Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De Bastei in Nijmegen.

Archeologie in Nederland nr.4 oktober 2019.



Langs de Waalkade in Nijmegen, aan en in de voet van de Valkhofheuvel, ligt De Bastei.
De bastei is een massieve toren met een hoefijzervormige plattegrond in een vestingmuur, ingericht voor geschut.

Feitelijk draait het hele verhaal om die ene zin: Een datering in de volle middeleeuwen behoort ook tot de mogelijkheden en dan ligt een relatie met het herstel van de vervallen palts in de twaalfde eeuw voor de hand.
Bij het archeologisch onderzoek aan de voet van de Valkhofheuvel zijn veel vondsten gedaan. Deze omvatten onder meer Romeinse funderingen uit de tweede/derde eeuw, Romeinse muurresten uit de derde/vierde eeuw, resten van de tufstenen hellingmuur die mogelijk in relatie staat met noordwestelijke muurtoren van de Valkhofburcht, de stadsmuur en resten van de Werner van Hezetoren (voorloper van de Stratemakerstoren) uit de dertiende eeuw, resten van veertiende- en vijftiende-eeuwse bebouwing, met woonhuizen, karrensporen en wegtracés, en tot voor kort onbekend muurwerk van de zestiende eeuwse Stratemakerstoren.

Ziet U ook hier weer het grote gat tussen de vierde en dertiende eeuw?

De visie van Albert Delahaye.
Ook hier wordt het gelijk van Delahaye aangetoond dat er een gat zitten tussen de Romeinse tijd en de dertiende (13e!) eeuw en dat de oudste bewoning in Nijmegen aan de Waalkade was.


Hieronder enkele citaten uit het betreffende artikel. (Commentaar cursief).

Vroeg- en midden-Romeins muurwerk.
Afgezien van een prehistorisch bewerkt stuk valkenburg-vuursteen dateren de oudste vondsten van de opgraving uit de Romeinse tijd. Mogelijk al uit de vroeg- en midden-Romeinse periode zijn in de kelderruimte vande bastei over een lengte van 25 meter delen van een zware fundering aangetroffen. Van deze funderingsresten kan een aansluiting hebben bestaan met een laat-Romeinse fundering, maar dat is onzeker omdat de dertiende-eeuwse stadsmuur eroverheen is gebouwd.

De dertiende eeuwse stadsmuur is rechtstreeks op de Romeinse fundamenten geplaatst. Ook hier dus weer een gat tussen de Romeinse tijd en de dertiende eeuw.

Romeins wegtracé.
Tijdens het archeologisch onderzoek kwam in het zuidwestelijk deel van werkput 2 schuin op de helling van de Valkhofheuvel een wegtracé aan het licht. Hierin konden drie opeenvolgende grote fasen worden onderscheiden, vanaf de Romeinse tijd tot de dertiende/veertiende eeuw. De oudste fase bestond uit karrensporen in het natuurlijke zand en grind worden op grond van het muntmateriaal gedateerd in de midden- of laat-Romeinse tijd en houden mogelijk verband met het castellum. Bij de karrensporen uit de middelste fase van de weg bestond de vulling uit zand. De jongste fase was gevuld met grind en natuursteen waaruit tijdens het veldwerk dertiende/veertiende-eeuws materiaal is verzameld. De datering van het brandpakket is met C14-onderzoek vastgesteld in het laatste kwart van de veertiende eeuw. Eind dertiende, begin veertiende eeuw is het tracé meer zuidnoord komen te liggen in verband met de bouw van enkele huizen. De weg voerde toen voor deze huizen langs als voorloper van de laatmiddeleeuwse straat Lindenberg.

Over de middelste fase doet men geen verdere mededelingen. Verder in het artikel zal blijken dat men er volop mee speculeert in het betoog over de vroege en volle middeleeuwen (zie hierna).

Vroege en volle middeleeuwen.
Met het archeologisch onderzoek is vastgesteld dat de Romeinse muurresten in de vroege en volle middeleeuwen nog overeind stonden. Ook het Romeinse wegtracé functioneerde nog. De Romeinse muren kunnen - mogelijk wel in een andere functiebenut zijn bij:
- de Merovingische nederzetting en/of residentie op de Valkhofheuvel en de Merovingische nederzetting op de Waaloever;
- de Karolingische palts met bijbehorende nederzettingszone;
- de versterkingen van de Vikingen;
- de twaalfde-eeuwse stadsverdediging en de burcht van keizer Barbarossa.

Uit opgravingen op de Lindenberg en het Kelfkensbos blijkt dat de Karolingische palts gebouwd werd binnen de resten van het laat-Romeinse castellum. Er zijn goede redenen om te veronderstellen dat de Romeinse verdedigingsmuren in de Karolingische tijd nog deels overeind stonden. Aangenomen wordt dat na Vikingaanvallen in het Friese gebied, Nijmegen in de eerste helft van de negende eeuw werd versterkt. Opmerkelijk is dat Nijmegen vanaf 837 herhaaldelijk als castrum (fort) wordt aangeduid. (maar waarvan niets is teruggevonden. Red.) In de winter van 880-881 (zie noot 1) sloegen Noormannen hun kamp op in Nijmegen. Zij legden bij de palts extra een wal aan en konden een belegering door koning Lodewijk de Jongere afslaan. Tegen betaling van losgeld verlieten zij Nijmegen, nadat zij de palts en de nederzetting in brand hadden gestoken. Dikke brandlagen met laat-Karolingisch aardewerk die bij opgravingen op de oostelijke Waalkade ten noorden van de laat-Romeinse muur zijn aangetroffen, hangen mogelijk met deze aftocht samen.

