De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Kanunnik Willem van Berchen (ca.1415 -1493).



Geborduurde St.Stevenskerk en toren.
De tegenwoordige historici zullen wel nooit van Willem van Berchen (ook Berchem) gehoord hebben, maar ook nooit iets van hem gelezen hebben. Dan zouden ze zich stil en vol schaamte terugtrekken uit elke discussie over Romeins en Karolingisch Nijmegen. Als je leest wat Willem van Berchen hierover allemaal geschreven heeft, dan blijft de Nijmeegse traditie -die nog steeds op zijn geschrijf gebaseerd is- volkomen onhoudbaar. Elke toekomstige discussie zal moeten beginnen met de vraag: "Weet U wat Willem van Berchen allemaal geschreven heeft?" Of het antwoord nu 'Ja' of 'Nee' is, het betekent in beide gevallen EINDE DISCUSSIE.
Waarom einde discussie? Omdat de hele Nijmeegse traditie nog steeds uit het geschrijf van Willem van Berchen en Johannes Smetius (Jan Smit) bestaat. Er is sindsdien geen enkel feitelijk bewijs aan toegevoegd, noch tekstueel noch archeologisch.

De visie van Albert Delahaye.
Albert Delahaye heeft een uitvoerige studie gemaakt van de kronieken van Willem van Berchen (De werken van Willem van Berchen, Bijdragen en Mededelingen der Vereniging 'Gelre' deel LV, 1956). De geschiedenis van Karolingisch en Romeins Nijmegen is nog steeds gebaseerd op de fabelschrijver Willem van Berchem en Johannes Smetius. Het is onvoorstelbaar dat tegenwoordige historici deze fabels nog steeds voor ware geschiedenis houden. Het geeft meteen de ondeskundigheid en naschrijverij van deze historici aan. Opvallend is wel dat de fabelschrijvers Van Berchen en Smetius in de tegenwoordige literatuuropgaven niet meer worden genoemd. Hun geschrijf wordt immers niet meer serieus genomen. Hen als bron opvoeren blijkt in historische kring lachwekkend te zijn. In het Bronnenboek van Nijmegen (zie daar) ontbreken beide schrijvers in de literatuuropgave (bibliografie) dan ook, terwijl Nijmegen juist aan hen haar vermeende geschiedenis te danken heeft. Men ontkent hun geschrijf, maar volgt nog steeds wel klakkeloos hun uitgangspunten.



Willem van Berchen (ca.1415-1493).
Willem van Berchen was een kanunnik van de St.Stevenskerk, die voor de Reformatie nog een katholieke kerk was. Hij was de eerste kroniekschrijver van Nijmegen die, zoals hij dat zelf schreef, de geschiedenis van Karel de Grote had 'bijeengegaard' uit de kroniek van Gregorius van Tours. Dat laatste is onmogelijk aangezien Gregorius van Tours ruim twee eeuwen eerder leefde dan Karel de Grote en nooit over hem geschreven kan hebben. Ook vermeldt Van Berchem dat Nijmegen door Julius Caesar is gesticht, wat elke rechtgeaarde historicus momenteel als een fabel beschouwd.

In de St.Stevenskerk is zijn naam onbekend. Hij komt niet eens voor op de lijst van begravingen en grafstenen. De Reformatie heeft alle katholieke erfenis uit deze van oorsprong katholieke kerk gewist. Zijn graf is onbekend. De gids van deze kerk kent (bij navraag) zelfs zijn naam niet eens.
Hoewel Van Berchen onbekend blijkt, worden zijn opvattingen nog steeds gevolgd, ook door tegenwoordige historici, al durven ze zijn naam (als bron) niet meer te noemen. Immers hij was de 'uitvinder' van de fabel dat in Nijmegen het paleis van Karel de Grote stond met de naam Noviomagus.
Johannes Smetius (1590-1651).
Johannes Smetius was predikant van de St.Stevenskerk in Nijmegen. Smetius, geboren als Johannes Smith en ook bekend als Johannes Fabricius, was een Nijmeegse 'oudheidkundige' en bekend als verzamelaar van Romeinse oudheden en zijn studiën naar het Romeinse verleden van de stad Nijmegen. Afkomstig uit Aken heeft hij juist de geschiedenis van die stad 'gekopieerd' naar Nijmegen. Smetius en zijn familie na hem, hebben echter een enorme schanddaad gepleegd tegenover Nijmegen. Zij hebben de Romeinse voorwerpen en uiteraard interesseerden zij zich het meest voor fraaie stukken met karrevrachten aan het buitenland verkocht en zich verrijkt tot onschatbare schade van de Nederlandse archeologie. Tegenwoordige historici vermelden hem niet meer in hun literatuurlijst, aangezien zijn geschrijf niet meer serieus genomen wordt. Maar diezelfde historici -hoe bestaat het?- volgen nog wel steeds braaf de uitgangspunten van zijn fabelschrijverij. Lees meer over Johannes Smetius.


