De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Pagina's 134-137 uit het Verhaal van Gelderland.

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!

Zouden de auteurs van dit hoofdstuk het boekje "List en bedrog. Vervalsingen in de archeologie" van Leo Verhart gelezen hebben? Waarom staat het anders in de literatuurlijst?



Over de aanwezigheid van Julius Caesar met zijn legioenen kunnen we kort zijn:
Er zijn geen schriftelijke, noch archeologische bewijsredenen om de Romeinse tijd in Nederland met Caesar te laten begonnen. (Bron: o.a. Johan Hendriks).



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!
Het verhaal begint met Julius Caesar. Dat de legers van Julius Caesar halverwege de eerste eeuw v.Chr. tot in Zuid-Nederland zijn opgetrokken en of ze ook echt op Gelders grondgebied hebben rondgelopen, is twijfelachtig. Hoe dan ook hebben de Gallische oorlogen van Caesar er wel toe geleid dat onze streken direct of indirect te maken kregen met het Romeinse Rijk. Ongetwijfeld op uitnodiging van de Romeinen migreerde een groep Chatten uit Midden-Duitsland naar de Betuwe en vermengde zich hier met de lokale bevolking (noot 1). Het mengvolk zou bekend worden onder de naam Bataven (p.141).
In (noot 1) wordt verwezen naar p.134-137. Deze 4 pagina's (3 pagina's tekst) vragen om een nadere toelichting, die we hieronder ook uitgebreid geven, juist om aan te tonen waarop tegenwoordige historici hun standpunten baseren, hoe zij redeneren en hoe zij tot hun opvattingen komen.

De visie van Albert Delahaye.
Het is onbegrijpelijk dat mensen die zich historicus noemen, zich niet houden aan het belangrijkste uitgangspunt van geschiedschrijving, namelijk kontroleer de bron. Schrijf niet klakkeloos na wat een ander beweert, maar kontroleer op welke bron men zijn/haar mening baseert. Bij een controle van noten in een publicatie sta je soms versteld hoe men citeert uit bronnen. Men geeft halve citaten, vertaalt Latijnse bronnen niet of -wat erger is- leest iets geheel anders dan wat in de bron geschreven staat. Men manipuleert met vertalingen en interpretaties om eigen gelijk aan te tonen.

Na kritische bestudering blijkt er van het hele verhaal op p.134 - 137 NIETS meer over te blijven. Zie de uitgewerkte tekst hieronder. De betreffende auteurs blijken weinig kritisch voor de ware geschiedenis. Er wordt van alles beweerd zonder feitelijke bewijzen te leveren.

Wat bespreken deze pagina's regel voor regel. Rechts de letterlijke tekst, links de opmerkingen. De opmerkingen zijn tussen haakjes (1) in de tekst genummerd.

Het verhaal op de pagina's 134-137 volgt op een verwijzing in noot 1 in hoofdstuk 4 op p.141. Op p.141 wordt namelijk geschreven dat de legers van Julius Caesar tot in Zuid-Nederland zijn opgetrokken. Er is sprake van een mengvolk dat onder de naam Bataven bekend zou worden.

Enkele opmerkingen over de eerste alinea op p.141:
  1. De auteurs twijfelen zelf al aan de juistheid van hun eigen betoog door woorden als 'twijfelachtig', 'ongetwijfeld', 'hoe dan ook' en 'direct of indirect'? Als het 'twijfelachtig' is houdt toch het hele betoog op als er geen bewijzen voor zijn. En die bewijzen zijn er niet, anders had men niet het woord twijfelachtig gebruikt. Lees ook het citaat van Johan Hendriks in de linker kolom: er zijn geen schriftelijke noch archeologische bewijzen! Dan houdt dit verhaal toch op?.
  2. Het gebruik van het woord ongetwijfeld geeft aan dat er wel eens aan getwijfeld werd. En door wie werd er getwijfeld en waarom? Is dat uitgezocht?
  3. Op uitnodiging van de Romeinen. Kun je het je infantieler voorstellen? Alsof de Romeinen daar al ter plaatse waren en de Chatten een uitnodiging stuurden? Hoe zou dat gevraagd zijn? Toch wel met si tibi placet erbij! En dat deden die Chatten dan braaf en verhuisden dan naar de sompige Betuwe? Vanuit droog midden Duitsland naar het moerasgebied in Nederland? Om er wat te gaan doen? De grens bewaken, voordat de Romeinen er waren? Immers de Romeinen waren noch in de Betuwe, noch in Midden-Duitsland. De Romeinen kwamen pas rond 40 n.Chr. in Nederlan aan. (Ken je klassiekers!)
  4. Welke plaatselijke bewoners waren dit? Hier wordt de geschiedenis grensoverschrijdend geweld aan gedaan. Het is een gevolg van de bronnen niet lezen, in elk geval niet begrepen te hebben. De Bataven waren geen afsplitsing van de Chatten, maar trokken door het land van de Chatten, schrijft Tacitus HistoriŽn IV.12.3. En Tacitus schrijft ook nog heel duidelijk dat de Bataven zich vestigden op het onbewoonde uiterste deel van GalliŽ. Ik heb het maar onderstreept: het onbewoonde deel. Niks mengvolk dus. Wie verzint zoiets? En schikten die plaatselijke bewoners dan een beetje in om plaats te maken voor de nieuwe bewoners? Hoe mengden zij zich met elkaar? Een beetje om en om? En noemden zij beiden zich vervolgens Bataven, ofwel 'strijdbare mannen'? Weinig strijdbaar als je op een uitnodiging van de Romeinen gaat verhuizen naar een onbekend land dat een groot moerasgebied blijkt te zijn. Dan was de Opstand van de Bataven wel andere koek!

