In de Algemene Geschiedenis der Nederlanden op p.194 wordt meteen naast Prüm ook het klooster Corbie genoemd. Ook worden op deze pagina naast Trier (noot 50) nog de kloosters Saint-Riquier bij Abbeville en Sint-Baafs bij Gent genoemd. Waarom laat Verhoeven elke verwijzing naar (Frans-)Vlaanderen weg? Hij noemt dan nog wel Deventer, maar in de originele oorkonde uit 898 staat nergens Deventer, maar Daventre dat Desvres was. De oorkonde werd uitgegeven door Zwentibold, die koning was van West-Francië en daar hoorde Deventer beslist niet bij. In 898 bestond Deventer niet eens, laat staan dat er een abdij of kerk was. Voor Deventer wordt verwezen in noot 46, waarbij doorverwezen wordt naar p. 214, waar het gaat over invallen van de Noormannen, met een verwijzing naar Niermeyer. We lezen er: Deventer was kort voor 775 een militair en religieus steunpunt van de Franken in de Saksen-oorlogen van Karel de Grote. Archeologisch zijn hiervan echter geen sporen bewaard! Inderdaad, want die Saksen-oorlogen van Karel de Grote vonden plaats in West-Frankrijk, waar immers de Saksen woonden. tot ze in 782 door Karel de Grote werden gedeporteerd 'buiten zijn rijk'. Deventer wordt in 877 portus genoemd. De Noormannen bezochten Deventer in 882, echter zonder al te erge gevolgen, aangezien tussen 885 en 895 de bisschop van Utrecht zich er vestigde en in 893 hier horigen van Prüm als handelsagenten optraden, zoals we in een ander verband hebben gezien. In 896 verkreeg de te Deventer residerende Utrechtse bisschop Odilbald van Zwentibold, onderkoning van Lotharingen, (zie opmerking over Zwentibold hiervoor) de oorkonde waardoor de handelaars te Deventer en te Tiel voortaan dezelfde koninklijke en bisschoppelijke bescherming genoten als voorheen in Dorestad! Van een versterking, met de daarvoor kenschetsende naam urbs aangeduid, is pas in de 10de eeuw sprake. Zij lag bovendien een eind van de portus aan de oever van de IJssel vandaan, namelijk op het domein van de Duitse keizer ten noordoosten van de Lebuïnuskerk!. We komen in Deventer op een van de grootste misvattingen in de geschiedenis. Lees meer over de Saksen en over Deventer. Lees ook meer over de Utrechtse bisschop. Lees meer over koning Zwentibold.

Op p.194 worden ook de grote grens-tollen van Quentovic, Dorestad en de Alpen genoemd. De Alpen? Neen, in de tekst van deze oorkonde uit 828 en 831 staat nergens Alpen, maar Clusas. Het is Lécluse bij Douai aan de samenvloeiing van verschillende rivieren, een punt bij uitstek voor handel en scheepvaart, maar ook gelegen in het middelpunt van de waterstaatswerken die de Romeinen hadden aangelegd tot onderlinge verbinding van de zuidelijke, oostelijke en westelijke rivieren van Frankrijk. Uit de vernoeming en situatie van Lécluse tussen Quentovicus (in de buurt van Etaples) en Dorestadum - Audruicq blijkt dat de drie plaatsen deel uitmaakten van één tolsysteem en dat, omdat de andere twee zeehavens waren, Lécluse het voornaamste punt van doorvoer was naar het achterland. Wie in een van de havens al tol had betaald, was vrij van tolrechten te Lécluse, wat de tekst ook zegt omdat het spreekt van de tol van de keizer op de drie plaatsen. Een en ander duidt aan dat de drie plaatsen organisatorisch bij elkaar horen, een argument te meer om Dorestadum ook in Frankrijk te zoeken.
En dan komen we op het punt van de Alpen. Het was onze grote naamkundige prof.dr.D.P.Blok die van Clusas de Alpenpassen maakte! Hoe dit naamkundig in elkaar zit, laat de naamkundige maar zweven. Desondanks is deze slag met de pet toch weer prompt de literatuur ingegaan, zowel in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden, als in de Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden, I, (Dhaenens: de karolingische periode, p.105). Men laat Clusas maar weg, overeenkomstig het heersende goede (?) gebruik van de historici om de originele naam van de bronnen maar achterwege te laten. Blok dicht de Nederlanders, vooruitlopend op de Europese Unie, al in de 8ste eeuw internationale handel over de Alpen toe! Veel leuker kunnen wij het ons niet voorstellen.
Naschrijverij en gedekt zijn door andere "gezaghebbende" auteurs, is helaas het handwerk van de huidige historici.