Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Afschriften en 'vervalsingen'.


Het mag bij de niet deskundige leek misschien verbazing wekken, maar feit is dat geen enkele authentieke oorkonde in oorspronkelijke staat is overgeleverd. We beschikken slechts over afschriften, soms afschriften van afschriften. Ook de boeken van de Romeinse schrijvers zijn ons slechts in afschrift overgeleverd.

De deplacements historiques maakten de verwarring compleet en zette de historici op het verkeerde been met een kluwen aan mythe tot gevolg.


Hoewel we spreken van 'vervalsingen', zou de term onkunde of onwetendheid beter zijn. Onwetendheid van de monniken en oude schrijvers die oorkonden en namen toepasten op de verkeerde streek, omdat zij de oorspronkelijke herkomst van die oude oorkonden niet meer kenden. Vaak gebeurde dat ook niet opzettelijk, men wist niet beter. Van ONKUNDE is sprake onder latere historici die deze onjuiste toepassingen niet doorzagen. Het ultieme voorbeeld in dit verhaal is de toepassing van de naam Noviomagus op Nijmegen, terwijl het bleek te gaan over Noviomagus dat Noyon was. Dat is ook de kern van het onderzoek van Albert Delahaye. Door het opvoeren van Harduinus als bisschop van Nijmegen vielen de historici door de mand. Harduinus is overbekend als bisschop van Noyon, bovendien heeft Nijmegen nooit een bisschopszetel gehad.
Deze verwarring werd door enkele 'gezaghebbende' historici aanvankelijk hardnekkig ontkend, aangezien zij wel doorzagen dat het dan ook consequenties op andere plaatsen zou kunnen hebben en ook had. Maar er was al lange tijd sprake van verwarring en onenigheid onder historici. Lees meer bij onenigheid en twijfel en ongeloof. Nu steeds duidelijker wordt dat die verwarring wel degelijk bestaat, dienen ook de historici hun opvattingen aan te passen en de hele geschiedenis te herzien op waarheid en mythe.


Het Dievenboekje van Echternach is een ander voorbeeld van deze aantoonbare 'verwarring'.
De monniken van Echternach verzamelden in de twaalfde eeuw bestaande documentatie van het klooster Aefternacum, waarvan ze beweerden de rechtmatige voortzetting te zijn, wat op zich wel juist was. Op de vlucht voor de Noormannen was de abdij met medenemen van de oude oorkonden gevlucht naar Luxemburg, waar zij aanvankelijk in Berg neerstreken en na 973 in Echternach terecht kwamen. Aangzien het klooster noodlijdens was ging men op zoek naar vroegere bezittingen die in die oude oorkonden vermeld werden. Allereerst ging het klooster naar de juiste streek ten zuiden van Duinkerke. Daar lukte het hen niet om aanspraak te maken op de goederen omdat de rechten allang verbeurd waren verklaard. Theofried van Echternach (abt van 1093 tot 1110) vermeldde allerlei voormalig bezit van St.Willibrord in diens Vita. Proost Theoderich van Echternach die zo'n eeuw later (eind twaalfde eeuw) leefde, verzamelt van her en der 175 oorkonden die hij samenvat in het Liber Aureus (geschreven tussen 1190 en 1222) niet te verwarren met de Codex Aureus van Lorsch dat de 4 evangeliŽn bevat. De vraag is of deze oorkonden allemaal van het voormalige klooster Epternacum van St.Willibrord zijn geweest. De monniken van Echternach gaan in Holland met het Liber Aureus in de hand op zoek naar de 25 vermeende en verloren kerken van St.Willibrord. Waarom in Holland? Omdat ondertussen de gedachte had postgevat dat Utrecht het Trajectum van St.Willibrord geweest was. Dit onder invloed van het klooster van Egmond, waar men het Cartularium van Egmond is gaan toepassen op Noord-Holland. Ook de mythe van Adelbert van Egmond heeft aan die verwarring bijgedragen, waardoor de monniken en de latere historici op het verkeerde been zijn gezet. De moniken van Echternach vinden echter maar 24 kerken en goederen, die op 4 lijstjes beschreven zijn.

