De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het verhaal van Gelderland: de visie Albert Delahaye. (p.334).


Het is onbegrijpelijk dat 'professionele' historici waarvan je toch mag verwachten dat ze geschiedenis hebben gestudeerd, zoveel onwaarheden bij elkaar weten te schrijven. De wijze waarop ze de visie van Albert Delahaye hebben beschreven is onvolledig, onjuist en in tegenspraak met wat Delahaye werkelijk geschreven heeft.

Het Verhaal van Gelderland staat onder redactie van Dolly Verhoeven, Maarten Gubbels en Michel Melenhorst. De auteurs van de voor ons van belang zijnde hoofdstukken 4 t/m 8 in deel 1, zijn Paul van der Heijden, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Michel Groothedde en Nico W.Willlemse.

Ook over de hoofdstukken 4 t/m 8 is het nodige aan te merken. Wat in dit Verhaal van Gelderland beschreven wordt raakt immers de kern van de mystificaties van de fundamentele verwarring, die zo omvangrijk is dat de correcties bijna onhaalbaar lijken. Maar dat zijn ze niet, immes alle correcties zijn te lezen in de boeken van Albert Delahaye. Dat deze boeken in de literatuurlijsten van hedendaagse publicaties en ook in dit verhaal van Gelderland ontbreken, is dan ook 'vanzelfsprekend' (voor deze auteurs), maar niet vanzelfsprekend voor de historische waarheid. Deze auteurs zullen, net als hun voorgangers, niet erkennen dat ze het altijd fout hebben gehad.

Lees meer over:
Hoofdstuk 4, De Romeinen komen.
Hoofdstuk 5, Bloeitijd van Romeins Gelderland.
Hoofdstuk 6, Germanisering van de samenleving.
Hoofdstuk 7, Aan de rand van de Merovingische wereld.
Hoofdstuk 8, Het Karolingische en Ottoonse Rijk.


Er zijn ook anderen die twijfelen aan de juistheid en historiciteit van deze uitgave van het Verhaal van Gelderland. Zie daarvoor bijvoorbeeld het commentaar van J.Brouwer samengevat aan het eind van hoofdstuk 8.

We gaan bij de besprekingen van de hoofdstukken 4 t/m 6 zeker niet ontkennen dat de Romeinen in Nederland zijn geweest, ze zijn er zeker geweest. Maar hun aanwezigheid was allerminst van internationele allure, zoals W.van Es dat al eens constateerde. Het bleek meer te zijn zoals Tacitus de Agri Decumates beschreef. Helaas weiden de auteurs graag uit met allerlei verhalen die nergens op gebaseerd zijn dan op eigen fantasie. Uiteraard verkoopt een aansprekend verhaal beter dan de nuchtere feiten, maar ging het slechts om de verkoopcijfers? Of was de bedoeling van deze uitgave eens op een rijtje te zetten hoe ver de historische wetenschap tot dusver gevorderd is? Is het slechts herhalen wat traditioneel ooit aangenomen is? Daar blijkt toch heel wat op aan te merken te zijn: zie de rode teksten.
Toch zijn de auteurs regelmatig heel eerlijk en spreken ze zelf hun twijfel uit. Dat weet je door het gebruik van woorden als 'mogelijk' (iets blijkt mogelijk te zijn, 'misschien' (was het misschien zo?), 'waarschijnlijk' en 'vermoedelijk'. Ook het woord 'lijkt' komt ruim 100x voor in de teksten van hoofdstuk 4 t/m 8. Die twijfel spreekt ook uit het veelvuldig gebruik van het hulpwerkwoord 'zullen' (zal en zou). Dat komt in de hoofdstukken 4 t/m 8 meer dan 200 keer voor, zoals in zinnen als 'er zullen wel mensen gewoond hebben' en 'de ware toedracht zal ongewis blijven'. Lees je al deze zinnen achter elkaar, dan blijft er van het Verhaal van Gelderland weinig over.
Dat wordt ook beeldend weergegeven in 'De oorprong van de naam Gelre' (p.352). Het zou een drakenverhaal zijn geweest. Beter is het 'een draak van een verhaal' te noemen. Een spannend verhaal, maar zonder bewijs is het niet meer dan een nieuw ontstane mythe, schrijven de auteurs. Hetzelfde geldt voor meer verhalen in dit boek. Het zijn -zonder bewijs- inderdaad 'draken van verhalen'.

Het Verhaal van Gelderland biedt als het goed is ruimte voor debat en reflectie, schrijft Dolly Verhoeven in de introductie.
We hebben op 21 juli 2023 het verhaal van p.334 (zie hiernaast) aan alle auteurs (voor zover te vinden op internet) gestuurd, maar tot heden slechts twee reacties gehad in een 'automatic reply'.
Wanneer begint dat debat en die reflectie? Ik meld me er bij voorbaat al voor aan en doe er graag aan mee. Van een debat of reflectie is tot heden nog maar weinig sprake!


De rijke geschiedenis van Gelderland is uitgegeven in een compleet en prachtig geïllustreerd overzicht, schrijft de uitgever.
In vier boeken behandelt Verhaal van Gelderland (2022) alle belangrijke thema's uit het Gelderse verleden, van de vroegste tijden tot nu. Van de mysterieuze grafheuvels op de Veluwe tot de machtige hertogen van Gelre. Van ordelijke Romeinse legerkampen tot weelderige adellijke landgoederen. Van de gewelddadige verovering van Grollo tot de mislukte slag om Arnhem.

Bij die rijke geschiedenis kunnen we heel wat vraagtekens zetten. Veel is een geschiedenis die van elders komt en allerminst rijk was, juist armoedig en betreurenswaardig.

Op de voorzijde van deel 1 prijkt pontificaal een afbeelding van (een deel van) de Peutingerkaart. Zie afbeelding rechts. Maar deze kaart is al net zo fout als veel van de inhoud van dit boek. Lees meer over de Peutingerkaart ofwel de Tabula Peutingeriana, dat aantoonbaar een falsum is.






De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!



Afbeelding van keizerin Theophanu en haar levensloop op de zijmuur van het casino (eigen foto).

Het is volledig nep.



Afbeelding van de portrerkop van Trajanus, die plots niet meer van Trajanus blijkt te zijn. Was het niet gewoon een toneelmasker, zoals er zoveel hebben bestaan?

Eindelijk wordt de geschiedenis (deels) herschreven. Nu de rest van de geschiedenis van Nijmegen nog die eveneens volledig nep is.





Afschrift van de gedenksteen van een Bataaf, gevonden in Pfünz (Beieren), waarmee Nijmegen meent haar geschiedenis te kunnen bewijzen. In Nijmegen zelf is nooit een dergelijke steen gevonden, ook de naam Noviomagis of Oppidum Batavorum is er nooit aangetroffen.

De tekst op deze steen heeft tot de grote verwarring geleid. Er staat:
[Genio castrorjVM T. Fl(avius) ROM[a]NVS VLPIANoVIOMAGIBATAVS DEC(urio) AL(ae) T FLAVIAEPR (a?)E POSITVS. . . .
Dat werd traditioneel vertaald met:
Aan de Genius van de legerplaats (wijdt) Titus Flavius Romanus, afkomstig uit Ulpia Noviomagus, een Bataaf, ritmeester van de ala I Flavia, chef van . . . (dit altaar).

De combinatie VLPIANoVIOMAGIBATAVS heeft tot onjuiste conclusies geleid. Allereerst is deze steen gevonden in Pfünz en niet in Nijmegen, al heeft men daar wel een gipsen kopie. Ten tweede zijn de letter tussen ( ) eigen aanvullingen ofwel liefst 6 interpretaties. Als derde staat hier niet op dat de Bataaf 'afkomstig is uit Ulpia Noviomagus'. Ook dat is een interpretatie. Als vierde is niet aangetoond dat die persoon Titus Flavius heette. Ook dat is een interpretatie. Liefst 8 (acht!) interpretaties over één opschrift.
Hoeveel zekerheid heb je dan nog?

En al deze onzekerheid wordt in Nijmegen als drievoudig bewijs gebruikt: 1. dat Nijmegen Ulpia Noviomagi was en 2. dat VMTFLROMNVS een Bataaf was en 3. dat deze Bataaf in Nijmegen woonde.

Het hele bewijs voor Nijmegen vervalt met deze ene steen!

Cultureel Erfgoed.
De Neder-Germaanse Limes werd in 2021 bestempeld als Cultureel Erfgoed. Dat terwijl er NIETS van te zien is in Nederland. We kunnen ons er maar niet te druk om maken, zolang ook carbidschieten op die lijst van Cultureel Erfgoed staat. De Neder-Germaanse Limes ligt blijkbaar op het zelfde niveau als carbidschieten, waar, na die doffe knal, niet veel meer overblijft.

Maar wat versta je onder Cultureel Erfgoed? Is de bezetting van ons land door de Romeinen Cultureel Erfgoed? De Romeinen waren 'de plunderaars en rovers van deze wereld' zoals Tacitus dat omschreef.
De Romeinen moorden hele volksstammen uit, handelden in slaven en verheerlijkten ellende, onderdrukking, moord en doodslag. Voor hen waren gladiatorengevochten tot de dood erop volgde, volksvermaak.
De Romeinse maatschappij was gebaseerd op slavernij. Meer dan 200 miljoen slaven hebben het Romeinse rijk opgebouwd.

Is dat Cultureel Erfgoed?

Romeinse vondsten uit de omgeving.
W.J.H.Verwers, p. 230 en 231 in Spiegel Historiael.

