De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Flevum en Almere in Frans- en West-Vlaanderen.



Met dank aan Jacques Fermaut.




De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat hoort dan allemaal thuis in Noord-Frankrijk!




Klik op de kaart voor een vergroting.



Het gebied van de IJzer/Lyzel/Leisele: zie tekst hiernaast.
Nederlandse historici blijken niet over de grenzen gekeken te hebben en met name niet naar het zuiden. Zij zijn niet op de hoogte van de deplacements historiques waarbij in Frans- en West-Vlaanderen honderden plaatsnamen bestaan die of in Nederland ook bestaan, of in Nederland onvindbaar zijn, terwijl ze wel in de klassieke teksten genoemd worden.
Hieronder een kleine lezing over die plaatsnamen, met dank aan Jacques Fermaut.

De visie van Albert Delahaye.
"Wie de plaatsnamen uit het land van Boulogne en St.Omer in Noord-Frankrijk niet kent, zal nooit op de gedachte komen om de schenkingen van St.Willibrord in die streek te lokaliseren". In Nederland zit de opvatting van St.Willibrord er zo vast ingeprent, dat men nooit op zoek is gegaan naar de vele plaatsnamen in klassieke teksten genoemd, die in Nederland onvindbaar zijn. In Frans- en West-Vlaanderen bestaan ze allemaal.

Er is maar één man die zich zijn hele leven lang de moeite heeft getroost om alles, van de Zomme tot de Dollard, over alle grenzen heen - ook de geest kan honkvast zijn -, tegelijk in te schatten en voorzichtig te vergelijken, met vallen en opstaan want alleen "dé leer" staat vast en is zelf zeker! -, en dat is een zekere Albert Delahaye. De paus is hij evenmin als alle anderen - en hij was zich er goed van bewust ook! - maar het gros van de kritiek aan zijn adres heeft al een antwoord gekregen in zijn oeuvre: een verwijzing daarheen zou dus moeten volstaan, maar welke Waadtlander doet nu eens de moeite iemand serieus te lezen als hij beter meent te weten? En dan nog: "Quicquid recipitur admodum recipientis recipitur" (vrij vertaald) Men begrijpt nooit wat men niet in staat is te begrijpen. Plato zei het al: kennen is voor een groot deel erkennen; je moet het heilige geduld en de openheid van Delahaye hebben om langzamerhand vertrouwd te raken met een werkelijkheid die je niet van meet af aan kende en die langzamerhand in te bouwen in je gezichtsveld. Waar men de overkant ziet...


De Waadtlander.
"Wetend wat ik weet, denk ik terecht wat ik denk!", zo redeneert de Waadtlander ... Hij is er zich tenminste van bewust dat waden en wad gaat over een overstroomd gebied.
De naam Holland.
Wie twijfelt er nu bij de naam Holland? Maar op een paar kilometer van de Deullaert in West-Vlaanderen ligt een Hollandbeek.


Wat weten we uit de klassieke teksten?

  • Wie de naam Dollard hoort vallen zit in gedachten meteen aan de Noordzeekust, op de grens van Duitsland en Nederland. Wie heeft er immers al van een Deullaert gehoord tussen Pitgam en Drincham (Frans-Vlaamse Westhoek), aan de rand waarvan onlangs heel wat archeologische vondsten werden gedaan, uit de regressieperiode tussen de Duinkerke-transgressies 1 en 2 (+/- 70 na Christus tot +/- 250 na Christus). Die leiden trouwens tot de conclusie - door echte deskundigen dan wel - dat de streek dicht bevolkt was. Aan het uiteinde van deze voormalige zee-inham vind je nog altijd een straat met de rare naam: Schepstadt, gadegeslagen door de 15-meter hoge Waeyaert met dichtbij hele rare vierkante structuren. Die worden natuurlijk niet onderzocht: archeologisch is Frans-Vlaanderen zo goed als een terra incognita. Het is zonde van al het geld dat verspild wordt in Wijk bij Duurstede!


