De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het Valkhof, 2000 jaar geschiedenis.

De auteurs van dit hoofdstuk, Harry van Enckevort en Thijssen noemen hun bijdragen in het Verhaal van Gelderland
'vermoedens in de lijn van verwachtingen'.


We splitsen dit uitgebreid onderzoek in de afzonderlijke hoofdstukken, zodat elk hoofdstuk een eigen verwijzing krijgt op deze website.
De literatuuropgave in dit boek over Het Valkhof is veelzeggend. Verwijzingen naar bijvoorbeeld Smetius (1645), Daniëls (1921) en Schevichaven (1896) geven duidelijk aan dat er slechts oude opvattingen worden aangehaald uit de tijd dat archeologie en geschiedschrijving nog niet serieus bestonden. Ook de verwijzing naar de Stedeatlas van F.Gorissen (1952) is wat dat betreft duidelijk. Gorissen ging bij zijn Stedeatlas uit van het bestaan van een Karolingische Palts, terwijl dat juist eerst eens bewezen zou moeten worden, welk bewijs tot heden nog steeds ontbreekt. De verwijzing naar het Bronnenboek van Nijmegen van Leupen en Thissen (1981) is de beste bevestiging van achterhaalde geschiedenis.

Stamt de Kapel op het Valkhof uit 1030?
Dit jaartal dat algemeen aanvaard is, blijkt bij nadere bestudering van de bronnen zeer twiijfelachtig.
Het jaartal 1030 wordt 'als vaststaand' genoemd door J.F. van Agt in het artikel "De Sint-Nicolaaskapel op het Valkhof" (p.52-58), opgenomen in 'Het Valkhof te Nijmegen' in Catalogi van het kunstbezit van de Gemeente Nijmegen nr.3.
Maar wat schrijft Van Agt precies? "De bouw rond 1030 van een kleine kapel in Nijmegen als vereenvoudigde navolging van de Paltskapel te Aken past dus helemaal in dit kader".

De vraag is dus: Welk kader wordt hier bedoeld?

Over dat kader valt het nodige op te merken:
  • Van Agt en anderen gaan uit van het feit dat de palts van Karel de Grote in Nijmegen heeft gestaan.
  • Dat deze palts in 1047 verwoest is door Godfried van Lotharingen, maar dat de kapel blijkbaar 'gespaard' is gebleven, mischien dank zij haar excentrieke ligging. Van Agt stelt het hier wel erg simplistisch voor. Zou Godfried en zijn troepen die kapel werkelijk over het hoofd hebben gezien?
  • Dat Sint-Nicolaas, de patroonheilige en patroon van de schippers, al in 1030 bekend was in Nijmegen. Nicolaas zou al in Duitsland bekend zijn geweest voordat zijn relieken van Myra naar Bari werden overgebracht, wat in 1097 gebeurde. Hier is dan ook zeker sprake van een wonder.
  • Dat ir. J.J.Weve, die de bouw na zorgvuldig archeologisch onderzoek, op 1046/47 stelde, het dus fout had.
  • De bouw van de ten onrechte 'Karolingisch' genoemde kapel heeft in ieder geval niet in de tijd van Karel de Grote, maar pas veel later plaatsgevonden.
  • De spaarvelden van de westelijke uitbouw, plaatsen de kapel in dezelfde tijd als ondermeer de in 1048 ingeijde Sint-Pieterskerk te Utrecht.
  • We mogen derhalve de polygonale kapel op het Valkhof zonder enige twijfel als een gebouw uit het tweede kwart van de 11de eeuw beschouwen. Dit vanwege vergelijkingen met de Michaëlkerk te Hildesheidm, de Lebuinuskerk te Deventer en meerdere bouwwerken in de Rijnstreek. Noot 28 verwijst naar 2 publicaties: Edgar Lehman, Der frühe deutsche Kirchenbau, Berlin 1938; E.H. ter Kuile, De Romaanse kerkbouwkunst in de Nederlanden, Zutphen 1975.
  • Vervolgens worden vergelijkingen gemaakt met de kerk te Brugge (bekend door de moord op Karel de Goede in 1027) en de Saint-Jean te Luik, die sterk leek op het Akense voorbeeld. De veel kleinere kerk te Muizen bj Mechelen uit de 10de eeuw, die duiden op een soortgelijke opzet. De Walburgiskerk te Groningen waarvan de meningen over de dateringen uiteen lopen, maar de bouwtijd in de 11de eeuw is niet onwaarschijnlijk. Helaas kunnen we over het inwendige van deze gebouwen slechts vermoedens uiten.

    De conclusie van J.F. van Agt luidt als volgt:
    "Welke invloed echter tussen het einde van de 10de eeuw en het midden van de 11 de eeuw van Aken uitging, bewijzen het westwerk van de Abdijkerk (nu Dom) in Essen, waarin een halve centraalbouw naar Akens model is opgenomen, de westgalerij van Sankt-Maria im Kapitol te Keulen en de achthoekige Mariakerk te Ottmarsheim. Hier sluit de dubbele zuilenopstelling in de openingen van de arcaden iedere twijfel uit. Het westwerk in Essen kwam tot stand onder Abdis Mathilde (974-1011) rond het jaar 1000; en de kerk te Ottmarsheim werd pas in 1049 gewijd, omstreeks welke tijd ook de westgalerij van de Kapitoolskerk gereed zal zijn gekomen".

    De datering blijkt dus te bestaan uit vergelijkingen met overeenkomstige gebouwen elders in Westelijk Europa. En zoals alle vergelijkingen het mis hebben, is op grond van al deze twijfel en onzekere 'vergelijkingen' van bouwwijzen, komt Van Agt op het jaar 1030! Hoe onzeker wil je het hebben? Er bestaat dus geen enkel rechtstreeks bewijs voor de datering op 1030!



