| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
![]() Het mag bij de niet deskundige leek misschien verbazing wekken, maar feit is dat geen enkele authentieke oorkonde in oorspronkelijke staat is overgeleverd. We beschikken slechts over afschriften, soms afschriften van afschriften. Ook de boeken van de klassieke Romeinse schrijvers zijn ons slechts in afschrift overgeleverd. De deplacements historiques maakten de verwarring compleet en zette de historici op het verkeerde been met een kluwen aan mythe tot gevolg. ![]() |
Het moet toch alle geschiedvorsers bekend zijn dat in de middeleeuwen vele vervalsingen werden geproduceerd. Voor vervalsingen werd doorgaans gebruik gemaakt van oudere akten die als voorbeeld dienden en waaruit grote delen werden overgenomen met geografische details en al, maar met andere datum en met invoeging van andere goederen en rechten. We zien in vervalsingen voortdurend plaatsnamen verschijnen lang voordat de betreffende plaats ook maar één enkele maal is genoemd in een authentieke andere akte. Vervalsingen die betrekking zouden hebben op de achtste en negende eeuw, maar op de twaalfde en dertiende eeuw in elkaar werden gestoken; het is waarschijnlijk dat er nog meer vervalste akten bestaan dan de 62 in de boeken van Albert Delahaye genoemd. Afschriften werden niet alleen gemaakt om oude documenten met bezittingen en rechten voor het nageslacht te bewaren; het gebeurde ook om oude documenten een heel ander gebruik te geven in overeenstemming met de politieke of financiële behoeften van dat moment– waarbij de kopiïsten er alle belang bij hadden de originelen aan het haardvuur prijs te geven. Dat is de meest waarschijnlijke reden waarom we over zoveel afschriften beschikken en over zo weinig oorspronkelijke documenten. Zo hebben we een Willibrord-Echternach-scenario: een klooster dat aan de hand van vervalste documenten vermeende oude rechten terug probeert te krijgen, en het speelt zich bovendien af in dezelfde jaren waarin ook de affaire Echternach zich afspeelt. We zien bij een hele serie van kloosters in dezelfde periode een kopieer-woede ontstaan waarbij de originelen verdwijnen, een procedure die deel uitmaakte van een monastiek tegen-offensief na de investituur-strijd. Het verloren gaan van oude Utrechtse afschriften wordt als volgt verklaard : «De archieven van de bisschop van Utrecht en het kapittel van de Utrechtse dom, die in de middeleeuwen één geheel vormen, bevatten thans geen stukken ouder dan de tweede helft van de 12e eeuw. Alle archivalia van voor die tijd zijn op de een of andere manier verloren gegaan». Mogelijk bij de brand van de Domkerk in 1148? Over deze brand: E.J. Haslinghuis, C.J.A.C. Peeters, De Dom van Utrecht (’s-Gravenhage 1965). Ook voor Echternach is een brand ingeroepen om de afwezigheid van vroegere documentatie te verklaren. Daar werd de vraag niet beantwoord hoe er kopieën konden worden gemaakt van verbrande stukken? Maar het kan alleen daarom al niet, omdat het Utrechtse afschrift niet van vóór 1148 is, maar van op zijn vroegst uit 1170, geruime tijd na de veronderstelde brand. Daarbij is het opvallend dat bij de stadsbrand in Utrecht de orignele verbrandden en de net tevoren kopieën wel bewaard bleven. Het probleem is dat de vermeende eigendom door geen enkele oorspronkelijke oorkonde wordt gedekt : « Geen enkele oorkonde, hetzij in origineel hetzij in afschrift, licht ons nog in omtrent de vorming van het uitgebreide goederenbezit van de abdij van Fulda in het gebied [Fresia] waar haar stichter [Bonifatius] in 754 de marteldood had gevonden. » . De abdij van Fulda bijvoorbeeld, zou de originele bewijsstukken, als het op grond daarvan werkelijk rechten had kunnen laten gelden, nooit verloren hebben laten gaan om enkel een gedeeltelijk afschrift daarvan, voor alle eeuwigheid zorgvuldig te bewaren.