  • Wie de naam Honte hoort, denkt onmiddellijk aan de Westerschelde. Wie kent er immers het stadje Hondschoote (Honte-Schoote), waarvan de haven gedempt werd in 1969, dat ook aan het uiteinde ligt van een Honte van de Moeren, die nu nog goed af te lezen valt van de stafkaarten én uit de hoogtelijnen én uit de toponymie: Ie Chien o.a., aan de rand van het Kamtje, dat zijn naam dankt aan een verwarring tussen Honte en hond. (Hoe bestaat het? Ja, het bestaat!)
  • Het Zwyn is natuurlijk de beroemde geul van de Brugse haven, toen het nog hoogtij vierde, nu vogelreservaat! Maar, van Gistel tot Sint-Omaars, zit Vlaanderen vol met allerlei Zwinnen en Zwinaerts .

  • Wie twijfelt er nu bij de naam Holland? Maar op een paar kilometer van de Deullaert stoot je op een Hollandbeek.

  • Bij het woord IJssel denkt iedereen aan Nederland. Maar er bestaat ook zoiets als Rijsel (teR IJssel - LilIe) aan de rand van het Deûlemoeras; en het hele overstroombare Blootland (kuststreek van Vlaanderen) wordt nog altijd afgebakend door een hele reeks IJsseltoponiemen, gaande van Lyzel beneden Sint-Omaars tot Leisele over de grens (Lijsel in de volksmond), via de Isselfort tussen Millam en de Galgberg en de 34-meter hoge Rysselberg (gebied Zegerscappel) die alles in het oog houdt. Zo kun je bladzijden lang doorgaan.

  • Wie maar één Trajectum als antiek erkent, verklaart alle andere toen onbestaand, ofschoon er nu nog altijd een Trajectum ligt in de Hemrivier én op de stafkaarten én in het landschap (het diende namelijk voor de beroemde en oeroude Leulène en haar vele vertakkingen naar Audruicq/Dorestad, naar Tournehem/Trajectum, naar Wissant en Sangatte, de "via Sanctorum" waarlangs veel heiligen het christelijke geloof kwamen preken - hun namen kom je overal tegen.

  • Lieven/Lebuinus en Ludger staan bijvoorbeeld nog altijd tegenover elkaar in de kerk van Polinckhove bij de toenmalige monding van de Hem met haar "Chemin (vroeger) of Rue (nu) Saint Léger"! Die vertakkingen zijn trouwens uiterst leerrijk: de splitsing in Cormette spreekt boekdelen over het vervallen, door verlanding, van Audruicq/Dorestad); ofschoon Trith-Saint-Léger (Ludger! - Trith betekent Trajecturn) nog altijd bestaat en ofschoon de mens altijd de neiging heeft gehad te gaan zien wat er aan de andere oever gebeurt. Zelverzekerde taalkundigen - hoe wankeler de wetenschap hoe groter en prikkelbaarder het gezag! - maken kaarten waar Friese toponiemen niet veel verder reiken dan net beneden Antwerpen: wie in Bieren woont weet natuurlijk beter. Niet alle hydro- en toponiemen horen oorspronkelijk thuis op een lapje Vlaanderen! Het is enorm opletten met hydro- en toponiemen, dat je die uit de teksten niet zomaar lukraak mag neerpatsen op wat je toevallig kent, dat er meer dan één verband logisch kan lijken en dat ieder mens een beetje een Waadtlander is.


  • Zo ook het Flevum en het Almere. In de goede GROTE NederlandSE LAROUSSE ENCYCLOPEDIE staat te lezen: "FLEVUMEER of FLEVUM, in de Romeinse tijd een verbreding van een der Rijnmonden, misschien de noordelijkste of de middelste. In dat meer kan een door de Romeinen gebouwd castellum hebben gelegen. Over de naam en de ligging ervan bestaat heel veel onzekerheid. In de Middeleeuwen kreeg het de naam Almere. Door stormen en watervloeden is het in de 13de eeuw verbreed tot de Zuiderzee. Het is ook onzeker in hoeverre het Vlie tussen Vlieland en Terschelling met die naam verband houdt". Let op de vele veronderstellingen. - De Rijnmonden waren nu eenmaal Rhenusmonden, en Orosius, o.a. legt die tegenover Kent.