Hier staan de twee fabelogen naast elkaar: links kanunnik Willem van Berchem de 'uitvinder' van de fabel dat in Nijmegen het paleis van Karel de Grote stond, rechts dominee Johannes Smetius, de 'uitvinder' van de fabel dat Nijmegen het Oppidum Batavorum was. Zowel de Nijmeegse Romeinse als de Karolingische geschiedenis blijkt gebaseerd te zijn op denkbeelden van twee kerkgeleerden die ongetwijfeld een breed Christelijk geloof hebben gehad, maar van historische geografie niet veel geweten hebben.

Wat weten we uit andere teksten?

Op meerdere plaatsen in de kronieken van Willem van Berchen, waar hij zegt te putten uit andere schrijvers, kan worden aangetoond, dat hij mededelingen uit de tweede hand doet en dat hij de oorspronkelijke tekst, die hij zegt te citeren, niet onder ogen heeft gehad. Hij vermeldt bezoeken van Karel de Grote aan Nijmegen in 776, 804, 806 en 807 in bewoordingen, die aan de Frankische Annalen zijn ontleend en niet het minste spoor bevatten van een lokale historische dokumentatie. Deze berichten vat hij samen met de verwijzing, dat zij aan de kroniek van Gregorius van Tours zijn ontleend. Dit is ofwel een schrijffout, daar de berichten misschien afkomstig zijn uit een Chronicon Turonense (van Tours of Doornik), ofwel een blunder van de eerste orde, daar Gregorius van Tours in 594 overleden was en derhalve nooit over Karel de Grote kan hebben geschreven. In elk geval is weer duidelijk, dat hij ook hier gegevens uit Franse kronieken verkeerd leest en naar Nijmegen trekt, precies zoals Duitse historici later deden, waarmee wel is aangetoond dat zij er geen verstand van hadden. Die Duitse historici kwamen als eerste met een bisschop van Nijmegen op de proppen en de Nederlandse historici namen dat klakkeloos over in het Bronnenboek van Nijmegen. Zie daar.

De mythe van de Gertrudiskapel in Nijmegen.
In zijn Gelderse kroniek verhaalt Van Berchen 3), dat de eerste Nijmeegse parochiekerk ten tijde van de Pepijnen werd gesticht en aan St.-Gertrudis was toegewijd. Smetius en In de Betouw preciseerden dit gegeven nader op het jaar 692, doch op welke grond zij tot dit jaartal kwamen is niet te achterhalen.
Wat te denken van deze mededeling?
Het is allereerst opvallend, dat Van Berchen in geen van zijn andere kronieken, waarin hij toch verschillende Gelderse en Nijmeegse gegevens heeft opgenomen en herhaald, dit bericht over de St.Gertruduskerk vermeldt. Het blijft bij die eenmalige vermelding. De andere kronieken werden na de Gelderse geschreven. Hierin mag een teken worden gezien, dat de schrijver allerminst zeker was van dit gegeven en dat hij het later vermoedelijk heeft laten vallen. Bovendien heeft hij in de zin, waarin hij het feit vermeldt, een veelbetekenend tussenvoegsel geschreven; er staat immers: 'ut fertur', zoals 'verteld wordt'. Als Van Berchen dit tussenvoegsel gebruikt, betekent het altijd, dat hij zoals gezegd, ofwel uit de volksmond citeert. Hij spreekt er zich niet over uit, dat dit niet zijn eigen mening is, maar laat toch duidelijk doorschemeren, dat hij zich zulke bewering niet zonder meer eigen maakt; hij neemt er duidelijk afstand van. Dit spraakgebruik is in onze dagen nog hetzelfde gebleven; een historicus, die 'zoals verteld wordt' schrijft, wil een uitspraak van de volksmond niet volkomen negeren, maar drukt door die woorden voldoende uit, hoe hij kritisch over de zaak denkt.