In 1967 vond men een grafveld en een akkercomplex uit de Romeinse tijd ten westen van Dorestad. De ontdekking van dit grafveld leidde er toe hier een opgraving uit te voeren, die van belang was voor de bewoningsgeschiedenis van het gebied rond Wijk bij Duurstede, maar die met Dorestad zelf in feite niets te maken had.
De datering van het akkercomplex wordt bepaald door de vondsten. Zij bestaan voornamelijk uit aardewerk (Romeinse import) dat dateert uit de periode van na het midden van de 2de tot het midden van de 3de eeuw. Militaire invloeden zijn niet aanwijsbaar, afgezien van een dakpan met stempel (EX GER INF) en een bronzen mondstuk van een blaasinstrument. Aangenomen wordt dan ook dat dit akkercomplex behoord heeft bij een burgerlijke nederzetting.
Alle crematiegraven behoren tot het type van de Brandgrubengräber. Deze komen in onze streken voor vanaf de tweede helft van de 2de eeuw tot het derde kwart van de 3de eeuw. Deze datering komt overeen met die van onze grafvondsten: midden tweede helft 2de eeuw tot midden 3de eeuw.

We kunnen uit het bovenstaande concluderen dat er een Romeinse aanwezigheid wordt aangenomen, maar dat deze dateert uit de tweede helft van de 2de eeuw tot het midden van de derde eeuw. In jaartallen is dat tussen 175 n.C. tot 250 n.C.
Of het hier om het Romeinse Levefanum gaat, is hierdoor niet bewezen.
"Ha, ha, moet je lezen wat die Delahaye beweert, hij ontkent de Romeinse geschiedenis in Nederland". Dolly Verhoeven is als eindredacteur van Verhaal van Gelderland van mening dat de visie van Albert Delahaye in de kadertekst van p. 334 afdoende tot uiting komt. En dat schrijft een professor dokter in geschiedenis! Afdoende tot uiting? Slechts met valse citaten en leugens probeert men hem de mond te snoeren. Men wenst geen verdere correspondentie of discussie over deze visie. Hoe wetenschappelijk ben je dan?

Dat men verder geen discussie wenst geeft slechts de onkunde van de auteurs van Verhaal van Gelderland aan. De studie van Delahaye is zo omvangrijk en gedegen, dat men er slechts op onbeduidende details en met leugens iets tegenin kan brengen.

Het grootste probleem ten aanzien van het ter discussie stellen van de veronderstelde geschiedenis van de Lage Landen (les Pays-Bas) in het eerste Millenium, was niet het vinden van bewijzen die de traditie tegenspreken, maar het bestrijden van de vooringenomenheid en verbolgenheid van de professionele historici. Bij elke twijfel die opgeroepen werd, was steeds het eerste argument "dat het niet paste in het algemeen aanvaarde beeld van onze geschiedenis". Historici van naam, zoals Vollgraff, Boeren en Coens, werden met deze dooddoener tegengesproken. Reeds vanaf het begin dat Albert Delahaye over zijn twijfels in de historische geografie publiceerde, is ook hij door velen met de meest ongelooflijke en onnozele argumenten bestreden. Vooral de argumentatie van Universitair Nederland is tekenend, zoals ook weer blijkt uit wat op p.334 in het Verhaal van Gelderland geschreven is.

In deel 1 van deze vierdelige serie over het Verhaal van Gelderland wordt de visie van Albert Delahaye genoemd (p.334). Vraag is eigenlijk, waarom wordt zijn visie vermeld als de redactie het er toch niet eens is met zijn visie en men er verder ook geen discussie over wenst te voeren? Maar als je leest wat er dan allemaal gescheven wordt, blijkt deze vraag al snel beantwoord te kunnen worden. Men wil slechts het ongelijk van Delahaye en het gelijk van de tradities aantonen. Maar dat gebeurt slechts met leugens, en onjuistheden te vermelden. De redactie probeert slechts het verhaal van Delahaye belachelijk te maken met onvolledige, onjuiste en zelfs leugenachtige uitspraken die in tegenstelling zijn met wat Delahaye in zijn boeken zelf geschreven heeft. Als je dan over de visie van Delahaye schrijft, begint het wel met het lezen van zijn boeken en het juist citeren van zijn opvattingen. Maar ja, die boeken van Delahaye ontbreken in de literatuurlijst, die heeft de redactie van het Verhaal van Gelderland ook niet gelezen. Niet verwonderlijk dat de redactie dit verhaal dan zo publiceert. De redactie en auteurs hebben de omvangrijke studie van Delahaye niet echte begrepen.

We nemen het de redactie i.c. professor dokter Dolly Verhoeven uiterst kwalijk dat de visie van Delahaye zo onjuist weergegeven wordt. Dat neemt niemand serieus en zo verandert er dus nooit iets aan alle onjuiste opvattingen. Immers die veranderingen moeten wel van een buitenstaander komen en kunnen niet verwacht worden van historici die in hun opleiding slechts de traditionele geschiedenis geleerd hebben. Dat Delahaye zich interesseerde voor het vroege bronnenmateriaal zoals vermeld, is geheel juist, immers zijn motto was "Ad Fontes", terug naar de klassieke bronnen. Deden meer historici dat maar eens en lieten zij zich eens niet verleiden door de fabelschrijvers uit de 17de eeuw klakkeloos na te schrijven. De klassieke bronnen dienen het uitgangspunt van de geschiedenis te zijn en niet wat historici er later van gemaakt hebben.


Maar, let Op. De redactie en auteurs die geen discussie wensen, geven Albert Delahaye op heel veel punten gewoon gelijk. Dat blijkt na bestudering van de hoofdstukken 4 t/m 8 uit het Verhaal van Gelderland. Zij hebben dus ook hun eigen opvattingen niet begrepen. Lees er alles over in de inleiding over het Verhaal van Gelderland.
Het moet goed begrepen worden dat de visie van Delahaye voornamelijk gaat over "plaatsnaamkunde". De centrale vraag is of alle historische gebeurtenissen zich kunnen hebben voorgedaan op de door de traditie aangenomen plaatsen. Bestonden in het Nederland van het eerste millennium meer dan 1000 plaatsen? Zie onder punt 3 hierna. Was de bevolking in het eerste millennium wel omvangrijk genoeg om die geschiedenis in al haar facetten hier plaats te laten vinden? En hoe kan het dat van al die gebeurtenissen in Nederland geen snipper papier te vinden is waarop dat beschreven werd? Waarom staat 'onze' vaderlandse geschiedenis slechts in buitenlandse, voornamelijk Franse bronnen? Het antwoord op die vraag werd in 1654 al gegeven door Jacob van Oudenhoven die schreef: "de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was".

Dat Delahaye vraagtekens zette bij de traditionele opvattingen is dan ook heel terecht, als je de klassieke bronnen volgt. Hij betwijfelde of de kerstening onder Willibrord, de plunderingen van Dorestad door de Vikingen of de bezoeken van Karel de Grote aan de palts Niumaga zich daarwerkelijk in Utrecht, Wijk bij Duurstede of Nijmegen kunnen hebben voorgedaan. Hij ging die zaken onderzoeken in de oudste klassieke bronnen en kwam tot geheel andere conclusies dan de traditionele opvattingen van de historici die klaarblijkelijk slechts de fabelschrijvers uit de 15de tot 17de eeuw hebben nageschreven. Daar stelde hij aanvankelijk enkele kritische vragen over, maar kreeg er nooit acceptabele antwoorden op. Slechts de traditionele opvattingen werden als verweer steeds herhaald, of zoals prof.dr.F.Hugenholtz dat eens beargumenteerde: "Dat Karel de Grote een paleis in Nijmegen had, hoeven we toch niet te bewijzen? Dat weet toch iedereen?" Het bleek dus ook nog nooit bewezen te zijn. Maar ja, Hugenholtz was van de Utrechtse Universiteit en die stond bekend als zeer conservatief. Daar was het zelfs verboden om tot nieuwe inzichten te komen, net zoals daar de boeken van Delahaye verboden literatuur waren. Een student geschiedenis die eens naar die boeken vroeg, werd aangeraden beter met zijn studie te stoppen (weten we uit correspondentie met deze student). Prof.dr.F.Hugenholtz voegde daar overigens nog wel eens aan toe "Ik kan van de theorieën van Delahaye niet bewijzen dat hij ongelijk heeft. Als zou worden aangetoond dat Delahaye op één onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker."

Op dat ene onderdeel kreeg Delahaye al gelijk van enkele collega's van Hugenholtz, zoals van prof.dr.Post en prof.dr.Stolte. Zelfs op meerdere punten kreeg hij gelijk van prof.dr.D.P.Blok toch niet een van zijn medestanders. Maar dat blijken alle 'deskundigen' en 'specialisten' van het Verhaal van Gelderland niet te weten, immers de boeken van Post en Stolte ontbreken eveneens in de literatuurlijst. En toen dan eindelijk eens de 'bewijzen' omtrent Nijmegen op tafel kwamen in de vorm van Het Bronnenboek van Nijmegen van prof.P.Leupen, bleek het een grote deceptie te zijn, een desillusie, een complete afgang voor de traditionele opvattingen, maar een overwinning voor de visie van Albert Delahaye. Het Bronnenboek etaleert het tekort aan kennis in historisch Nederland op eclatante wijze, waardoor Delahaye op alle punten gelijk kreeg. Maar dat wist prof.dr.F.Hugenholtz ook al lang, immers hij distancieerde zich van dit bronnenboek,

Als Karolingisch Nijmegen vervalt, vervalt de hele geschiedenis van middeleeuws Nederland, die gebaseerd is op de aanwezigheid van dat paleis van Karel de Grote in Nijmegen! Maar dat heeft ook professor dokter geschiedenis Dolly Verhoeven blijkbaar nooit begrepen.