  • Vlieten zijn er ook in Vlaanderen bij de vleet! En de naam Vlaanderen, die niemand tot nu toe afdoende heeft kunnen verklaren - Eric Vanneufville, doctor in de geschiedenis, houdt het bij Vollanden, landen die volgelopen zijn of volgepropt met overslaggronden! - zou best van Flevumland kunnen afstammen, zoals Delahaye het poneert. Dat de hele streek nog altijd transgressiegebied zou kunnen zijn moge blijken uit deze kaart van de door de Duitsers in 1945 gepleegde overstromingen om Duinkerken te verdedigen. Het ging dan maar om bressen in de dijken waardoor eb en vloed drastisch afgetopt werden: het water steeg tot ongeveer 2 meter 50 (N.A.P. staat ongeveer gelijk; naar Belgische maatstaven is dat 4 meter 74). In 1953, hield de tweede Watier-zeesluisdeur gelukkig stand de eerste werd beschadigd - anders kwam de streek nog onder water. Door een breuk in de Ringslootdijk - de Ringsloot is het afwateringskanaal van de Moeren - bij het Tixiergemaal, liep een Duinkerkse wijk onder (dat van het Tribut-Stadion). Volgens de Duinkerkse diensten reikte het water tot meer dan zeven meter hoog: al ligt de Vlaamse streek wat hoger dan een groot deel van Nederland, ze loopt nog altijd risico's omdat de getijen hier stukken heviger zijn.

  • Het is altijd zo geweest. Daarom verdient de "deskundige" Stéphane Lebecq dan ook een eerste prijs onbenulligheid voor zijn artikel in de REVUE DU NORD nummer 244 (januari/maart 1980) waar het verslag gepubliceerd wordt van het elfde colloquium der mediëvisten over het thema: het plattelandslandschap: werkelijkheden en verbeeldingen (Le paysage rural : réalités et représentations - wat een omineuze titel !). Het artikel heet "De la protohistoire au haut moyen âge: Ie paysage des terpen" ,. dat die terpen voor hem alleen maar in het actuele Friesland behoren te liggen hoef ik u niet te vertellen. Denkend aan het actuele Friesland, schrijft Lebecq zonder nadenken (bladzijde 135 - eigen vertaling) "in 839, tussen de Duinkerke 1en de Duinkerke 2- transgressies, (Duinkerken! na die naam, valt zijn kwartje nog altijd niet! Er bestaat echt zoiets als een "kerkeffect " op de universiteit! Alleen brave studenten die hun thesismeester naar de mond praten komen aan de bak!) [. . .] was de vloed zo catastrofaal dat de Analist van Saint-Bertin (Sint-Omaarsl) ervan hoorde". En hij citeert: "De zevende dag der januari kalenden, wat gelijk staat met de dag van de marteling van de zalige Stefanus (dit is 26 december), werd heel Friesland getroffen, tegen de gewoonte der getijen, door een zo hevige vloed, dat het land bijna geëffend werd door enorme hoeveelheden zand: die vloed vernietigde al wat hij bereiken kon, even goed mensen als dieren en huizen, waarvan het aantal snel geraamd werd op 2437" (!) ... Laten we ons verbazen over de uitzonderlijke kwaliteit van de toenmalige verrekijkers. De analist van Sint-Bertijn is immers voor die periode Prudence van Troyes! (Anales de Saint Bertin, éditées par F.Grat, J.Vieillard, S.Clemencet et L.Levillain, Paris (Société de l'Histoire de France), 1964, p. 28.) Wat onbenullig os! Die onbenulligheid is trouwens een permanente eigenschap geweest van onze (Franse en Vlaamse) analisten: die bleven zich maar zo intens blindstaren op Nederland dat ze vergaten over zichzelf te schrijven: Dat moest ook wel, want in Nederland, vóór de elfde eeuw, kon blijkbaar niemand - of was er blijkbaar niemand om? - over zichzelf te schrijven! De analist van Sint-Bertijn staat zelf als het ware met zijn voeten in het water: wat hij vertelt gaat over wat hij vóór zijn ogen ziet vandaar de nauwkeurige beschrijving - in het toenmalige Friesland, het eerste Friesland, en dat is VIaanderen, kijk maar naar de actuele vlag van West-Vlaanderen met dicht tegen elkaar de Friese jol en de Vlaamse leeuw. Lees er Delahaye op na : bewijzen vind je er bij de vleet.