Door deze overweging komt het gegeven van de St.-Gertrudiskerk al heel wankel te staan. Met nadruk moet ook vooropgesteld worden, dat het bestaan van een St.-Gertrudis-kerk uit geen andere bron blijkt; Van Berchen is de enige, die het vermeldt. Op zichzelf is dit feit niet voldoende om de mededeling van de schrijver te ontkennen. Een bericht van een kroniekschrijver kan evengoed waar zijn, ook als het niet door oorkonden of andere teksten wordt bevestigd. Doch als de schrijver kennelijk de volksmond citeert, en met grote waarschijnlijkheid kan worden aangetoond, dat de volksmond ten onrechte aan een bepaalde opvatting is gekomen, ligt de zaak anders.

Van veel betekenis is ook, dat Van Berchen de oorkonde uit 1254 heeft gekend en gebruikt! Deze oorkonde is vals (zie nota onder deze tekst) en door de schrijver niet als vals onderkent. Willem van Berchen heeft hij zich rond de eerste parochiekerk van Nijmegen een gang van zaken gedacht, die niet juist was. Hij heeft een beeld gegeven, dat door een valse tekst vertekend was. Onnodig te zeggen, dat de mededelingen van de Nijmeegse kroniekschrijver bij uitstek, speciaal zijn berichten over de bouw van de St.-Stevenskerk en wat daaraan voorafging, nooit betwijfeld zijn. Dit kon pas gebeuren, nadat de valsheid van een van zijn voornaamste bronnen was gebleken.

Er mag zelfs de principiele vraag worden gesteld: Was er wel, om het ruim te nemen, voor de 10e eeuw een kerk te Nijmegen? Die vraag zal ontkennend beantwoord moeten worden. Door de ophelderingen rond de zogenaamde karolingische palts is in de Nijmeegse geschiedenis van de vroege middeleeuwen een vacuum ontstaan, dat slechts mag worden aangevuld met positieve gegevens, waarover geen twijfel bestaat. Bestond de Nijmeegse kerk reeds voor de 12e eeuw, hoe is het dan te verklaren, dat dit niet blijkt uit enige bron, daar een kerk en haar bedienaren toch geen autonoom bestaan kunnen hebben gehad, maar hierarchisch met een bisdom of een andere kerk, waar dan ook, verbonden moeten zijn geweest? Zouden de eigen schriftelijke bronnen verloren zijn gegaan, dan moeten de memorie en het bestaan van de kerk toch in het bestuurlijk centrum bewaard zijn gebleven. En dit blijkt niet het geval. Nog scherper ligt de zaak, omdat er ook geen bron aanwezig is, waaruit het bestaan van een belangrijke menselijke nederzetting afgeleid kan worden. Het bestaan van een kerk wordt daarom dubbel problematisch.
Duidelijk is ook, dat het gegeven over de St.-Gertrudis-kerk, dat op zichzelf al zeer wankel is, enige waarschijnlijkheid of mogelijkheid ontleende aan de nabijheid van het karolingisch paleis. Het patronaat van een heilige dochter van de Pepijnen lag prachtig in een pieuze lijn van verwachting. Nu vastgesteld is, dat het paleis er niet is geweest, verliest de veronderstelde kerk haar voornaamste steun.
Het horen van de naam van St.-Gertrudis roept als vanzelf de gedachte op aan Nijvel. Daar immers had een vrome Pepijnse het klooster gesticht, waar St.-Gertrudis in geur van heiligheid leefde, stierf en begraven werd. En daar vinden wij mogelijk een deel van de oplossing van het raadsel van de St.-Gertrudiskerk. Bij een historische confrontatie tussen Nijmegen en Nijvel vallen namelijk enige belangwekkende bijzonderheden op. Van de strijd tussen de Welf en en Gibellijnen maakten tegen het einde van de 12e eeuw de hertogen van Brabant gebruik om een expansie-politiek te voeren. Hertog Hendrik van Brabant, schoonvader en krachtige steun van de Welf Otto IV, had de burcht van Nijmegen in bezit genomen en ook beslag gelegd op de koninklijke inkomsten van de abdij van Nijvel. In het begin van de 13e eeuw kwam er echter een omkeer, toen de aanhangers van Otto zich van hem afscheidden. Hendrik van Brabant bracht de Nijmeegse goederen in het Rijk terug en koning Philips beloofde hem hiervoor een schadeloosstelling. Van deze restitutie schijnt echter niet veel gekomen te zijn, want in 1283 verklaart koning Rudolf I, dat de aanspraken van Brabant wegens het terugbrengen van Nijmegen onder het Rijk geenszins vergeten zijn, doch nog gelden. Nijmegen en Nijvel worden in een adem genoemd en in eenzelfde gebeurtenis van politiek belang betrokken. Er heeft echter geen dieper verband bestaan tussen Nijmegen en Nijvel; hier hadden beide plaatsen slechts dit gemeen, dat zij van de keizer gekaapte objecten waren.