Over de aanwezigheid van Willibrord in Utrecht of de plundering van Dorestad door de Noormannen (geen Vikingen!) zijn ook nooit doorslaggevende bewijzen op tafel gekomen. Uit steeds meer onderzoek, ook van archeologen, blijkt dat er geen bewijs gevonden wordt op plaatsen waar dat noodzakelijk zou moeten zijn. Uit archeologische bevindingen bleek dat Utrecht niet eens bestond in de tijd van Willibrord en van plunderende Vikingen in Dorestad is nooit iets gebleken, zodat men er tegenwoordig uit nood maar 'vreedzame handelaren' van maakt, wat in flagrante tegenspraak is met de geschreven bronnen. Er zijn talloze voorbeelden te vinden die aantonen dat de traditionele opvattingen onjuist zijn en dat Albert Delahaye het gelijk aan zijn zijde heeft.

We geven hier enkele voorbeelden van opvattingen zoals die in dit deel 1 beschreven worden. Het gaat wat ons betreft over de periode vanaf het begin van de Romeinse tijd tot het einde van dit boek (p.134-369). We vergelijken deze met andere bronnen en komen zo tot opvallende conclusies. We hebben het aantal keren dat woorden als 'wellicht' (13x in hoofdstuk 4 en 5), 'vermoedelijk' (11x) en 'suggereert' enz., voorkomen geteld. Het zijn er echter zoveel dat het veelzeggend is.
Nu gaan we hier niet alles bespreken. Dan zouden we de hele studie van Albert Delahaye nog eens over gaan doen. Daarom raden we iedereen aan een van de boeken van Delahaye te bestellen en daarin alles nog eens zorgvuldig na te lezen.

Over de Romeinse tijd (die we zeker niet ontkennen) en de Merovingische en Karolingische tijd hebben we toch meerdere opmerkingen te maken. We gaan hier ook niet alles bespreken uit hoofstuk 4 t/m 8, maar beperken ons tot de belangrijkste onderwerpen. Het is wel veelzeggend dat de tekst nogal veel twijfel bevat, wat blijkt uit bewoordingen als 'waarschijnlijk', 'kennelijk', 'archeologen gaan ervan uit', 'weinig aanwijzingen' enz. enz.
  1. In de introductie schrijft Dolly Verhoeven dat Het Verhaal van Gelderland als het goed is, ruimte biedt voor debat en reflectie.
    We hebben op 21 juli 2023 het verhaal over p.334 aan alle auteurs (voor zover te vinden) gestuurd, maar tot heden slechts een afwijzende reactie gehad. Lees daar alles over op Intro Verhaal van Gelderland onder punt 1.
    Wanneer gaat dat debat en die reflectie dan beginnen? Debat is discussie, reflectie is nadenken over eigen opvattingen. Van een debat of reflectie is tot heden (zie datum op de beginpagina) weinig sprake geweest!


  2. De auteurs van dit boek hebben in hun tekst zoveel mogelijk de laatste stand van het wetenschappelijk onderzoek meegenomen, lezen we op p.17. Daar valt nog het nodige op af te dingen, als je de noten en de literatuurlijst bekijkt. Met verwijzingen naar boeken uit 1896, 1901, 1950 (M.Gysseling) en 1960 (D.P.Blok) kun je toch niet beweren dat het de laatste stand van het wetenschappelijk onderzoek is? Maar ook recenter bronnen zijn twijfelachtig, zelfs het toppunt van ondeskundigheid. Zo wordt Het Bronnenboek van Nijmegen van P.Leupen genoemd. Het Bronnenboek van Nijmegen is een schande van historisch wetenschappelijk onderzoek. Lees alles over het Bronnenboek. Uit nog recentere tijd worden de publicaties van Nico Roymans uit 2018 genoemd over 'Caesar en de massamoord in het Nederlands rivierengebied'. Dit verhaal dat Roymans presenteerde o.a. in DeWereldDraaitDoor van 9 december 2015, werd nadien volledig afgekraakt door meerdere historici. Zie bij Was Caesar in Nederland? En nu duikt dat hier toch weer op als de laatste stand van wetenschappelijk onderzoek! Hoe kan dat? Is dit dan de laatste stand van wetenschappelijk onderzoek?

  3. In de inleiding (p.16/17) stellen de auteurs dat het leven ten noorden van de Rijn -de grensrivier van het Romeinse Rijk- in veel mindere mate veranderde. De limes was geen hermetisch gesloten grens, maar wel duidelijk een culturele barrière. Hierop is toch het nodige aan te merken. De term 'Limes' is een uitvinding van moderne historici. De Romeinen kenden en gebruikten dit woord niet voor de begrenzingen van het Romeinse Rijk. Het Latijnse woord limes is van oorsprong een landmetersterm en betekende aanvankelijk "grenspad/grens", bijvoorbeeld tussen twee akkers of wijngaarden. Een steen die dergelijke grensen aangaf werd een reinsteen genoemd. Zie hier de etymologische betekenis van renus en Riin, later Rijn. Later kwam daar de betekenis van "weg" bij. De betekenis van "grensweg" (in de zin van een geplaveide weg langs forten) werd pas in de 4e eeuw gebruikt in de specifieke, militaire betekenis van grens tussen het Romeinse Rijk en de niet-onderworpen gebieden. Daar hoorde Nederland niet meer bij, waar de Romeinen in ca.260 vertrokken zijn vanwege 'de niet te winnen strijd tegen het water'. In de 19e eeuw werd het woord limes voor het eerst door Duitse archeologen gebruikt als het vaste begrip voor de versterkte grens van het Romeinse Rijk. De limes was dan ook niet de grens langs de Rijn, maar was de grens in de vierde eeuw, die toen van Boulogne-sur-Mer naar Keulen liep.

    Het genoemde punt dat de grens langs de Rijn niet hermetisch gesloten was, moeten de auteurs van deze inleiding nu toch ook geweten hebben? Hebben ze de eigen kaartjes op p.140 en 166 niet bekeken? Daarop is toch duidelijk te zien dat tussen Vechten en Arnhem slechts één 'vermoedelijk (tijdelijk) fort' wordt aangegeven? Op het kaartje op p.176 komen daar de vermoedelijke castella Rijswijk en Kesteren bij. Maurik is hier plots een zeker fort. Maar waar dat gelegen heeft is nog steeds de vraag. Ja. meters onder het maaiveld, zoals aangegevn op p.153. Hoe weet men dan dat het daar op 10 à 12 meter diepte ligt? Als de auteurs van dit verhaal de meest recente literatuur gelezen hadden (zie ook het vorige punt) dan hadden ze geweten dat de Rijn een bewaakte transportroute was en als grensrivier 'zo lek was als een mandje'. Helemaal geen hermetisch gesloten grens. En die culturele barrière is al helemaal nergens aantoonbaar. Is men in Utrecht qua cultuur achtergebleven ten opzichte van Brabant? Dat zou ik toch eens met duidelijke bewijzen toegelicht zien! Overigens is van gevaar van invallende Germaanse volken ook nergens sprake geweest. Lees wat A.W.Byvack daar over schrijft. Bovendien woonde de Germanen allang binnen het Romeinse Rijk waar toch de provincies Germania Inferior en Germania Superior bestonden. Waarom zou je een land binnenvallen waar je al woont? Logica blijkt niet de best ontwikkelde eigenschap bij historici te zijn.


We bespreken hieronder allereerst bladzijde 334 waar heel wat op aan te merken is, vandaar de uitgebreide reactie. Ook over de hoofdstukken 4 t/m 8 (zie de verwijzingen in de linker kolom), zijn meerdere opmerkingen te maken.

De auteurs van dit artikel op p. 334 (Joep Hendriks en Michel Groothedde?) schrijven ondermeer het volgende:
  1. Hier wordt beweerd dat Albert Delahaye van mening was dat "de Romeinse historie zich niet in Nederland heeft afgespeeld". Dit is pure stemmingmakerij. Hieruit blijkt duidelijk dat de auteurs van dit artikel de boeken van Delahaye nooit gelezen hebben, in elk geval zijn visie niet begrepen hebben. Delahaye heeft Romeins Nederland, maar ook Romeins Nijmegen NOOIT ontkend. Dat was ook geen enkel probleem. Het was zelfs een bevestiging van zijn gelijk. Immers hoe meer Romeins er gevonden werd, des te meer kreeg hij gelijk dat er dan geen Merovingisch of Karolingisch aanwezig was. Dat had er archeologisch gezien immers boven moeten zitten en niet onder het Romeins, zoals een argeloze archeoloog eens stelde toen dat maar niet gevonden werd. Vind je het dan gek dat Delahaye niet zo'n hoge pet op had van de archeologie? Over de archeologie heeft Delahaye zich ook nooit druk gemaakt, die bevestigde zijn opvattingen op alle punten. Lees meer over de visie van Delahaye over de archeologie onder punt 3 hierna.
    Delahaye heeft over Romeins Nederland wel altijd meerdere vragen gesteld waarop hij nooit acceptabele antwoorden kreeg; vragen die overigens ook door anderen zijn gesteld. Zo was Delahaye van mening dat Romeins Nederland nooit veel had voorgesteld. Het was de 'Agri Decumates' die Tacitus beschreven heeft. Hierin kreeg hij gelijk van andere historici, zoals A.W.Byvanck en W.A. van Es, toch niet de minste deskundigen. Deze laatste stelde zelfs dat 'het Romeins in Nederland allerminst van internationale allure is geweest. Het heeft nauwelijks iets voorgesteld'.

