| Boeken bestellen. | Inleiding deel 5. |
|
Op deze website worden de verschillende onderdelen van de mythe, ter wille van de overzichtelijkheid, per onderdeel besproken. Uiteraard hebben de verschillende onderdelen een samenhang met elkaar. De lezer dient deze samenhang steeds in het oog te houden, ter wille van een juiste interpretatie van gegevens. Enkele feiten: 1. De Romeinse "Limes Germanicus" lag niet in Nederland, maar op de taalgrens! De Romeinse plaatsen in Nederland hebben de verkeerde naamkaartjes "opgeplakt" gekregen. 2. Het Paleis van Karel de Grote met de naam Noviomagus lag aan de rivier de Oise en was dus niet Nijmegen, maar Noyon. 3. St.Willibrord was bisschop in Frisia dat aan zee lag waar men de overkant (Engeland) kan zien! Dat Frisia lag in Francia, zoals St.Willibrord zelf meedeelde. 4. St.Bonifatius werd vermoord in de pagus Dockynchirica in Francia! Friesland heeft nooit bij Francia gehoord. 5. De Noormannen vielen Dorestadum aan, een zeehaven in Gallia aan het Almere, dat aan de monding van de Renus lag en waarmee nooit Wijk bij Duurstede of de Zuiderzee bedoeld kan zijn. |
Geschiedenis van de lage landen in het eerste millennium.
"Geschiedenis is alleen interessant als zij uitvoerig is". (Machiavelli) In Nederland is men steeds van mening geweest dat Karel de Grote een residentie had in Nijmegen, dat het Oppidum Batavorum -de hoofdstad van de Bataven- in Nijmegen lag, dat de Bataven in de Betuwe woonden, dat de Romeinse stad Ulpia Noviomagus ook Nijmegen was, dat de Noormannen Nijmegen en Wijk bij Duurstede, dat in Nederland Dorestad zou zijn, plunderden, dat St.Willibrord zijn bisschopszetel in Utrecht had en St.Bonifatius bij Dokkum was vermoord. "Steeds van mening?" ........, totdat in 1958 een geruchtmakend boek verscheen dat de historische wereld in Nederland en ver daarbuiten in rep en roer bracht. Het boek had de titel "Het mysterie van de Keizer Karelstad" en veegde in één slag de hele Nederlandse geschiedenis van de Romeinse tijd tot de 12e eeuw van tafel. Het boek was geschreven door Albert Delahaye, toen adjunct-archivaris van Nijmegen. Wat had Albert Delahaye namelijk ontdekt? Dat er van de hele Karolingische periode die in Nijmegen toch ruim 400 jaar geduurd zou hebben, zich geen snipper papier in het archief bevond. De oudste archiefstukken dateren van na 1166! Hoe kan dat nu, heeft hij zich afgevraagd. Evenmin was er archeologisch iets uit de Karolingische tijd gevonden. De musea liggen vol met Romeinse relicten, niets van daarna. De bouwwijze van de burcht op het Valkhof die buiten de oudste stad lag, deed ook niet Karolingisch aan. De Karolingers bouwden hun burcht immers altijd in het centrum van de stad, ofwel de stad vormde zich rondom de burcht. De stadsontwikkeling van Nijmegen was die van een Duitse stad. Op zoek naar antwoorden op de vragen rondom het ontstaan van Nijmegen, kwam Albert Delahaye tot onthutsende conclusies. Elk nieuw gevonden feit leverde meteen weer nieuwe vragen op. Het zoeken naar alle antwoorden zou het levenswerk worden van Albert Delahaye, immers het ene probleem bleek nauw samen te hangen met het volgende. Men kan zich voorstellen dat de historische wereld geschokt was, zich moest hervinden en zich als één man ging verzetten tegen dit boek en tegen de visie van Albert Delahaye en hardnekkig de eenmaal vastgestelde traditie bleef verdedigen. Aan die onwrikbare historisch feiten kon toch niet getwijfeld worden? Het was alsof een klein kind verteld wordt, dat St.Nicolaas niet bestaat. Met diezelfde kinderlijke verbetenheid hebben historici de twijfel en argumenten die Albert Delahaye op tafel legde, willen bestrijden en belachelijk proberen te maken. In het hoofdstuk ongelooflijk zijn veel van deze opvattingen verzameld. Maar Albert Delahaye wilde geen twijfel zaaien, maar een discussie aangaan over alle vragen die hij had. Echter de historische wereld was te geschokt om daarop op een wetenschappelijke manier te reageren. Men heeft zich vastgebeten in de traditie en deze met alle middelen proberen te verdedigen, alsof hun eigen belang -in veel gevallen was dat ook zo- op het spel stond. Immers, wat Albert Delahaye ontdekte, hadden de professionele historici moeten ontdekken. Waar Albert Delahaye vragen over stelde, hadden de wetenschappers blijkbaar nooit over nagedacht. |