  • Plaats- en riviernamen met de stam Flevum komen nog tientallen keren voor in de streek: daarover hoeft niet uitgeweid te worden; dat weet iedereen die maar eens een kaart onder ogen gekregen heeft. En Almere of Almare ? De naam komt voor te Lichtervelde, in de streek van Oudenburg, Slype en Moere, te Deerlijk en in het Land van Bredenarde (het landschap van het gewezen schiereiland rondom Audruicq/Dorestad. Uit WOORDENBOEK DER TOPONYMIE van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guînes en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu, door Karel DE FLOU, (deel 1, pp. 206-207). Het houdt vermoedelijk verband met de vele "hel" -namen, waarbij "hel" waterloop betekent. Zie het heel interessante werk van B.J. Kloens over die "hel"-namen - Wolwevershaven 46, NL-3311 AW DORDRECHT - Titel: Felande lant enda Holan lant an die Helan ghulegan, Een vergelijkend onderzoek van Helnamen, natuurlijk verfoeid door de meeste "specialisten", maar dat hoort nu eenmaal zo. De streek wemelt namelijk van "hel" -namen (Houle, Hellebroucq, Holque, etc. - o/e komt meer voor: denk aan steen/stone, alleen/alone; "assimilation d'aperture " heet dat in het Frans. "Ze" wordt ook nog als "zoe" uitgesproken in FransVlaanderen. "Al" is geen probleem: de "h " wordt niet uitgesproken in Vlaanderen en iedereen weet het hier, "Te BalIe (in plaats van BellelBailleul), bachten de kapalle, verkopen ze malk! De naam komt heel logisch later op voor het voormalige Flevum: toen de zeebaai Flevum verlandde en afgesneden werd van de zee door een reeks duinen - vroeger in FransVlaanderen, omdat de stroom heviger is en het afgekalfde materiaal talrijker door de nabijheid van de door de zee aangevreten steile kust van Artesië en van het Boonse, bleven alleen meren over: hel- of almeren. Het woord "meer" komt nu nog een paar keer voor in de verfranste omgeving van ~St-Omaars. Het is trouwens de vraag of, in een streek die zo gemakkelijk aan onbestaande heiligen raakt - Saint Tricat (Nicasius !), Saint Inglevert (heeft nooit bestaan: 1140 Sontingeveld~. - of. aan dubieuze heiligen waarvan niets anders dan gefantaseerde wonderen bekend zijn - Winok (hetzelfde dan Quénocs ? in de zee bij Kales/Calais) - zou het onmogelijk zijn dat Audomarus en het Audomarois (de streek rondom Sint-Omaars) een relict zijn van Almere? De overgang van "aid" naar" aud " is geen probleem noch in het Frans (vocalisation du "I " antéconsonnantique: val → vaux) noch in het Nederlands (Engels en Saksisch "old " → Nederlands "oud ").


  • Het Flevum - later Almere - is heel verklaarbaar in Frans-Vlaanderen. De stelling van Delahaye is dus verdedigbaar: Flevum of Almere, door Ptolemeus met graden-aanduiding in het noordwesten van Frankrijk ten noorden van Boulogne geplaatst, is de Plaine Flamande (nu verland) tussen Calais, St-Omaars, Watten, Veurne en Brugge, het grote transgressiegebied van Vlaanderen, dat eeuwenlang zee of een zee baai is geweest en pas tegen het einde van de 9e eeuw droog begon te vallen. Voorheen was de kust open en bestonden de gebieden van Calais en Duinkerken niet; de definitieve sluiting van de kust geschiedde in de 10de eeuw, toen ook in Nederland de duinen werden gevormd. Als zijn tegenhanger noemen de klassieken het Helinium. In Nederland is de Zuiderzee ten onrechte als het Flevum opgevat; de naam Flevum komt in geen enkele bron voor. Wanneer de Zuiderzee voor het eerst wordt genoemd, heet zij Interlake, een zeer juiste naam voor het Tussenmeer, dat na de eerste verlanding was overgebleven. De naam van Flevopolders voor de nieuwe bedijkingen van de Zuiderzee is dan ook belachelijk, die de mythen Nederland bevestigen; hetzelfde geldt voor de naam Almere voor de nieuwe stad. Het zijn zeer leerzame gevallen; immers, zo ging het vroeger ook bij naamgevingen. Wie nog moeite heeft zich voor te stellen, dat en hoe de naam Friesland in Nederland terecht kwam, moet naar deze twee voorbeelden kijken." (Delahaye, De Ware Kijk Op ... Deel 1, blz. 254).

