De lekenabten van de abdij van Eperlecques
In 775 beginnen plotseling vreemde figuren als abt van Eperlecques te verschijnen, wat vanzelfsprekend een feit van het hoogste belang is. Adalbertus is vermoedelijk ook zo’n figuur van buiten de kloostergemeenschap, maar omdat over hem niets naders bekend is, kan dit in zijn geval niet bewezen worden. Zie de tabel van de lekenabten.
Het verschijnsel van abten, die niet tot de monniken van Eperlecques behoorden, zou men kunnen uitleggen als een teken, dat in de schoot van het klooster geen capabele man gevonden kon worden om dit ambt te vervullen of, omdat blijkt dat deze figuren hooggeplaatste personen waren, dat de abdij zich onder hun gezag en bescherming had gesteld. Beide veronderstellingen zijn onjuist. Het is integendeel een feit, dat de abdij van Eperlecques in 775 (misschien al vroeger) door Karel de Grote gelaïciseerd is, wat betekent dat zij als een koningsgoed beschouwd werd en als beneficie of leen aan een gunsteling geschonken werd, die de inkomsten van het klooster als de zijne mocht beschouwen. Men noemt dit het instituut van de lekenabten omdat leken die niet gewijd en niet door de kloostergeloften gebonden waren, als abt optraden en vanzelfsprekend niet of maar hoogstzelden in het klooster resideerden en dan alleen om er hun inkomsten te innen of wanneer zich belangrijke zaken voordeden waarbij hun aanwezigheid vereist was. Er is reeds opgemerkt dat de situatie vóór 775 onduidelijk is. Indien de benedictijnen vóór dat jaar het klooster verlaten hebben, waar het wel naar uitziet, is er niet eens sprake geweest van een laïcisering, daar in dat geval het klooster en de bezittingen ervan automatisch aan de koning terugvielen. Dit werd soms in stichtingsakten gestipuleerd (zie over Suestra). Eigenlijk was het overbodig, daar het een regel van algemeen recht was.

Aan dit instituut van lekenabten is menige grote abdij ten onder gegaan, omdat de lekenabten voornamelijk op eigen verrijking uit waren en in sommige gevallen uit motieven van opportunisme of wraak zelfs welbewust de ruïnering van een klooster beraamd en in de hand gewerkt hebben. De laïcisering van Eperlecques kan men natuurlijk niet los zien van de strijd van Karel de Grote tegen de Saksen van deze hoek, welke strijd ook in de jaren 770 tot 775 zijn hoogtepunt bereikt. Het blijkt ook uit de andere, reeds gereleveerde feiten, dat Karel de Grote niet veel ophad met het bisdom Tournehem, dat hij insloot met andere door hem benoemde bisschoppen, een politiek die zijn opvolgers even duidelijk hebben gevolgd. Het ljdt dan ook niet veel twijfel dat de benedictijnen in 775 definitief uit Eperlecques en Tournehem verdwenen waren. Zo zij al niet het consigne gekregen hadden om op te stappen, zijn zij uit zichzelf toch vertrokken wegens de langdurige oorlogen en slachtpartijen ter plaatse. Waarschijnlijk behoeft men niet eens te denken aan een opzettelijke verwijdering van de benedictijnen; zij zijn uitgestorven doordat er geen nieuwe aanvoer van kloosterlingen uit Engeland kwam en de zending meer en meer door inheemse priesters werd overgenomen. Wanneer zo’n inheemse priester als Ludger aan het werk gaat en in 793 een klooster sticht te Werethina bij Calais, heeft men een bewijs temeer dat de abdij van Eperlecques niet meer als zodanig functioneerde.

