De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Oorkonden uit het jaar 721.





Karel Martel streed tegen de Friese Koning Radboud.
De beslissende veldslag tussen Karel Martel en koning Radboud vond in het jaar 717 plaats te Vinciacum, tegenwoordig Inchy-en-Artois tussen Atrecht en Kamerijk. Deze geografische aanduidingen laten niets aan klaarheid te wensen over.

De traditionele kaart van noord-west Europa uit het boek over Redbad. Frisia wordt hier tussen 'Zwin en Lauwers' geplaatst. (Klik op de kaart voor een vergroting).

In de klassieke tekst van Gregorius van Tours wordt dat deel van Fresonia tot aan de oostelijke oever van de rivier die Lagbeki genoemd, waar ten tijde van koning Pepijn de grens lag tussen de christelijke Fresonen en de heidenen. De rivier Lagbeki werd opgevat als de Lauwers wat zowel chronologisch en etymologisch onaanvaardbaar is. Interpreteert men de Lagbeki als de Laak, dan is men dichter bij de historische en taalkundige waarheid. In Vlaanderen en Noord-Frankrijk bevinden zich verschillende rivieren en beken met deze naam, soms als Leek of Lacque geschreven. De meest waarschijnlijke toepassing is La Lacque, die te Aire ontspringt, bij Saint-Venant in de Lys valt en in oude bronnen als Laca bekend is.

Het in de Lex Frisonum genoemde Frisia lag tussen Sincfal (=Zwin) en Wiser (ook Wisera). Voor de Wisera moet men niet naar het noorden, maar juist naar het zuiden. De Wisera was niet de Weser (dat is een latere doublurenaam), maar de Wimereux in Frans-Vlaanderen.
Een andere passage in de Lex Frisonum plaats Frisia tussen Fle(h) en Sincfal. De Fle(h) was het Romeinse Flevum dat niet de Zuiderzee was, maar het Flie bij St.Omaars in Frans-Vlaanderen. Ook wordt Fle(h) wel eens opgevat als (het) Vlie, tussen Vlieland en Terschelling. Maar dan beperkt het land van de Friezen zich wel tot een erg klein gebied in het uiterste noorden van het huidige Friesland. Dat komt dan weer niet overeen met de overige gegevens over Frisia.

Op deze kaart worden Neustrië en Austrasië traditioneel maar verre van juist weergegeven. Lees meer over de juiste locaties.

De Slag bij Amel of de Slag bij Amblève is een veldslag uit de Frankische Burgeroorlog,maar had niets met Redbad te maken. De veldslag vond plaats in 716, nabij Amel (in de noordelijke Ardennen, in het Duitstalige deel van het huidige België). In dit gewapende treffen versloeg de hofmeier van Austrasië, Karel Martel, zijn Neustrische rivalen: koning Chilperik II met zijn hofmeier Raganfrid. Voor Karel Martel was het zijn eerste belangrijke overwinning.

We moeten ons in deze traditionele opvatting voorstellen dat Chilperik en Raganfrid even vanuit Soissons 300 km naar Amel trokken (dat is een tocht van 2 weken!) om Karel Martel te bestrijden en dan weer 2 weken terug? Waarom helemaal dáár? Hadden ze dan zo'n last van Karel Martel of hij van hun? Zou Karel Martel ze dan 'uitgenodigd of uitgedaagd hebben' om hem helemaal bij Amel te komen bestrijden? Dat is allemaal wel heel erg onlogisch voor een veldtocht in de 8ste eeuw!
Het jaar 721 wordt in verschillende kroniek het volgende vermeld: Deze Chilperic... bleef niet lang aan de regering. Hij is daarna gestorven en te Noviomus begraven.
Dit Noviomus was de Franse stad Noyon.
( Bronnen: Gesta regum Francorum, H dF , II, p. 572. Chronicon Moissiacense, H dF , II, p. 655. Ex Adonis Chronico, H dF , II, p. 671. Genealogia regum Francorum, HdF, II, p. 698. Annales Francorum, HdF, III, p. 699. Continuatio Fredegarii, H dF , II, p. 454. Chroniques de St. Denis, H dF , III, p. 208.)

Het bericht komt in nog meer dan de hier geciteerde bronnen voor. Zij geven andere vormen van de naam zoals: Noviomagus, Neomagus, Noyon, Noion, wat aantoont dat er geen verschil van interpretatie tussen die vormen gemaakt kan worden.