  • Niet zoals het recente Almere, waar naar een leuke en historische naam gezocht werd voor een gloednieuwe polderstad, komt hier de naam Almere heel vroeg voor in plaatselijke bronnen. De Flou o.a. geeft namelijk: "Almari Vallum. Eene plaats in het land van Bredenarde. De Almari vallo +/- 1200 (Lambertus uit Aarde/Ardres, - vroegere hoofdstadje van een graafschap, prachtig gelegen op een heuvel aan de rand van het Flevuml Almere, met beneden zijn haven, Bremen geheten. Quidam Echardentium oriundus nomine Almarus, qui ... +/- 1200 (Ibid.) // unde et multo tempore post locus ille Almari valIum vel agger non sine rei causa appellatus est. +/- 1200 (Ibid.). // ad Almari valium (quod ad Florem nominaverunt Brobrugenses - de Vlaamstalige mensen uit Broekburg/Bourbourg die midden in het Flevum zaten noemden het dus ad Florem of iets dat daarop lijkt, een duidelijk relict van Flevum) (Lamb. Ard., 329). II devant Ie clos Almer (dus het gesloten Almere) que on nomme la Fleur (nog eens een relict van Flevum, in het Romaans dit keer) s. d. (Id., 328). // Et en cest estat fut ledict lieu communément appelé Ie Clos ou la Motte Almer, désolé comme il avoit esté auparavant et encoires est pour Ie jourdhuy, dépopulé de toute sa munition et forteresse. s. d. (XVIe. ?). (Lamb. Ard, 134) " (206-207)

  • Het Almere besloeg meer dan het laagland bij het land van Bredenarde (dat evenmin als Audruicq/Dorestad onder kan lopen: Audruicq ligt namelijk ten minste op 9 meter hoogte met zijn enorme markt (stapelplaats?) die heel duidelijk eindigt op de voormalige kaai aan het gedeeltelijk gedempte maar nu nog bestaande Stawart - de voormalige havengeul - tot waar het water gekomen was in 1945 - ). Dat bewijzen de andere Almarenamen die er bestaan: de naam komt voor te Lichtervelde, in de streek van Oudenburg, Slype en Moere, te Deerlijk. Dat klopt heel goed met de reconstructie van de kust door Albert Delahaye. Ook de veel oudere kaart van Briquet kende hij, maar het zal u opvallen dat die elkaar nagenoeg overlappen. Delahaye heeft dus op dat gebied de consensus van de Franse wetenschap aan zijn kant. Nu nog, (zie bijvoorbeeld nummer 333 (het laatste) van de REVUE DU NORD, Archéologie de la Picardie et du Nord de la France) worden de Franse archeologen het erover eens dat de transgressie de vijf-meterlijn bereikte - De archeologen! Het is nog de vraag of de historici daarmee akkoord gaan! Delahaye dacht eerder aan de 6- of 7- meterlijn -. Dat blijkt ook uit het tracé van de oudste weg in de kuststreek, de Looweg, die nooit lager dan 5 meter loopt en dan nog in beekdalen waar misschien - bij eb? - gewaad werd. Dat wordt nog eens beaamd door de historicus Georges Dupas (HISTOIRE DE BOURBOURG ET DE SA CHÀTELLENIE, Westhoek-Editions, Dunkerque, 1978) Dupas is lid van de Historische commissie van het Noorder departement en heeft heel wat goeie en originele boeken op zijn naam staan: naschrijven doet hij niet, hij gaat naar de bronnen die hij dan ook telkens vermeldt: "Behalve de dorpen gebouwd op de hoogten aan de rand van de (zee) vlakte, dus beschut tegen zeevloed, en die mogelijk vóór die periode (7de / 8ste eeuw) gesticht werden (geen enkel geschrift bericht daarover), zoals Saint-Momelin, Wormhoudt, Ledringhem, Esquelbecq (Ekelsbeke), Steene, Bergues, ... en als we ons beperken tot het gebied van het Broekburgs Ambacht, worden (in de bronnen) voor de eerste maal vermeld:
    - in 826 : Millam (Muldehem) Cartularium van Saint Bertin
    - in 828 : Eringhem (Henrikengahem) Cartularium van Saint Bertin
    - in 830: Drincham (Dagmaringahem) Cartularium van Saint Bertin
    - in 864 : Holque (Holeca) Cartularium van Saint Bertin
    - in 1085 : Merckeghem (Marchinckam) Cartularium van Watten
    - in 1130 : Looberghe (Loberga) Cartularium van Bourbourg
    Al deze plaatsen liggen op meer dan 5 meter hoog.