Ten aanzien van haar moet men van lekenabten blijven spreken, ook al komen er bisschoppen en aartsbisschoppen in de lijst voor, daar deze op een wereldlijk motief de abdij kregen en niet uit hoofde van hun kerkelijk ambt. Eperlecques was onder het bestuur van St. Willibrord en de eerste tijd na hem een betrekkelijk welvarend klooster geworden met een uitgestrekt areaal van dorpen, landbezit, molens, wijngaarden, andere bezittingen en rechten, die waarschijnlijk een behoorlijk jaarlijks rendement opbrachten. Bij de laïcisering werd dit complex intact gelaten; het nieuwe instituut als bezit van de koning garandeerde dat het bij elkaar bleef en dat het centraal beheerd werd. Ten overvloede werd het door koninklijke oorkonden beschermd. Het ligt voor de hand dat het klooster Aefternacum bleef heten, niet alleen omdat het complex als zodanig was ontstaan, maar ook kennelijk met de bedoeling het zo te doen voortbestaan. Het was stevig gebouwd op de traditie en verering van St. Willibrord, wat blijkt uit de latere en soms aanzienlijke schenkingen die verschillende personen deden aan “de kerk of het klooster van St. Willibrord”. Geheel aannemelijk is dat de abdij en de kloosterkerk nog een tijdlang zijn blijven bestaan, omdat zij nog dienden als centrum voor het beheer van de bezittingen maar ook als doel voor de goedgeefsheid van de gelovigen. Men vergete niet dat St. Willibrord er begraven lag, wat dan ook in ruim 60 schenkingsakten met nadruk wordt vermeld. De vervalser Theoderich, die met voldoening zag dat dit zo dikwijls in de akten stond en die natuurlijk aan Echtemach dacht, heeft dit gelukkig laten staan en nolens volens een 60-tal bewijzen laten passeren dat het corpus van St. Willibrord te Echternach vals was.

Men behoeft het niet als een ongehoord iets te beschouwen dat de abdij van Eperlecques kort na St.Willibrord haar instituut van klooster verloren heeft en terugviel tot de staat van een goederen-complex dat voortleefde op zijn oude titel. Immers, dit blijkt reeds uit een eerste oppervlakkig overzicht van de oorkonden van Eperlecques. In de eerste akten ten tijde van St. Willibrord is sprake van kerken, die de abdij verwierf of die haar geschonken werden, waaruit te zien is dat bisdom en abdij samen aan een expansie bezig waren en samen in het heidens gebied doordrongen, waarbij het niet veel verschil maakte of het bisdom dan wel de abdij ergens een voet aan de grond kreeg omdat die toch in één hand waren. In de latere oorkonden van Eperlecques echter zien we nergens meer een spoor van een parochie, van een intrede van kloosterlingen, van een kloosterlijk leven of een optreden naar buiten. Alles uit de akten is even burgerlijk en wereldlijk; het gaat alleen over goederen en het beheer daarvan, waarbij relaties met kloosterlijk leven of zielzorg onvermeld blijven. Men moet zich natuurlijk niet laten misleiden door de latere vervalsingen van Echternach, waar men ook deze zaken radicaal omkeerde door, wanneer in een akte over een klein grondbezit in een bepaalde plaats wordt gesproken, daaruit maar te distilleren dat de abdij er de kerk bezat. Dat hebben de vervalsers slag op slag gepresteerd; en omdat ze ook slag op slag de verkeerde plaats voor ogen hadden, hebben ze het inzicht in de oorkonden totaal vertroebeld. Een andere aanwijzing voor de laïcisering van Eperlecques is daarin gelegen dat schenkingen meer en meer worden gedaan in de vorm van vruchtgebruik, wat betekent dat de goederen pas na de dood van de schenker in het bezit van Eperlecques kwamen. De eerste akte van zulk vruchtgebruik is uit 784 en wordt door vele soortgelijke gevolgd. Het wijst ook op een zakelijk een wereldlijk beheer, waarbij over kerkelijke of kloosterlijke doeleinden niets in de boeken verschijnt. Dit beheer werd ten slotte geïnstitutionaliseerd in de figuur van de lekenabt. Zoals we zien, treft men onder lekenabten naast leken ook menige bisschop aan. In de samenstelling “leken-abt” heeft het “leken-” dan ook geen betrekking op de hoedanigheid van de persoon, doch op het louter wereldse karakter van de functie waarom het gaat.