Uit deze bronnen blijkt duidelijk dat de Merovingen nog slechst in Noord-Frankrijk verbleven.
Als er dan in hetzelfde jaar schenkingen worden gedaan door Merovingische machthebbers aan St.Willibrord, moet men toch met heel sterk bewijzen komen om dat in Noord-Brabant te willen plaatsen. En de bewijzen zijn er niet. Overigens is de informatie over Chilperik voor het overgrote deel afkomstig van Gregorius van Tours. En waar Tours ligt is wel duidelijk.

De visie van Albert Delahaye.
715 - 720. Chilperic II, de laatste Merovingische koning, die in 720 door Karel Martel verslagen werd, had een residentie te Noyon. Daar werd hem door Karel Martel huisarrest opgelegd. Een kroniek zegt lakoniek: ” Hij kwam in de stad Noviomagus en verloor daar zijn levensdraad en zijn rijk” . Een andere zegt: te Noviomus, wanneer zij hetzelfde feit vermeldt. De kroniek van St. Denis, in het Frans geschreven, staat er zelfs letterlijk: Noyon.
De vormen Noviomagus en Noviomus zijn derhalve volkomen sinoniem en geheel gelijkwaardig. Omdat Noviomus een Romaanse vorm is, die in de 9e eeuw opkwam en in de 11e eeuw leidde tot de verdere verfransing van de naam tot Noyon, is vooral bij de Duitse historici de neiging ontstaan om die naam voor Noyon aan te zien, terwijl de gegevens over Noviomagus en Numaga systematisch naar Nijmegen werden getrokken. Dit is ook de regel geworden bij het indiceren van de bronnenuitgaven; Noviomagus of Numaga werd op Nijmegen begrepen, tenzij het door andere gegevens duidelijk was dat dit niet kon, en alles over Noviomus werd aan Noyon gelaten. Het kon vanzelfsprekend niet uitblijven dat dit tot de zotste determinaties aanleiding gaf, bijvoorbeeld dat een tekst over Noviomagus op Nijmegen werd toegepast, terwijl precies hetzelfde feit uit een tekst, waarin toevallig Noviomus staat, op Noyon werd begrepen. Sommige Duitsers hebben deze ’’regel” zo konsekwent toegepast, dat zij Immo en Transmarus, over- en overbekend als bisschoppen van Noyon, toch op Nijmegen indiceren. Het blijkt ook de opvatting van Leupen te zijn, wat hij verschillende malen laat merken, eens zelfs volmondig uitspreekt (Tweede Bronnenboek, blz. 6) door te schrijvan, dat Flodard met Noviomenses de inwoners van Noyon aangaf en met Noviomagus op Nijmegen doelde. Het is een onbetaalbare grap om te moeten konstateren, dat aan de mythe van Nijmegen en de verblindheid van de historici een onnozel misverstand ten grondslag heeft gelegen.


Even wat geschiedenis tussen 717 en 723.
In 717 voerde Karel Martel een veldtocht naar Neustrië. Op 21 maart van dat jaar boekte hij een beslissende overwinning bij Kamerijk (Cambrai) op Chilperic en achtervolgde hem en zijn hofmeier tot aan Parijs. Hij riep vervolgens Chlotarius IV uit tot koning van het gehele rijk, met hemzelf als hofmeier. Karel benoemde ook een nieuwe bisschop in Reims. In 718 werd in de Slag bij Soissons het leger van Odo van Aquitanië verslagen. Odo vluchtte terug naar zijn hertogdom en leverde in ruil voor vrede Chilperik II en diens hofmeier aan Karel Martel uit.

Van deze eerste alinea is wel duidelijk waar deze geschiedenis zich heeft voorgedaan: Neustrië, Kamerijk, Parijs, Reims, Soissons.

