De Lex Salica.
Algemeen wordt aangenomen dat de Lex Salica de oudste 'Nederlandse' woorden bevat en vijfhonderd jaar ouder zijn dan de bekende 'hebban olla vogala .. .' Het zijn vooral juridische termen, uit een zesde-eeuwse wettekst. De oudste 'Oudnederlandse' woorden die er nog zijn, werden in de zesde eeuw opgeschreven. Ze zijn in 2012 toegevoegd aan de nieuwe editie van het online Oudnederlands Woordenboek van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie. Het gaat om 350 woorden die vijf eeuwen ouder zijn dan het bekende zinnetje 'Hebban olla vogala .. .'. Wonderlijke woorden, zoals 'frifrasagin': de verloving met een vrouw (fri) verbreken ('verzeggen'). 'Andarstrippi': andermans land (letterlijk: strook). En 'ferthbero': een brenger van levensgevaar. De verzameling bevat ook woorden die nog altijd in het Nederlands voortleven: moord (morther), vier (fither), vogel (focla), haan (hano), horige (horigo), vee (fe) en dorpel (durpello). Al deze woorden staan in deze Frankische wettekst uit de zesde eeuw, de Lex Salica. Het zijn Oudgermaanse omschrijvingen van misdaden en vergrijpen, maar ook andere woorden die ter verduidelijking zijn toegevoegd in deze verder in het Latijn geschreven tekst.
De traditionele opvatting.
De wettekst is in Noord-Frankrijk opgesteld, vertelt verantwoordelijk woordenboekredacteur Arend Quak. Daar werd in de zesde eeuw een vorm van Nederfrankisch (een Germaanse taal) gesproken die vermoedelijk verwant was aan het Germaans dat meer noordelijk, in de Lage Landen, werd gesproken. Dit Nederfrankisch is een van de talen die ten grondslag liggen aan het Nederlands. Naast het Saksisch, dat in Oost-Nederland en Duitsland gesproken werd, en het Fries, dat toen de taal van de Noordzeekust was. De hoofdmoot van wat wij tegenwoordig als Nederlands kennen, is Nederfrankisch. Zo bezien is het Nederfrankisch een soort Oudnederlands. Beter zou zijn dit Diets te noemen. Lees meer over het Diets. In Noord-Frankrijk werd het Nederfrankisch in de zevende eeuw definitief verdrongen door het Romaans. De vele handschriften die we hebben van de Lex Salica zijn van latere datum: van na die taalomslag. Met als gevolg dat de kopiisten die Germaanse woorden wel zagen staan en kopieerden, maar ze niet meer begrepen. Bovendien hanteerden ze in die tijd alweer een andere spelling. eh werd h, bijvoorbeeld. Ook werden letters nogal eens verkeerd gelezen. Een u kon gemakkelijk als een a gelezen worden, een uu als een m, en een c als een t. En soms werden die woorden met andere woorden geassocieerd, bijvoorbeeld met Latijnse woorden, en daarom veranderd. In één handschrift schrijft de kopiist zelfs dat hij "die Griekse woorden" maar heeft weggelaten.'
De woorden zijn daardoor flink verhaspeld. 'Ferthbero' (brenger van levensgevaar) komt in allerlei vormen voor: ferimbera, ferthebero, fertibero, fistirbiero en frictebero. Door alle handschriften met elkaar te vergelijken kan, na veel gepuzzel, vaak de oorspronkelijke vorm gereconstrueerd worden. Ook is het materiaal vergeleken met materiaal van andere Oudgermaanse talen, waar veel meer van is overgeleverd, zoals Oudhoogduits en Oudengels. De verschillen tussen de Germaanse talen waren indertijd minder groot dan nu. Geschat wordt dat ongeveer 75 procent van zijn reconstructies 'vrij zeker' zijn. Bij de rest kunnen vraagtekens geplaatst worden. Een mooi voorbeeld van een treffende vondst is het woord vindt 'heemheto'. In de Latijnse wettekst wordt uitgelegd dat dat de stier is die de kudde aanvoert. 'Heto is zoiets als "gebieder" en komt veel voor in het Oudgermaans. Ook "heem" komt veel voor, in de betekenis van huis, boerderij of dorp. De combinatie van die twee is verrassend. Minder zeker is het oude woord voor wijsvinger. In de handschriften komen verschillende varianten voor: biorotro, brioro en briorodero. Dat zou je kunnen reconstrueren tot brioruoro: brijroerder, de vinger waarmee je in de brij roert. Het woord staat in een paragraaf die gaat over het verminken van vingers: "Als de wijsvinger waarmee men de boog schiet, wordt afgeslagen, in de volkstaal 'brijroerder', is de boete 35 schellingen."
