| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
![]() Echternach ligt niet ver van Utrecht, maar Utrecht ligt te ver van Echternach! Het klooster van Epternacum lag "buiten de muren" van Trajectum. Dat veronderstelt een nabijgelegen klooster. De opvatting dat het hier om het bisdom Utrecht en het klooster van Echternach zou gaan is een heel erg vastgeroeste mythe. Welke pastoor bouwt zijn pastorie op 300 km van zijn kerk? De afstand tussen Tournehem (=Trajectum) en Eperlecques (=Epternacum) in Frans-Vlaanderen is slechts een enkele kilometer. Dat is in tien minuten te lopen, wat St.Ludger ook doet als hij elke nacht vanuit het klooster in de kerk van Trajectum gaat bidden. Zie bij St.Ludger. ![]() De bisdommen aaneengesmeed door de mythe van Echternach. Klik op de afbeelding voor een vergroting. ![]() Afbeelding van de jonge St.Willibrord in 'het Gouden Boek' van Echternach. Het klooster van Echternach is pas in 973 gesticht. Dat is bijna twee-en-een halve eeuw na St.Willibrord en sluit volledig uit dat het om het oude klooster van St.Willibrord zou gaan. Het klooster in Echternach had een voorganger in Berg, toegewijd aan St.Petrus. Dit klooster werd genoemd in 858, toen het aan bisschop Hunger van Trajectum werd toegewezen door Lotharius II. ((Tekst 78 en 94 in: Ontspoorde Historie). In Echternach heeft men valse relieken die helemaal niet van St.Willibrord zijn, zelfs niet kunnen zijn. Degene die anders beweert moet maar eens met bewijzen van zijn gelijk komen. De bewijzen van het grote ongelijk vind je hiernaast. Er bestaan van St.Willibrord 36 oorspronkelijke (klassieke) levensbeschrijvingen (vitae) afkomstig uit Frankrijk (de oudste), België, Luxemburg of Duitsland. Geen enkele is afkomstig uit Nederland. De eerste Hollandse schrijver die over St.Willibrord schrijft, was Melis Stoke tussen 1289 en 1305. Wat zijn naam, bevolking, streeknaam, plaatsnamen en zelfs riviernamen betreft, zijn het Nederlandse Friesland, Groningen en West-Friesland in Noord-Holland de vrucht van een migratie uit Frans Vlaanderen. De opvattingen over de goederen van de abdij van Echternach in de Friese landen zijn ontstaan door een aantal misverstanden in de 16e eeuw. Zie daarover de Friese goederen van Echternach. Hetzelfde probleem doet zich ook voor ten aanzien van de kerken en goederen van St.Willibrord in Noord-Brabant. ![]() Graftombe van St.Willibrord in Echternach. ![]() ![]()
|
De abdij van St. Willibrord, volgens de gegevens dichtbij zijn bisschopezetel gelegen, wat trouwens voor de hand ligt, bevond zich te Eperlecques, op korte afstand van Tournehem. De plaats heette oorspronkelijk Nitfterlaca, daarna Aefterlacum. Het klooster moest in 857 voor de Noormannen uitwijken naar Luxemburg, waar het zijn intrek nam in een bestaand klooster te Berg aan de Sura. De Benedictijnen van Aefterlacum namen de naam van hun klooster mee, en ook de traditie dat de abdij door St.Willibrord was gesticht; de naan is er verduitst tot Echternach. Na het vertrek van de Noormannen is de abdij niet naar haar eerste streek teruggekeerd. Dezelfde gang van zaken heeft zich voorgedaan met het klooster van Suestra, dat eerst te Souastre (nu Zouafques) bestond en naar Susteren (Ned.Limb.) vluchtte, waar dezelfde naam werd aangehouden. Ook de kloosterlingen van de kloosters Werethina en Cobeia vluchtten naar het oosten en werden gedoubleerd tot Werden en Corvye. Bij de Luxemburgse schrijver Wampach, uitgever van de oorkonden van Echternach, vindt men méér ongedetermineerde dan opgeloste plaatsen, de laatste vrijwel allemaal die van de mythen. Wampach blijft ook amechtige pogingen doen om bij herhaling te benadrukken dat Echternach ondanks alles tóch het klooster van St.Willibrord was. De man heeft niets van de juiste situatie begrepen en alle historici hebben de opvattingen van deze 'autoriteit' braaf gevolgd. We geven hier enkele akten en jaartallen over Adelbertus, die altijd onjuist in Egmond geplaatst wordt, waaruit blijkt dat Epternacum niet het Luxemburgse Echternach was. In deze akte wordt het