De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Continue discontinuïteit van Utrecht: Jaarboek Oud-Utrecht 1999.







De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is de Betuwe ook niet het land van de Bataven en is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!

De visie van Albert Delahaye.
Het 'gat' van Nijmegen is een bekend fenomeen, maar heeft ook bestaan in Utrecht, Heerlen en in verschillende andere plaatsen in Nederland met een Romeins verleden. Rond 260/270 hebben de Romeinen hun verblijf in Nederland opgegeven vanwege de toenemde wateroverlast. Die overlast heeft hen vanaf het begin parten gespeeld, wat wel blijkt uit de vele voorzieningen die ze getroffen hebben om enigszins droge voeten te houden. Vele kadewerken, knuppelpaden en (af)gezonken schepen zijn daar nog de stille getuigen van. Uiteindelijk werd die overlast in dit sompige oerassige gebied hen teveel dat ze zijn vertrokken. Niet alleen de Romeinen vertrokken, maar ook de aanwezige bewoners van deze sompige streken. De tussen de 4de en 9de eeuw gevonden graven en schaarse sporen (scherven, munten) worden buitenproportioneel opgeblazen en flink overdreven om er vooral mee aan te tonen wat er juist niet gevonden wordt: nederzettingen.



St.Willibrord in Utrecht?
De traditionalist prof. dr. A.G. Weiler schreef in 1989 tandenknarsend: «Helaas zijn bij opgravingen [in Utrecht] geen resten uit Willibrords tijd gevonden.»
De vraag of er sprake was in enige continuïteit in bewoning in Utrecht wordt hieronder besproken.
Bestond Utrecht wel in de tijd van St.Willibord?
De Romeinse lagen worden afgedekt door een gele, okerachtige, kleilaag. Boven in het aangegeven kleipakket beginnen de 10de-eeuwse en latere sporen. Het gemis aan archeologische vondsten wordt verklaard met 'dat alles is weggespoeld'. Utrecht wordt pas in 1186 voor het eerst in een oorkonde genoemd.


Wat weten we uit de klassieke teksten?

In Continue discontinuïteit wordt de traditionalistische interpretatie van de teksten weliswaar voor zoete koek geslikt, maar door de archeologie wordt vastgesteld dat deze hele periode tussen de Romeinse tij en de 10de eeuw leeg is. Er zijn wel vondsten uit de verschillende perioden bekend, maar deze bevinden zich op steeds andere plaatsen, met andere woorden : zowel in plaats als in tijd bestaat er geen aantoonbare continuïteit in de stad Utrecht. Met vondsten uit Leidsche Rijn bewijs je immers niets voor de binnenstad van Utrecht!


Hier wordt nog verder aan gewerkt.

Cees van Rooijen hoeft de resultaten van de opgravingen niet te verwerpen en dat deed hij ook niet; hij verbond er slechts andere conclusies aan; het is Tariq Hoekstra zélf die de resultaten verwerpt, want hij moet zich beroepen op wat er niet is gevonden;
  • Er bestaat geen enkel methodisch bezwaar tegen pogingen om de opvattingen van Albert Delahaye aan de hand van empirisch bewijsmateriaal te weerleggen maar Tariq Hoekstra staat niet bekend als een oudgediende op dit gebied;
  • Cees van Rooijen geeft er in zijn artikel uitdrukkelijk blijk van, hoewel het buiten zijn vakgebied lag en hij er beroepshalve dus geen boodschap aan had, de traditionalistische tekst-interpretatie tot de zijne te hebben gemaakt en hij geeft die ook uitvoerig weer.

    Dan kunnen traditionalistische historici roepen wat ze willen, maar als de klassieke teksten of de archeologie hen tegenspreekt, houdt toch alles op!




  • Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.