Het geheel is een sprookje, een fabel, duimzuigerij, blijkbaar ontsproten uit het brein of de duim van Nico Roymans in zijn publicatie over Ethnic Identity and imperial power (2004). Welke archeologische feiten (Roymans is toch archeoloog?) zijn daarvoor misbruikt? Je kan natuurlijk van alles beweren, maar zonder bewijzen blijft het duimzuigerij. "Helaas blijkt het nog niet mogelijk te zijn om met archeologisch materiaal het woongebied van stammen te kunnen bepalen". (Citaat van Johan Hendriks). En dan snap ik niet hoe en waarom een bestudeerd iemand -daar mag ik toch wel vanuit gaan- tot zulke onzin kan komen. Wat wil hij nu feitelijk aantonen met dit verhaal? En wat mij meer verbaast is dat anderen hem klakkeloos volgen en geen kritische vragen (durven te ) stellen. Helaas gaat deze fabelschrijverij weer de boeken in als 'wetenschappelijke historische kennis' en wordt het door de onnavolgbare naschrijverij die in historische wereld gemeengoed is, weer alom verspreid (wat wel blijkt dat het in dit boek over het Verhaal van Gelderland in de literatuurlijst opgenomen is).

Wat blijkt na lezing van het artikel van Roymans over die Ethnic Identity? Het is slechts een theorie, gebaseert op Wenskusí ethnogenetic model! uit 1961, die weer Kuhn, Schmid en Haarnagel naschrijft. Naschrijverij ten top dus!
En wat schrijft die Reinhard Wenskus dan allemaal, voordat hij de boeken van Albert Delahaye gelezen kon hebben? Het blijkt niet meer of minder dan 'wishful thinking' te zijn, ofwel nog een zoveelste theorie uit Duitsland, waar al zoveel van de geschiedenis onjuist naartoe getrokken is, zoals Germania van Tacitus. Wenskus maakt de traditionele fout door volkeren op de traditionele maar onjuiste plaats te localiseren en nog steeds uit te gaan van een grote volksverhuizing, die nooit bewezen is. Hij besluit ook met "Es wšre zu wŁnschen, wenn eine Diskussion hier zu bestimmteren Ausssagen fŁhren wŁrde". (Het zou wenselijk zijn als een discussie hier tot concretere uitspraken zou leiden). Over hoeveel zekerheid gaat het dan? Maar geen nood voor Roymans. Die draait met de feiten en komt zo tot zijn opvatting over ethnische identiteit. Maar uit archeologische vondsten is nu eenmaal geen ethniciteit af te leiden, zeker niet als niet bekend is wie die artefacten achter gelaten heeft. Voordat geconcludeerd kan worden wat in de Betuwe gevonden werd van de Bataven was, dient eerst bewezen te worden dat de Bataven in de Betuwe woonden. En dat is tot heden (2023) nog steeds niet gebeurd. Sterker, steeds meer historici beginnen daar aan te twijfelen in navolging van Albert Delahaye. Ook dr.J. de Vries stelde al dat 'uit archeologische vondsten geen ethniciteit af te leiden valt'.
Roymans denkt het dus beter te weten dan de klassieke Romeinse schrijver Tacitus, die als zeer betrouwbaar bekend staat. Nu kennen we Roymans van eerder gewichtig doenerij. Het is een vergelijkbaar verhaal van Roymans dat hij ooit presenteerde in De Wereld Draait Door over de aanwezigheid van Julius Caesar bij Kessel: fabelschrijverij! Daarop werd Roymans nadien -zeer terecht overigens- gecorrigeerd door enkele meer deskundigen dan hij zelf bleek te zijn.

De tekst in het Verhaal van Gelderland.
Wat op de pagina's 134-137 te lezen valt tart alle wetenschappelijke historische uitgangspunten. Hier is sprake van de grootste klucht! Hoe is het mogelijk dat toch bestudeerde mensen (historici kan ik hen beter niet noemen) zoveel onzin bij elkaar kunnen schrijven. Wel begrijpelijk als je dit verhaal baseert op wat Nico Roymans zoal geschreven heeft. Roymans blijkt nogal wat indruk gemaakt te hebben bij de auters van dit verhaal, te weten Roy van Beek, Peter van den Broeke en Nico W.Willemse. In de literatuurlijst worden liefst 20 publicaties van Roymans genoemd. Roymans is toch archeoloog en geen historicus? Roymans, afkomstig uit Bladel, wordt gerekend tot de zogenaamde 'Kempenbende', een informele benaming voor een groep archeologen die afkomstig zijn uit Noord-Brabant (Wikipedia). De betiteling 'Kempenbende' is veelzeggend. Ze maken er nogal een bende van.
Klokkenluiders.
Onbegrijpelijk blijft het dat men elkaar in de historische wereld zo klakkeloos volgt! Dit gebeurt er dus als archeologen geschiedenis gaan schrijven zonder op de klassieke teksten te letten. Hetzelfde hebben we gezien bij archeoloog W.A.van Es, die wel even bepaalde dat de nederzetting die hij vond in Wijk bij Duurstede toch wel Dorestad gewest moet zijn, overigens ook zonder verder op de klassieke teksten te letten, die dat radikaal tegenspreken. Ook hier zijn anderen (Luit v.d.Tuuk, Annemarieke Willemsen) hem klakkeloos gevolgd. De enige die kritisch was en dat tegensprak (Albert Delahaye) en met een veel aanvaardbaarder alternatief kwam (Munna), werd gelachelijk gemaakt. Zo werkt blijkbaar de eenmaal geaccepteerde en gevestigde wetenschap. Iets roepen zonder bewijs. Klokkeluiders worden nog steeds niet geaccepteerd en gewaardeerd, ook al hebben zij volkomen gelijk.

De letterlijke tekst op p.134-137. De door mij onderstreepte woorden hebben een doorslaggevend belang.

Het turbulente einde van de prehistorie.
In de eerste eeuw v.Chr. kregen de bewoners van het Rivierengebied voor het eerst te maken met geld zoals wij dat ook nog kennen. De teruggevonden Keltische munten waren echter geen dagelijks betaalmiddel (1) en worden wel special purpose money genoemd.


Ze werden benut voor het doen van schenkingen, voor offerdoeleinden en wellicht ook voor het afdragen van tribuut (belasting) aan andere stammen (2).