Doch er is meer, dat de band nauwer aanhaalt. De vestiging van verschillende geslachten uit Noord-Frankrijk en West-Belgie in de streken van Rijnland en Gelre, die omstreeks dezelfde tijd met name door de heren van Kleef, Gelre en Wassenberg geschied was, en de daarop volgende expansie, die waarschijnlijk door elkaar afbreuk doende vorsten werd toegelaten of gesteund, wijzen erop, dat er een intens verkeer heeft bestaan tussen onze streken en het land van Nijvel. Dit heeft niet ertoe geleid, dat St. Gertrudis als patrones van de Nijmeegse kerk werd uitgekozen; zo simpel hebben de zaken niet gelegen. Wel is daardoor een opmerkelijke cultuur-historische betrekking tussen Nijvel en Nijmegen ontstaan, die de toeschrijving van het patronaat van de parochiekerk aan St.-Gertrudis verklaarbaar maakt.

Ruim 100 jaar geleden wees een historicus op de kunsthistorische bijzonderheid omtrent de rondbouw, die een relatie tussen de abdijkerk van Nijvel en de St.-Nicolaas-kapel van Nijmegen aannemelijk maakt. Deze mededeling heeft zo goed als geen aandacht gevonden en is onder het tapijt geveegd ter behoud van de mythe. Toch is het niet onmogelijk, in verband met de historische gegevens is het zelfs zeer verklaarbaar, dat de vorm en andere kenmerken van de St.-Nicolaas-kapel via Nijvel in Nijmegen zijn terecht gekomen. De opvatting, dat de St.-Nicolaaas-kapel haar grondvorm te danken zou hebben aan het Akense Munster, dat op zijn beurt op Ravenna geïnspireerd zou zijn, is ook, af gezien van een andere afkomstlijn, reeds lang als niet meer houdbaar beschouwd.

Dit weerspreekt de opvatting niet, dat bij een eventuele verbouwing op een later tijdstip de nieuwe vormgeving van de St.-Nicolaas-kapel geïnspireerd is op het Akense Munster. Het blijkt een zoveelste Nijmeegde mythe te zijn.


Nota: De valse oorkonde van 1254.
Op 4 november 1249 verkreeg graaf Otto van Gelre van de aartsbisschop van Keulen verlof, om de Nijmeegse parochiekerk te verplaatsen en een nieuwe kerk te bouwen. In een akte van juni 1254 geven Otto van Gelre, de rechter, schepenen en burgers van Nijmegen de Hundisberg aan het kapittel te Keulen.
Deze plaats, zo zegt de oorkonde, was met toestemming van koning Willem voor de nieuwe kerk uitgekozen. De St.-Apostelenkerk bezat van oudsher het patronaatsrecht over de Nijmeegse kerk en had er dus zekere rechten op. Ook werd een nieuw erf beschikbaar gesteld om het oude te vervangen, waar de plebaan gewoond had, dat door de nieuwe gracht verdwenen was. Dit is de summiere inhoud van de oorkonde. Zij is vals.