Nadat Karel Martel in 718 zijn macht heeft gevestigd in het Frankische Rijk, begint hij om het Frankische gezag over de noordelijke buurvolken uit te breiden en zijn noordelijke grenzen te beveiligen. In 718 verslaat hij de Saksen en verwoest Westfalen. Hij herovert vervolgens in 720 de verloren Friese gebieden en stelt Willibrord in staat om de zending vanuit Utrecht te hervatten. Van 720 tot 723 voert Karel campagnes tegen de Bayorici, waarbij hij wordt gesteund door de Alemannen.
Een toelichting op de onderstreepte woorden uit de tweede alinea vind je hiernaast.
Een toelichting op de onderstreepte woorden.
Voor de tweede alinea moeten enkele correcties worden toegepast met betrekking tot de hier genoemde plaatsen en streken.
De noordelijke buurvolken woonden vlak te noorden van de taalgrens in de Germaanse gebieden. Daar hoorde Nederland beslist niet bij, maar wel de Saksen aan de kust van Het Kanaal (bij Boulogne) waar ook het West-Wailly lag. De koning van de Westfali sloot zich in 775 aan bij de Saksen in hun opstand tegen Karel de Grote. De Friese gebieden lagen ten noorden van de Saksische gebieden aan de kust in Frans- en Belgisch Vlaanderen, waar ook het Trajectum van St.Willibrord lag. Het hier genoemde Beieren was de streek van Bavay, in veel klassieke teksten Bagiorences, Bajowari of Bajowaria, Bajorariai, Baioricum en enkele varianten genoemd. Het was niet Beieren, net zo min als Jacoba van Bavay ten onrechte van Beieren wordt genoemd. Deze naam is net zo onjuist als die van kruisvaarder Godfried van Bouillon, die niet uit Bouillon kwam, maar uit Boulogne-sur-Mer. De Alemannen waren de bewoners van plaatsen als Elesmes of Hélesmes ten noord-oosten van Cambrai. In noord-Frankrijk herinneren meer plaatsnamen aan de Allamannen, zoals Allamont (=Alaincourt bij St.Quentin), Allemant (Marne) en Allennes-les-Marais (Nord) waarvan de etymologische betekenis gegeven wordt van 'nom d'hommes germaniques', die blijkbaar in de moerassen aan de kust verbleven. Bij de massale doop van de Franken na de zege van Clovis = Chlodovech in 496 worden de Alemannen al eerder als overwonnen genoemd. Het is uitgesloten dat Clovis al Duitsland zou hebben veroverd. De Geograaf van Ravenna rekent ca.650 Alemannia nog niet tot het vaderland van de Franken. Het was beslist niet Duitsland, ook al heet Duitsland in Frankrijk Allemagne (in Engeland overigens ook onjuist Germany) en beelden alle historische atlassen dit foutief af.



Wat weten we uit de klassieke teksten?
721. Schenking van Herelaef.
Herelaef schenkt aan de kerk van de apostelen Petrus en Paulus en van de heilige bisschop Lambertus, die hij onlangs in de plaats Baclaos gebouwd heeft, waar nu bisschop Willibrord de beheerder is, drie hoeven met toebehoren uit zijn moederlijk erfdeel in het genoemde Baclaos; eveneens een hoeve in Fleodredum en een hoeve in Durninum. De akte is uitgegeven te Baclaos.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 30. Camps, Brab. Oork. nr. 8.

Nota. Baclaos is Bailleul op 14 km oost van Hazebroek. Fleodredum is Flętre op 6 km noordwest van Bailleul. Durninum is Drouvin op 4 km zuid van Béthune, of Douvrin op 13 km zuidoost van Béthune. Op te merken valt, dat de akte niets over Taxandria bevat noch iets anders dat op Brabant wijst, zodat Camps met de determinatie van Bakel, Vlierden en Deume weer vijf eeuwen op de historische feiten in Brabant vooruitloopt. Vanzelfsprekend vliegt hij ook met open ogen in de vervalsing met betrekking tot het patronaat van St. Lambertus voor de kerk van Baclaos; op dat tijdstip was pas de eerste Lambertus-kerk in Luik gesticht.

721. Schenking van Berta.
De godgewijde Berta schenkt aan de kerk van de H. Maria en de apostelen Petrus en Paulus in het klooster van Epternacum (Eperlecques) waar bisschop Willibrord abt is, haar bezittingen in Creucchovillare in de pagus Bedensis (Batua) aan de rivier Prumia. Gegeven in de plaats Sismere. Bron: Wampach, Quellen, nr. 33.

Nota. Creucchovillare is Crussemercq, een leengoed onder de gemeente Tilques, op 5 km noordwest van St.-Omaars. Met de rivier Prumia zitten we aan de Albis of Aa; de vervalsers hebben gelukkig dezelfde vervalsing aangehouden. De rivier behield haar naam tot bij Watten waar zij in het Almere uitstroomde. Sismere is Simencourt op 10 km zuidwest van Atrecht. Op te merken valt dat in de streek ca. 40 plaatsnamen voorkomen, samengesteld uit of met “croix” (kruis), zodat het voor de hand ligt dat de kopiisten van Echternach fouten hebben gemaakt en het niet mogelijk zal zijn de plaatsen met dit woord in de naam met zekerheid aan te wijzen. Let op hoe de vervalsers af en toe vergeten het patronaat van de H. Maria te vervangen door dat van Echternach.