Dit is te lezen in Julius Caesars verslag van de Gallische Oorlog uit het midden van de eerste eeuw v.Chr. (3).


Met die oorlog wilde hij de heerschappij van Rome vestigen in GalliŽ (4).


Hoewel munten makkelijk reizen, kan hun verspreiding toch inzicht geven in het woongebied van bepaalde stammen (5).


Zo blijkt het gebruik van Eburonenstaters, een bepaald type gouden munt uit circa 60-50 v.Chr., globaal samen te vallen met het domein van de door Caesar beschreven - en bestreden -Eburonen (noot 93).


In de bodem van Belgisch en Nederlands Limburg zijn verscheidene schatvondsten gedaan met onder meer dit munttype (6).


Vermoedelijk zijn ze daar verstopt onder de geweldsdreiging van de troepen van Caesar, in 53 en 51 v.Chr. Eburonenstaters zijn gevonden tot in de Betuwe, maar niet verder noordelijk (7).


De Rijn vormde de strakke noordgrens (8) van het verspreidingsgebied (noot 94).


Dit suggereert dat ook de Betuwe nog tot het Eburoonse woongebied behoorde. Door het gebruik van munten sloot het gebied ten zuiden van de Nederrijn meer aan bij Midden-Europa en Frankrijk dan bij Noord- en West-Nederland, net als in de late ijzertijd, wat werd geÔllustreerd door het dragen van glazen armbanden, vanaf het midden van de derde eeuw v.Chr. In zijn verslag van de Gallische Oorlog bestempelde Caesar de Rijn als grens tussen GalliŽ en GermaniŽ (9),


waarbij hij de Waal als hoofdtak beschouwde (10).


Voor de jaren 55-51 v.Chr. geeft hij voor onze streken een kortstondig inkijkje in de maatschappij en de heersende gebruiken. Voor het eerst worden bevolkingsgroepen getooid met namen en worden grote gebeurtenissen beschreven waar via archeologische vondsten nauwelijks vat op te krijgen is (11).


De geschriften bieden informatie die een andere kijk op het archeologisch materiaal mogelijk maakt. Een voorbeeld daarvan zijn de slingerkogels van gebakken klei die van de vijfde eeuw v.Chr. tot de eerste eeuw n.Chr. overwegend ten zuiden van de Rijn gebruikt werden. Terwijl archeologen anders genoegen zouden (moeten) nemen met de interpretatie dat daarmee tegenstanders uitgeschakeld konden worden, beschreef Caesar dat ze na verhitting ook dienden om daken van stro of riet in lichterlaaie te zetten (noot 95).


En wat de grote gebeurtenissen betreft: zowel de Eburonen als de MenapiŽrs, hun westelijke buren (12)
die ook nog in een deel van het Gelders rivierengebied gewoond kunnen hebben, werden in 55 v.Chr. belaagd door op drift geraakte Tencteren en Usipeten (13).


Deze Germaanse stammen waren vanuit het huidige Oost-Nederland en aangrenzend Duits gebied de Rijn overgestoken (14).


Daarbij wordt een - ongetwijfeld sterk overdreven - aantal van 430.000 mensen genoemd. Caesar, niet gecharmeerd van in GalliŽ rondzwervende en plunderende over-Rijnse stammen, nam tegenmaatregelen. Na hun leiders gegijzeld te hebben, joegen de Romeinse troepen de overige stamleden over de kling (15).


Als plaats van die laatste handeling vermeldt de veldheer 'het punt waar Maas en Rijn samenkomen' (16). Daar was de verliezende partij in het nauw gedreven (noot 96).



Lees hiernaast alles wat over noot 96 geschreven is. Uit het geheel blijkt dat men eerdere opvattingen over de geschiedenis maar als waarheid heeft aangenomen zonder op zoek te gaan naar bewijzen. Misschien heeft men die bewijzen wel gezocht, maar in elk geval nooit gevonden. Of is het zoals prof.dr.F.Hugenholtz een stelde: "Dat hoeven we toch niet te bewijzen? Het is toch zo. Dat weet toch iedereen?" Het was ook nooit bewezen, omdat het bewijs ontbreekt.

En is het zo dat alle historici hetzelfde geloven, zij ook gelijk hebben? Eens dacht iedereen dat de zon om de aarde draaide, totdat Cpernicus beweerde dat het precies andersom was: de zon staat stil en de aarde en andere planeten draaien er omheen.

Het kaartje op p. 135 toont de verspreiding van Eburonenstaters (17).

In het geval van schatvondsten zijn de munten begraven. In kleur de globale reconstructie van het Eburoons territorium (18).


Dat Maas en Rijn (Waal) al in het westen van Gelderland samenvloeiden, is niet geheel zeker, maar sommige onderzoekers menen dat die slachting in de regio Rossum-Heerewaarden plaatsvond. In een oude Maasarm bij Kessel en Lith, iets oostelijk van Rossum, is bij baggerwerk een aanzienlijk aantal botten van mannen, vrouwen en kinderen gevonden, meer met verwondingen die op wapengeweld wijzen. Gedateerde botten laten een piek zien in de eerste eeuw v.Chr. Uit diezelfde eeuw dateren aangetroffen gordelhaken van Germaanse snit en diverse slagzwaarden met bijbehorende scheden (noot 97).


De datering is echter niet precies genoeg om de vondsten te kunnen toeschrijven aan een specifieke historische gebeurtenis. Dat wordt nog lastiger in de wetenschap dat Caesar enkele jaren later op gelijke wijze huishield onder de Eburonen, mogelijk in hetzelfde gebied (noot 98).


Dat sluit aan bij de vondst van de slagzwaarden. Die wapens lijken eerder te hebben toebehoord aan Eburonen dan aan over-Rijnse groepen, zoals de Tencteren en Usipeten (noot 99).