    Feitelijk is Het Valkhof een misplaatste naam. Deze naam impliceert de bij de Karolingen gebruikelijk Valkenjacht. Maar van een Valkenjacht is daar nooit sprake geweest, immers de Karolingen zijn nooit in Nijmegen geweest.



    De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!




    Laat Badorf aardewerk: tweede helft 9e eeuw.


    Het aardewerk uit de Maas
    Bij het duiken zijn aanzienlijke hoeveel heden aardewerk en baksteen geborgen. Het complex bestaat echter niet volledig uit laat-Romeinse ceramiek. Voor een klein deel gaat het om over het algemeen goed herkenbare, meestal relatief jonge, weinig spectaculaire vondsten (18e-19e eeuw), hoewel daar sporadisch ook wel middeleeuwse hij zitten. Recente en opvallende aanvullingen op dit beeld zijn een bodem- en wandfragment van Merovingisch ruwwandig aardewerk en naar goed Cuijks gebruik zijn zowel de oxide rend als de reducerend gebakken variant vertegenwoordigd. Niet onverwacht is daarbij ook een kleine hoeveelheid aarde werk, dat een afspiegeling vormt van oudere Romeinse bewoningsfasen met inbegrip van de Flavische periode. Daarbij zitten geen opvallende vondsten en gaat het om doorsnee Romeins aardewerk: terra sigillata (ook versierd) uit Zuid- en Midden-Gallië, Belgische en geverfde waar, glad-, ruw- en dikwandig aardewerk. Het laat-Romeinse deel van het complex bestaat voor het overgrote deel uit slechts twee categorieën cerarniek: term sigillata en ruwwandig aardewerk. Andere categorieën zijn wel vertegenwoordigd, maar het gaat daarbij om betrekkelijk kleine aantallen fragmenten, waarmee overigens niet gezegd wil zijn dat die minder belang moeten worden toegekend. Integendeel: bij alle categorieën zijn wel interessante vormen en/of baksels aanwezig.
    Westerheem 60/4 p.167/168.


    De oude parochiekerk op het Valkhof.
    Na de uiteindelijke instemming en de overdracht van de kerk aan de broeders van St. Jan , is de nieuwe St.Stevenskerk gebouwd. Gegevens over de bouw zijn niet bekend gebleven, enkel het feit dat Albertus de Grote, toen wijbisschop van Keulen, op 7 September 1272, de dag voor het feest van Maria Geboorte, de kerk heeft gekonsakreerd. Bij deze gelegenheid heeft zich iets voorgedaan, dat van het hoogste belang is voor de Karolingische kwestie. Albertus de Grote legde namelijk aan de parochie de verplichting op om elk jaar, acht dagen na Pinksteren een processie te houden naar de plaats van de oude kerk, speciaal om de gelovigen te herdenken, die daar begraven waren. In die processie moesten het H. Sakrament, het beeld van de H. Maagd en de relieken van de heiligen meegedragen worden.
    Het staat vast, dat de processie het Valkhof als doel had.
    Dit voorschrift is door de parochie trouw opgevolgd en heeft geleid tot de beroemde Maria-Omdracht van Nijmegen, die in de middeleeuwen een grote faam genoot. Een zijdelings gevolg ervan is geweest, dat de schrijver van een mirakelspel dit in Nijmegen situeerde als Mariken van Nimwegen. Dit mirakelspel valt in de categorie nep in Nijmegen, want het heeft zich daar, of waar dan ook, nooit voorgedaan. Het is een mirakelspel, ook al wordt men in tegenwoordig Nijmegen er overal aan herinnert, zonder de nadruk te leggen op 'mirakel'.
    Tijdens de protestantse overheersing werd de Maria-Omdracht verboden; de traditie is vooral op instigatie van Prof. Titus Brandsma in 1926 hernomen, al bleek spoedig dat zij doodgebloed was en de mens van vandaag niet meer aanspreekt.
    In 1962 is plotseling en zonder enige uitleg de Maria-Omdracht van het programma geschrapt.
    Let goed op: in hetzelfde jaar werd het Keizer Karelbeeld in Nijmegen opgericht! Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden dat dit gebeurde nadat Albert Delahaye met zijn publikaties over de Maria-Omdracht naar Brabant was verjaagd. De ware reden van de opheffing van deze aloude traditie is - en laat U niets anders wijsmaken - dat het voor de Karolingische toeteraars onverdraaglijk was, dit jaarlijks terugkerend bewijs dat de oude parochiekerk en het oude kerkhof op het Valkhof aanwezig zijn geweest, en er geen sprake is geweest van een Karolingische palts voor de burcht van Barbarossa uit 1155. De fraudes van het Bronnenboek zijn systeem geworden in Nijmegen. Om de mythe in stand te houden, ziet men er zelfs geen been in de ware historie om zeep te helpen.

    Uit de opdracht van St. Albertus de Grote blijken vier gewichtige zaken:

    1. Voor de bouw van het paleis van Frederik van Barbarossa, dat er in 1155 was gesticht, was het Valkhof het kerkelijke domein van de stad en was de St. Nicolaas-kapel de parochie-kerk.

    2. Op het tijdstip van de bouw van deze kerk, het einde van de 11de eeuw -de kerk is immers aan St.Nicolaas gewijd en daarmee de oudste St.Nicolaaskerk van Nederland. Vóór 1087 was St.Nicolaas, die de patroon van de schippers was, in Westelijk Europa nog onbekend- ,was het Valkhof nog geen keizerlijk domein, laat staan een overblijfsel van een Karolingische residentie. Opvallend detail: de tweede voornaam van prof.dr.F.Hugenholtz was Nicolaas. Was hij daarom zo fel tegen Albert Delahaye die van Nicolaas meer bleek te weten dan hij? De naam Nicolaaskapel, zoals de kapel tegenwoordig heet, bevestigt immers het gelijk van Delahaye, dat er nooit een Karolingische residentie heeft bestaan.