    Vanaf Julius Caesar zijn de klassieke teksten onjuist toegepast. Caesar zou de Eburonen hebben uitgemoord omdat ze in latere teksten niet meer genoemd worden. Ze zouden tussen renus en mosa gewoond hebben. De tussen Rijn en Maas (volgens de traditie) gevonden munten (staeters) worden dan Eburoons genoemd. Zie de muntschat van Amby. Ziet U de cirkelredeneringen? Maar hoe zit het dan met in Noord-Frankrijk gevonden staeters? En wat te denken van prof.Thoen die aangetoond heeft dat Julius Caesar nooit in België is geweest? Onlangs verklaarde ook Robert Nouwen dat er geen enkel bewijs is voor een kamp van Caesar op het plateau van Caestert.
    Albert Delahaye heeft over Romeins Nederland ook vastgesteld dat van geen enkele plaats waar Romeins gevonden werd de naam bekend is, ook van Romeins Nijmegen niet. Het enige 'bewijs' dat men heeft is een verwijzing naar de onbetrouwbare, zelfs valse Peutingerkaart, wat ook door Jan Verhagen en meerdere anderen vastgesteld is. Lees meer over Romeins Nederland, bij Citaten en over Julius Casaer. Lees meer over de valsheid van de Peutingerkaart.


  2. Ook de Bataven zaten volgens Delahaye niet aan de Rijn, maar aan een Frans riviertje met een vergelijkbare naam, stellen de auteurs van dit artikel. Hieruit blijkt nogmaals dat de auteurs van dit artikel de boeken van Delahaye nooit gelezen hebben. Bij Delahaye is de renus immers altijd de Schelde en niet een Frans riviertje. Het verkleinwoord riviertje dient slechts om zijn visie belachelijk te maken. Hebben zij ooit de Schelde gezien, maar dan wel de Schelde in de tijd van de transgressies? De renus was, zoals de klassieke schrijvers beschrijven, een grensrivier, wat op de taalgrens zeer toepasselijk is. Ligt de taalgrens langs de Rijn? De opvatting dat de renus de Rijn zou zijn stamt pas uit de tijd dat in het Nederlands de lange -ij- ontstond en dat was pas in de 16de eeuw, precies op hetzelfde moment dat de Peutingerkaart 'ondekt' werd. Maar de renus was ook niet de Rijn, maar de Rien, zoals uit pagus Rienensium blijkt, dat een landstreek aan de Schelde was! Ook hier weer de Schelde. Lees meer over de renus.

  3. Vervolgens wordt gesteld dat Delahaye van mening was dat de Merovingische tijd in Nederland nooit bestaan heeft en het product is van historisch fake news gecreëerd door archeologen die de periode willen opvullen aan de hand van vondsten die met drogredenen aan haar worden toegeschreven. Nu weet ik niet waar de auteurs van dit artikel dit bij Delahaye gelezen hebben, maar dit heeft Delahaye nooit beweerd. 'Fake news' was in zijn tijd nog een onbekende term, wel was leugens bekend. Lees zijn boeken er eens op na! Delahaye heeft regelmatig over de Merovingische tijd geschreven, maar kwam tot de conclusie dat die geschiedenis in Frankrijk geplaatst moet worden.

    Delahaye is over de archeologie steeds zeer kritisch geweest. Hij ging uit van de schriftelijke bronnen. Een vraag is bijvoorbeeld hoe kan de archeologie tot een datering komen zonder de geschreven bronnen? Op basis waarvan is een graf Merovingisch? De geschreven bronnen moeten leidend zijn voor het vaststellen van de geschiedenis en niet de interpretaties van de archeologen. Zelfs de C14-methode kan daarvoor niet leidend zijn, die immers gebaseerd is op teveel aannamen.

    Wat Delahaye wel altijd opviel was dat de archeologie in alle talen zwijgt, zowel in het Nederlands als in het Duits, op plaatsen waar dat toch zeer noodzakelijk zou moeten zijn. Hier wordt met name Duits genoemd, omdat veel van de historische misvattingen voortkomen uit wat de Duitse mediëvisten ervan gemaakt hebben, met name in de samenstelling van de MGH (Monumenta Germaniae Historica). Die opvattingen klakkeloos naschrijven is soms fataal zoals bij de opvoering van een bisschop van Nijmegen, zoals Het Bronnenboek van Nijmegen laat zien. Nijmegen is nooit bisschopsstad geweest, maar dat wisten ze in Duitsland blijkbaar niet.

    Ook de vraag over de continuïteit van de historische tradities van Nederland is steeds onvoldoende in beschouwing genomen. Het historisch, maar ook het archeologische gat tussen de 3de/4de en 9de, zelfs 10de eeuw, dat overal in Nederland waarneembaar is, wordt steeds angstvallig verzwegen. Dat gat probeert men dan inderdaad op te vullen met drogredenen, cirkelredeneringen of vage niet dateerbare vondsten. Van de ruim 3000 plaatsen in de vele teksten genoemd, zouden er, als je de traditionele opvattingen volgt, toch minstens 1000 in Nederland gelegen moeten hebben. Waar liggen die plaatsen? De bronnen van Traiectum bevatten zo'n 300 plaatsnamen; die van en over Frisia ca.300; die over de Batua en Taxandria minstens 500. Het zijn dus plaatsen die voorkomen in buitenlandse (sic!) schriftelijke bronnen en rond Utrecht, in Friesland, in de Betuwe en in Noord-Brabant gelegen moeten hebben, maar op geen enkele manier door de archeologie bevestigd worden. De vraag of vóór de 10e eeuw zeker ruim duizend (1000!!) plaatsen in Nederland kunnen hebben bestaan, beantwoordt zichzelf in volstrekt negatieve zin. De bekende toponymist prof.dr.D.P.Blok probeert dan wel veel oorspronkelijke Romaanse namen van Franse plaatsen in Nederland te localiseren, maar van de bijna 2000 plaatsnamen in dit Lexicon staat bij 843 plaatsen zowiezo al "ligging onbekend". Het heeft Blok ook niet aan het denken gezet dat hij misschien in de verkeerde streek aan het zoeken was. Daarnaast staat bij liefst 551 plaatsen een vraagteken. Daar twijfelt men dus zelf ook aan de opgegeven locatie. Samen dus al 1394 onbekend, ik heb ze nageteld! Dan blijven er ongeveer 600 plaatsen over in zijn Lexicon waarvan het merendeel van ná het jaar 1000 is. Toch zijn ook daarvan een behoorlijk aantal locaties fout, gewoon omdat er geen enkel bewijs is dat de genoemde plaats in het genoemde jaartal al bestond (zie Utrecht onder punt 7). De visie van Delahaye kwalificeren als fake news is gewoon van stemmingmakerij en het belachelijk maken van zijn bevindingen. Lees meer over plaatsnaamkunde.
    Ik daag alle auteurs van het Verhaal van Gelderland (en alle andere historici) uit die ruim 1000 plaatsen eens in het Nederland van de 8ste eeuw aan te wijzen. Lukt dat niet, hou dan op over 'fake news'. Dan zijn de traditionele opvattingen 'fake news'.


  4. Een volgend punt dat genoemd wordt is "Dat ons land pas na het jaar 1000 ontgonnen werd en bewoond werd'. Hoewel dit juist beschreven is, vraagt het wel om een toelichting. Zoals het hier geschetst wordt heeft Delahaye het nooit gesteld. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende landstreken. Wat verstaat men over 'ons land'? Voor het zuiden en met name voor België dat men doorgaans toch tot de "Lage Landen" rekent, geldt iets geheel anders dan bijvoorbeeld voor het westen, om over Friesland nog maar niet te spreken. Lees eens wat Delahaye over de transgressies schreef. Het blijft wel opvallend dat de eerste ontginningen en de eerste dijken in Zeeland, dus in het zuiden, werden aangelegd door zuidelijk gelegen kloosters, zoals van St.Bertins in St.Omaars. Ook hier kwam alles uit het zuiden, zoals we ook zien bij de doublures van plaatsnamen (zie bij punt 3 en 9). Wist U overigens ook dat de eerste graven van Holland en Gelre uit Vlaanderen kwamen?

  5. Dat 'zijn standpunt over Nijmegen hem niet geliefd maakte bij collega's' is ook een onjuiste opvatting. Wie worden bedoeld met 'zijn collega's'? Op het archief was Delahaye wel degelijk zeer geliefd bij zijn collega's, echter niet bij zijn baas dr.J.A.B.M. de Jong, waarbij het niet ging om zijn standpunt over Nijmegen. De onenigheid met dr.De Jong had betrekkingen op het auteursrecht van de inventaris van het oud-archief, dat De Jong zich wilde toe-eigenen. Delahaye werd zelfs geschorst door de gemeente, welke schorsing de gemeente op last van de bestuursrechter moest terugdraaien. Dat zette wel kwaad bloed bij de gemeente. In Nijmegen heeft Delahaye meer dan 150 artikelen in de Gelderlander geschreven, die in Nijmegen door iedereen zeer gewaardeerd werden.
    Het eerste artikel over de vermeende aanwezigheid van Karel de Grote in Nijmegen waarin Delahaye slechts enkele vragen stelde, sloeg in als een bom. Daarop kwamen enkele professoren van de Universiteit van Nijmegen in het geweer. Ze waren furieus. Hun deskundigheid werd te grabbel gegooid, meenden zij. De ware reden van hun aversie was, dat zij het niet konden verkroppen dat Delahaye ontdekte wat zij als 'deskundigen' hadden moeten ontdekken, namelijk dat de Karolingische periode van Nijmegen vals is. En dat wisten zij als geen ander. Immers het Noviomagus waar Karel de Grote tot koning van de Franken gekroond werd, was Noyon, zoals elke historicus weet of dient te weten. Ook andere teksten waarin Noviomagus genoemd werd, gingen volgens Delahaye niet over Nijmegen, maar over Noyon of andere plaatsen die in de Romeinse tijd de naam Noviomagus droegen. Het Bronnenboek van Nijmegen, dat plots verschijnen moest, toont die omissie, hoewel zeker niet zo bedoeld, feilloos aan. In het Bronnenboek laten de auteurs (de club van Nijmegen) duidelijk blijken geen verstand te hebben van bronnenonderzoek. Zij plakken allerlei vermeldingen van Noviomagus steevast op Nijmegen, ook als die over Neumagen (D), Nyon (Bourgondië), Neuville-en-Condroz (F) en Novillare (Italië) blijkt te gaan. Hoe deskundig ben je dan? Dat bronnenonderzoek kun je ook niet overlaten aan studenten, zoals gebruikelijk bleek te zijn is in Nijmegen. Wat die aversie nog versterkte was het feit dat ze geen weerwoord hadden tegen de bevindingen van Delahaye. Lees meer over de Club van Nijmegen en de studenten Het paleis van Karel de Grote in Nijmegen, dat er toch ruim 400 jaar gestaan moet hebben, bleek archeologisch volkomen onvindbaar. Tot plots W.A. van Es in 1994 verklaarde, zonder dat er gegraven was (sic!), dat het paleis van Karel de Grote in Nijmegen gevonden was. Deze flagrante leugen sprak Van Es uit voor de RVU-radio. Beluister het geluidsfragment.

