijke bewoningskern (6e tot 8e eeuw).
    54. Vermoedelijk Merovingische grafgiften uit de omgeving van het Valkhof.
    55. In dit verband mag ook de levensgrote marmeren portret kop van Caesar niet onvermeld blijven, die vermoedelijk ergens in Oppidum Batavorum opgesteld was.
    56. In 726 schonk Karel Martel (hofmeier 717-741) hier een domeingoed (villa) aan Willibrord of aan zijn Sint-Salvatorkerk in Utrecht. Deze schenking leidde vermoedelijk tot de stichting van een kerk. Helaas, in 726 bestond Utrecht nog lang niet! Lees daarover in Jaarboeken Oud-Utrecht.
    57. Waarschijnlijk hebben zich in onze streken al aan het begin van de zesde eeuw leden van de nieuwe elite uit het kerngebied van de Salische Franken gevestigd.
    58. En dat betekent waarschijnlijk dat die districten ook pas in die tijd, of hooguit in de late regeringsjaren van Karel de Grote, zijn gevormd.

      Het is wel duidelijk: op vermoedens, mogelijk- en waarschijnlijkheden kun je geen geschiedenis bouwen.


      De Gedenksteen uit 1155 van Frederik Barbarossa bij de bouw van zijn Palts op Het Valkhof. Op de achterkant is te zien dat de steen is gehouwen uit een Romeinse zuil.

      Deze steen vormt het ultieme bewijs dat na de Romeinse periode de geschiedenis van Nijmegen pas weer begon in de 12de eeuw.

      Klik op de afbeelding voor meer informatie!
        Nijmegen de oudste stad? Lees er alles over.
      1. Op het Kops Plateau zou de nederzetting Oppidum Batavorum hebben gelegen dat ongetwijfeld voortkwam uit het streven van de Romeinse autoriteiten de Bataven een Romeins bestuursmodel op te leggen, om zo de integratie van het veroverde gebied in het Romeinse imperium te bevorderen. Enkele vondsten op het Kelfkensbos onderstreepten het belang van de Bataafse hoofdplaats. De belangrijkste zijn wel de twee kalkstenen blokken die deel uitmaakten van een monument dat bekendstaat als 'godenpijler'. Beide blokken zijn met andere bijpassende fragmenten in februari 1980 gevonden in de opvulling van de buitenste gracht om het laat-Romeinse castellum of in de fundering van de dertiende-eeuwse vestingmuur rond het Valkhof. Titus Panhuysen, voormalig stadsarcheoloog van Maastricht, heeft de vondst uitgebreid beschreven en geinterpreteerd. Hij plaatste deze in de context van represaillemaatregelen die de Romeinse veldheer Germanicus Julius Caesar in 14-16 na Chr. nam tegen de Germanen aan de overzijde van de Rijn. In opdracht van keizer Tiberius slaagde Germanicus erin legioenstandaarden van zijn voorganger Publius Quinetilins Varus te heroveren die in 9 na Chr. bij de slag in het Teutoburgerwoud verloren waren gegaan. Keizer Tiberius werd daarvoor in 17-19 na Chr. in Oppidum Batavorum geëerd met een monument waarop behalve hijzelf verschillende Romeinse goden prijken. De godenpijler is oorspronkelijk ongeveer 7,5 m hoog geweest (p.27).

        Titus Panhuysen was archeoloog van Maastricht, de werkelijk oudste stad van Nederland, en wist Nijmegen zo ver te krijgen die titel van oudste stad op te eisen. Had hij ruzie gehad in Maastricht? Was hij een promotie misgelopen? Uit het betoog van Panhuysen blijkt overduidelijk dat hij als archeoloog geen verstand heeft van geschiedenis en al helemaal niet van historische geografie. Hij noemt het Kops Plateau de plaats van het Oppidum Batavorum. Maar wat schreef W.Willems daarover? Ten aanzien van de opgravingen naar het Oppidum Batavorum in Nijmegen: "We hebben al 9000 m² afgegraven, maar we hebben het niet gevonden". En ten aanzien van de Bataven "als er al Bataven in Nijmegen of omgeving zijn geweest, dan hoorden zij bij het Romeinse leger ter plaatse".
        De Bataven zijn op grond van enkele misvattingen, zoals van Geldenhouwer, in de Betuwe en Nijmegen terecht gekomen. Lees wat daarover in Hoofdstuk 7 op p.181 in dit boek staat. Wat Geldenhouwer (1482-1542) wel juist zag is dat Julius Caesar al een bezoek bracht aan de hoofdstad van de Bataven en al Bataven in zijn lijfwacht dienst deden. Die hoofdstad van de Bataven was echter niet Nijmegen, maar Béthune. En dit nu, staat pontificaal op de gedenkstaan van Frederik Barbarossa uit 1155, die herstelde wat de Romeinen hadden gesticht en wat 'tot niets was gebracht', geheel vervallen. Zie de afbeelding hiernaast. Klik op afbeelding voor meer informatie. Lees meer over deze gedenksteen uit 1155. Algemeen wordt nu ook erkend dat Julius Caesar nooit in Nijmegen is geweest. Daar werd ook geen enkel bewijs voor gevonden. Bovendien is archeologisch vastgesteld dat Caesar nooit in België is geweest. Lees meer over Julius Caesar.
        Over de Varusslag die ook genoemd wordt, kun je kort zijn: die is in Duitsland nog steeds niet met zekerheid gelocaliseerd. Wel is duidelijk dat de hier genoemde Germanicus aan de kust verbleef toen hij de legioenstandaarden terugvond.
        En dan de 'godenpijler'. Daarmee bewijs je toch niets ten aanzien van Nijmegen als oudste stad? Dat er Romeinen zijn geweest is geen probleem, wel dat die pijler in de opvulling van een gracht is gevonden, dus weggegooid (door wie en wanneer?) en dat er maar twee stukken van gevonden zijn. Waar is de rest gebkeven? Of, waar kwamen die twee stukken oorspronkelijk vandaan?


      2. (p. ).







  • Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.