    3. Een en ander verklaart nog beter de aanvankelijke tegenzin van Nijmegen om toe te stemmen in de verplaatsing van de kerk, wat nog te aanvaarden was bij het vooruitzicht op een nieuwe en fraaiere kerk, maar wat pijnlijker was met betrekking tot het kerkhof, waaraan de mensen gevoelsmatig meer gehecht waren. De verplichting tot de jaarlijkse processie was dan ook het belagrijkste element dat Albertus de nieuwe kerk en parochie oplegde.

    4. Het voorschrift van de jaarlijkse processie mag men terecht opvatten als een zacht protest tegen de houding van de graaf van Gelre, die de kerk en het kerkhof uit zijn voortuin weg wilde hebben. Met dit zacht protest wilde Albertus de gelovigen van Nijmegen op een devote manier op het hart binden door hen elk jaar eraan te doen herinneren, dat de kerk voor een wereldlijk heer had moeten wijken. De parochie had haar doden moeten achterlaten op een geprofaneerd terrein, waar de mensen van Nijmegen normaal geen toegang toe hadden. Die toegang kregen zij nu door jaarlijkse processie, voorgeschreven door de aartsbisschop van Keulen, die meer te vertellen had dan de graaf van Gelre.



    Rode mortel bij de Romeinen
    De Romeinen waren zeer deskundig op het gebied van mortel. Ruïnes van hun bouwwerken staan al eeuwen bloot aan weer en wind, zonder dat de mortel uitgespoeld is. Romeinse mortel bestaat meestal uit kalk, zand en water. Voor waterwerken kon de kalk door puzzolaan vervangen worden, dat bij Napels gewonnen werd. De Romeinse architect Vitruvius geeft een variant, die een rode mortel oplevert. Hij kiest daarvoor 1 deel kalk, 2 delen rivierzand, aangevuld met 1 deel gemalen dakpan, en 15 à 20% water. Het resultaat is herkenbaar aan de rood-roze voegen, bij beschadigingen is te zien dat het hele metselwerk met deze rode mortel is opgetrokken: navoegen was bij de Romeinen een uitzondering.

    In het hierboven genoemde artikel van J.F. van Agt over de kapel op het Valkhof lezen we het volgende: Wel werd op enkele plaatsen mortel aangetroffen met baksteenpoeder erin maar het bleek dat deze rood gekleurde specie bij puinblokken hoorde of aan stenen zat die kennelijk afkomstig waren van herbezigd sloopmateriaal. Deze alleen plaatselijk gevonden mortelresten zijn overigens van een heel andere samenstelling dan de zeer harde rode pleister, waarmee het gebouw - blijkens overgebleven resten - zowel binnen als van buiten afgewerkt is geweest De resten van rode mortel binnen in het metselwerk lijken op specieresten in twee muurfragmenten bij de westelijke uiteinden van de romaanse Barbarossa-ruïne en op mortelresten, aangetroffen op losse romeinse fragmenten verspreid over het Valkhofterrein; ook werd op veel plaatsen puin met mortel opgegraven. Op het Valkhof terrein werden geen fundamenten of grondsporen van Romeinse gebouwen aangetroffen; de Romeinse fragmenten moeten dus van elders gehaald zijn. De muurgedeelten met de rode mortel bij de Barbarossa-ruïne beschouwde Weve als karolingisch, zij zijn jonger dan een waarschijnlijk merovingisch fundament met grijze mortel, dat langs de hele westrand van deze ruïne loopt, maar veel ouder dan het aansluitende muurwerk uit de 12de eeuw. Uit dit alles bleek, dat de Karolingische Palts met behulp van rode mortel was opgemetseld uit bouwstenen, die gedeeltelijk van Romeinse herkomst waren. De excentrisch gelegen polygonale kapel, zo concludeerde Weve, moest dus blijkens de rode mortel die op sommige plaatsen werd gevonden, gebouwd zijn met Karolingisch sloopmaterial en wel op een plaats, waar tevoren geen ander bouwwerk had gestaan.

    Deze rode mortel die in Nijmegen soms Karolingisch wordt verklaard, maar in werkelijkheid Romeins is, bevestigt het enorme
    gat van Nijmegen in de continuïteit. Dat gat wordt met die rode mortel aangetoond tussen de derde (vierde?) en de twaalfde eeuw. Dat gat van Nijmegen zie je ook telkens terug in diverse publicaties. Zie als voorbeeld het Verhaal van Gelderland. Enkele opmerkingen daaruit worden hiernaast al genoemd.






    Verschillende afbeeldingen van de Nijmeegse godenpijler, waaronder eigen foto's.







  • Lees vooral ook wat Museum Het Valkhof zelf publiceert en laat zien en over de Valkhofburcht.
    De 'bekering' heeft zich ingezet. Op Wikipedia lezen we nu: "Omdat van Karel de Grote gezegd wordt dat hij een palts bij Nijmegen liet bouwen, wordt de stad Nijmegen weleens aangeduid als keizerstad. Karel de Grote was er op het paasfeest van 777 en meermalen tussen 804 en 814. Vermoedelijk heeft hij er toen zelfs gewoond". De (door mij) onderstreepte worden geven al aan dat er de nodige twijfel bestaat.

    In Nijmegen en historisch Nederland weten ze maar al te goed dat Albert Delahaye gelijk had. Van een palts van Karel de Grote is niets gevonden. In Archeologie Magazine nr.6 2023 lezen we: "In Nijmegen zijn nog resten te bewonderen van de keizerlijke palts waarin keizerin Theophanu in 991 overleed. De fraaie 11de eeuwse St.Nicolaaskapel maakte hiervan deel uit". Let op: Geen woord over Karel de Grote en een palts uit 777, maar een verwijzing naar keizerin Theophanu ruim 200 jaar later. Overigens is die verwijzing dubbel onjuist, aangezien keizerin Theophanu overleden is in Noyon en de St.Nicolaaskapel pas een eeuw later (ca.1089) is gebouwd is en nooit deel heeft uitgemaakt van welke palts dan ook.