    Delahaye was een groot voorstander van het openen van de archieven en publiceerde daar steeds over. Dat werd door de bevolking zeer gewaardeerd (zie zijn artikelen in de Gelderlander), maar veroorzaakte bij de professionele historici de nodige huiver. Het beslotene en vooral het zwijgen van veel professionele historici was hem een gruwel. Laat zien wat je bron is van hetgeen je beweert. Historici moeten eens gaan bewijzen wat zij beweren, was zijn stelling. En dat 'gevaar van openheid' zagen de professionele historici al langer in. Zij waren zich er terdege van bewust dat veel van de traditionele opvattingen immers niet te bewijzen zijn, wat ook tijdens het debat in 1980 bleek. Zij beriepen zich voor de 'bewijzen' op eigen 'titels' en eigen 'deskundigheid', wat voor de onbevangen lezer of toehoorder toch wel acceptabel was. "Een professor die ervoor geleerd heeft, zal toch wel weten hoe het zit?" Mocht het toch anders blijken te zijn, dan hadden de historici het excuus al klaar er geen 'schuld' aan te hebben, maar konden ze verwijzen naar hun voorgangers die de fout hadden gemaakt (is werkelijk zo eens gesteld door prof.dr.D.P.Blok). Prof.dr.F.Hugenholtz verzuchtte eens: "Als Delahaye gelijk heeft, is mijn hele boek fout!" Er moest een boek gered worden. Het ging dus helemaal niet om de historische waarheid, maar om eigen reputatie. Uit de vaak zeer omvangrijke literatuurlijsten bij artikelen en in boeken, blijkt het 'verschuilen' achter je voorgangers in de historische wereld gemeengoed te zijn. Ook in het Verhaal van Geldrland met meer dan 900 verwijzingen naar voorgangers. Daar wordt de bewijslast gehaald, bij die voorgangers. Leest men echter wat die voorganger precies schreef, dan blijkt er soms iets heel anders te staan dan wat de navolger ervan gemaakt heeft. In die zin is geschiedenis bestuderen gewoon een kwestie van begrijpend lezen, wat veel historici blijkbaar toch onvoldoende beheersen. Ook deze uitgave van Verhaal van Gelderland bevat meer dan 25 pagina's aan 'verwijzingen'. Orosius staat er wel bij, maar hebben ze dat ook gelezen? Zie punt 7. Lees meer over hoe de historische wetenschap werkt.

  6. Zijn stroom aan publicaties kwam toen pas op gang, wordt hier beschreven alsof er iets hardnekkig verdedigd moet worden. Het is een onjuiste weergave van de werkelijkheid. Het werken werd Delahaye in Nijmegen (mede door de schorsing en het toegangsverbod tot het archief) onmogelijk gemaakt, waardoor hij vertrok en een nieuwe benoeming aanvaarde in Nassau-Brabant.
    De stroom aan publicaties die hier wellicht bedoeld wordt, betrof met name de publicaties over en van de gemeenten in Nassau-Brabant waar hij werkzaam was, aanvankelijk bij 4 gemeenten, bij zijn pensionering uitgegroeid tot liefst 17 gemeenten en 4 waterschappen in West-Brabant en Zeeland. Deze stroom aan publicaties bevat meer dan honderd titels. Vanwege zijn deskundigheid als archivaris sprak men al die gemeenten met veel waardering over hem. Het leverde hem ook de Koninklijke Onderscheiding op van 'Ridder in de Orde van Oranje-Nassau' vanwege zijn grote verdienste als historicus. Dit is ook de foto van Albert Delahaye, die op deze bladzijde bij dit artikel is geplaatst. Het is een opmerkelijke paradox die hier sprekend in beeld is gebracht: belachelijk gemaakt en afgekraakt in dit artikel dat dan juist voorzien is van een foto vanwege zijn grote verdienste als historicus. Lees hier over enkele voorbeelden van publicaties van Albert Delahaye. De hele lijst van zijn publicaties vind je hier: het zijn er meer dan 300.

    Zijn vertrek uit Nijmegen had ook een ander ingrijpend gevolg. Nadat hij in Zundert kwam wonen, het geboortedorp van een andere aanvankelijk ondergewaardeerde en niet begrepen inwoner, kwam hij tot de ontdekking dat ter plaatse de oudste St.Willibrord kerk in Nederland bleek te hebben bestaan. Deze kerk was gesticht vanuit Tongerlo (dus vanuit het zuiden) en niet vanuit Utrecht, zoals wellicht de verwachting was. De huidige parochiekerk in Klein-Zundert is nog steeds aan St.Willibrord toegewijd en pas na 1832 werd de pastoor voor het eerst vanuit Utrecht benoemd, daarvoor vanuit het bisdom Mechelen/Antwerpen. Hetzelfde bleek ook te gelden voor de St.Willibrordkerk in Alphen (N.Br.). Dit feit verder onderzoekend, vielen meerdere puzzelstukjes op hun plaats, puzzelstukjes die in Nederland nooit gepast hadden, maar steeds vragen hadden opgeworpen, zoals "Waarom liggen de oudste St.Willibrordkerken in Brabant en geen enkele vanouds in Utrecht of in Friesland?" Waarom bestaan er juist in Frans-Vlaanderen meerdere St.Willibrordkerken? Ook over de mythen van Karolingisch Nederland ging hij op zoek naar de bronnen en kwam bij dat onderzoek steeds in dezelfde streek terecht, namelijk in Noord-Frankrijk, waar ook St.Willibrord en al zijn voorgangers die predikten onder de Friezen geplaatst moeten worden. Waarom zwijgen de Nederlandse historici over die voorgangers en noemt men Willibrord de eerste prediker onder de Friezen? Maar enkele historici waren wel degelijk op de hoogte van het feit dat Willibrord geen bisschop van Utrecht geweest kon zijn, zoals prof.dr.R.R.Post, een van zijn felste tegenstanders, wat geheel onbegrijpelijk is. Er kwam over de geschiedenis rondom Karel de Grote en Willibrord inderdaad een aantal publicaties voort, geen stroom, maar precies veertien boeken, waarvan de helft postuum uitgegeven werd door de Stichting Albert Delahaye. Welke boeken dat waren leest U bij de geschiedenis in het eerste millennium. Deze boeken zijn nog te koop. Misschien een idee voor enkele redactieleden om eens uit de eerste hand te lezen wat Delahaye werkelijk geschreven heeft en welke argumenten en bronnen hij daarbij noemt?

  7. Alle vroegmiddeleeuwse plaatsnamen werden systeemmatisch uit Nederland weggeredeneerd, waaronder ook Tiel, Elst en Deventer, schrijven de auteurs van dit artikel, die het blijkbaar niet geheel goed begrepen hebben. Zoals het hier bescheven wordt, is het ook weer een geval van pure stemmingmakerij. Niet Tiel, Elst en Deventer werden weggeredeneerd, maar het gebruik van de plaatsnamen Tiale, Daventria en Heliste-Marithaime voor die plaatsen werd op goede gronden 'systematisch beredeerd'. Het vraagt wel om een meer genuanceerde toelichting. Het betreft hier wel de kern van de zaak. Immers de plaatsnamen zijn de kapstokken van de geschiedenis en precies door het onjuist localiseren van de plaatsnamen ging de geschiedenis mee en zijn de misverstanden ontstaan. Lees meer over plaatsnamen.
    Heeft men zich ooit afgevraagd en gerealiseerd hoe een dorp als Biddinghuizen aan zijn naam kwam, om maar een voorbeeld te noemen. Het gebruik van een klassieke naam voor een nieuw dorp geeft wel de trend aan die zich eeuwen daarvoor al heeft voorgedaan en die bij migraties gemeengoed is. Zo bestaan er over de hele wereld plaatsen met dezelfde naam als een Nederlandse plaats. In Zuid-Afrika, als voorbeeld, bestaat ook een Ermelo, een Utrecht en een Amersfoort. Ook in Nederland bestaan talloze plaatsen die eenzelfde naam hebben als in Vlaanderen, met name in Frans-Vlaanderen. Bij dat doubleren van plaatsnamen werden soms bedenkelijk fouten gemaakt, die de onjuiste toepassing ervan etaleren. Zo kreeg de stad Almere de naam van een zee-inham en kreeg Wichmond de naam van een plaats aan de monding van de Wisera, wat traditioneel de Weser zou zijn. Ligt Wichmond in Noord-Duitsland aan de kust? Toponymie gaat verder dan de overeenkomt van enkele letters in een plaatsnaam. Lees meer over de deplacements historiques dat de kern vormt van de onjuiste traditionele geschiedenis.