De eerste lekenabt is Beornrad geweest, bisschop en later aartsbisschop van Sens, die in 775 voor het eerst optrad en tot ca. 797 de abdij in bezit heeft gehad (zie de Tabel in de linker kolom). Hij was een vertrouweling van Karel de Grote, ontving ook het pallium, een bijzonder door de paus verleend ereteken voor aartsbisschoppen. Met hem begint een hele serie van lekenabten, die vanaf 775 tot 973 de abdij in bezit hebben gehad.

Na hem trad in 797 een zekere Ado als abt op, die volgens enige gegevens 20 jaar het ambt bezette, wat klopt omdat hij tussen 801 en 818 met name in de oorkonden van Eperlecques voorkomt. De volgende lekenabt was Sigoaldus, bisschop van Spoleto in Italië, die tussen 818 en 828 de titularis van Eperlecques is geweest. In dezelfde tijd heeft hij het klooster van Monte Santa Maria bij Fara in de Kerkelijke Staat in bezit gehad daar dit, een opeenstapeling van betrekkingen en verschillende bronnen van inkomsten, een onvermijdelijk volgend misbruik was. Hij was een vertrouweling van keizer Lodewijk de Vrome. Zijn opvolger Theotgaudus was aartsbisschop van Trier, later aartskapelaan van Lodewijk de Duitser, tevens lekenabt van Weissenburg en Sankt Gallen. Hij heeft Eperlecques in bezit gehad tussen 828 en 832. De abdij ging hierna naar Hatto, bisschop van Verdun en gunsteling van Lotharius I. Hij bezette het ambt gedurende zes jaar tussen 832 en 838. De daarop volgende Hieronymus, die tien jaar de baten van Eperlecques opstreek tussen 838 en 848, was vermoedelijk de man die Hincmar van Reims vermeldt als graaf en wapendrager van koning Karel de Kale. Adelhard I, een overbekende en machtige figuur, heeft zeven jaar als lekenabt gefungeerd tussen 848 en 856. Hij was maarschalk van het rijk, de voornaamste raadsheer en steun van Karel de Kale, en is in feite de grondlegger geweest van het rijk van West-Francië. Daarna verbleef hij meestal aan het hof van Lotharius II. Hij wist de ene na de andere abdij in bezit te krijgen: St. Maximinus van Trier, Stavelot, St. Vaast van Atrecht en Lorsch. Daarna is Hetto of Hettinus, bisschop van Trier, tussen 856 en 864 leenman van Eperlecques geweest. Graaf Reinard, vermoedelijk een gunsteling van Karel de Kale, was de opvolger tussen 864 en 870. Zijn aftreden in 870 houdt verband met de rijksverdeling van dat jaar, waardoor op tal van terreinen ingrijpende veranderingen volgden en wat naast andere factoren bewerkt heeft dat van lieverlede meer en meer oostelijke figuren als lekenabten van Eperlecques optreden. Eerst nog kreeg Karloman de abdij, de ongelukkige en gebrekkige zoon van Karel de Kale. Hij was door zijn vader voorbestemd geweest voor een hoog geestelijk ambt en had de diaken-wijding al ontvangen, maar vol ambitie om een wereldlijke rol te spelen in het rijk, voelde hij niets voor de geestelijke stand. In 873 kwam hij tegen zijn vader in opstand, wat op een drama uitdraaide. Zijn getrouwen en aanhangers werden streng gestraft. Karloman werd ter dood veroordeeld maar door zijn vader begenadigd; wel werden hem de ogen uitgestoken, over welke afschuwelijke straf de kronieken hun afkeuring uitspreken. Karloman is in 878 gestorven en volgens Regino van Prüm te Eperlecques begraven.

