Dublensis.
De pagus Dublensis of Duplao, die natuurlijk als de streek van de Dubla (de Deule) moet worden
opgevat, bestrijkt in feite maar een betrekkelijk klein aantal plaatsnamen. Zij is daarom niet de
belangrijkste vervalsing, wel de leukste. Immers, deze naam heeft Theoderich van Echternach in drie richtingen vervalst,
en doe hem dat maar eens na! Van een deel van de Dubla-teksten maakte hij de Dutmala
(Dommel), die door H.Camps in dank werden aanvaard hoewel een paar plaatsen van de Dubla (Deüle)
in Brabant niet aan de Dommel liggen. Van een ander partijtje Dubla-teksten maakte Theoderich de
Duffel tussen Nijmegen en Kleef, en daar trapten de historici ook in. Ten slotte had Theoderich nog
een lapje Duffels over en dat stempelde hij af tot Zülpich in het Rijnland.
Omstreeks het jaar 721 ontving St. Willibrord de kerk van graaf Ebroin te
Rinharim, waar hij woonde. In de omgeving kreeg St. Willibrord omstreeks
dezelfde tijd nog andere goederen: een villa met een woonhuis te Nitra; bossen in
Haemni en Dangaesbroch; een horige en zijn vrouw, afkomstig van de villa Meri.
De akte maakt verder melding van een kerk, die de graaf gebouwd had te Millingi en
die aan de H. Maagd was toegewijd. Een andere horige van het domein van
Meginum kreeg twee hoeven te bebouwen en werd ter beschikking van de bisschop
gesteld, die bovendien eigenaar werd van een hoeve te Dagesberg. De twee akten
waarin de schenkingen werden gedaan, zijn te Rinara of Rinharim opgemaakt,
welke plaats volgens de tweede akte in de pagus Dublensis lag.
De pagus Dublensis is het land van de Deule, welke rivier als Dupla of Dubla talloze
malen in de oude bronnen voorkomt. Maar omdat de abdij van Echternach deze juiste
betekenis niet meer kende en niet de minste notitie ervan had, dat St. Willibrord in
het westen van Noord-Frankrijk gearbeid had, vatte zij die naam op als het land van
de Duffel (ten oosten van Nijmegen en ten noord-westen van Kleef), waar warempel
de plaatsnamen toepasselijk waren en waar zij hetzelfde spelletje begon als in
Noord-Brabant. Bij die opvatting leek Meginum als het Brabantse Megen heel goed
te passen. Voor deze plaats bestaat niet de minste aanwijzing dat zij een relatie heeft
gehad met St. Willibrord of met de abdij van Echternach. De lokalisatie is enkel
door de historici gedaan. Meginum kan geïdentificeerd worden als Mégen, een
leengoed onder de gemeente Longfossé in het kanton Desvres. Ofschoon de andere
plaatsen niet in Brabant werden gesitueerd, kan en passant hun juiste situatie
aangewezen worden. Dagesberch of Dangaesbroch was Dennebroeucq, vlak bij
Tournehem gelegen. Haemni is Hemmes; de juiste plaats is niet aan te wijzen omdat
deze naam acht maal in de streek voorkomt. Meri was een leengoed onder St.
Omaars. Millingi was Millingasele, een verdwenen dorp in de omgeving van St.
Omaars. Rinera was vermoedelijk Ringhehem, een verdwenen plaats in de omgeving
van St. Omaars.