Vertaling van de oorkonde uit 1122 (z.g. het Stadsrecht).
Bron: Archief van het stadsbestuur van Utrecht (1122-1577), inv.nr. 37.
In naam van de heilige en ondeelbare Drievuldigheid. Hendrik de Vierde, bij de gratie Gods Rooms keizer en vergroter van het rijk. Zolang wij welwillend zorg dragen voor de belangen van onze getrouwe onderdanen en op de juiste wijze gehoor geven aan hun verzoeken, volgen wij de gewoonte van onze voorgangers, koningen en keizers, en verwerven des te groter welwillendheid tegenover ons en onze opvolgers in de toekomst, in de hoop op beloning.
Daarom zij het bekend aan allen, zowel in de toekomst als in het heden, dat wij niet alleen aan die van Utrecht en Muiden maar ook aan allen die in de omgeving van deze plaatsen wonen, het recht, het gewoonterecht en het privilege, verleend door bisschop Godebald, bevestigen en bekrachtigen op grond van deze voorwaarde, dat zij eensgezind volharden in hun trouw aan ons en hen die onze waardigheid en onze kroon afvallig en vijandig zijn, naar vermogen trachten te bestrijden door de trouwelozen te vernederen en de getrouwen te sterken.
Wij willen echter niet dat onze getrouwe onderdanen de eed geheim houden die de Utrechters en de Muidenaren ons bij de schenking van deze oorkonde hebben gezworen, om zich ongeschonden te handhaven. Deze eed nu luidt aldus, namelijk dat zij in de trouw aan ons met name het
bisdom Utrecht onder alle omstandigheden tegen alle stervelingen voor ons zullen bewaren.
En opdat het gezag van deze voorwaarde en bevestiging door ons vast en onwrikbaar zal blijven, hebben wij daarom bevolen deze oorkonde, eigenhandig bekrachtigd, te laten schrijven en te laten voorzien van de opdruk van ons zegel. Van deze bevestiging door ons hebben wij als
geschikte getuigen de aanwezigheid verkregen van: Godebald, bisschop van Utrecht, Koenraad, bisschop van Osnabrück, Meingod, proost van St. Maarten [de Utrechtse dom], Herman, proost [van Oudmunster], Frederik graaf van Arnsberg, Arnold graaf van Kleef, Arnold van Rode en zijn broer Rucher, Gijsbert, schout Galo. En ook uit Muiden: Gijsbert, terzelfder tijd benoemd tot hofmeier, Waldo, Sigebald, Herman, Wiltet. En die van Jeruzalem [de ridders van het Hospitaal van St. Jan te Jeruzalem]: Godescalc, Uscher, Alger, Petrus, Tanco, Gerard, Robert.
Bovendien vergunnen wij allen die de Utrechtse stad moeten versterken met een wal, vrijstelling van welke tol dan ook, zo vaak als zij die stad bezoeken om er waren op de markt te brengen.
Het teken van Hendrik de Vierde, de onoverwinnelijke Rooms Keizer.
Ik, Bruno, kanselier, heb dit bevestigd, in plaats van de aartskanselier.
Gegeven in Neder-Trecht [Utrecht], in het jaar na de Menswording des Heren 1122, in de dertiende indictie, op vierde none van juni [2 juni], in het drieëntwintigste koningsjaar van heer Hendrik de Vierde, in het twaalfde jaar van zijn keizerschap.
In rood enkele toevoegingen en interpretaties die niet in de oorkunde staan. Er is namelijk geen sprake van stad of markt. Ook de genoemde plaatsen Utrecht en Muiden staan niet in deze oorkonde, maar het Latijnse Traiectenses en Mudenses: "sacramentum . .. quod . . . nobis inviobaliter se conservare Traiectenses ac Mudenses conjuraverunt", de eed, die de burgers van Utrecht en van Muiden gezamenlijk aan ons hebben afgelegd.
De Passage in het stadsrecht over de eed die de Utrechters dienen af te leggen: Est vero hic modus sacramenti, scilicet ut nominatim Traiectensem episcopatum omni exclusa occasione contra omnes mortales in nostra fidelitate nobis retineant. In erg vrije vertaling: ‘De wijze van de eed is waarlijk aldus dat zij met name het Utrechts bisdom, met uitsluiting van iedere gelegenheid, tegenover alle stervelingen in trouw aan ons voor ons behouden.’