    Blijkbaar is het historici nooit opgevallen hoe eenvoudig en systematisch Albert Delahaye van alle in de diverse buitenlandse (we kunnen het niet genoeg benadrukken) oorkonden en kronieken genoemde plaatsen een etymologisch overeenkomstige plaatsnaam in Frankrijk vond. Als je eenmaal de juiste streek gevonden hebt, is de rest een invuloefening. De vele honderden plaatsnamen die in Nederland nooit gevonden werden, vond hij wel in Frankrijk, met name in Frans-Vlaanderen. Dat Delahaye de vaderlandse geschiedenis naar Frankrijk wilde verplaatsen, zoals enkele historici (zoals Maurits Gysseling) ooit beweerden, is dan ook slechts bedoeld om hem belachelijk te maken. Deze historici bleken enige historische kennis te missen, met name over plaatsnaamkunde. Gysseling heeft in zijn Toponymisch Woordenboek bij liefst 40% van de plaatsnamen geschreven dat onbekend is waar die gelocaliseerd dienen te worden.

    Delahaye kon alle plaatsen uit de geschiedenis van Willibrord eenvoudig in dat tot 1713 voormalige deel van de Nederlanden terugvinden, ook de plaatsen uit de vita van Liudger, Lebuinus en andere predikers, zoals Amandus en Plechelmus. Dat had historici toch aan het denken moeten zetten? Maar neen, met een onbeduidend percentage (soms minder dan 1%) plaatsnamen willen de Nederlandse historici deze omvangrijke geschiedenis in het huidige Nederland plaatsen. Zo wil prof. D.P.Blok uit een totaal van 206 plaatsnamen uit de oorkonden van Werethina, met slechts 12 plaatsnamen aantonen dat de Franken in Nederland woonden. Werkten alle historici maar eens wat meer systematisch en redeneerden ze maar eens wat meer. Dan kwamen ze niet tot zulke onmogelijke en belachelijke opvattingen. Lees meer over het boek van Blok over de Franken in Nederland, die zelf al aangaf dat de schriftelijke bronnen waarop hij bouwt "wel erg schaars" zijn en dat het erom gaat "deze schaarse zaken aan elkaar te praten met waarschijnlijkheden en mogelijkheden".
    Lees ook meer bij onvindbare plaatsen. Lees ook even terug wat er onder punt 3 geschreven is over die duizend plaatsnamen die in Nederland gelegen moeten hebben in de 8ste eeuw. Gaat iemand die uitdaging aan? En kom dan niet aan met 'Ja maar, de traditie is toch.....'. Maak je eens los van die aangenomen traditie en begin onbevooroordeeld met het lezen van de klassieke teksten. Tip: die teksten zijn te vinden in de boeken van Albert Delahaye. Bestellen is een adequaat advies.

    Vergelijkbaar is de geografie van Willibrord, die overstak naar het vasteland op de plaats waar je de overkant ziet, wat de gebruikelijke oversteekplaats was en nog steeds is. Waar ligt immers de Kanaaltunnel? Dan moet je Willibrord niet in Katwijk laten aankomen, slechts op de misvatting wat met de 'renus' bedoeld zou zijn. Willibrord kwam aan in Gravelines, wat de Echternachse traditie is en ook de Franse en Duitse historici voor juist houden. De plaatselijke parochiale kerk is aan St.Willibrord toegewijd. 'Wat doet die Nederlandse missiebisschop in Frans-Vlaanderen?' zou je jezelf kunnen afvragen. 'Daar lag zijn missiegebied', is het eenvoudige antwoord. Dan moet je van Gravelines ook niet Grevelingen in Zeeland maken, wat enkele historici dan weer doen. Ziet U het probleem van de Nederlandse opvattingen? Willibrord kwam volgens de Nederlandse historici zowel aan in Katwijk, als in Grevelingen. Een bi-locatie is zelfs voor Willibrord er één te veel, zeker toen hij nog geen heilige was. En Utrecht dan? De archeologie van Utrecht heeft inmiddels wel duidelijk gemaakt dat Utrecht in de tijd van Willibrord niet eens bestond. Er is niets gevonden uit de 7de en 8ste eeuw. Lees meer over de archeologie van Utrecht. Het alom bekende kerkje van Radbod is er evenmin gevonden, het heeft er nooit bestaan, wat nu ook erkend wordt, maar wat je nog steeds terugleest in zelfs de nieuwste historische boeken, maar ook in het Verhaal van Gelderland. (Hoofdstuk 7 p.277: ligt Utrecht ook al in Gelderland?)

    De kern van de misvattingen in een notedop.
    Als het dan toch over plaatsnamen gaat, kun je ook de locatie van bijvoorbeeld de Bataven gaan onderzoeken. Orosius schrijft ca.400 het volgende: "Op de kust van Brittannia het dichtst bij Gallië gelegen bevindt zich de stad Rutupi-portus (Richborough) vanwaar men de Menapiërs en de Bataven ziet, niet ver van de Morini die in het zuiden wonen". Dan is toch wel duidelijk waar de Bataven woonden en wel op dezelfde plaats waar Tacitus in ca.100 na Chr. hen plaatste, namelijk op "het onbewoonde uiterste deel van Gallië" dat onmiskenbaar Frans-Vlaanderen is. Precies daar waar de Morini woonden, die hun buren waren en in teksten genoemd worden als de uiterste bewoners van Gallia. Als je dan weet dat Julius Caesar naar Brittannia overstak vanuit het land van de Bataven, dan is dat, zoals elke historicus weet, vanuit de omgeving van Boulogne-sur-Mer. Je laat Julius Caesar toch niet vanuit de Betuwe naar Engeland vertrekken? En als je dan vervolgens weet dat Bonifatius vanuit Engeland overstak op de gebruikelijke plaats en aankwam in Dorestad, dan lag Dorestad dus aan de kust van Frans-Vlaanderen en niet ergens halverwege Nederland. Het is wel duidelijk waarom de kenmerken van Dorestad genoemd in de schriftelijke bronnen, zo angstvallig verzwegen worden door de Nederlandse historici en archeologen. Dorestate (Dorestadum) was een oude stad in Gallia, was groot en belangrijk (zelfs bekend in Italië), was een versterkte stad met castrum, was een zeehaven en lag op de oever van het Almere en was de hoofdstad van de Fresones, om enkele kenmerken te noemen. Past dit op het opgegraven boeren- en vissersdorp bij Wijk bij Duurstede? De aankomst van Bonifatius halverwege Nederland in Wijk bij Duurstede plaatsen, is net zo absurd als Willibrord in Katwijk aan land laten komen. Beiden waren vervolgens meteen in het missiegebied Frisia. Dat Frisia lag in Vlaanderen en niet in Noord-Holland en al helemaal niet in Friesland, waar Willibrord, maar ook Bonifatius nooit geweest zijn. Het verhaal van die moord in Dokkum kan ook gevoeglijk geschrapt worden. Dokkum bestond niet eens in de 8ste eeuw, zoals H.Halbertsma aangetoond heeft. Zowel in Nijmegen, als in Utrecht en Dokkum geeft de archeologie Delahaye volkomen gelijk. En als deze drie pijlers in de vaderlandse geschiedenis vervallen, gaat de rest van de geschiedenis die er onlosmakelijk mee verbonden is, onherroepelijk mee in de val.
    Dit is wat Delahaye bedoeld met systematisch redeneren. Voor de Nederlandse geschiedenis betekent het dan dat er heel veel systematisch weg-geredeneerd kan worden.
    Blijkbaar hebben de auteurs van dit artikel het toch wel juist geformuleerd, maar er iets anders mee bedoeld. Ze hebben in elk geval weinig begrepen van het fenomeen Deplacements Historiques. Lees eens wat Delahaye daarover precies schrijft voor je stemmingmakende uitspraken doet.

  8. Wat er vervolgens over Dorestad vermeldt wordt is dan wel de traditionele opvatting, maar volkomen achterhaald. Van alle kenmerken in de teksten over Dorestad genoemd, blijken er geen op de opgegraven nederzetting bij Wijk bij Duurstede van toepassing. Lees meer over Dorestad. Lees ook wat opgraver W.A. van Es daarover zelf opgemerkt heeft. Ook archeoloog Arno Verhoeven toonde aan dat van handel in het 'Nederlandse Dorestad' nooit sprake is geweest. Een achterland ontbrak volkomen, volgens Verhoeven. Op de pagina naast deze over Albert Delahaye staat een afbeelding van de fantasietekening 'Dorestad in vogelvlucht' van Wim Euverman. Is dat bewust gedaan om te proberen het gelijk van Delahaye onderuit te halen? En moet dat lukken met deze fantasietekening die je in alle boeken over Dorestad weer tegenkomt, alsof er iets bewezen moet worden? Zowel van deze tekening als van de interpretaties van de opgegraven nederzetting bij Wijk bij Duurstede is veel onjuist. Het opgegraven gedeelte bij Wijk bij Duurstede is vele malen kleiner dan het op deze tekening afgebeelde. Ook harde bewijzen ontbreken ondanks alle grootschalige en erg dure opgravingen. Het was toch opgraver Van Es die zelf stelde dat "in Wijk bij Duurstede geen enkel archeologisch bewijs is gevonden voor de determinatie Dorestadum". Einde verhaal zou ik zeggen.
    Overigens, wat heeft Wijk bij Duurstede met het Verhaal van Gelderland te maken? Wijk bij Duurstede ligt toch in Utrecht? Hetzelfde geldt ook voor Deventer dat toch in Overijssel ligt? Heeft Gelderland gegevens uit andere provincies nodig om zijn geschiedenis te bewijzen? Met de fantasietekening van Euverman bewijs je net zo weinig als met het kaartje van Buchelius uit 1643, waarmee men wil 'bewijzen' dat de Bataven in de Betuwe woonden. Lees daarover ook meer in het hoofdstuk over de Peutingerkaart.