De Eburonen hadden de toorn van Caesar over zich afgeroepen door in 54 v.Chr. samen met bevriende stammen het Romeinse leger in het huidige BelgiŽ (19)


een verpletterende nederlaag toe te brengen. Na een Romeinse strafexpeditie een jaar later, kwam Caesar in 51 v.Chr. het karwei zelf afmaken. In zijn karakteristieke stijl noteerde hij over zichzelf:


Naar alle kanten van Ambiorix' gebied zond hij
legioenen of hulptroepen. Toen hij alles had uitge-
moord, afgebrand of geroofd en een groot aantal vij-
anden had gedood of gevangengenomen, stuurde hij
Labienus met twee legioenen naar de Treveren
(noot 100).


Na de laatste slachtpartij (20)


trokken de Romeinse troepen naar het gebied rond Trier. Daarmee eindigde voorlopig de Romeinse controle in de Lage Landen, totdat rond 19 v.Chr. (21)


een legioensvesting op de Hunnerberg in Nijmegen werd ingericht (noot 101)


De krijgsmacht die hier werd gelegerd zou op betere voet met de lokale bewoners staan dan haar voorgangers. Dat had zonder meer te maken met het feit dat er na het ingrijpen van Caesar een nieuwe bevolkingsgroep in het Rivierengebied was neergestreken. Deze had goede connecties met de Romeinen en was vermoedelijk - naar bekend Romeins gebruik- ook door hen naar de Betuwe en omstreken gedirigeerd (22).


Het gaat om een groep die zich volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus had afgescheiden van de Chatten in Hessen (23).


Waarschijnlijk had deze (krijgers)groep een beperkte omvang; er is in elk geval nog geen woonplaats van de migranten gevonden (24), hoewel identificatie aan de hand van het achtergelaten aardewerk mogelijk moet zijn.


Op grond van grote aantallen baggervondsten uit de eerste eeuw v.Chr. is gewezen op de mogelijkheid dat zij zich ophielden in een plaats met centrale functie aan de Maas, bij Kessel en Lith (25).


Later moet daar ook een Gallo-Romeinse tempel van formaat zijn opgetrokken (noot 102).


Dat zowel de bewoning als de materiŽle cultuur van het Rivierengebied rond het begin van de jaartelling continuÔteit (26) laat zien, staat buiten kijf (noot 103).


Onder archeologen (27) heeft daarom het idee postgevat


dat de kleine immigrantengroep zich vermengde met Eburonen die de confrontatie met de troepen van Caesar hadden overleefd (28).


Samen zouden zij dan de omvangrijke stam van de Bataven hebben gevormd (noot 104).


Hoe die samensmelting van bevolkingsgroepen precies is verlopen, onttrekt zich aan het archeologische oog. Wel is sprake van een forse aanwas van nederzettingen en de introductie van nieuwe boerderijvormen. (noot 105).


Het is echter onduidelijk hoe deze laatste ontwikkelingen geduid moeten worden in relatie tot de nieuwkomers (29).


Wanneer precies de 'import-Bataven' hier binnen-kwamen, is niet zeker (30).


Het is ook niet gezegd dat ze als gehele groep tegelijkertijd arriveerden (31).


Het is mogelijk dat een deel van hen al in het gevolg van Caesar opgenomen was, als voorlopers van de Bataafse keizerlijke lijfwacht die uit latere schriftelijke bronnen bekend is (32).


In ieder geval lijken Bataafse ruiters al in de jaren 30 v.Chr. op SiciliŽ aan Romeinse zijde gestreden te hebben. Een dertigtal zilveren munten van Midden- of Oost-Gallische oorsprong dat werd aangetroffen op de cultusplaats te Empel (33), bij 's-Hertogenbosch,


wordt beschouwd als soldij van de eerste generatie Bataafse ruiters in Romeinse dienst, verkregen op weg naar het nieuwe thuisland (noot 106).




Het kaartje op p. 137 toont de Vindplaatsen van zilveren en bronzen regenboogschoteltjes met driebeenmotief in het Nederrijns gebied. Ze dateren voornamelijk uit de laatste vijftig jaar v.Chr. Sommige varianten lijken in het Rivierengebied te zijn geslagen.(34).


Daarnaast zijn in de Betuwe en omgeving fikse aantallen zilveren en bronzen Keltische munten met driebeenmotief ('regenboogschoteltjes') gevonden (35)


die op lokale muntslag duiden; de gouden voorlopers hiervan werden in Hessen geslagen (noot 107).


De vroegste zilveren exemplaren dateren al uit de jaren van Caesars verblijf in onze streken (36).


Het is dan ook de vraag of we hiermee de vinger kunnen leggen op een andere Bataafse migratiestroom, maar het lijkt in elk geval niet meer nodig de oude opvatting te volgen (37)


dat de krijgshaftige Hessische migranten pas in het Rivierengebied verschenen toen het Romeinse Rijk in 12 v.Chr., onder keizer Augustus, uitgebreid diende te worden in de richting van de Elbe (38).




De opmerkingen en toelichting op deze 4 bladzijden betreffen in feite meer in dit boek. Als het hele boek van eenzelfde niveau is, dan is het droevig gesteld met historisch Nederland. Er wordt van alles beweerd, maar weinig tot zelfs niets met feiten bewezen. En de bewijzen die er soms zijn, worden onjuist geÔnterpreteerd of onjuist gelezen, zoals het geval is met Historiae van Tacitus.

Uit archeologische vondsten blijkt geen enkele ethniciteit van gebruikers of bezitters af te leiden te zijn. Zolang men niet weet door wie en waarom en wanneer iets in de grond terecht is gekomen blijft het speculeren. En speculeren is geen geschiedenis. Een voorbeeld: een muntschat met Romeinse munten kan ook nog in de tijd van de Noormannen verstopt zijn of verloren zijn gegaan, zeker als het gouden munten betreft, die hun intrinsieke waarde behielden.