Verschillende gegevens wijzen erop dat hij met woeste hand in de abdij en met de bezittingen van het klooster heeft huisgehouden, zodat het aanzien en het bezit van Eperlecques ernstig achteruitgingen. Wampach, de Luxemburgse schrijver over Echtemach, blijft dan amechtige pogingen doen om bij herhaling te benadrukken dat Echtemach ondanks dit alles tóch nog het klooster van St.Willibrord bleef. De man heeft niets van de juiste situatie begrepen. Adelhard II, graaf van Metz, aanhanger en handlanger van Karloman, volgde hem in 878 als lekenabt op. Hij was een van de machtigste Lotharingse heren en had zich o.a. verdienstelijk gemaakt in de strijd tegen de Noormannen. Hij is tot 898 in het bezit van het klooster gebleven. Graaf Robert, een aanhanger van koning Hugo van Frankrijk, werd in 898 lekenabt. Hij was een broer van graaf Megingaud, die een belangrijke rol in Lotharingen speelde en in menig opzicht de spil vormde in de politiek tussen Lodewijk de Duitser en Karel de Kale. Deze Megingaud werd in 892 vermoord, wat de tegenstellingen in Lotharingen tot het kookpunt bracht. Robert nam wraak, onder andere door zich met geweld meester te maken van verschillende kerkelijke bezittingen. Hier kloppen de gegevens van Echternach over de opeenvolgende kerkelijke bezittingen niet meer, wat vermoedelijk daaraan moet worden toegeschreven dat de abdij betwist werd en twee personen zich daar opwierpen als lekenabt. Volgens sommige gegevens is Robert tussen 898 en 901 lekenabt geweest, terwijl Radboud, die als zijn opvolger bekend staat, tussen 893 en 897 de abdij in bezit heeft gehad. Deze Radboud, aartsbisschop van Trier, handlanger en eerste kanselier van koning Zwentibold, verloor in 897 zijn positie en de steun van de koning, toen hij deze niet wilde volgen in zijn vertwijfelde aanval op de Lotharingse rijksgroten. Hij verloor meteen ook de abdij van Eperlecques. Toen koning Zwentibold in 900 was vermoord, heeft koning Arnulf zich over Radboud ontfermd en toegelaten dat hij bisschop van Toumehem werd. Het schijnt meer een toelaten te zijn geweest dan een eigen beschikking van de koning. Dan maakt de historie een van haar ironische grapjes en beschikt het zo, dat de lekenabt van Eperlecques, dat allang niet meer als klooster bestond, terugkeert naar de zetel van St. Willibrord, waar hij als laatste bisschop van Tournehem omstreeks 915 is overleden, alsof vrouwe Cho bij de laatste ook de dubbele functie van de eerste heeft willen hernemen en accentueren: bisschop en abt. Vanaf 897 fungeerde als lekenabt Reginar Langhals, hertog van Lotharingen, die zich verschillende abdijen toe-eigende: St. Maximinus van Trier, Stavelot en zelfs de St. Servaasabdij van Maastricht en waarschijnlijk heeft hij ook Eperlecques met geweld genomen. Hij is 19 jaar in het bezit van Eperlecques gebleven tot ca. 916. Zijn opvolger Berengaud is volgens gegevens van Echternach 20 jaar in het bezit van de abdij gebleven, derhalve tot ca. 936 en men vermoedt dat hij tevoren reeds als proost van Reginar Langhals aldaar heeft gediend. Graaf Giselbert, zoon van Reginar I, was gedurende 24 jaar lekenabt, dus van ca. 936 tot 960. Daarna zijn Herman van Schwaben en Siegfried, graaf van Luxemburg, in het bezit van Eperlecques geweest. Het is deze laatste die bewerkt heeft dat, in plaats van de abdij die door St. Willibrord in Eperlecques was gesticht en reeds bijna twee eeuwen haar kloosterlijke bestemming verloren had, te Echtemach een abdij met dezelfde kloosterlijke bestemming werd geopend.