    In de geschiedenis van Nijmegen neemt Het Valkhof een centrale plaats in. Met het boek 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' willen de "Nijmeegse" historici nu eens uitvoerig aantonen dat omtrent het bestaan van de Karolingische Palts geen twijfel bestaat. In de 8 hoofdstukken die we bespreken nemen de auteurs hun standpunten in en menen ze alle twijfel over Karolingisch Nijmegen weg te kunnen nemen. De hoofdstukken zijn:
    1. Hoofdstuk 1 Het Valkhof en omgeving tot het einde van de Romeinse tijd, geschreven door Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
    2. Hoofdstuk 2 Een noordelijk steunpunt. Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief, door Joep Hendriks, Arjan den Braven, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
    3. Centrum en symbool van koninklijk gezag. Het Valkhof en de palts te Nijmegen van 777 tot 1247, geschreven door Bert Thissen.
    4. 'Buitengewoon en onvergelijkbaar', Het Valkhof vanuit bouwhistorisch perspectief tot circa 1200 , door Elizabeth den Hartog.
    5. Onder Gelders landsheerlijk gezag. De burcht in het spanningsveld tussen stad en landsheer, 1247-1543, door Jan Kuys.
    6. Het verval van een icoon. De Valkhofburcht gedurende de jaren 1543-1797, door Jac Geurts.
    7. Wie was de bouwer van de eerste burcht? Denken over de vroegste geschiedenis van het Valkhof in de twaalfde tot negentiende eeuw, door Louis Swinkels.
    8. Heimwee naar de burcht. Het Valkhof vanaf de sloop tot de herbouwplannen voor de Reuzentoren, door Hettie Peterse.
    De centrale plaats die het Valkhof in de geschiedenis van Nijmegen inneemt, wordt tegengesproken door de excentrische ligging. Het Valkhof is feitelijk buiten de oude stad gelegen. Zie afbeelding hiernaast van Hendrik Feltman uit 1670. Klik op de kaart voor het detail met het Valkhof. Die ligging geeft al meteen aan dat het in opzet geen Karolingische maar een Duitse stad was. In een Karolingische stad lag de palts altijd in het centrum, met de bewoning daar omheen. Zie als voorbeeld de plattegrond van Noyon.
    De eerste vraag is of die 2000 jaar geschiedenis slechts voor het Valkhof geldt of ook voor de hele stad? In Nijmegen meent men dan wel dat het de oudste stad van Nederland is, maar daarvoor bestaan bij voorbaat al vier problemen:
    1. Er is geen enkel bewijs dat Nijmegen ooit stadsrechten kreeg van de Romeinen. Lees daar meer over bij Stadsrechten.
    2. Er bestaat geen continuïteit in de geschiedenis van Nijmegen. Lees daar meer over bij Nijmegen oudste stad?
    3. Het grootste probleem in de geschiedenis van Nijmegen is het veronderstelde paleis Noviomagus van Karel de Grote dat er archeologisch nooit gevonden is . Dat paleis stond in zijn kroningsstad Noviomagus, dat onmiskenbaar Noyon was?
    4. Met het Bronnenboek van Nijmegen is aangetoond dat alle teksten over Noviomagus tot 1047 niet over Nijmegen, maar over Noyon gaan. Lees meer over het Bronnenboek.

    De visie van Albert Delahaye.
    Het is wel duidelijk dat Albert Delahaye tijdens zijn werk in Nijmegen een totaal andere kijk kreeg op de continuïteit van de stad. Die bleek er niet te zijn geweest. Het Romeins werd door hem niet ontkend, al beweren kwaadaardige opponenten dat wel eens. Maar zelfs in de Romeine periode zijn enkel hiaten aangetoond en daarn brak een lange tijd van een nagenoeg onbewoonde periode aan. Er zijn wel enkele graven gevonden uit verschillende eeuwen, maar met een graf bevestig je geen bewoning, zolang er geen nederzetting wordt gevonden. Zo is van de aanwezigheid van een Karolingische Palts die er ruim 4 eeuwen gestaan moet hebben nog steeds niets teruggevonden. Maar het belangrijkste in de visie van Delahaye vormen de teksten. En die wijzen allemaal naar het Noviomagus waar Karel de Grote tot Koning van de Franken werd gekroond, wat onmiskenbaar het Noord-Franse NOYON was. Alle teksten die in Het Bronnenboek van Nijmegen opgevoerd worden om daarmee te bewijzen dat 'toch Nijmegen bedoeld zal zijn', blijken over Noyon te gaan. Ligt Nijmegen aan een rivier die uitstroomt in de Seine? Ligt Nijmegen vlak bij Parijs? Ligt Nijmegen tussen Soissons en Amiens? Ligt Nijmegen in Picardië? Heeft Nijmegen ooit een bisschopszetel gehad? Op al deze vragen is het antwoord volmondig NEEN. Dan was Noviomagus ook niet Nijmegen, maar Noyon.
    Het belangrijkste en keiharde bewijs die de aangenomen Karoligische geschiedenis van Nijmegen tegenspreekt is de gedenksteen van Frederik Barbarossa, die in Museum Het Valkhof te zien is. Lees meer over deze gedenksteen.