Veel van hetgeen in dit boek beschreven is, is te veel gebaseerd op vooringenomen opvattingen. Het kan ook eigenlijk niet anders. Zolang historici en archeologen uit bronnen putten die bestaan uit naschrijverij, blijven de oude mythen rondgaan. Zie de lange literatuurlijsten. Als men dat een andere naschrijft, doe het puur en dan zonder eigen opvattingen erin te verweven. Leg auteurs geen dingen in de mond die zij niet beweren, zoals met p.334 is gebeurd.

Degene die deze naschrijverij doorzag werd weggezet als charletan en vervolgens doodgezwegen omdat hij niet voldeed aan de aanmaal aangenomen en overeengekomen opvattingen.
Opmerkingen over de tekst, volgens de nummering in de tekst. Vaak zijn het vragen die gesteld worden, vaak retorisch, soms ook om de historici en onderzoekers aan het denken te zetten.

Als we de noten op deze 4 pagina's bekijken (nr.93-107) komen liefst 7 van de 14 noten (waarvan 4 verwijzingen naar de Bello Gallico) uit de koker van Nico Roymans. Is die man nog langer geloofwaardig met zijn verhaal over 'Caesar in Kessel' of zijn opvattingen over Ethnic Identity?

(1) Wat in de tweede zin staat is in tegenspraak met de eerste zin. Het is dus geen betaalmiddel zoals wij kennen, maar 'geld voor speciale doeleinden' (waarom in het Engels?)

(2) Hoe weten de schrijvers dit? Oh ja, gelezen in de Bello Gallico van Caesar Zie (3). Gelukkig staat er 'wellicht' in deze tekst. Maar geldt wat in Frankrijk 'wellicht' gebeurde ook voor het onbewoonde Nederland?

(3) Nu zou ik toch graag van deze auters vernemen waar zij dat lezen bij Caesar? Ik kan dat in de Bello Gallico niet vinden, maar dat kan aan mij liggen. Wel lees ik er andere zaken die het vermelden waard zijn en veel traditionele opvattingen ondergraven. Lees daarover meer bij Julius Caesar.

(4) Dat het Rivierengebied ooit tot GalliŽ behoord heeft is speculatie, ofwel een nooit bewezen veronderstelling. Julius Caesar is nooit ten noorden van de taalgrens geweest, zoals hij zelf schrijft. Het Carbonarisch Woud was voor hem ondoordringbaar en de absolute noordgrens. De MoriniŽrs en MenapiŽrs heeft hij nooit overwonnen. En de Bataven woonden in zijn tijd (en altijd) ten zuiden van het Carbonarisch Woud.

(5) Uit muntvondsten is geen ethniciteit van de gebruikers af te leiden, al doen archeologen dat regelmatig. Is een Spaanse Euromunt altijd en alleen maar in gebruik bij Spanjaarden?

(noot 93): Caesar, Oorlog in GalliŽ, V, 27. In dit vers worden noch de Eburonen, noch de staters, noch de betaling ermee genoemd. Het handelt hier over de Aduaken en Ambiorix.

(6) Gelukkig begin de volgende zin met 'vermoedelijk'. Het is dus slechts een vermoeden wat hier beweerd wordt.

(7) Is dat een gebrek aan archeologie of werkelijk vastgesteld? En woorden in de Betwue dan ook Eburonen?

(8) Dus boven de Rijn zijn de Romeinen nooit geweest? Wat te denken van Velsen of van Ermelo en (sinds kort) ook Leusden? Ook in Duitsland zijn talloze Romeinse vondsten gedaan ten oosten van de Rijn, dus echt strak was die grens niet.

(noot 94): Roymans, 'Muntslag in crisistijd'; Roymans, 'Late Iron Age coin hoards'; Roymans, 'Zilveren regenboogschotels'. Op grond van munten zijn geen etnische conclusies te trekken. Romeinse munten gevonden in Zweden bewijzen toch niet dat de Romeinen daar geweest zijn?

(9) De grens tussen GalliŽ en GermaniŽ lag op de taalgrens, wat wel blijkt dat Germania Inferior en Germania Superior ten zuiden en westen van de Rijn lagen.

(10) Caesar heeft nergens de naam Waal gebruikt. Dat is een interpretatie van latere historici die onjuist bleek te zijn. En was de Waal dan niet de Patabus van de Peutingerkaart?

(11) Nauwelijks vat op te krijgen betekent niets meer en niets minder dat er geen archeologisch bewijs voor te vinden is.

(noot 95): Caesar, Oorlog in GalliŽ, V, 43. Hier wordt dus vermeld dat de Romeinen verhitte slingelkogels ook gebruikten om daken van stro of riet in lichterlaaie te zetten. Maar in de tekst van Caesar staat iets geheel anders. Er staat namelijk dat de vijanden kogels van klei en gloeiende werpspiesen gebruikten om de daken van de barakken van de Romeinen in brand te steken. Niet de Romeinen deden dit (misschein soms ook wel), maar de Germanen. Bovendien wordt het 'ten zuiden van de Rijn' hier evemin genoemd door Caesar, noch het woord slingerkogels. Hier wordt dus een onjuiste voorstelling van zaken gegeven.

(12) Dat de MenapiŽrs ook nog in de Gelderland gewoons kunnen hebben is in tegenspraak met Tacitus en andere Romeins schrijvers die hun hoofdstad Castellum Menapiorum noemen. Wie bouwt zijn hoofdstad ver buiten eigen woongebied? Niemand toch.

(13) De Tencteren en Usipeten worden door historici heen en weer geslingerd, terwijl ze altijd op dezelfde plaats woonden en wel aan de Oceaan.

(14) De Tencteren en Usipeten worden in nauw verband genoemd met de Fresones. Ze werden volgens Caesar verdreven door de Suevi (omgeving Kortrijk) en trokken de Renus (is de Schelde) over niet ver van diens monding. Dat kan dus niet ergens in Duitsland zijn.

(15) De Romeinen waren inderdaad de moordenaars en plunderaars van de werled, zoals Tacitus hen omschreef. En dan gaan onbenullen ook nog 'leuk' Romeintje spelen. 'Onbenullen' aangezien ze geen benul blijken te hebben van de ware geschiedenis. Alsof je in de toekomst ooit eens slavernijtje kan gaan spelen.