De aanhef van de oorkonde luidt: „Otto, graaf van Gelre, de rechter der stad Nijmegen, de schepenen en de overige burgers aldaar” en bevat enige merkwaardigheden.
  • De term „rechter der stad Nijmegen” is voor die tijd zeer ongebruikelijk; hij staat in geen enkele andere oorkonde van lang vσσr en lang na 1254 en is foutief, zeker rond het midden van de 13e eeuw. Deze term moet uit een veel latere tijd dan 1254 stammen; de samensteller van de oorkonde heeft een eigentijdse toestand teruggeplaatst naar een tijd, toen deze nog niet kon gelden.
  • Een nog sterkere aanwijzing ligt in de woorden „en de overige burgers aldaar” . Het is niet aan te nemen, dat reeds rond het midden van de 13e eeuw de burgers of de gemeente partij zijn geweest in een rechtshandeling van de graaf, zeker niet omdat de stad in 1247 verpand was. Nu komen de woorden „ceterique cives ibidem — de overige burgers aldaar” ook in andere oorkonden voor. Maar er is een fundamenteel verschil tussen de onderhavige oorkonde en de andere teksten. In alle andere gevallen gaat het slechts om een gerechtelijke verklaring; de rechter, schepenen en overige burgers verklaren, dat dit , of dat geschied is.
  • Duidelijk is ook, dat hier de term „ceterique cives” niet vertaald kan worden met „en de overige burgers”, maar gewoon met „en andere burgers”, die toevallig of opzettelijk getuigen waren bij het passeren van een akte en dikwijls aan het einde van de oorkonde met name zijn genoemd. Doch bij de oorkonde van 1254 nemen „de overige burgers” gelijkelijk deel aan een rechtshandeling; de gemeente treedt gelijkberechtigd op naast de graaf, de rechter en de schepenen en dit was in 1254 niet mogelijk, immers de stad was sinds 1247 verpand. De falsaris heeft deze woorden waarschijnlijk uit een oorkonde overgenomen en zich vergaloppered door er zich geen rekenschap van te geven, dat hij een getuigenformule nam voor een handelingsformule.
  • Naast deze bezwaren tegen de vorm staan nog meer bezwaren tegen de inhoud. Speciaal ten aanzien van de bouw van de St.-Stevenskerk geeft de akte onbevredigende aanduidingen, die zich zelfs onderling tegenspreken. Uit de oorkonde van 1249 blijkt, dat de aartsbisschop van Keulen verlof heeft gegeven om de parochiekerk van Nijmegen te verplaatsen. In die brief wordt niet gerept over de rechten van de Apostelen-kerk van Keulen, noch over de verpanding uit 1247.
  • Vijf jaren later (in 1254) worden, als het ware ter elfder ure, enige fundamentele zaken aangevat, die minstens geregeld hadden moeten zijn voordat met de bouw van de nieuwe kerk werd begonnen. De oorkonde van 1254 laat duidelijk doorschemeren, dat de uitbreidingen van de verdedigingswerken van het Valkhof, waardoor de verplaatsing van de parochiekerk noodzakelijk was geworden, reeds begonnen of voltooid waren; het erf van de plebaan was tenminste reeds door de aanleg van de nieuwe gracht verdwenen. Zou de Apostelen-kerk het zonder protest zover hebben laten komen, daar haar toch het voornemen van Otto van Gelre in 1249 bekend moet zijn geweest?
  • Bij de motivering voor de afstand van de grond aan de St-Apostelen-kerk valt het veelvoud van argumenten op.
    1. Eerst wordt de Hundisberg afgestaan, omdat de Keulse kerk het patronaat over de Nijmeegse kerk bezit. Op de keper beschouwd, een vreemd argument.
    2. Ten tweede wordt diezelfde grond gegeven omdat het vroegere kerkbezit verdwenen was. Hier ligt een tendens er te dik op. Men ontkomt niet aan de indruk, dat er achteraf motieven zijn geschapen om een bepaald doel te bereiken. Deze opzet is overigens niet gelukt.
    3. Het patronaatsrecht over de Nijmeegse kerk heeft voor de Apostelenkerk nimmer het reële en materiële bezit van die kerk ingehouden; evenmin heeft het Keulse kapittel ooit enige zakelijke rechten op de plaats van de kerk of de omgeving laten gelden. Het tegendeel blijkt zelfs: het kerkgebouw en de plaats van de kerk zijn altijd als zuiver en onvermengd bezit van de stad beschouwd. Deze historische onjuistheid stelt de valsheid van de oorkonde duidelijk in het licht.