patronaat van St. Petrus genoemd dat van Berg aan de Sauer was. Dat patronaat heeft Echtemach na 973 overgenomen. St. Willibrord werd op dat tijdstip nog niet als heilige vereerd, zodat hij nog geen kerkpatroon kan zijn geweest. De tekst is wat dat betreft correct, waarin hij "belijder" wordt genoemd. De plaatsnamen uit de oudste charters van de abdij van Epternacum/Aefternacum en uit de levens van de heiligen bewijzen van de ene kant, dat de oudste goederen van de abdij in Frankrijk en VIaanderen lagen, van de andere kant dat later een totaal onjuist beeld van St.Willibrord is ontstaan, toen die goederen over een groot gebied van West-Europa werden teruggezocht, en men de juiste en oorspronkelijke plaatsen niet meer kende. Dat hier en daar op grond van de vergissingen reële rechten en bezittingen van de abdij van Echternach ontstonden, is in het geheel niet vreemd, daar een gedetailleerd onderzoek van die rechten en bezittingen juist aantoont, dat zij pas ná de 12e eeuw zijn ontstaan en zij in geen enkel geval tot St.Willibrord zijn terug te voeren. Toen immers begon de abdij van Echternach op grond van een oude en niet altijd heldere dokumentatie aan het terugvinden en claimen van de vroegere kerken en goederen van St.Willibrord. Daarbij werd geen moment aan de juiste streek van het oude Frisia, Vlaanderen gedacht, maar werd de blik gericht op het Nederlandse Holland, Friesland en op Utrecht, dat inmiddels zijn latinisatie Trajectum gekregen had. Door haar claims in Holland, Zeeland en Brabant heeft de abdij van Echternach de stoot gegeven aan de Nederlandse traditie van St.Willibrord, die er vóór de 12e eeuw niet bestaan heeft. Ofschoon de abdij lichtvaardig geïnterpreteerd heeft, waaraan een bepaalde hebzucht niet vreemd zal zijn geweest, mag haar waarschijnlijk geen opzettelijk bedrog worden aangewreven. Men wist niet beter, net zoals de tegenwoordige historici die aan deze tradities vasthouden, ook niet beter weten. De bronnen met betrekking tot het Friese goed van Echternach zijn uiterst schaars: één oorkonde, één zijdelingse vermelding in het Utrechtse goederenregister en één summier kerkenlijstje. Om de weinige contemporaine gegevens een institutionele en geografische achtergrond te geven moet daarom een beroep worden gedaan op latere gegevens met een zekere zeggingskracht voor eerdere tijd, zoals kerkpatrocinia, patronaatsrechten, parochiegrenzen en de ligging van geestelijke goederen. Omdat rond de persoon van Willibrord in de late Middeleeuwen een uitgebreide fictie is ontstaan, die tot doel had de zogenaamde 'Friese vrijheid' en allerlei rechten en claims van inheemse Friese kloosters, parochiekerken en lokale adel van een voorgeschiedenis, een religieuze context en een legitimatie te voorzien, vergt de aanwending van dergelijk retrospectief onderzoek echter de nodige voorzichtigheid. Steeds moeten eerst de later aangegroeide mythes worden onderscheiden van de institutioneel-geografische gegevens die retrospectief zijn te gebruiken. (Bron: Paul Noomen,'de goederen van de abdij van Echternach in de Friese landen').
Het is nog steeds niet te verklaren dat Nederlandse historici, die zomaar locaties uit hun mouw schudden alsof het niets is, er toch niet in slagen de overige 96% van de plaatsen uit de oude kronieken in Nederland te lokaliseren en deze dan maar overslaan, alsof het ook maar niets is. Het aantal overgeslagen plaatsnamen is tekenend voor de geschiedenis van de Lage Landen (Les Pays-Bas) in het eerste millennium. De 'naamkundigen' prof.dr.D.P.Blok en dr.M.Gysseling schrijven in hun toponymische woordenboeken bij respectievelijk 843 en 511 plaatsen «onbekend». Als honderden plaatsnamen uit de klassieke teksten in Nederland onvindbaar zijn, maar in Frans-Vlaanderen zo zijn aan te wijzen, moet het toch wel tot je doordringen dat je in Nederland in de verkeerde streek aan het zoeken bent. Onvindbaar!Honderden plaatsnamen uit de klassieke historische bronnen zijn onvindbaar in Nederland, Duitsland of Luxemburg, maar zijn wel aan te wijzen in Vlaanderen.