(16) Maas en Rijn komen nergens samen, nu niet en in het verleden niet! Daaruit blijkt al dat deze interpretatie niet op Nederland van toepassing is of ooit kon zijn. Lees er meer over hieronden bij noot 96.

(noot 96): Caesar, Oorlog in GalliŽ, IV, 15. Dit vierde boek heeft menig historicus zand in de ogen gestrooid. Het is nodig het gebeuren even op een rijtje te zetten, immers wat de auteurs hier vermelden is 'fragmentenhapperij' (ofwel halve teksten of minder aanhalen, met weglating wat hen tegenspreekt).
  • Vers 10: in dit vers wordt de loop van Maas, Rijn en Waal beschreven. 'De Maas neemt een arm van den Rijn op, die Vaculus (Waal) heet, vormt daarmee het eiland der Bataven en stroomt dan in de Rijn, niet verder dan 80 mijlen van de Oceaan.
    Opvallend hier is dat het Eiland der Bataven genoemd wordt. Maar in de tijd van Caesar woonden de Bataven nog niet in Nederland (traditie!). Ze zijn er pas "op uitnodiging van de Romeinen" (p.141) rond 19 v.Chr. terecht gekomen en vormde daar dat mengvolk. Eerder dan 19v.Chr. waren er -volgens de traditionele opvattingen (!)- nog geen Romeinen in Nederland. Verder schrijft Caesar: "De Rijn stroomt in lange loop met snelheid en splits zich, als hij den Oceaan is genaderd, in verscheiden armen en vormt vele zeer grote eilanden. Eindelijk stroomt hij met vele mondingen in de Oceaan". We geven hier slechts de geografische details. Kunt U zich hier iets bij voorstellen? Nu schrijft Caesar nergens Maas en Rijn, maar Mosa en Rhenus. Er is nog geen enkele historicus die deze beschrijvingen heeft kunnen verklaren. Het is wel duidelijk dat het in Nederland niet past, met de vraag of Mosa wel de Maas is en Rhenus de Rijn? Het is ook opvallend dat Caesar hier het eiland van de Bataven noemt,immers in zijn tijd woonden er (volgens de traditionle opvattingen) nog geen Bataven in de Betuwe! Einhard gebruikt dezelfde omschrijving om het eiland van de Bataven aan te tonen. Kan hij dat bij Caesar gelezen hebben? In Nijmegen gebruikt men deze tekst om aan te tonen dat de Bataven in de Betuwe woonden. Echter, het is slechts de helft van wat Tacitus vermeldt. Het belangrijkste, namelijk dat de Bataven in het uiterste onbewoonde gedeelte van GalliŽ gingen wonen, laat men weg. Het spreekt de traditie faliekant tegen. In Nijmegen gebruikt men dus maar een halve tekst om haar gelijk te bewijzen.
  • Vers 11: Caesar was nog maar twaalf mijlen (is 18 km.)van den vijand verwijderd op weg naar de UbiŽrs. Hij beloofde hun, op dezen dag niet meer dan vier mijlen (is 6 km) voorwaarts te zullen rukken, om water te vinden. Caesar meende zo drie dagen tijd te winnen, opdat de afwezige ruiters inmiddels terug konden keren. Water te vinden? Hij was toch bij de Rijn, of bij de Maas? Water genoeg zou ik denken.
  • Vers 12: Maar zodra de vijanden onze ruiterij, 5000 man sterk, in 't gezicht kregen, terwijl zijzelf niet meer dan 800 ruiters hadden, omdat degenen, die om te fourageeren over de Maas waren gegaan, nog niet waren teruggekeerd, vielen zij haar aan en wierpen haar snel overhoop. Toen de onzen wederom tegenstand boden, sprongen de vijanden van de paarden, staken onze paarden van onderen dood, wierpen daardoor vele ruiters neer, joegen dan de overigen op de vlucht en jaagden hen in zulk een verwarring voor zich uit, dat zij niet eerder hun vlucht staakten, voordat zij ons hoofdleger in 't gezicht kregen. In dit gevecht verloren wij vier en zeventig ruiters. Dit aantal van 5000 en 800 steekt schril af bij het aantal van 430.000 immigranten.
  • Vers 13: Na dit gevecht meende Caesar geen dag langer met de beslissende slag te wachten tot de vijand door het terugkeren van zijn ruiterij versterking kreeg. De volgende morgen kwamen de Germanen in groote getale om zich te verontschuldigen, dat zij tegen de afspraak en tegen hun eigen verzoek de vorige dag hadden aangevallen, een wapenstilstand te krijgen. Caesar liet hen gevangen nemen. Daarna brak hij met al zijn troepen op, maar liet de ruiterij, die doot het vorige gevecht nog te zeer ontsteld waren, de achterhoede vormen. Er bleken dus nog heel wat Germanen over te zijn, na hetgeen in vers 12 beschreven staat. In hoeverre kloppen beide verzen met elkaar?
  • Vers 14: Na een snelle mars van acht mijlen (is 12 km.) bereikte hij in drie slagorden het vijandelijk kamp, nog vůůrdat de Germanen een vermoeden konden hebben van hetgeen er voorviel. De overige menigte van kinderen en vrouwen begonnen naar alle kanten te vluchten. Te hunner vervolging zond Caesar zijn ruiterij er op af. Ook hier blijken de Germanen nog lang niet verslagen te zijn. Hoeveel Germanen woonden er in het beschreven gebied van hoogstens 12 mijl?
  • Vers 15: Toen de Germanen dat geschreeuw achter zich hoorden en het bloedbad onder de hunnen zagen, wierpen zij de wapenen weg en stormden uit de legerplaats. Aan de samenvloeiing van Maas en Rijn gekomen, wanhoopten zij aan een verder voorzetten van de vlucht. Het grootste deel werd neergehouwen, de overigen sprongen in de rivier, en vonden daar, door schrik, vermoeidheid en de kracht van den stroom overmand, hun graf". Dat alle Germanen hierna verslagen waren wordt geloochenstraft met alle strijd in de jaren erna, met de Opstand der Bataven als 'sluitstuk'.
  • Vers 16: Na beŽindiging van de oorlog met de Germanen besloot Caesar om over de Rijn te gaan, om te tonen dat ook de Romeinen de macht en de moed hadden de Rijn over te steken. Daarbij kwam, dat de afdeling van de ruiterij van de Usipeten en Tenkteren over de Maas was gegaan om te plunderen en te fourageren. Iedereen steekt maar even de rivieren Rijn en Maas over, eerst de 430.000 immigranten, nu de Romeinen, de Usipeten en Tencteren. Waar gebeurde dat? Over welke bruggen ging men? Zwemmend? De Romeinen zwommen niet! Germanen op de vlucht om dan toch te verdrinken? In vers 11 t/m 14 wordt de strijd beschreven waarbij de Ubiers (omgeving Keulen?) genoemd worden. Daarbij leden de Romeinen toch de nodige verliezen, wat in vers 15 ontkend wordt met 'zonder ook slechts ťťn man verloren te hebben'. De strijd speelde zich af in een beperkt gebied. Genoemd zijn 12 en 8 mijl en 6 mijl en 3 dagen tijd te winnen. In 3 dagen legt een legioen geen grote afstanden af. Volgens traditionele opvattingen bestond Caesars leger in 52 v. Chr. uit tien legioenen (van 6000 man) en 6000 ruiters. Bij elkaar dus 66.000 man.