Kernpunt vanuit het oogpunt van geschiedschrijving in dit betoog is dat deze woorden uit de zesde eeuw stammen, uiteraard volgens de conventionele jaartelling, en dat de woorden dus 1400/1500 jaren oud zijn'. Is dat zo? Weten we dat zeker?
Er worden nogal wat Oudhoogduitse teksten door germanisten gedateerd in de periode van de vroege middeleeuwen. Opmerkelijk is dat teksten uit de periode 900-1050 ontbreken en dat na die tijd het Middelhoogduits in werking, onder meer met de tekst van het Nibelungenlied en de Eneïde van Hendrik van Veldeke. Germanisten (zoals M. Henkel) zien in enkele Oudhoogduitse teksten die over de Karolingers gaan een duidelijk bewijs dat het Oudhoogduits een geheel is dat voortkomt uit Longobardisch, Allemanisch en Frankisch taaleigen.
Enkel opmerkingen:
De Lex Salica is onze enige levende taal-bron die mogelijkerwijs in schriftelijke vorm uit de zesde eeuw zou stammen. Dat is niet erg waarschijnlijk omdat Latijn toen alom de gebruikte schrijftaal was. Het oudste fragment zou van rond 800 dateren en Karolingisch zijn, maar waarom het zo is, is moeilijk na te gaan. Het zijn de bekende algemene opvattingen die meestal voetstoots zijn aangenomen. Er zijn met handschriften uit de vroege middeleeuwen enkele problemen. Op de eerste plaats is vaak niet duidelijk waarop de datering is gebaseerd: gaat het over een natuurwetenschappelijk gedateerd materieel document of om een reconstructie van taalkundigen die werken op basis van hun model van een taalkundige ontwikkelingsgeschiedenis dat vanzelfsprekend gebaseerd is op de conventionele chronologie. Maar hoe zit dat bij Latijn? Latijn is een ideale taal om te vervalsen. En dat is dan ook in omvangrijke mate gebeurd. Het is namelijk niet mogelijk om veranderingen in het taalgebruik op te sporen zoals die zich in een levende taal wel voordoen. Of de Latijnse drama's van Rosvita van Gandersheim in de tiende of zestiende eeuw zijn geschreven is taalkundig niet uit te maken. Bij levende talen ligt dat inderdaad anders.
Zo kun je de Lex Salica als voorbeeld nemen. We hebben geen tekst uit de zesde eeuw, maar uit de negende (?) eeuw, aangenomen dat de herhaalde vermeldingen ook inderdaad kloppen. Met betrekking tot de merkwaardige en intrigerende tekst Muspilli (een christelijke versie van het gedicht Ragnarök) wordt gesteld dat de Lex Salica uit de bibliotheek van Lodewijk de Duitser zou komen en daarna in Lorsch terechtkwam, maar nergens is na te gaan hoe we kunnen weten dat dat zo gegaan is. Er is vaak een groot verschil tussen inhoudelijke datering (op historische en taalkundige gronden, wat veronderstellingen zijn) en natuurwetenschappelijke datering van het manuscript (als die al mogelijk is). Zoals al vaker geschreven is, bestaat er een permanente bron van verwarring, maar de bereidheid om daar een eind aan te maken (bijvoorbeeld door betere verwijzingsregels in te voeren) is niet erg groot onder historici, en dat is natuurlijk in bepaald opzicht ook weer begrijpelijk. Waarom zou je algemeen geaccepteerde opvattingen ter discussie stellen? Dat deed Albert Delahaye dus wel en kreeg om die reden geen enkele (openbare) bijval. Feitelijk is het redelijk om als regel te hanteren dat een kopie dan pas een kopie is, als we zeker weten dat er een eerder origineel bestaat. Dat is bij de Peutingerkaart bijvoorbeeld ook niet het geval. De oudste kopie die we hebben stamt uit de 16de eeuw. Zolang we geen eerdere kopie hebben, is dit het origineel! Of de teruggevonden Lex Salica het oudste Nederlands dus 1500 jaar oud is, is meer een veronderstelling dan een gegeven feit, ook al wordt het overal als zodanig gepresenteerd.
Bronnen: WKO2 p.230, WKO1.p.69 en Semafoor 13.3.35.