    Al met al is 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' een heel eerlijk boek. Er wordt niet om de hete brij heen geschreven, maar er wordt volledig erkend dat de geschiedenis van het Valkhof grote problemen kent. Alles wat traditioneel ooit voor het Valkhof als ware geschiedenis is vastgesteld, blijkt onderhevig aan flinke twijfel. Zelfs zoveel twijfel dat er nauwelijk iets van overblijft. Geldt dat ook voor de stad Nijmegen? In feite is de beste manier om het gelijk van Albert Delahaye aan te tonen, te lezen wat zijn opponenten schrijven. Zowel tijdens Romeins Nijmegen en Nederland, maar ook tijdens Merovingisch en Karolingisch Nijmegen en Nederland vormde Het Valkhof een centrale plaats, tenminste volgens de traditionele geschiedenis. Of was het slechts een hooggelegen uitkijkpost aan de Waal, waar Claudius Civilis stond te tandenknarsen toen hij de Romeinse legerscharen zag naderen?

    Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis.
    Op de omslag van dit boek staat het volgende: De geschiedenis van het Valkhof gaat meer dan 2000 jaar terug. Al in de late bronstijd was de heuvel in de bocht van de Waal bewoond. De Romeinen vestigden er aan het begin van onze jaartelling de Romeins-Bataafse burgernederzetting Oppidum Batavorum. Ook de Frankische heersers namen de strategische plek dankbaar in gebruik en bouwden er vermoedelijk (sic ?) een kerk. Onder Karel de Grote verrees op het Valkhof een palts, die hij met enige regelmaat bezocht. In de lange periode daarna groeide het gebouwencomplex uit tot een trotse burcht die onder opeenvolgende keizers, graven, hertogen en stadhouders vele malen werd verbouwd en uitgebreid, verwaarloosd en gerestaureerd. Alle protesten van de Nijmegenaren ten spijt viel nagenoeg het gehele complex in 1796 ten prooi aan de slopershamer. Het Valkhof werd een park, met de Barbarossaruïne en de Sint-Nicolaaskapel als stille getuigen van het roemruchte verleden.
    De redactie en de auteurs.
    Het Valkhof. 2000 jaar geschiedenis vertelt én toont het verhaal van de rijke geschiedenis van deze lieu de mémoire, die gezien de vele plannen en discussies over reconstructie van de hele burcht of alleen de donjon nog altijd de harten beroert, aldus de uitgever.
    De redactie bestond uit Hettie Peterse, Dolly Verhoeven, Rob Camps, Ruth Klein, Barbara Kruijsen, Jan Kuys, Martijn Nicasie en Mieke Smit. De auteurs van de verschillende hoofdstukken zijn: Arjan den Braven, Harry van Enckevort, Jac Geurts, Elizabeth den Hartog, Joep Hendriks, Jan Kuys, Hettie Peterse, Louis Swinkels, Jan Thijssen en Bert Thissen. Bij elkaar een aantal van liefst 18 deskundigen, die de traditionele opvattingen weer eens 'gekunsteld' opvoeren. Echter geen van hen, op Bert Thissen na, gaat in op de prublicaties van Albert Delahaye. Bert Thissen maakt zich er overigens met enkele misplaatste opmerkingen over 'complottheorieën' en 'spelregels van interpretaties' vanaf, zonder in te gaan op wat hij daarmee precies bedoeld. Bert Thissen was met P.Leupen de auteur van het Bronnenboek van Nijmegen en de kenners weten dan wel dat hij zelf een meester is in de 'spelregels van de interpretaties'.

    De Karolingische Palts.
    Het meest essentiële onderdeel van het Valkhof is de aanwezigheid van de Karolingische Palts, waarop de hele middeleeuwse geschiedenis van Nijmegen is gebaseerd, en niet alleen van Nijmegen! Heeft dat paleis van Karel de Grote met de naam Noviomagus of Numaga in Nijmegen gestaan, zoals traditioneel aangenomen is, of stond dit paleis in Noyon, zoals Albert Delahaye beweerde? Wat schrijft men in 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' daarover?
    Op de pagina's vóór pagina 22 staan verschillende afbeeldingen van 'De Valkhofburcht'. Het betreft steeds de burcht die tussen 1155 en 1796 bestaan heeft.

    Wat lezen we zoal nog meer in dit boek over Het Valkhof? We bespreken hier de voor de studie van Albert Delahaye belangrijkste hoofdstukken en geven daarop in rood ons commentaar. Het gaat erom hoeveel zekerheid er uit dit boek spreekt en wat de bewijzen zijn. Een kleine inventarisatie levert al de nodige voorbeelden van twijfel en onzekerheid op.
    In de eerste 3 hoofdstukken (p.23-105; inclusief de noten: p.230-236) is liefst 278 keer sprake van twijfel. Dat is gemiddeld zo'n 5 keer per pagina tekst, dat er wordt getwijfeld. Een kleine inventarisatie van de teksten levert het volgende op: er wordt liefst 47 keer over een vermoeden of vermoedelijk gesproken, wordt 23 keer wellicht geschreven, 63 keer is iets mogelijk geweest, wordt 42 keer iets waarschijnlijk, 10 keer iets onduidelijk en 13 keer het problematisch of wordt het een probleem genoemd en 18 keer is zelfs het woord twijfel te lezen of wordt geschreven dat het aangenomen wordt of aannemelijk is . (Telling is uitgevoerd met een tekstgenerator!). Over hoeveel zekerheid gaat het dan?
    We geven hieronder een aantal (niet alle 278) letterlijke citaten waarin sprake is van die twijfel: (Voor Uw gemak en voor vragen of om opmerkingen te kunnen maken -zie email op de beginpagina-, hebben we de teksten van een nummering voorzien die kan wijzigen bij tussenvoegen van nieuwe gegevens).

    Ga hier naar Hoofdstuk 1.