    Na een snelle mars van 8 mijlen bereikten de Romeinen het vijandelijk kamp en richtten een bloedbad aan. Het 'ad confluentem Mosa et Rhenus' (in de Latijnse tekst) wordt traditioneel vertaald in Maas en Rijn, maar dat zijn onjuiste interpretaties. Immers Maas en Rijn stromen nergens samen. Het is ook in tegenspraak met hetgeen in vers 10 staat waar staat dat de Maas in de Rijn stroomt op 80 mijlen (is 120 km.) van de Oceaan, wat plaats zou moeten vinden nadat de Rijn en de Vacalus het eiland van de Bataven gevormd hebben. Daarna is het nog 80 mijl naar de Oceaan, waar de Rijn zich nog in verscheiden armen splitst en vele zeer grote eilanden vormt. Waar is dat in Nederland? Deze beschrijving past feilloos op de Schelde, die inderdaad zich in verscheiden armen splitst en meerdere grote eilanden vormt.


    (17) Hier is duidelijk sprake van een cirkelredenering. De gevonden munten worden Eburoons genoemd, omdat men meende dat de Eburonen in dit gebied woonden. Bovendien is dit kaartje gemanipuleerd want het toont niet het hele gebied waar die staters gevonden zijn. Dezelfde munten worden ook gevonden in Noord-Frankrijk, zoals rond Amiens en Soissons. Lees daar meer over bij
    de Schat van Amby.
    Opmerkelijk is dat in het boek "De Tempel van Empel" enkele kaartjes over de verspreiding van de Eburonen-staters afgebeeld zijn (p.121 en p.122), die toch een ander beeld laten zien.

    (18) De Eburonen woonden volgens de teksten tussen Renus en Mosa, dus niet voornamelijk ten westen van de Maas zoals op het kaartje is afgebeeld, nog afgezien van wat de klassieke schrijvers met Renus en Mosa bedoelden.

    (noot 97): Roymans, 'Caesar en zijn massamoord'; Roymans, 'A Roman massacre'. Roymans ziet in de vondsten overigens primair de weerspiegeling van (rituele?) deponering van overblijfselen van het slagveld (Roymans, 'A Roman massacre', 179)∑


    (noot 98): Er zijn overigens verscheidene archeologen en historici die betwijfelen of de troepen van Caesar ooit werkelijk tot in Zuid-Nederland zijn doorgedrongen. Er zijn namelijk geen archeologische bewijzen voor militaire Romeinse aanwezigheid rond het midden van de eerste eeuw v.Chr.

    (noot 99): Zelfs van de goed herkenbare bronzen schijfjes in het gevest is nog geen enkel exemplaar ten noordoosten van de Nederrijn bekend, terwijl zulke zwaarden wel ver zuidelijk (en oostelijk) daarvan vertegenwoordigd zijn. Zie voor het verspreidingsbeeld Roymans, Ethnic identity, fig. 7.5.

    (19) Prof.dr.H.Thoen heeft aangetoond dat Caesar NOOIT in Belgiť geweest is. De opvatting van Tom Buijtendorp over Caestert is onlangs ook achterhaald. Lees er meer over bij Julius Caesar.

    (noot 100): Caesar, Oorlog in GalliŽ, VIII, 25. Het stamgebied van de Treveren lag rond Trier, staat hierbij vermeldt, wat een interpretatie is. In vers 25 schrijft Caesar iets meer: Caesar zond nu deels legioenen, deels hulptroepen naar alle hoeken van Ambiorix' gebied en verwoestte alles door moord, brand en plundering. Een groot aantal mensen kwam om, of werden gevangen genomen. Daarna zond hij Labienus met twee legioenen tegen de Treveros, die, wegens de nabijheid van GermaniŽ gewoon aan dagelijkse strijd, in wildheid van zeden niet veel bij de Germanen achterstonden en nooit gehoorzaamheid betoonden, dan door een leger daartoe gedwongen. Caesar schrijft Treveros, die wegens nabijheid van GermaniŽ niet veel bij de Germanen achterstonden? Waren de Treveros dan geen Germanen, maar GalliŽrs? Hoorde omgeving Trier dan bij GalliŽ?

    (20) Caesar wordt terecht de massamoordenaar genoemd. Zie ook in opmerking 15 wat Tacitus daarover schreef.

    (21) Dat de Romeinen al rond 19 v.Chr. in Nederland of Nijmegen waren is een mythe, voortgekomen uit het misverstanden van niet ter zake kundige lieden. Lees alles over Gesticht in 19 v.Chr.?.