Enkele voorbeelden uit de tekst van Noomen (i.c.): Het is wel duidelijk dat het onjuist toepassen van late middeleeuwse bronnen op de tijd van Willibrord, het grote probleem is bij het ontstaan van de mythe over Willibrord en Echternach. Het zorgvuldig lezen van dit artikel van Paul Noomen maakt aan alle mythen een eind. Geen enkele kerk in Friesland is door St.Willibrord gesticht of heeft vanouds zijn patrocinium. Het zijn mythen uit de late middeleeuwen. Echternach heeft ook geen enkel bezit gehad in Friesland, noch in Holland. Lees meer over de kerken in Friesland en in Noord-Holland. ![]() De grootste absurditeit die nooit bediscussieerd werd is de afstand van bijna 300 km tussen Utrecht en Echternach. Zie op dit kaartje links. Klik op het kaartje voor een vergroting. St.Willibrord had zijn bisschopszetel in Utrecht en 'buiten de muren' zijn abdij. Was dat Echternach op 278 km? In Frans-Vlaanderen lagen die bisschopszetel en abdij op enkele kilometers van elkaar, een afstand die binnen een uur te lopen was, wat blijkt uit het vitae van St.Ludger, die vanuit de abdij 's nacht ging bidden in de kerk van Trajectum. Echternach is een mythe uit de 11de eeuw, Utrecht een mythe uit de 12de eeuw, de 'Willibrord-plaatsen' in Brabant is een mythe uit de 13de eeuw, Susteren is een mythe uit de 17de eeuw. Utrecht, Echternach, Diessen, Bakel, Waalre en Deurne bestonden niet in de tijd van St.Willibrord tussen 690 en 739.
De visie van Albert Delahaye.
De lekenabten van de abdij van Eperlecques In de 12e eeuw en geen moment eerder, probeerde de abdij 25 kerken in Holland te claimen, wat faliekant mislukte. Als troost ontving de abdij transgressie-gronden in Zeeland. Zo kwam niet alleen Utrecht in 1157 voor het eerst in aanraking met St.Willibrord, maar werd ook Grevelingen plots de aankomstplaats van St.Willibrord in Europa. Doordenken op deze stelling was er niet bij. Aangezien St.Willibrord in de monden van de Renus aankwam, wordt hiermee -in tegenstelling met de traditionele opvatting- toch bevestigd dat de Schelde dan de Renus was, wat een opmerkelijk juiste constatering is. Toen het claimen in Holland mislukt was, ging Echternach claims stellen in Noord-Brabant. Daar bestonden namelijk sinds eind 12de eeuw enkele Willbrordkerken en wel in Klein-Zundert en Alphen. Deze kerken waren gesticht vanuit Tongelo, dus niet vanuit Utrecht (sic). Vóór 1156 had nog niemand in Nederland ooit van St.Willibrord gehoord. De eerste St.Willibrorduskerk werd in 1157 gesticht in Klein-Zundert door de abdij van Tongerlo. In Utrecht ontstond pas in 1300 de eerste bewustwording over St.Willibrord. Toen werden ook de eerste relieken van St.Willibrord gevraagd en gekregen vanuit Echternach. Echternach claimde overigens slechts vier kerken met goederen in Brabant en wel in Waalre, Bakel, Diessen en Deurne. Later zijn door de historici meerdere kerken aan Echternach 'toegewezen', al heeft men dat in Echternach niet eerder dan de 17de eeuw geweten. ![]() Een recent (2015) ontdekte afbeelding van de oudste St.Willibrordkerk op de Raamberg in Klein-Zundert (18e eeuw; afbeelding archief Arjan Bakx Zundert). Echternach heeft in Nederland alleen vermeende bezittingen geclaimd in Holland en Noord-Brabant. Opvallend en veelzeggend NOOIT in Utrecht of Friesland. Wat heb je aan lapjes grond of een bosperceel op honderden kilometers om schapen of varkens te hoeden? De abdij had slecht bezittingen op honderden kilometers van de abdij, zoals in Brabant, Holland, Zeeland en het land van Kleef. Opmerkelijk blijft ook dat de abdij van Echternach nooit vanouds bezittingen in Luxemburg heeft gehad. Over 'hoe dat kan' zwijgen de historici. Het zwijgen is veelzeggend.