In 721 ontving St. Willibrord drie hoeven land in Bacalos (Bailleul) ten gunste van de kerk aldaar, die was toegewijd aan de Twee Apostelen en St. Lambertus. Deze laatste patroon was voor Bakel onmogelijk, daar Lambertus op dat moment buiten zijn bisdom nauwelijks bekend was en pas onlangs in Luik de eerste Lambertus-kerk tot stand was gekomen. Toevallig heeft Bakel ook een St. Lambertus-kerk - ziet u ‘t vicieuze cirkeltje al liggen? - en was een nieuwe “historische zekerheid” geboren dat Baclaos Bakel was. Dat de ene plaats in Frankrijk, de andere in Brabant ligt en de namen meer dan vijf eeuwen van elkaar zonder de minste tussendocumentatie verschijnen, wat zou dat?
In 1260 erkende de abt van Echternach dat Gerard, een burger van Den Bosch, de helft van de tienden van Bakel verworden had, met de rechten en plichten uitgezonderd het patronaatsrecht van de kerk, welke tienden ridder Hendrik van Bakel tot dan toe van de abdij in leen had gehad. Laten we niet te zwaar tillen aan deze eenzijdige verklaring, die niet bevestigd is door andere gegevens. Het was de gewone tactiek van Echternach ergens een recht te pretenderen, om op een geschikt moment met zo'n “bewijs” naar voren te komen. Het vervolg toont aan, dat ‘t inderdaad niet meer is geweest dan het uitwerpen van een visje.

In 1267 ontstond een twist tussen kanunnik Amold van Aldeneik, die de kerk en de zielzorg van Bakel gekregen had van de aartsdiaken van Luik en in zijn rechten bedreigd werd door kanunnik Arnold van Trier, die namens de abdij van Echternach optrad. In feite werd de strijd gevoerd tussen de abdij en het bisdom Luik, die beide het begevingsrecht opeisten. De zaak is in deze zin opgelost dat het recht van Echternach tot het voorstellen van de pastoor werd erkend. Uit niets blijkt dat Echternach dit recht baseerde op de akte uit 721, doch we mogen gerust aannemen dat die haar geïnspireerd had en dat zij voor de rechtbank ermee gewapperd heeft. Eenmaal daar gevestigd, lag het voor de hand dat Echternach zijn rechten uitbreidde. In 1326 verkocht Jan III, hertog van Brabant, aan de inwoners van Bakel en Aerle alle rechten binnen bepaalde grenzen tegen een jaarcijns; die rechten behoorden voor de helft toe aan de abdij van Echternach. Uit het jaar 1358 bestaan enige oorkonden over de tienden van Bakel. De kleine tienden behoorden toe aan de pastoor, een derde deel van de grote tienden aan de abdij van Echternach. In 1399 verklaarden de zonen van Dirk van Gemert, dat zij de tienden der kerk van Bakel aan de abdij afstonden, dat zij Echternach geen verdere moeilijkheden in de weg zouden leggen, en dat zij alle oorkonden zouden afgeven die zij over de tienden in hun bezit hadden. Eindelijk, 132 jaren na de landing, heeft Echternach heel kerkelijk Bakel veroverd. Moet nog nader bewezen worden, dat de abdij rechten van derden verdrongen heeft, en dat zij links en rechts handlangers had zitten, die uit eigenbelang aan de loopgravenoorlog meededen?

Bronnen: Wampach, Urkunden, nrs. 125, 126,127, 239,441,442, 445, 446, 666 en Camps, Brab. Oork. nrs. 2, 7, 8, 31, 51, 61, 134, 280, 307, 310, 696.


De Hiernaast genoemde plaatsen, waarvan men er enkele in Noord-Brabant localiseert, liggen allemaal in Frankrijk rondom St.Omaars, Béthune, Atrecht (=Arras) en Valenciennes. De deplacements historiques spelen de historici grote parten.
In deze en enkele andere akten uit het jaar 721 worden de volgende plaatsen genoemd:

Baclaos is niet Bakel en/of Oss, maar Bailleul, op 14 km oost van Hazebroek. Bakel (N.-Br.) kan niet identiek zijn met Baclaos uit 721, daar de Brabantse plaats pas zes eeuwen later is gesticht. Zij heeft nimmer een Merovingische residentie gehad, en krijgt pas in 1267 een relatie met Echternach.

Creucchovillare is Crussemercq, gehucht van de gemeente Tilques, op 5 km noordwest van St.-Omaars.

Dangaesbroch is Dennebroucq, op 5 km zuidoost van Fauquembergues.