Hoewel we spreken van 'vervalsingen', zou de term onkunde of onwetendheid beter zijn. Onwetendheid van de monniken en oude schrijvers die oorkonden en namen toepasten op de verkeerde streek, omdat zij de oorspronkelijke herkomst van die oude oorkonden niet meer kenden. Vaak gebeurde dat ook niet opzettelijk, men wist niet beter. Van ONKUNDE is sprake onder latere historici die deze onjuiste toepassingen niet doorzagen. Het ultieme voorbeeld in dit verhaal is de toepassing van de naam Noviomagus op Nijmegen, terwijl het handelde over Noviomagus dat Noyon was. Dat is ook de kern van het onderzoek van Albert Delahaye. Door het opvoeren van Harduinus als bisschop van Nijmegen vielen de historici door de mand. Harduinus is overbekend als bisschop van Noyon, bovendien heeft Nijmegen nooit een bisschopszetel gehad. Het Dievenboekje van Echternach is een ander voorbeeld van deze aantoonbare 'verwarring'. De monniken van Echternach verzamelden in de twaalfde eeuw bestaande documentatie van het klooster Aefternacum, waarvan ze beweerden de rechtmatige voortzetting te zijn, wat op zich wel juist was. Op de vlucht voor de Noormannen was de abdij met meenemen van de oude oorkonden gevlucht naar Luxemburg, waar zij aanvankelijk in Berg neerstreken en na 973 in Echternach terecht kwamen. Aangezien het klooster noodlijdend was ging men op zoek naar vroegere bezittingen die in die oude oorkonden vermeld werden. Allereerst ging het klooster naar de juiste streek ten zuiden van Duinkerke. Men hield ook helemaal juist, Gravelines voor de aankomstplaats van St.Willibrord. Toch lukte het niet om aanspraak te maken op de goederen omdat de rechten allang verbeurd waren verklaard. Theofried van Echternach (abt van 1093 tot 1110) vermeldde allerlei voormalig bezit van St.Willibrord in diens Vita. Proost Theoderich van Echternach die zo'n eeuw later (eind twaalfde eeuw) leefde, verzamelt van her en der 175 oorkonden die hij samenvat in het Liber Aureus (geschreven tussen 1190 en 1222) niet te verwarren met de Codex Aureus van Lorsch dat de 4 evangeliën bevat. De vraag is of deze oorkonden allemaal van het voormalige klooster Epternacum van St.Willibrord zijn geweest. De monniken van Echternach gaan in Holland met het Liber Aureus in de hand op zoek naar de 25 vermeende en verloren kerken van St.Willibrord. Waarom in Holland? Omdat ondertussen de gedachte had postgevat dat Utrecht het Trajectum van St.Willibrord geweest was. Dit onder invloed van het klooster van Egmond, waar men het Cartularium van Egmond is gaan toepassen op Noord-Holland. Ook de mythe van Adelbert van Egmond heeft aan die verwarring bijgedragen, waardoor de monniken en de latere historici op het verkeerde been zijn gezet. De monniken van Echternach vinden echter maar 24 kerken en goederen, die op 4 lijstjes beschreven zijn. De uitgave van het zogenoemde Oorkondenboek van Holland en Zeeland kan voor de periode tot 1101 met zo’n 180 bladzijden worden ingekort. Het bevat slechts vervalste oorkonden. Hoewel? Die bladzijden dienen er voor altijd in te blijven staan, met kritische opmerkingen over de geschiedenis vooral over wanneer en hoe ze valselijk voor Holland zijn opgeëist, wat het geheel natuurlijk aanzienlijk langer zal maken. Het wordt zo langzamerhand toch wel tijd dat ze eindelijk eens vormelijk worden terugbezorgd aan het historische grondgebied waarop ze oorspronkelijk betrekking hadden en vanwaar ze ook komen: Frans-Vlaanderen. Waar men ter dege op moet letten. Bij het maken van afschriften werden in de Middeleeuwen echte of vermeende 'fouten', waaronder uitdrukkingen die niet meer werden begrepen, maar ook plaatsnamen die men niet meer kende, als vanzelfsprekend 'verbeterd'. Men was zich er ook niet altijd bewust van dat men vervalsingen aan het plegen was. Bij het overschrijven was het meer dan gebruikelijk om de tekst aan de eigen tijd aan te passen door later verkregen goederen en rechten tussen te voegen, en om teksten vollediger te maken met invoegingen die de kopiïst nuttig of noodzakelijk leken, naar wat hij verder nog wist of dacht te weten, 'verbeterd' naar opvattingen uit zijn tijd. En juist die invoegingen van later tijd, waarbij vaak woorden of een zinsbouw gebruikt worden of plaatsnamen genoemd worden, die ten tijde van de originele oorkonde nog niet bestonden of konden bestaan, maken op vrije eenvoudige wijze duidelijk dat het om een vervalsing gaat. Hoe later het afschrift is, des te meer verdacht. Een tekst over goederen van St.Willibrord in Utrecht uit 1623, toen de mythe volop bestond, is dus niet alleen verdacht, maar zelfs een vervalsing te noemen als daar zaken in genoemd worden die in de 7e eeuw in Utrecht nooit bestaan kunnen hebben. Maar afschriften werden niet alleen gemaakt om oude documenten met bezittingen en rechten voor het nageslacht te bewaren; het gebeurde ook om oude documenten een heel ander gebruik te geven in overeenstemming met de politieke behoeften van dat moment - waarbij de kopiïsten er alle belang bij hadden