    Een interessante aanvulling over de Palts van Karel de Grote lezen we in het Verhaal van Gelderland, ook onder redactie van Dolly Verhoeven (e.a.).
    In het verhaal van Gelderland wordt uiteraard Nijmegen besproken en natuurlijk ook de daar wel of niet aanwezige Karolingische Palts. Op p. 334 worden kort de opvattingen van Albert Delahaye beschreven. Echter op deze ene bladzijde worden meerdere onjuistheden genoemd. Het geheel van het op deze pagina gestelde is onvolledig, onjuist en zelfs in tegenspraak met wat Delahaye in zijn boeken geschreven heeft. Blijkbaar proberen de auteurs met valse citaten en ongenuanceerde opmerkingen de opvattingen van Albert Delahaye belachelijk te maken. Lees er meer over in het verhaal van Gelderland. Wat schrijven de auteurs over dat paleis van Karel de Grote in Nijmegen? Daarvoor spitten we hoofdstuk 7 'Aan de rand van de Merovingische Wereld' en hoofdstuk 8 'Het Karolingische en Ottoonse Rijk' door.

    Als er één plek in Gelderland is waar de aanwezigheid van de Merovingische vorsten of de rijksadel verwacht kan worden, is dat het Valkhofplateau in Nijmegen. Hier lag immers het Romeinse castellum dat zeker tot in de vroege vijfde eeuw een van de laatste steunpunten van het Romeins gezag in onze streken moet zijn geweest. Wetenschappers veronderstellen dat al het voormalig Romeinse staatsbezit, waaronder de militaire vestingen, stedelijke bestuurs-gebouwen en staatsgronden, in de late vijfde eeuw is overgegaan in de handen van de Frankische koningen. Maar vooralsnog zijn er geen sporen van voortzetting van de bezetting van dit castellum in de vroege middeleeuwen.

    De vele kleine onderzoeken op het Valkhof en de grotere opgravingen op het aanpalende Kelfkensbos, waarvan de laatste plaatsvonden in 1996 en 1998 voorafgaand aan de bouw van Museum Het Valkhof, hebben nauwelijks resten uit de Merovingische tijd opgeleverd. Wel wijzen aardewerkscherven in de vulling van de grachten van het castellum op activiteit in de late vijfde en zesde eeuw, maar van de vroege inrichting van een Merovingische adellijke zetel lijkt geen sprake te zijn.

    Van een stedelijke nederzetting zoals in de Romeinse tijd, die als centrum en marktplaats de regio bediende, lijkt geen sprake meer te zijn geweest. Wat er in Nijmegen gebeurde na het begin van de zesde eeuw blijft een vraag. Merovingische bewoningssporen op en rond het Valkhof. plateau ontbreken en het cluster met bijzondere graven aan de Burchtstraat lijkt na 500 geen vervolg te hebben gekregen

    Terwijl nieuwkomers in de omgeving in de zesde eeuw meerdere Angelsaksische nederzettingen stichtten, bleef het voormalige Romeinse stadsgebied leeg. Hier zie je dus een van de gaten in de continuïteit van Nijmegen. Pas in het midden van de zevende eeuw liet de koning van Wessex een christelijke kerk bouwen, onmiddellijk ten zuiden van het Romeinse forum, en was Angelsaksische bewoning in de stad een feit (noot 40). Mogelijk geldt voor Nijmegen eenzelfde soort institutionele continuïteit, wat zou betekenen dat het Valkhof gedurende een ruime eeuw als plek van autoriteit op last van de koning in onbruik bleef. Hier zien we een volgend hiaat in de de continuïteit van Nijmegen In noot 40 dient zich, volgens Engelse onderzoekers M.Biddle e.a. over onderzoek in Winchester, Wessex and Anglo-Saxon, een parallel aan met de Britse stad Winchester, als voorbeeld dat het voorbestaan van koninklijk bezit niet altijd door een fysieke aanwezigheid bekrachtigd hoefde te worden. Zonder dat er iemand aanwezig was, bleef het koninklijk bezit voortbestaan, stellen deze onderzoekers. En bewijzen voor die stelling? Die zijn er niet, immers er was niemand die dat kon noteren of bevestigen.

    De palts van Karel de Grote.
    Het eerste bezoek van Karel de Grote aan Nijmegen is gedocumenteerd in het jaar 777. Karel bezocht zijn palts met Pasen en vaardigde er later dat jaar een oorkonde uit (Actum Niumaga palacio publico) (noot 33). Karels biograaf Einhard beschreef, zoals al genoemd, duidelijk waar de palts lag (noot 34). Het moet een indrukwekkend gebouwencomplex geweest zijn, want Einhard noemde de Nijmeegse palts in één adem met die van Ingelheim en Aken, paleizen met een volgens hem indrukwekkende architectuur. De toevoeging 'publico' in de oorkonde kan erop duiden dat het op dat moment nog geen persoonlijk paleis van de koning was, maar ook diende als overheidsgebouw met een openbare functie (noot 35). (p.325/326).

    In enkele kleine opgravingsputten op het Valkhof zijn sporen van uitgebroken muren gevonden die mogelijk uit de eerste helft van de achtste eeuw dateren. Dit zou het gebouw geweest kunnen zijn dat Karel in 777 bezocht en dat hij kort erna liet slopen om uiteindelijk een palacium regium, een koninklijk privépaleis te bouwen. Tussen 777 en 814 is Karel zeker vier keer in Nijmegen geweest om Pasen te vieren. (noot 36) (p.326).

    Een opgravingsfoto uit 1911 met helemaal onderaan een mogelijk Karolingische muur van grote tufstenen blokken. In 2019 kwam dit deel van de noordwestelijke hoektoren boven aan de Nijmeegse Valkhofheuvel opnieuw aan het licht bij archeologisch onderzoek. (p.327) Deze Karolingische zuil werd in 1155 verwerkt in de Sint-Maartenskapel (Barbarossaruïne). Barbarossa verwees daarmee bewust naar de oude palts van zijn illustere voorganger Karel de Grote. (p.328) Dit is dus wat wij bewuste geschiedvervalsing noemen. Die zuilen werden altijd Romeins genoemd en zijn nu plots Karolingisch. Op grond waarvan? En Barbarossa verwees niet, ook niet bewust, naar zijn illustere voorganger Karel de Grote, maar Barbarossa verwees naar Julius Caesar, ofwel naar de Romeinen. Zie de gedenksteen uit 1155 onderaan dit hoofdstuk! Barbarossa had graag naar Karel de Grote verwezen, hij verheerlijkte hem immers, maar wist als geen andere dat er in Nijmegen niets van Karel de Grote te vinden was.