  9. Uit wat er over de opgravingen in Deventer, Nijmegen, Tiel en Utrecht geschreven wordt, blijken de auteurs van dit artikel toch niet precies op de hoogte te zijn van wat er in opgravingsverslagen precies staat. Groothedde zou, als archeoloog van Zutphen, toch beter moeten weten. Maar ja, een archeoloog is nog geen historicus. Hier wordt de oorkonde uit 896 genoemd. Met deze oorkonde kun je toch niet bewijzen dat het over Nederland gaat? Er wordt geen enkele Nederlandse plaats in genoemd. Als je meent dat het genoemde Daventria Deventer is, moet je dat met andere bewijzen aantonen en niet met deze enkele opvatting. Dat het niet over Nederland gaat wordt al aangetoond met het hierin genoemde (Nederlandse) Dorestad dat immers in 896 niet meer bestond, tenminste volgens de traditionele opvatting. Maar ook Utrecht, Deventer en Tiel bestonden in de 9de eeuw nog niet. Men staat hier bodemkundig en stratigrafisch te ijlen. Bewijs eerst eens dat het hier genoemde Daventre en Tiale inderdaad Deventer en Tiel waren. En vergelijk dan ook gebeurtenissen over deze plaatsen uit andere oorkonden, zoals over plunderingen van de Noormannen.

    Dat het volgens Delahaye Desvres en Thilques geweest zijn, wordt door de auteurs afgedaan met dat het twee gehuchten in Frans-Vlaanderen zouden zijn, waar nog nooit sporen van een Karolingische nederzetting gevonden zijn. Wat verstaan zij onder gehuchten, ofwel erg kleine dorpjes? Het wordt hier slechts gebruikt om de opvattingen van Delahaye te kleineren. Desvres en Tilques telden toen en tellen nu nog weinig inwoners, maar hoe groot was Deventer in 896? Daar zijn geen gegevens over bekend. Naar het aantal inwoners van Utrecht heeft men onderzoek gedaan. Als eerste schatting wordt ca. 1300 een aantal van 5500 inwoners genoemd, wat zo'n 1000 huishoudens zouden zijn (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1995), Amsterdam had in 1300 slechts 1000 inwoners, maar dat zijn gegevens van 4 eeuwen later. Vergelijk daar het zuiden eens mee. Brugge had ca.1300 ruim 40.000 inwoners. Frankrijk had rond 1300 al 15 miljoen inwoners. Hoe groot was een nederzetting van enkele boerderijen in Nederland, zoals die in Merovingisch en Karolingisch Nederland gevonden worden? Waren die plaatsen dan groot en belangrijk genoeg dat ze voorkomen op documenten en in oorkonden in Frankrijk? En dat in die Franse oorkonden dan wel over Nederlandse plaatsen en gebeurtenissen geschreven zou zijn en gebeurtenissen uit eigen land onbeschreven zouden zijn gebleven? Nederland was zelfs in de 14de eeuw nog een leeg land en stelde nog weinig voor. Zijn die nederzettingen van enkele boerderijen dan de 1000 plaatsen onder punt 3 genoemd, maar die in Nederland nog steeds onvindbaar blijven?

    Waar nog nooit sporen van een Karolingische nederzetting zijn gevonden? schrijft men hier. Kent men alle archeologische bronnen uit die streek? Hebben zij de 'Géographie Historique de la Gaule et de la France' bestudeerd? De aantoonbare geschiedenis van Desvres gaat terug tot in de Romeinse tijd, zoals van meer plaatsen in die omgeving. De continuïteit van de geschiedenis van Frans-Vlaanderen is vanaf de tijd van Julius Caesar (en daarvoor) tot heden aantoonbaar. Is er in Deventer een Karolingische nederzetting gevonden? Wellicht een Germaanse nederzetting uit de 3e of 4e eeuw (volgens eigen gegevens) en vervolgens een een houten (?) kerkje van Lebuinus uit de 8ste eeuw. Ziet U ook hier weer het 'gat' tussen de 3e/4e eeuw en de 8ste eeuw, een 'gat' dat overal in Nederland voorkomt? Het is wel zeer toevallig dat alle plaatsen in de oorkonden uit 797, 814-815, 1059 en uit andere oorkonden, in Frans-Vlaandern te vinden zijn en niet in Nederland, op een enkele gedoubleerde plaatnaam na. Maar in Nederland ontbreken de feitelijke archeologische bewijzen nog steeds. Men heeft slechts de gedoubleerde plaatsnaam als bewijs. Vage of verdwenen grondsporen worden met overstromingen van rivieren gemanipuleerd om als bewijs te dienen, terwijl men de transgressies liefst blijft ontkennen.Op p.249 wordt de Isloa genoemd, dat de IJssel zou zijn, maar uit andere teksten toch de Lys of Leie in Vlaanderen blijkt te zijn. Stroomt de IJssel uit in de Rijn? Verhelderend is de zin waarin staat: "Al ten tijde van Lebuïnus, in het derde kwart van de achtste eeuw, lijkt de IJssel langs Deventer te hebben gestroomd". Hoezo lijkt? Er spreekt slechts twijfel over de aangenomen geschiedenis uit. Hier wordt in vage bewoordingen het 'lijkt' aan Lebuinuus gekoppeld. Ziet U de cirkelredenering? Lees het ware verhaal over St.Lebuinus ofwel St.Liévin of St.Lieven, dat feilloos de weg van de doublures aangeeft: van zuid naar noord. Immers de 'nederlandse' Lebuinus is dezelfde heilige als de Franse Liévin, waarnaast nog een derde heilige blijkt te bestaan, namelijk St.Lieven in Belgisch Vlaanderen, die aantoonbaar dezelfde persoon is. Een tri-locatie zijn er twee teveel, zelfs voor een heilige. Wie heeft dan 'de oudste papieren' en is dan de ware Lebuinus? Ook de geschiedenis van St.Amandus geeft die verplaatsing van zuid naar noord feilloos aan. St.Amandus predikte onder de Frisones, aan de Schelde. Hij zou apostel van Duitsland zijn, terwijl zijn kerken en verering in Frans-Vlaanderen tot op de dag van vandaag is blijven bestaan. St.Amandus is patroon tegen oogziekten en bijziendheid, waar veel historici eens een gebedje voor moeten bidden. Amandus zal ons leiden naar de "Ware Kijk Op" de geschiedenis van ons land. Heeft men ooit onderzocht in de klassieke akten hoe de IJssel (met lange -ij-) aan haar naam kwam en wanneer dat gebeurde? Om alvast te verwijzen naar het volgende punt: dat de IJssel de oostelijke mond van de Renus was, die immers 3 monden had, wordt momenteel door geen enkele historicus meer serieus genomen. Dat heeft men dus al laten vallen. De hele geschiedenis van Nederland in het eerste millennium blijkt aan elkaar te hangen van cirkelredeneringen, voorzien van de nodige aannamen en hypothesen, die hard aan herziening toe zijn.

    Lees meer over Deventer en over Liudger, die net als Lebuinus, Plechelmus en Amandus in Frans-Vlaanderen missioneerde. Immers daar woonden de Saksen waar zij predikten. Dat het Suabsna van St.Ludger Zuilen (of Zwesen? er is nog keus) zou zijn geweest, is behalve een etymologische farce ook onmogelijk. Als Utrecht in de 8ste eeuw niet eens bestond, zou dan Zuilen wel hebben bestaan? En welk klooster was het waar St.Ludger in het niet bestaande Utrecht verbleef om elke nacht in een niet bestaande St.Martinuskerk te gaan bidden? Suabsna was Zouafques (zie de etymologische juistheid) in Frans-Vlaanderen, op loopafstand van Trajectum (dat Tournehem was) waar Ludger 's nachts ging bidden. Niet om er op zolder te slapen, zoals de Nederlandse historici 'nocturnus' vertalen. Waar lag het door Ludger gestichte klooster Werethina dat aan zee lag? Was dat Werden, zoals de traditie ons wil laten geloven? Ligt Werden aan zee? Of was het toch Frétun in Frans-Vlaanderen? Waar lag het Brema van St.Amandus? Was dat Bremen in Duitsland of Brêmes in Frans-Vlaanderen? En was Hammaburg het Duitse Hamburg of Hames-Boucres in Frans-Vlaanderen? In Hamburg is archeologisch vastgesteld dat het beslist niet ouder is dan de 10de eeuw. Het lijkt ingewikkeld, maar zo eenvoudig zitten de Deplacements Historiques toch echt in elkaar.

  10. Naarmate het debat verhardde, volhardde Delahaye in zijn opvattingen. Zijn ideeën stonden tegenover de naar zijn mening starre gevestigde wetenschap, schrijft men op deze bladzijde. Nu verhardde het debat niet, er slechts één echt debat geweest, maar wat zeker waar is dat Delahaye volhardde in zijn opvattingen, vanwege het toenemend aantal argumenten dat hem gelijk gaf, ten opzichte van de afnemende steun en het gebrek aan argumenten van zijn opponenten. Het is ook zeker waar dat de historische wereld star is en niet van veranderingen gediend is. Men bleek geen ander weerwoord te hebben op de argumenten van Delahaye, dan slechts het herhalen van de tradities. Die starheid van de historische wetenschap blijkt uit talrijke voorbeelden. Lees daarover meer bij punt 5 hierboven of bij de werkwijze van de historische wetenschap. En als men dan eens iets toegeeft en verandert, trekt men daar niet alle logische consequenties uit. Zo heet de Karolingische Kapel op Het Valkhof in Nijmegen tegenwoordig Ottoonse Kapel. De naam van Karolingische Kapel heeft men laten vallen, maar men blijft toch Nijmegen als 'Karolingisch' presenteren, ook al ontbreekt elk bewijs daarvoor. Een wijziging in standpunten is ook te zien in het Bronnenboek van Nijmegen. Teksten die men tot voor kort op Nijmegen toepastte, heeft men ook laten vallen. Zie de voorbeelden opgesomd bij Noviomagus. Lees daar meer over bij de Bisschop van Nijmegen. Als men teksten over Noviomagus niet langer meer voor Nijmegen claimt, dient men dat ook volmondig te erkennen en ook de betreffende geschiedenis te laten vallen. Maar dat gebeurt niet. Stilzwijgend worden teksten verlaten, aan de betreffende geschiedenis blijft men vasthouden.

