Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 1968. Castra Herculis, pagina 151 t/m 162.

In dit artikel probeert Bogaers te "bewijzen" dat Castra Herculis de plaats Druten is. Zijn betoog staat bol van de aannames, waarschijnlijkheden en vermoedens. Om in Druten uit te komen aarzelt hij zelfs niet om de Rijn en de Waal te "verleggen". De Renus moet dan volgens Bogaers de Waal zijn en de Vahalis de Maas. De betreffende tekst van Tacitus "vertaalt" hij dusdanis dat het in zijn opvatting past. Dat hij Tacitus uitspraken in de mond legt die hij nooit geschreven heeft, vindt Bogaers blijkbaar niet bezwaarlijk. Om met de onderlinge afstanden een beetje uit te komen, gebruikt hij afwisselend de Romeinse mijl en de Leuga, waar een van de twee het beste uitkomt. Bovendien gooit hij ook andere opvattingen opzij. Carvium identificeert hij niet met Carvone, maar localisereert hij in Herwen (Bijlandse Waard). Een verrassende ontwikkeling, waarmee Bogaers dus duidelijk aangeeft dat de zo vaststaande traditie van Romeins Nederland, toch ter discussie blijkt te staan.

Bij elke afwijkende stelling blijkt Bogaers zich te beroepen op Stolte, Petrikovits of Byvanck. Maar als het ergens toch niet mooi dreigt uit te komen, zoals bij de opvatting van Byvanck dat Castra Herculis wellicht Haalderen zou zijn, stelt hij de opvatting van de aangehaalde auteur ter discussie. Zo vermeldt hij dat Byvanck zich baseert op Holwerda en vermeldt dat Holwerda's theorieën momenteel volledig achterhaald zijn.

Volgens Bogaers moet Castra Herculis ten westen van Nijmegen liggen. Want bij hem is Noviomagus nog steeds onbewezen Nijmegen. Maar als Bogaers de PK een wat beter zou bekijken moet je concluderen dat het geen geografische kaart is, maar een schematische. Van de PK zijn geen geografische gegevens af te leiden. Er zijn vele voorbeelden waaruit dat blijkt. Zo ligt -even de traditie volgend- Cuijk op de PK ten oosten van Nijmegen, terwijl het in werkelijkheid ten zuiden ervan ligt. Dat had Bogaers toch moeten zien, zeker omdat hij zoveel over Cuijk geschreven heeft.

Bovendien merkt Bogaers zelf al op dat zijn verhaal niet klopt omdat er in Druten en omgeving geen Romeins gevonden is. Dus, stelt Bogaers, is Castra Herculis dat aan de zuidelijke Waaloever gelegen moet hebben, door de rivier volledig weggespoeld. En dan noemt hij de steekhoudende argumenten van Albert Delahaye, klinkklare kletspraat. Wat is dit betoog van Bogaers dan? Localiseert men Castra Herculis in Druten, dan krijgt de Waal in de laat-Romeinse tijd meteen meer belang en zou de Waal de noordelijke grens van het Romeinse Rijk zijn geweest en niet de Rijn, wat beter past bij wat men in 1936 had aangenomen.

Al met al is het betoog van Bogaers een duidelijk voorbeeld van fragmentenhapperij, zoals Albert Delahaye dat eens benoemde. Uit de klassieke bronnen alleen gebruiken wat van pas komt en de rest of verdraaien of verzwijgen. En dan noemt Bogaers de sterk onderbouwde argumentatie van Delahaye "klinkklare kletspraat". Je moet maar durven.