    Het was echter vooral Lodewijk de Vrome, Karels zoon, die Nijmegen vaak bezocht tijdens zijn regeerperiode (814-840). Wellicht is de palts in deze periode versterkt als reactie op een reeks Vikingaanvallen (noot 37). Nijmegen wordt in ieder geval vanaf 837 herhaaldelijk met de Latijnse term voor versterking aangeduid (castra, oppidum). Het is onduidelijk of het om geheel nieuwe versterkingen ging of dat men teruggreep op de resten van een laat-Romeins castellum uit de vierde eeuw. Het kan ook een combinatie van beide zijn geweest. Archeologen zijn het erover eens dat de palts gelegen was binnen de resten van deze vierde-eeuwse versterking, die de Valkhofheuvel en het Kelfkensbos omvatte. Dankzij de opgravingen voorafgaand aan de bouw van Museum Het Valkhof en de bijbehorende parkeergarage is er veel informatie beschikbaar over ligging en aard van de vierde-eeuwse versterking. Delen van de castellum-muur lijken nog in de negende eeuw overeind te hebben gestaan en de brede verdedigingsgracht moet zelfs tot in de elfde eeuw zichtbaar zijn geweest. Maar in de achtste of negende eeuw zijn er ook muren toegevoegd aan de voet van de Valkhofheuvel.

    Exterieur en interieur van de Sint-Nicolaaskapel op de Valkhofheuvel. De kapel werd lang voor Karolingisch aangezien, en zo genoemd, maar uit recent onderzoek bleek dat ze (post-) Ottoons is (p328). De naamwijziging van deze kapel bevestigt het gelijk van Albert Delahaye. Er is niets Karolingisch aan deze kapel, die 'een kopie' zou zijn van de paltskapel in Aken. De palts in Aken was het belangrijkste paleis van Karel de Grote. Het was een groot complex midden in het huidige centrum van Aken (p.325). Het is een vraag of Aken wel die belangrijkste plaats van Karel de Grote was. In de tweedelige uitgave "Aachen, von den Anfängen bis zu Gegenwart" (2013) wordt (ook in Duitsland) aan een aantal traditionele opvattingen ernstig getwijfeld. Lees meer over Aken.

    Het werd al langer vermoed, maar recent onderzoek bevestigde dat de Sint-Maartenskapel op het Nijmeegse Valkhof (Barbarossaruïne) muurwerk bevat van de oude palts uit de tijd van Karel de Grote. Door de sublieme ligging met uitzicht over het Waal- en Rijndal was dit een logische plek voor een palts. Over het uiterlijk van de Karolingische palts is weinig bekend. Van een mogelijk oudste bouwfase zijn in kleine opgravingsputten enkel sporen van uitgebroken muren gevonden. Recente studies maken het aannemelijk dat de ruïne van de in het Valkhofpark gelegen Sint-Maartenskapel resten bevat van een Karolingische bouwfase (noot 40). (p.327-329). In noot 40 worden enkele publicaties van Hein Hundertmark genoemd en komen we tot de kern van de bewijsvoering. Voor de uitkomst van deze bewijsvoering verwijzen we naar punt 5 hiervoor en noot 136 de verwijzing naar de publicatie van Jan Jacob Weve p.99.

    De noten:
    33. Oorkonde van 8 juni 777, in: Gysseling en Koch (ed.), Diplomata Belgica, nr. 178. Volgens Gysseling is Niumaga op deze oorkonde Nijmegen. Deze oorkonde is een kopie uit de 10e of zelfs uit de eind 11e eeuw of uit eind 12de eeuw (1191) zoals Gysseling vermeldt.
    34. Einhard, Vita Karoli Magni, 17. In regel 17 schrijft Einhard: "Iuxta villam cui vocabulum Ingilenheim, alterum Noviomagi super Vahalem fluvium, qui Batavorum insulam a parte meridiana praeterfluit", werd altijd als het ultime bewijs beschouwd van de aanwezigheid van een paleis van Karel de Grote in Nijmegen en daarmee de Karolingische waarheid voor Nijmegen. De vertaling luidt: (Karel liet nieuwe paleizen bouwen) "zowel de villa die Ingelheim heet, alsook te Nijmegen aan de rivier de Waal die het eiland van de Bataven in het zuiden voorbij stroomt". Is deze zin een interpolatie uit de 12de eeuw (1191) of zelfs uit de 13de eeuw? Lees meer over deze tekst bij Einhard
    35. Thissen, 'Die Königspfalz', 105· In dit boek 'Die Königspfalz Nimwegen', spreekt Thissen over Funktion - Topographie - Ausstattung', in: J. Lieven, B. Thissen en R.C.M. Wientjes (red.), schrijft men over Verortete Herrschaft. Königspfalzen, Adelsburgen und Herrschaftsbildung in Niederlothringen während des frühen und hohen Mittelalters (Bielefeld 2014) 53-106. Er wordt niets bewezen van wat in de stelling ten aanzien van het begrip 'publico' wordt gesteld. Betekent het dat het 'publiek' is of betekent het dat het 'gepubliceerd' (vastgelegd) is?
    36. Thissen, 'Die Königspfalz', 69-79·
    37. Leupen, 'Viking-age raids'.
    38. Den Braven (dissertatie in voorbereiding). Fysisch antropologisch onderzoek door Rachel Schats (Universiteit Leiden) en C14-onderzoek.
    39. Leupen.P. 'Het oudste patrocinium van Nijmegens parochiekerk', Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland 21 (1979) 131-145.
    40. Hundertmark, H.F.G., De Valkhofburcht. Bouwhistorische verkenning Barbarossaruïne (intern rapport in opdracht van de gemeente Nijmegen, 2019). Hundertmark, H.F.G., 'De aula regia van Karel de Grote. Karolingisch muurwerk in de Barbarossaruïne van de Valkhofburcht te Nijmegen', in: T. Hermens en R. Gruben (red.), 'De Lagchende Val!ei', Recent onderzoek op het gebied van kastelen en buitenplaatsen in Gelderland (Zwolle 2020) 139-154. Hundertmark, De Valkhofburcht; Hundertmark, 'De aula regia'. De titel 'Lagchende Vallei' is hier wel heel toepasselijk. Er wordt wat afgelachen in Nijmegen, zeker over de visie van Delahaye.
    In een interview met Charles Groenhuijsen in de Volkskrant van 6 oktober 1979 stelde prof.dr.F.Hugenholtz: "Nou als ooit wordt bewezen wat Delahaye beweert - maar ik zie dat nog niet gebeuren" voegde hij er gespeeld zelfverzekerd aan toe, "maar als het ooit bewezen wordt, dan moeten we met zijn allen eens hard lachen en opnieuw beginnen". Vandaar dat Hugenholtz zijn studenten verbood aanwezig te zijn bij een lezing van Albert Delahaye, bang dat hij was dat het lachen al zou beginnen! In datzelfde interview werd Delahaye vanuit de veilige veste van de 'wetenschap' gekogeld met kreten als "fantast", "mythe", "twijfelachtig", "niet serieus", "terecht verwaarloosd", "bedenksels" en ook de vaste prik bleef niet uit: "Ik moet er een beetje om lachen".
    Ook prof.dr.J.E.Bogaers, archeoloog uit Nijmegen, heeft eens eerlijk bekend, dat, hoewel men aanvankelijk om "de voorstelling van Delahaye flink gelachen heeft", ze toch de bittere conclusie moesten trekken dat in de bodem van Nijmegen NIETS gevonden is uit de Karolingische periode, noch lang daarvoor, noch lang daarna, wat Albert Delahaye in 1965 al had geschreven. Na de Romeinse periode kent de archeologie van Nijmegen een gat van 8 eeuwen.