  11. De archeologische argumenten werden door hem afgedaan als misinterpretaties, vals gedateerd en cirkelredenringen, lezen we. Hier gaat het feitelijk over het verschil tussen archeologisch vondsten en de interpretaties ervan. De archeologische vondsten heeft Delahaye nooit ontkend, wel de interpretaties ervan, wat dan wel leidde tot de genoemde misinterpretaties, valse dateringen en cirkelredeneringen, niet van hem, maar van de archeologen en historici die daarmee hun opvattingen wilden onderbouwen.
    Regelmatig worden de voorheen als zeker gehanteerde interpreaties, dateringen en redeneringen ook gewijzigd, zelfs los gelaten. Lees daar meer over in de verschillende tijdschriften en boeken. Zo lang archeologische vondsten niet gebaseerd zijn op technisch onderzoek, maar op geschreven bronnen, zijn het interpretaties, vaak zelfs cirkelredeneringen. Zo wordt het gevonden aardewerk bij de opgravingen in Wijk bij Duurstede gedateerd naar de veronderstelling dat de gevonden nederzetting Dorestad was. De schriftelijke vermeldingen bepaalden vervolgens de datering van het aardewerk op de 9de eeuw. De type indeling van het aardewerk van Van Es wordt vervolgens gebruikt bij dateringen van elders gevonden vergelijkbaar aardewerk. Ziet U de (zelfs dubbele) cirkelredenering? Maar de datering van hetzelfde aardewerk in Duitsland gevonden (waar het vandaan kwam) levert zomaar een verschil op van ruim een eeuw. Hoe kan dat dan? Waarom wordt een vondst in de Betuwe steevast 'Bataafs' genoemd? Moet dan niet eerst bewezen worden dat de Bataven in de Betuwe woonden? En dat is nog steeds niet gebeurd, zoals ook Stijn Heeren en W.Willems inmiddels hebben erkend. Willems schreef over het Oppidum Batavorum zelfs: "We hebben op dit ogenblik (in 1989) zo'n 9000 m² van 'Holwerda's Oppidum Batavorum opgegraven, maar zoals eigenlijk wel te verwachten was: we hebben het niet gevonden. En als er hier al Bataven zijn geweest dan hoorden die bij het Romeinse leger ter plaatse". Lees meer over de Bataven, over de archeologie in Nederland.

  12. Er wordt ook weer wat meewarig geschreven over 'amateur'-historici. Het was ook het verwijt dat Albert Delahaye eens te horen kreeg: "Schoenmaker blijf bij je leest". Alsof slechts de professionele historici verstand hebben van geschiedenis. Alsof de geschiedenis van hen persoonlijk is en slechts zij mogen bepalen wat juist is. Die tijd is wel voorbij. Ook professoren moeten bewijzen wat ze beweren. Bronnenonderzoek kunnen ze ook beter overlaten aan een 'archivarisje' (nog zo'n verwijt dat hij eens kreeg), terwijl dat juist specifiek tot de competenties van een archivaris hoort, zeker als die ook nog oud-frans beheerst. Is het ook niet zo dat elke professionele historicus ooit begonnen is als amateur (=liefhebber van geschiedenis en niet in de betekenis van 'prutser' wat hier bedoeld wordt gezien de gehele tekst)? Waarom ga je geschiedenis studeren? En wat leert elke student geschiedenis anders dan de traditionele opvattingen? Immers als je buiten de vastgestelde lijntjes kleurt of buiten de geijkte paden loopt kun je de studie geschiedenis wel vergeten. Is het nu niet precies de bedoeling van wetenschap, ook van historische wetenschap, om eens buiten de lijntjes te kleuren? Het is juist van belang eigen onderzoek te doen, onderzoek dat tevoren nooit gedaan is, zoals Albert Delahaye dat deed. Hij vond in de oude archieven in Frankrijk teksten waarvan zelfs professoer Duby van de Sorbonne in Parijs geen weet had. Wat hebben de profs, die zoveel commentaar hadden op Delahaye, ooit uit eigen onderzoek gepubliceerd? De historische wetenschap bestaat helaas voor het grootste deel (en soms zelfs nog helemaal) uit 'naschrijverij'. Publiceer eens uit eigen onderzoek! Ga op zoek naar de bronnen en lees die onbevooroordeeld. Maar neen, steeds leest men hetzelfde dat al in vorige eeuwen geschreven werd. Kijk maar eens naar de literatuurlijsten in boeken over geschiedenis. In dit deel van Verhaal van Gelderland zijn daar ruim 25 bladzijden mee gevuld. Opvallend dat hier de namen van twee profs ontbreken: dr.R.R.Post en dr.B.H.Stolte, die steeds fel op de publicaties van Delahaye reageerden, 'met goede argumenten' zoals het genoemd werd. Maar hun 'goede argumenten' worden niet meer genoemd. Ook in het Bronnenboek van Nijmegen ontbreken beide profs. Dat roept toch op zijn minst de vraag op of hun 'goede argumenten' niet meer gelden? Blijkbaar zijn die 'goede argumenten' achterhaald. Men heeft in de historische wetenschap een bepaalde opvatting door zich slechts op een voorgaande schrijver te beroepen (zie het gestelde onder punt 5), zelfs op schrijvers die als onbetrouwbaar te boek staan, zoals Johannes de Beka, Johannes Smetius en Cornelius Aurelius, ook bekend onder hun 'Nederlandse' namen Jan van Beek, Jan Smit en Kees van Gouda. Het Bronnenboek van Nijmegen kan ook als voorbeeld dienen en lees vooral de reactie van Albert Delahaye op deze deceptie dat het Bronneboek toch is.

    Het is ook beslist een onwaarheid dat Albert Delahaye alleen stond in zijn opvattingen, zoals prof.P.Leupen, de hoofdauteur van Het Bronnenboek van Nijmegen, eens beweerde. Delahaye was beslist niet de enige die bezwaar maakte tegen de traditionele opvattingen betreffende de aangenomen geschiedenis van Nederland en van Nijmegen. Op p.329 wordt geschreven over de Byzantijnse prinses Theophanu die in Nijmegen zou hebben verbleven en er in 991 ook overleden zou zijn. Met een afbeelding op de zijmuur van het casino, meent men in Nijmegen voldoende bewijs te hebben geleverd. Zie de (eigen) foto in de linker kolom. Echter uit een studie van Rudolf Janssen blijkt de historische onjuistheid van deze opvatting, die volledig gebaseerd was op de aanwezigheid van de palts van Karel de Grote in Noviomagus. Het bleek ook hier om Noyon te gaan waar deze prinses en haar hofhouding verbleven. Waar deze prinses (later keizerin) in Nijmegen gewoond zou hebben blijft een open vraag, immers er bestond geen paleis in Nijmegen, slechts 'een lek schuurtje' (volgens Paul van der Heijden in zijn boek over 20 eeuwen Nijmegen). Van een omvangrijke hofhouding en bevolking die er toen in Nijmegen geweest moet zijn, is nooit iets gebleken. De afbeelding van keizerin Theophanu staat symbool voor meer geschiedenis van Nijmegen: wel pontificaal, maar niet in het zicht, weggestopt op de zijkant van het casino. In Nijmegen is men blijkbaar altijd in voor een gokje, in dit geval met geschiedenis. In de geschiedenis van Nijmegen bestaat wel meer uit gegok.

    Er zijn dus wel meer historici die al vanouds niet gevangen zitten in het wetenschappelijk keurslijf en door eigen onderzoek tot andere conclusies komen. Lees meer over andere opvattingen bij Citaten en in diverse tijdschriften en boeken, zoals ook in het tijdschrift 'Archeologie in Nederland'.

    Er bestaan in de Nederlandse geschiedenis nog steeds een aantal onbeantwoorde vragen die toch eens opgelost moeten worden. Hoe kwam het dat de Bataven al dienst namen in het Romeinse leger, voordat er ook maar één Romein in Nederland was? Hadden ze zich vrijwillige in Rome aangemeld? En hoe kan het dat ze nog steeds dienst deden in de Romeinse legers, ondanks hun verweer zoals tijdens de opstand in 69/70 n.Chr., toen de Romeinen allang uit Nederland vertrokken waren? Waarom leverden de Friezen hun veldslagen tegen de Romeinen en later tegen de Franken, allemaal in Frankrijk? De definitieve slag tussen Karel Martel en Radboud vond in 717 plaats te Vinciacum, dat Inchy-en-Artois is (tussen Arras en Cambrai in Frans-Vlaanderen).'Speelden de Friezen alleen uitwedstrijden?'

Is alles in deze boeken wel onbevooroordeeld en onafhankelijk beschreven, zoals de uitgever stelt? Zijn de auteurs op hun gebied wel de aangewezen deskundigen? Of lezen we vooral weer veel traditionele geschiedenis, ook die al sinds tijden achterhaald is? Lees meer over Hoofdstuk 4, De Romeinen komen. Hoofdstuk 5, Bloeitijd van Romeins Gelderland. Hoofdstuk 6, Germanisering van de samenleving. Hoofdstuk 7, Aan de rand van de Merovingische wereld. Hoofdstuk 8, Het Karolingische en Ottoonse Rijk.



Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Wenst U een GRATIS exemplaar? Klik dan hier.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.