  • Mogen we onze Vlaamse vrienden van over de "Schreve" eraan herinneren dat 5 meter voor hen 7 meter 24 betekent. Dat de catalogus van DE ROMEINEN LANGS DE VLAAMSE KUST, dan het verlaten van Oudenburg aan "vernatting" kan wijten, lijkt wel het toppunt van eufemisme, een toppunt dat een beetje op bedrog lijkt. Dat de Nederlanders - en de Franse historici - nog altijd vasthouden aan Wijk bij Duurstede als Dorestad - nul meter boven NAP en al vermeld in de 7de eeuw toen de Duinkerke II-transgressie het hevigst was - gaat het schamele verstand en verbeeldingskracht te boven ...

    Maar ja! we hebben het al even straf gezien. De aankomst van Willibrord in het Flevum/Almere in de omgeving van Grevelingen/Gravelines staat als een paal boven water: de stad heette vroeger Sint-Willibrord (zie Dupas HISTOIRE DE BOURBOURG). Die naam vind je ook nog in plaats van Grevelingen op de beroemde kaart van Malbrancq, Morinorum sub Caesare magnitudo, et locorum ab anno 800 nomenclatura. De stad Grevelingen/Gravelines, anno 1244, had een merkwaardig zegel. Let op de datum: Grevelingen maakt deel uit de hele reeks nieuwe kusthavens die de oude, toen onbruikbaar geworden door verlanding, moest vervangen: Kales/Calais verving Guînes, Ardres en Audruicq ; Grevelingen/Gravelines verving Audruicq en Sint-Omaars; Duinkerken verving Sint-Winoksbergen/Bergues; Nieuwpoort verving Ieper en Diksmuide, etc - . Die zegel stelt Sint Willibrord als bisschop voor op een boot met mijter en staf, en heeft als legende SIGILLUM S(ANCTI) WILLIBRORDI AD (?) NEVPORTUM, zegel van de heilige Willibrord te Nieuwpoort. Nieuwpoort was namelijk ook de toenmalige naam van Grevelingen, een naam die daarna gaat overheersen, omdat hij veel meer slaat op de zeeverbinding ... Zonder veel zoeken, vind je liefst acht oude kaarten en kreeg er nog vier bij van Janus Jochems (van de 16de tot de 18de eeuw), hoofdzakelijk in Amsterdam gedrukt, dus onverdacht, die een Wilbort sand (bank) aangeven tegenover de kust, conform de legende dat hij te vroeg de zeilen gestreken had en wegebde tegen die zandbank. Wij komen dus tot het apostolisch aantal 12 kaarten! De microtoponymie ter plaatse krioelt van Willibrord-namen. Onlangs was nog in Grevelingen de steen te zien waarop hij volgens de legende de zee overstak: een onnozele monnik zonder zeilervaring had immers niet begrepen dat het om ballast ging. De kerk bezit nog altijd een scheenbeen van de heilige, gegeven door de Collegiale Sint- Wulfram van Abbeville, waar volgens Delahaye het echte corpus van St.Willibrord berust zou hebben ... Maastricht moet per se Willibrords Trajectum zijn volgens Hans Kreijns. En om logisch te blijven wil men ook al Limburg vol proppen met Friezen. Wat vervelend voor een zeevarend volk, zo ver weg van de kust ...

    Delahaye heeft het aan den lijve moeten ondervinden: bij anderen en ook bij iedereen kent het gevecht tegen de hersenschimmen geen einde ...





  • Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.