    (noot 101): Tot voor kort luidde het jaartal nog 12 v.Chr. (bv. Louwe Kooijmans e.a. (red.), Nederland in de prehistorie, 28). Sinds echter de begindatering van de Romeinse castra op de Hunnerberg in Nijmegen op basis van munten rond 19 v.Chr. is gesteld (Kemmers, Coinsfor a legion), magde einddateringvan de ijzertijd - en daarmee van de Nederlandse prehistorie als geheel- aangepast worden.

    (22) Het woord vermoedelijk zegt duidelijk dat het een onbewezen aanname is.

    (23) Wat hier beschreven wordt schrijft Tacitus helemaal niet. Ken je talen! Lees er alles over bij Tacitus.

    (24) Het woord waarschijnlijk zegt dat het een onbewezen aanname is. En zonder woonplaats hebben ze er dus niet gewoond.

    (25) Noch aan de hand van aardewerk, noch aan baggervondsten is geen enkele ethniciteit af te leiden, wat de grondfout van de opvatting van Roymans is.

    (noot 102): Roymans, Ethnic identity, 14-I6 en I03 e.v.; FernŠndez-GŲtz en Roymans, 'The politics ofidentity', 27.

    (26) Dat er enige continuÔteit heeft bestaan staat helemaal niet 'buiten kijf', maar er is juist altijd over gekijft. Het blijkt nergens op gebasserd te zijn. Ik zou die bewijzen toch graag eens zien.

    (noot 103): Zie bv. Van den Broeke, Het handgevormde aardewerk van Oss-Ussen, 141-144; Heeren, Van den Broeke en Heirbaut, 'Nederzettingsmodellen'; Heeren en Van der Feijst, Fibulae uit de Lage Landen, 267-270.

    (27) Het grote probleem van archeologen is dat zij geschiedenis gaan schrijven. Het is hun vakgebied niet! Laten zij zich met opgraven bezighouden en het schrijven van geschiedenis aan de echte historici overlaten, tenminste aan hen die er verstand van hebben en gegevens logisch en in samenhang kunnen combineren. Anders blijft het speculeren.

    (28) Traditioneel ging men er vanuit dat Caesar de Eburonen volledig had uitgemoord. De traditie bleek het dus fout te hebben, maar was gebaseerd op de gedachten dat de Eburonen in de schriftelijke bronnen niet meer genoemd werden. Het bleek dus een onjuiste veronderstelling te zijn. Als men niet meer genoemd wordt betekent het toch ook niet dat men niet meer leeft.

    (noot 104): Zie speciaal Roymans, Ethnic identity. Lees er hierboven meer over.

    (noot 105): Het 'archeologisch oog' van Heeren en Van der Feijst, Fibulae uit de Lage Landen, 270; Van Renswoude en Boreel, 'Huisplattegronden', 281-285, heeft dus geen enkele verkalring kunnen geven voor het hier gestelde. Dan houdt het toch op?

    (29) Als antwoord op noot 105 wordt hier terecht geschreven dat het onduidelijk is en niet geduid kan worden.

    (38) Ook dit is weer duidelijke taal. ER blijkt geen enkele zekerheid te bestaan.

    (31) Ook dit is weer duidelijk. Het is ook niet gezegd. Zeg het dan ook niet. Lees wat Tacitus er over schrijft en zwijg er dan over.

    (32) Dat er al Bataafse legionairs in het Romeinse leger dienden voordat de Romeinen in Nederland waren is een gotspe. Ook nadat de Romeinen uit Nederlan vertrokken waren bestonden er nog steeds Bataafse eenheden. Kwamen de Bataven vanuit de Betuwe vrijwillige dienst nemen? Lees meer over de Bataven.

    (33) Lees alles over de Tempel van Empel.

    (noot 106): Roymans en Derks (red.), De tempel van Empel, 120-121; Roymans en Aarts, 'Coins', Indien de immigranten genoemd zijn naar (het kerngebied van) de streek waar ze terechtkwamen, namelijk de Betuwe, dan zouden we ze in deze fase als 'proto-Bataven' moeten aanduiden (vgl. Toorians, 'Betuwe en Hessen'). Het is toch onvoorstelbaar dat men dit durft te schrijven en nog meent het voor wetenschappelijke waarheid te houden.


    (34) Het kaartje op p.137 komt verre van overeen met dat op p.135. Ze worden hier plots niet meer 'Eburonenstaters' genoemd. Ze zijn gevonden tot in de Betuwe (p.134). Zijn het andere staters? Op de afbeelding op beide pagina's zijn ze verschillend, maar in de schat van Amby komen beiden door elkaar voor. Uitleg over deze verschillen ontbreekt echter.

    (35) Voor muntslag is meer nodig dan wat losse muntjes. De connectie met Hessen is niet alleen letterlijk ver gezocht, maar ook een onbewezen aanname, wat al aangegeven wordt met het woord 'duiden' (=zinspelen, insinueren).

    (noot 107): Roymans, Ethnicidentity, 67 e.v.; Roymans, 'Late Iron Age coin hoards'; Roymans en Dijkman, De Keltische goud- en zilverschat. Uit deze publicaties blijkt echter ook dat de zaken aanzienlijk gecompliceerder liggen dan hier in de tekst wordt gesuggereerd. Deze omschrijving geeft zonder meer aan dat er nogal veel gespeculeerd is bij deze opvattingen.

    (36) Het blijkt een hardnekkige mythe dat Caesar ooit in Nederland geweest is. Er zijn geen schriftelijke, noch archeologische bewijsredenen om de Romeinse tijd in Nederland met Caesar te laten beginnen.

    (37) De oude opvatting heeft afgedaan, maar de nieuwe is niet veel beter. Graag bewijzen voor deze nieuwe opvatting blijven welkom.

    (38) Bij geen enkele klassieke tekst wordt de Elber genoemd, dat is een interpretatie. De genoemde Albis lag in Noord-Frankrijk. Lees meer over de Albis.







  • Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.