De fabels van Echternach!In Echternach is men er heilig van overtuigd dat daar St.Willibrord is begraven en het authentieke corpus van de heilige zich daar bevindt. Rechts een afbeelding van het Grafmonument waarin zich de overblijfselen van St.Willibrord zouden bevinden. De geschiedenis over de relieken van St.Willibrord maakt ook aan deze fabel een abrupt einde. Uit de 'Vita S.Willibrordi' van Theofridus van Echternach blijkt dat men het corpus van Willibrord kwijt is. Men weet niet waar de heilige begraven is. In 1031, bijna 300 jaar na zijn overlijden, vindt men door een wonder het corpus terug in de 3e sarcofaag die men opende. Het zijden pallium blijkt nog helemaal ongeschonden en uit de sarcofaag stijgt een welriekende geur op. Het corpus blijkt nog geheel gaaf en abt Humbertus nam met de grootste vrees een rib uit het lichaam. Dan volgt nog een wonderlijke genezing van een monnik van totale verlamming. Het feit van de wonderen (ongeschonden, welriekend, genezing) en dat men niet eens wist waar Willibrord begraven was (pas in de 3e sarcofaag) zijn evenveel bewijzen dat het hier niet om het corpus van St.Willibrord gegaan kan hebben. In de jaren die volgen worden veel relieken aan verschillende kerken geschonken. In 1301 vraagt en krijgt Utrecht vanuit Echternach de eerste relieken van de heilige, omdat, zo staat het in de oorkonde, "men er nog geen heeft". Waarom zijn niet eerder relieken gevraagd? Zeker als men wist dat 'Echternach' (zie noot) in 952 relieken schonk aan Trier, in 980 aan Regensburg, in 987 aan Luxemburg, in 1031 weer aan Trier, in 1156 aan Maria-Laach en Himmerode. Ná 1031 schonk de abdij relieken aan verschillende kerken: 1047 aan Prum; 1051 aan Brunswijk; 1091 aan Hirssow; 1098 aan Prüm; 1156 aan Himmerode; 1170 weer aan Trier; in 1301 voor het eerst aan Utrecht en in 1315 nogmaals aan Trier.
De betreffende relieken zijn allemaal beschreven en bevatten naast kledingstukken ook beenderen van de heilige.Het is duidelijk dat de Willibrord verering in Nederland dus pas na 1301 nieuw is ontstaan. Uit technisch onderzoek blijkt dat het deel van de sandaal van de heilige waarover men in Utrecht beschikt, niet uit de 8ste maar uit de 12de eeuw stamt. En dan kan deze sandaal onmogelijk van St.Willibrord zijn geweest. Deze relieken zijn dus vals. Noot: Uit dit feit blijkt dat deze tekst pas opgesteld kan zijn toen het klooster van Echternach bestond en dat is na 973. Tevoren waren de monniken gevestigd in een klooster in Berg. Na het jaar 1315 blijft een tijdje stil rondom de relieken van St.Willibrord. In de 15e eeuw is er sprake van twijfel (ook in Echternach) omtrent de authenticiteit van het corpus van St.Willibrord. Men weet ook niet precies meer waar hij begraven is. En dan WONDER boven WONDER, vinden de monniken van Echternach in 1498 "het complete en ongeschonden lichaam van de heilige terug", zoals dat letterlijk in de "Grundherrschaft Echternachs" vermeld is. Er is maar één conclusie: de relieken die nu in Echternach voor St.Willibrord worden gehouden zijn vals. Het "terugvinden" van het lichaam van de heilige in 1031 toont dat al glashelder aan. In 1537 en niet eerder, wordt in Echternach een altaar opgericht "op de plaats waar Clemens Willibrord overleed". En dit altaar is nu de plaats van zijn verering. Het staat volkomen vast dat St.Willibrord niet in Echternach overleden is. Men heeft immers altijd gesteld dat zijn lichaam na het overlijden naar Echternach werd overgebracht. Daarvoor voerde men de z.g. "translatio" aan die op 10 november in de kalender van St.Willibrord staat genoteerd. De aantekening van de translatio is duidelijk niet in 739 aangebracht, maar een veel latere toevoeging. Wat er nadien met zijn lijk en relieken gebeurd is, geeft alle reden om die als niet-authentiek te beschouwen. De twijfel die W. Visser al in 1933 opgeroepen heeft, blijkt zeer gegrond. Zie voor meer informatie Eperlecques. |
Het Gouden Evangelieboek van Echternach.
De Kerk heeft in de loop der eeuwen een tweeslachtige houding aangenomen ten opzichte van de religieuze dans. Enerzijds wordt in de psalmen meerdere malen opgeroepen tot de dans als uitdrukking van vreugde. Aan de andere kant werden religieuze dansen in conciliebesluiten verboden, omdat ze stammen van heidense religieuze dansen en tot mistoestanden leidden.
Ziet U de kronkelgedachte in deze traditionele opvatting? De tekst uit Prüm heeft geen betrekking op een plaats, dus is ook zeker niet voor Echternach bedoeld. Berno von Prüm (von Reichenau) noemt ook nergens Echternach. Dat blijkt een toegevoegde interpretatie in de tekst uit veel later tijd te zijn. De plaats Echternach als klooster van St.Willibrord wordt pas in 973 voor het eerste vermeld wordt. het is ook niet helemaal duidelijk wat met 'driesprong' precies wordt bedoeld. Dat kan van alles zijn. In de katholieke kerk wordt algemeen de Drievuldigheid van Vader, Zoon en H.Geest uitgebeeld en op veel religieuze voorwerpen ook afgebeeld, maar ook geloof, hoop en liefde, met zo'n driesprong aangegeven.