Hoewel delen van de Romeinse muren in de vroege en volle middeleeuwen nog overeind stonden, zijn vrijwel geen andere sporen en vondsten uit die periode aangetroffen. Dit kan een gevolg zijn geweest van de herinrichting van het gebied in de dertiende en de veertiende eeuw. Ook kan het zijn dat dit deel van het terrein in deze periode minder intensief is gebruikt vanwege een verdere tweedeling ervan: een afgeschermd deel van de Valkhofheuvel en een meer openlijk toegankelijk deel bij de hierboven genoemde doorgang of toegang.

Hoewel structuur 25 nog uit de laat-Romeinse periode zou kunnen dateren, doet de afwijkende bouwwijze vermoeden dat zij jonger is. De gebruikte tufsteenblokken zijn grover gehakt en minder zuiver gemetseld. Mogelijk hangt deze structuur samen met de Merovingische residentie en/of de Karolingische palts op de Valkhofheuvel.

Opvallend is dat de tufstenen muur structuur 26 noord-zuid is gericht en in lijn ligt met de door stadsarchitect J.J. Weve in 1910 gedocumenteerde tufstenen 'steunbeer' aan de voet van de noordwestelijke muurtoren van de ringmuur rondom de twaalf-de-eeuwse burcht van Barbarossa. Recent archeologisch-bouw-historisch onderzoek heeft uitgewezen dat het opgaande muur-werk van deze toren dateert uit de twaalfde eeuw. Het is echter goed mogelijk dat de toren is geplaatst op de resten van het Romeinse castellum, dat in de Karolingische tijd als palts werd benut. Met het archeologisch-bouwhistorisch onderzoek in 2019 werd deze oude werkput weer vrijgelegd en is vastgesteld dat het waarschijnlijk toch niet om een steunbeer gaat, maar een aanzet van een doorlopende muur in de Valkhofhelling, die ouder is dan de twaalfde-eeuwse muurtoren. In tegenstelling tot de muurtoren en ringmuur is de tufstenen 'steunbeer' gemetseld met mortel die is vermengd met baksteengruis. Deze afwijkende mortel kan wijzen op een Karolingische of zelfs Romeinse datering. De muur bestaat uit kistwerk met schillen van tufsteenblokken, waarin ook één stuk kalksteen is aangetroffen van vermoedelijk een Romeins grafmonument.

Het muurwerk is opgetrokken in een zalmroze mortel met (witte) kalkpitjes, (rode) daktegelgruis en kleine kiezels. De zogenoemde Barbarossa-ruïne op het Valkhof, een in 1155 opgetrokken apsis, omvat oudere bouwdelen met dezelfde mortel. J.J.Weve schreef die delen al toe aan de bouwperiode van de palts van Karel de Grote, rond 800. De mortel vertoont volgens de bij het onderzoek betrokken bouwhistoricus Hundertmark ook overeenkomsten met de specie van de onder auspiciën van Karel de Grote in 794/795-803 gebouwde octogonaal van de Dom te Aken (zie noot 2). Op grond hiervan wordt voor de hellingmuur een datering in de Karolingische tijd mogelijk geacht. Als de tufstenen muur inder-daad vroegmiddeleeuws is, kan worden gedacht aan de begrenzing van een omsloten voorterrein dat hoorde bij de Merovingische residentie of de Karolingische palts. Een datering in de volle middeleeuwen behoort ook tot de mogelijkheden en dan ligt een relatie met het herstel van de vervallen palts in de twaalfde eeuw voor de hand. Deze burcht met ringmuur werd opgetrokken in opdracht van keizer Barbarossa. Ook dan kan de muur een voorterrein van deze burcht hebben omsloten, afgegrensd van de toegangspartij onderaan de helling.

Na deze alinea's gaat het artikel verder met de laat-middeleeuwse stadsmuur vanaf de dertiende eeuw. Ook hier zien we hetzelfde patroon, zoals de dertiende-eeuwse Werner van Hezetoren is op de restanten van de Romeinse muur gebouwd.

Noot 1: De tekst uit het jaar 880/881 handelt niet over Nijmegen, maar over de Franse stad Noyon. Dat was het Noviomagus waar Karel de Grote tot Koning van de Franken is gekroond. Het Bronnenboek van Nijmegen (zie daar) noemt slechts twee teksten die hierover handelen, maar slaat twaalf (12!) teksten over, die over dezelfde gebeurtenis gaan en waaruit duidelijk blijkt dat de Noormannen in Gallië aan het plunderen zijn. Daarin worden plaatsen genoemd als Péronne, Kamerijk, Saulcourt, Arras, Amiens, Doornik en Terwaan.
Noot 2: Van het octogonaal van de Dom in Aken staat vast dat die niet uit de tijd van Karel de Grote dateert, maar op zijn vroegst uit de 10e eeuw.

Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.