De wetenschappelijke deskundigheid van prof.dr.J.E. Bogaers mag sterk betwijfeld worden. In een aantal cruciale zaken, maakte hij fout op fout en zat er met zijn opvattingen wel eens behoorlijk naast. Als voorbeelden mogen dienen zijn opstelling t.a.v. de vondsten van Tjerk Vermaning, zijn opvattingen over de Gallo-Romeinse tempels te Elst (zijn proefschrift bij zijn aanstelling als professor te Nijmegen, die hij op een aantal punten zelfs sterk moest corrigeren), de mijlpaal van Monster, de Romeinse opschriften op buitenlandse vondsten die door hem naar Nederland toe werden verklaard. Ook zijn opvattingen over de Romeinse vondsten te Cuijk, te Maurik en te Nijmegen zijn niet zonder kritiek gebleven. Bovendien staan alle fouten en blunders van Het Bronnenboek van Nijmegen (zie aldaar), voor welke inhoud hij mede getekend heeft, ook op zijn conto. Welk recht van spreken heeft Boagaers dan nog om de studie van Albert Delahaye "klinkklare kletspraat" te noemen en Delahaye voor "gek" te verklaren? Bogaers wist dat Delahaye gelijk had en dat zijn reputatie op het spel stond. Vandaar zijn fel ageren tegen elke stelling van Delahaye.
Bogaers heeft zich als 'voorzitter' van de Club van Nijmegen altijd fel opgesteld ten aanzien van de opvattingen van Albert Delahaye. Zijn uitlatingen waren vaak denigrerend en van weinig wetenschappelijke inhoud, iets wat hem regelmatig ook verweten werd. Hij zei van Delahaye "die daast maar door, die gaat z'n gang maar." Op wetenschappelijk niveau heeft hij de opvattingen van Delahaye nooit kunnen weerleggen dan slechts de traditie te herhalen: "Het Noviomagus van Karel de Grote is Nijmegen, want Nijmegen heette in de Romeinse tijd Noviomagus". Delahaye noemde dit "gratis beweringen", want beide beweringen werden niet bewezen met feiten, waardoor er dus niets bewezen werd.

Hiernaast een ingezonden reactie van een lezer op de opvatting van Bogaers ten aanzien van het verhaal van Delahaye in het Katholiek Nieuwsblad van 14 juni 1985.

Bogaers had aan de Universiteit van Utrecht klassieke taal- en letterkunde gestudeerd. Hij werd aangesteld als conservator voor de provinciaal-romeinse archeologie in Nederland. Hij promoveerde in 1955 tot doctor in de letteren en wijsbegeerte op zijn proefschrift over de Gallo-Romeinse tempels te Elst. Hoewel hij geen archeologie gestudeerd had heeft hij wel enkele archeologische uitspraken gedaan, waar de Romeinse archeologie nog steeds op voortborduurt. Dat die uitspraken gebaseerd waren op verkeerde uitgangspunten is ondertussen wel gebleken.