Waar men ter dege op moet letten.
Bij het maken van afschriften werden in de Middeleeuwen echte of vermeende 'fouten', waaronder uitdrukkingen die niet meer werden begrepen, maar ook plaatsnamen die men niet meer kende, als vanzelfsprekend 'verbeterd'. Men was zich er ook niet altijd bewust van dat men vervalsingen aan het plegen was. Bij het overschrijven was het meer dan gebruikelijk om de tekst aan de eigen tijd aan te passen door later verkregen goederen en rechten tussen te voegen, en om teksten vollediger te maken met invoegingen die de kopiÔst nuttig of noodzakelijk leken, naar wat hij verder nog wist of dacht te weten, 'verbeterd' naar opvattingen uit zijn tijd. En juist die invoegingen van later tijd, waarbij vaak woorden of een zinsbouw gebruikt worden of plaatsnamen genoemd worden, die ten tijde van de originele oorkonde nog niet bestonden of konden bestaan, maken op vrije eenvoudige wijze duidelijk dat het om een vervalsing gaat. Hoe later het afschrift is, des te meer verdacht. Een tekst over goederen van St.Willibrord in Utrecht uit 1623, toen de mythe volop bestond, is dus niet alleen verdacht, maar zelfs een vervalsing te noemen als daar zaken in genoemd worden die in de 7e eeuw in Utrecht nooit bestaan kunnen hebben.

Maar afschriften werden niet alleen gemaakt om oude documenten met bezittingen en rechten voor het nageslacht te bewaren; het gebeurde ook om oude documenten een heel ander gebruik te geven in overeenstemming met de politieke behoeften van dat moment - waarbij de kopiÔsten er alle belang bij hadden de originelen aan het haardvuur prijs te geven. Dat is de werkelijke reden waarom we zoveel afschriften en zo weinig oorspronkelijke documenten bezitten. Er werden opzettelijk vervalsingen gepleegd om bezittingen te verwerven en waarbij de originele akte uiteraard werd vernietigd.
Voor vervalsingen werd doorgaans gebruik gemaakt van oudere akten die als voorbeeld dienden en waaruit grote delen werden overgenomen met geografische details en al, maar met andere datum en met invoeging van andere goederen en rechten. We zien in vervalsingen voortdurend plaatsnamen verschijnen lang voordat de betreffende plaats ook maar ťťn enkele maal is genoemd in een authentieke akte. Soms werden 'onbekende' geografische detail zo letterlijk overgenomen, dat men daaruit nu opvallende conclusies kan trekken die de traditionele opvattingen loepzuiver weerleggen.

Het meest opzienbarende is als er meerdere kopieŽn bestaan van eenzelfde oorkonde of van dezelfde oorkonden (zoals de Annalen van Egmond en het Cartularium van Radboud), waarbij de verschillende afschriften ook belangrijke verschillende details bevatten. Het is dan zonneklaar wat en soms ook waarom er vervalst werd.

Een niet geringe moeilijkheid is dat er namen uit oude documenten zijn gebruikt, afkomstig uit een andere streek, om ter plaatse in een nieuwe streek aanspraken te laten gelden. Omdat in de documenten ook oude namen zijn overgenomen die geen betrekking hebben op het nieuwe gebied, kan soms moeilijk worden vastgesteld of een betreffende plaats geacht werd in Holland, Zeeland, Utrecht of Friesland te hebben bestaan toen de vervalsing werd gemaakt; nog moeilijker is het zich een idee te vormen van de omgeving waarin het niet meer bestaande oorspronkelijke document, dat voor de vervalsing gebruikt werd, thuishoort.
Wat meespeelde is dat de oude namen uit de oude documenten op de nieuwe plaats werden hergebruikt, waarbij de hergebruikte namen vaak wonderlijk geheel toepasbaar bleken. Dat verstaan we onder deplacements historiques. Namen die afgeleid zijn van de bodem waarop men leefde, bijvoorbeeld in een moerasgebied, zijn op een moerasgebied in de nieuwe streek toegepast en lijken daar vanouds bestaan te hebben. Dat het verwarring opleverde mag als bekend verondersteld worden.

Door de afwezigheid van veel authentieke stukken is er vooral discussie gevoerd over de mate waarin documenten zijn vervalst en in hoeverre er een origineel zou hebben kunnen bestaan, om er toch nog maar iets aan te kunnen ontlenen dat in enige mate betrouwbaar kan worden geacht. Hier betreden we de wondere wereld van het subtiele onderscheid tussen 'schijnbaar origineel', 'onecht, maar niet vals', 'afschrift, niet meer voorhanden', 'fragment', 'notitie', 'samenvattend afschrift', 'geÔnterpoleerd afschrift', 'regest', 'duplicaat' 'excerpt', 'deperditum', en 'reconstructie'. Om de grote lijnen duidelijker te krijgen zijn die subtiliteiten hier iets afgezwakt.

Het blijft merkwaardig dat de de traditionele geschiedenis zijn grondslag zoekt in vervalste documenten en in duidelijk onbetrouwbare, vaak veel latere afschriften, waarvoor er nauwelijks iets authentieks kan worden overlegd, en waarvoor er tot ver in de twaalfde eeuw al helemaal niets van eigen bodem kan worden getoond.

Bron: vrij naar "www.ijpelaan.nl/devroegemiddeleeuwen".

Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.