    4. Er wordt ook nergens gesproken over de verpanding van de burcht en de stad die in 1247 plaats had gevonden.
  • De oorkonde vermeldt, dat de graaf en de stad voor de bouw van de nieuwe kerk een vrije plaats beschikbaar hebben gesteld, met verlof van koning Willem. In zijn Gelderse kroniek vult Van Berchen dit gegeven aan met de mededeling, dat de koning heer van deze grond was. De graaf en het stadsbestuur doen gemeenschappelijk een schenking; deze veronderstelt gemeenschappelijk bezit of minstens machtiging tot beschikking. Tot op zekere hoogte kan de mededeling van de oorkonde aanvaard worden. De Hundisberg lag buiten het stadsgebied en behoorde dus tot het Rijk van Nijmegen, dat in 1247 met de burcht aan Gelre was verpand. Het blijvend afstaan van een deel van dit gebied, in casu voor de bouw van een kerk, was wel degelijk aan de toestemming van de koning onderworpen.
  • Binnen de stad had de graaf van Gelre nog generlei jurisdictie of macht; de verpanding strekte zich nog niet over Nijmegen uit. De valse oorkonde is opgemaakt in een tijd, dat de Hundisberg in de zich steeds uitbreidende ommuring van de stad opgenomen was. Zo is te verklaren, dat de opmaker van de oorkonde de Hundisberg binnen de stad plaatst, dat in zijn tijd ook zo was! Echter niet in 1254! Men kan zich bovendien afvragen, of dit detail in een authentieke en eigentijdse oorkonde tot uitdrukking zou zijn gekomen. Dat het hier zo nadrukkelijk ter sprake wordt gebracht, wijst op een bedoeling.
    Het gif zit in de staart!
  • Aan het einde van de oorkonde staat een laconieke zin, waarin de graaf en de schepenen verklaren, dat zij voor de bouw van de nieuwe kerk geen geld van de St.-Apostelen zullen vragen. Hier treedt de misleiding al te duidelijk naar voren; de St.-Apostelenkerk eist geweldige rechten op, gebaseerd op haar patronaat en haar beweerde eigendom van de grond, en wijst elke medewerking aan de bouw van de kerk bij voorbaat af. Als men de oorkonde in haar juiste tijd van ontstaan ziet — vermoedelijk de 14e eeuw, misschien nog later — dan wordt ook deze bedoeling duidelijk: de St.-Apostelen eist rechten op en excuseert zich bij voorbaat tegen het verwijt, dat zij geen cent aan de bouw van de kerk heeft bijgedragen. Het is evident, dat dit een bewering „a posteriori” is.
  • De oorkonde van 1254 werd geruime tijd later opgemaakt, om sommige vergeten of in onbruik geraakte rechten van Keulen veilig te stellen. Ook is mogelijk, dat het stuk opgemaakt werd om vermeende rechten te ondersteunen. Het lag voor de hand, dat teruggegrepen moest worden op een tijdstip, waar de regeling van deze zaken redelijkerwijs paste of waar het de tegenpartij moeilijk zou zijn af doende tegenbewijzen te stellen.
  • Meerdere zaken wijzen erop, dat er een tijd is geweest dat Keulen zijn rechten te Nijmegen min of meer heeft laten verlopen. Bij de zaken van de tienden bijvoorbeeld blijkt dit in het begin van de 14e eeuw heel duidelijk. Als het tenminste niet nog erger is geweest, namelijk dat de St.-Apostelen-kerk haar zogenaamde oudere rechten te Nijmegen ontleende aan een vrij jonge traditie, die met valse anti-dateringen werd gesteund.
  • Door de bouw van een nieuwe kerk kon zelfs de juridisch spitse kwestie ontstaan, of de rechten van Keulen wel op de nieuwe kerk waren overgegaan.

    De valsheid van deze oorkonde roept een redelijke twijfel op aan opvattingen, die uit haar mededelingen zijn gededuceerd.
    Allereerst aan het feit, dat de eerste parochiekerk van Nijmegen, die volgens Van Berchen aan St.-Gertrudis was toegewijd, is afgebroken. Uit de oorkonde van het jaar 1249 blijkt wel, dat de graaf van Gelre het voornemen had de parochiekerk af te breken en te verplaatsen. Op grond van de akte van 1254 is aangenomen, dat dit voornemen, speciaal de afbraak van de kerk, ook uitgevoerd is. Nu de valsheid van de oorkonde is aangetoond, moet deze konklusie vervallen.

    Wat hiernaast opvalt is dat Utrecht in dit hele verhaal ontbreekt. In 1254 en later viel Nijmegen nog steeds onder het aartsbisdom Keulen.


    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.