Durninum is niet Deurne, maar Drouvin, op 4 km zuid van Béthune, of Douvrin, op 13 km zuidoost van Béthune. Deurne (N.-Br.) kan niet identiek zijn met Durninum uit 721, daar de Brabantse plaats pas vijf eeuwen later is gesticht en zij pas in 1271 in relatie komt met Echternach.

Dupla, een pagus genoemd in een akte van 721, is het land van de Deule.

Fleodedrum is Flętre, op 6 km noordwest van Bailleul. Vlierden (N.-Br.) kan niet identiek zijn met Fleodedrum uit 721, daar de Brabantse plaats pas zes eeuwen later is gesticht en deze identificatie door de abdij van Echternach nooit is voorgestaan.

Haemni is Ham-en-Artois op 3 km zuidoost van Lens.

Meginum is Maing, op 7 km zuid van Valenciennes.

Millinga of Millingi is Millonfosse, op 12 km noordwest van Valenciennes.

Mons Clotariensis, genoemd in akten van 697 en 721, is Montcavrel, op 6 km noordoost van Montreuil.

Nitro is Nedon, op 16 km west van Béthune. Vermoedelijk moet het als Vitro gelezen worden en dan is het Vitry-en-Artois, op 14 km noordoost van Atrecht. Nutterden (D.) kan niet identiek zijn met Nitro uit 721, daar de Duitse plaats pas vijf eeuwen later is gesticht en zij pas ca. 1250 een relatie met Echternach krijgt.

Rinhari of Rinera, genoemd in akten van 721 en 947, is Riencourt, op 16 km zuidoost van Atrecht.

Sismere is Simencourt, op 10 km zuidwest van Atrecht.


Is er enig bewijs dat de 'Friese koning' Radboud een koning was en dat hij in het Nederlandse Friesland resideerde? Neen, in totaal niet! Hat is overduidelijk dat de Friese vrijheid zover ging dat hun individuele instelling niemand uit hun midden als koning of graaf erkende. Een Frieze koning is er dus nooit geweest.
In het jaar 695 overwon koning Pepijn de Friezen met hun aanvoerder in de slag bij bij de burcht van Duristato. Lees hier alles over Duristato. Radboud vluchtte naar ''Denemarca" , wat niet Denemarken was maar de mark van de Noormannen (lees hier alles over de Noormannen), het latere Artois of Normandië. Direct vóór de slag spreken de bronnen van een treffen tussen Franken en Friezen bij Textricum, dat zonder twijfel als Testry in de omgeving van Atrecht moet worden opgevat. De beslissende slag tussen Karel Martel en koning Radboud vond in het jaar 717 plaats te Vinciacum, tegenwoordig Inchy-en-Artois tussen Atrecht en Kamerijk. Deze geografische aanduidingen laten niets aan klaarheid te wensen over. Het zou een onvoorstelbare klucht zijn te veronderstellen of te rekonstrueren, dat de Nederlandse Friezen zo ver in Frankrijk slag gingen leveren tegen de Franken, temeer omdat de bronnen niet het minste verhalen over de reis naar die buitenlandse wedstrijd, wat ten overvloede tot een top-absurditeit wordt gevoerd door het feit, dat de archeologie in Nederland in die periode geen bewoning van betekenis heeft aangetoond. Waar zijn in Nederland de relicten van dit grote volk van de Friezen, dat zich gedurende vier decennia gewapenderhand tegen de Franken verzette? Laat men eindelijk eens nuchter worden, en de duidelijke geografische aanduidingen van de bronnen stellen tegenover de vage en irreële fantasieën over Friesland, die geen enkele historicus nog ernstig neemt, maar die desondanks in de lucht blijven hangen. Bovendien zijn in de vroege bronnen de teksten niet te tellen, die met duidelijke woorden Frisia in Vlaanderen plaatsen. ''Buren van de Moriniërs (Boulogne-Terwaan) is een regelmatig terugkerende uitdrukking. Lees hier alles over de Friezen. In talloze bronnen wordt Radboud genoemd, zoals in: Annales Sancti Amandi, Sanctae Columbae Sensonsis, Mettenses (De jaarboeken van Metz, Noord-Frankrijk) en nog een twaalftal andere jaarboeken. Deze zijn voor het grootste deel van elkaar nageschreven. Opvallend in die naschrijverij is dat er juist in de jongere bronnen allerlei gegevens aan toegevoegd worden, die in de oudste bronnen niet te vinden zijn. Er zit in elk geval geen enkele Nederlandse, Hollandse of Friese bron tussen!




Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.