de originelen aan het haardvuur prijs te geven. Dat is de werkelijke reden waarom we zoveel afschriften en zo weinig oorspronkelijke documenten bezitten. Er werden opzettelijk vervalsingen gepleegd om bezittingen te verwerven en waarbij de originele akte uiteraard werd vernietigd. Handschriften en afschriften. “De handschriften van de Kronieken zijn op veel plaatsen onbereikbaar opgeborgen”. Waarom 'onbereikbaar'? Moet er iets verborgen blijven? Is het niet zo dat deze juist openbaar moeten zijn en digitaal doorzoekbaar? Onze hele moderne geschiedenis hangt ervan af. Want van een geschiedkundige bron weten we graag hoe oud die is, of ze ongeschonden is overgeleverd, wie het geschreven heeft, of er afwijkende versies van bestaan en welke verschillen er dan zijn en waarom er verschillen zijn? Is het geschrift dat voor ons ligt een origineel document (en hoe weten we dat dan?) of is het één van de kopieën die in de loop der tijd door verschillende handen zijn geschreven? Met een handgeschreven document kan in de loop der eeuwen van alles gebeurd zijn. Het kan “gecorrigeerd” zijn, het kan bij het kopiëren zijn aangepast, dingen kunnen zijn weggelaten of juist toegevoegd, alles met volstrekt goede bedoelingen, of met de kwalijke bedoeling om het document opzettelijk te veranderen ter eigen belang. Valsheid in geschrifte kwam in de Middeleeuwen alarmerend vaak voor. Ook in geschriften (oorkonden) waarin het om bepaalde rechten of om bezit ging. Er hoefde zelfs geen verlangen naar materieel gewin in het spel te zijn. Chauvinsme kon genoeg zijn. De menselijke ondeugden zijn van alle tijden. Documenten die onbereikbaar zijn opgeborgen of waarvan maar één exemplaar of kopie bewaard is zijn bij voorbaat verdacht en moeten ook zo behandeld en beoordeeld worden: als een verdachte. Zonder aanvullend bewijs kan daar geen enkel bewijs uit gehaald worden. Voor vervalsingen werd doorgaans gebruik gemaakt van oudere akten die als voorbeeld dienden en waaruit grote delen werden overgenomen met geografische details en al, maar met andere datum en met invoeging van andere goederen en rechten. We zien in vervalsingen voortdurend plaatsnamen verschijnen lang voordat de betreffende plaats ook maar één enkele maal is genoemd in een authentieke akte. Soms werden 'onbekende' geografische detail zo letterlijk overgenomen, dat men daaruit nu opvallende conclusies kan trekken die de traditionele opvattingen loepzuiver weerleggen. Het meest opzienbarende is als er meerdere kopieën bestaan van eenzelfde oorkonde of van dezelfde oorkonden (zoals de Annalen van Egmond en het Cartularium van Radboud), waarbij de verschillende afschriften ook belangrijke verschillende details bevatten. Het is dan zonneklaar wat en soms ook waarom er veranderd of (in onze opvatting) vervalst werd. Een niet geringe moeilijkheid is dat er namen uit oude documenten zijn gebruikt, afkomstig uit een andere streek, om ter plaatse in een nieuwe streek aanspraken te laten gelden. Omdat in de documenten ook oude namen zijn overgenomen die geen betrekking hebben op het nieuwe gebied, kan soms moeilijk worden vastgesteld of een betreffende plaats geacht werd in Holland, Zeeland, Utrecht of Friesland te hebben bestaan toen de vervalsing werd gemaakt; nog moeilijker is het zich een idee te vormen van de omgeving waarin het niet meer bestaande oorspronkelijke document, dat voor de vervalsing gebruikt werd, thuishoort. Wat meespeelde is dat de oude namen uit de oude documenten op de nieuwe plaats werden hergebruikt, waarbij de hergebruikte namen vaak wonderlijk geheel toepasbaar bleken. Dat verstaan we onder deplacements historiques. Namen die afgeleid zijn van de bodem waarop men leefde, bijvoorbeeld in een moerasgebied, zijn op een moerasgebied in de nieuwe streek toegepast en lijken daar vanouds bestaan te hebben. Dat het verwarring opleverde mag als bekend verondersteld worden. Door de afwezigheid van veel authentieke stukken is er vooral discussie gevoerd over de mate waarin documenten zijn vervalst en in hoeverre er een origineel zou hebben kunnen bestaan, om er toch nog maar iets aan te kunnen ontlenen dat in enige mate betrouwbaar kan worden geacht. Hier betreden we de wondere wereld van het subtiele onderscheid tussen 'schijnbaar origineel', 'onecht, maar niet vals', 'afschrift, niet meer voorhanden', 'fragment', 'notitie', 'samenvattend afschrift', 'geïnterpoleerd afschrift', 'regest', 'duplicaat' 'excerpt', 'deperditum', en 'reconstructie'. Om de grote lijnen duidelijker te krijgen zijn die subtiliteiten hier iets afgezwakt. Het blijft merkwaardig dat de de traditionele geschiedenis zijn grondslag zoekt in vervalste documenten en in duidelijk onbetrouwbare, vaak veel latere afschriften, waarvoor er nauwelijks iets authentieks kan worden overlegd, en waarvoor er tot ver in de twaalfde eeuw al helemaal niets van een eigen bodem kan worden getoond. Bron: vrij naar "www.ijpelaan.nl/devroegemiddeleeuwen". Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf. |