    Hein Hundertmark: Wat schrijft hij over de Valkhofburcht en de daar gevonden muurresten? In hoeverre zijn die Karolingisch? Maar dan niet uit de 10de eeuw (dat kan ook nog 'Karolingisch' zijn), maar uit de 8ste eeuw en wel uit het jaar 777?
    Hundertmark baseert zich voor de Karolingische datering dus op anderen en brengt eigenlijk maar weinig nieuws. Hij haalt die informatie bij Weve vandaan "dat het funderingswerk is ingegraven in Romeinse grondlagen, en dus uit een na-Romeinse periode is." Maar zitten we dan al in de Karolingische periode? Het verhaal over de zalmkleurige mortel blijft toch een beetje giswerk, al is het maar 'een verhaal'. Waarom het dan de 8e eeuws zou moeten zijn wordt niet beargumenteerd. De redenering is: in Aken is het de 8e eeuws, dan in het in Nijmegen dus ook in de 8ste eeuw. Opvallend is de vergelijking met de paltskapel en Granustoren en Aken (hetzelfde recept specie, Hundertmark, 2019, (p.26), maar in Aken was er geen vast recept, maar zijn er grote verschillen in de gehele bouw. (zie Kohlberger-Schaub & Schaub in: Papajanni & Ley, 2016, p 22).
    Hundertmark haalt dat rapport van Kohlberger-Schaub aan als bron. Gezien zijn vermoedelijk beperkte budget wel erg slim. Maar is er een scheikundig profiel van de bewuste mortel toegevoegd? In Aken hebben ze wel hout, maar van de Granustoren is de datering onzeker. Het zalmroze kan komen van nat in rood aangebrachte fresco's, die doortrekken in de witte grondlaag van gebluste kalk (Zie bijv. Grote kerk Elst, Derks et al., 2008, p 93 en 94 met verwijzing naar Bogaers, 1955, p 123.)
    Maar is die Akense bouw in de 8ste eeuw een vaststaand feit? In de tweedelige uitgave "Aachen, von den Anfängen bis zu Gegenwart" (2013) wordt (ook in Duitsland) aan een aantal traditionele opvattingen ernstig getwijfeld. Lees meer over Aken.

    Arjan den Braven maakt het Karolingisch muurwerk groter dan Hundertmark. Er zijn inderdaad enkele verschillen met Aken, al zijn ze niet groot. Begrijpend lezen en onbevoordeeld vertalen van de Duitse tekst zijn dan wel belangrijk! Wellicht heeft Den Braven niet echt de bedoeling gehad om het heel exact aan te geven. Een beetje op de vlakte blijven is daar ook echt heel erg geschikt voor. Wellicht heeft hij niet teveel van Hundertmark willen afwijken, immers hij is de 'deskundige'. En als je iets niet doet in de historische wereld, dan is dat wel kritisch zijn op je collega's. Klokkeluiders worden niet gewaardeerd en ook helemaal niet geaccepteerd. Dat heeft Albert Delahaye wel ervaren. Men wil vooral niet het verwijt krijgen 'niet collegiaal te zijn', of te horen krijgen 'schoenmaker blijf bij je leest', ofwel 'wat weet jij daar nou helemaal van?' - "Heb jij dat gestudeerd?". Het zijn voorbeelden van de verwijten die Albert Delahaye te horen kreeg. Op zijn argumenten ging men maar niet in en dat zegt eigenlijk al genoeg.

    De conclusie is dan ook dat voor Nijmegen het Karolingische eigenlijk gewoon een beetje wordt opgepoetst, want sinds Jan Jacob Weve is er dus niets nieuws onder de zon.



    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.