Terug naar de lijst Naar het overzicht in het kort.

Praetorium Agrippinae = Valkenburg Elinghen

Praetoriom Agrappinae is waarschijnlijk Valkenburg bij Leiden, niet Arentsburg bij Voorburg. (Bron: Katholieke Encyclopedie, 1954, deel 20, kolom 415.)

In de Romeinse tijd heette Valkenburg hoogstwaarschijnlijk Praetorium Agrippinae. Deze naam is bekend van de Tabula Peutingeriana, een middeleeuwse kopie van een derde of vierde-eeuwse Romeinse wegenkaart. De naam duidt hoogstwaarschijnlijk op een castellum. Het stichtingsjaar is 39 of 40 n.Chr. (Bron: Archeologie Magazine 6-2000, p.53)


Praetorium Agrippinae was een belangrijke Romeinse badplaats (zie het vignet op de Peutingerkaart, zie afbeelding hierboven) en was tevens een grote vesting- en garnizoensplaats en bestuurscentrum, waarvan bij alle opgravingen in Valkenburg nooit iets is gebleken.

Aanwijzingen voor bewoning in de 4de eeuw zijn in de hele vicuszone niet gevonden.
De identificatie van Valkenburg-De Woerd met het complex Praetorium Agrippinae bezit nog een sterk hypothetisch karakter. (Van Es, o.c.p.82).

Dat Praetorium Agrippinae op Valkenburg slaat, kan haast niet missen (Van Es, o.c.p.80).


Het berichtje is een schot in de roos voor de opvatting van Delahaye. De noordgrens is zeker betwist of liever gezegd het is duidelijk dat die noordgrens enkele honderden kilometers zuidelijker ligt dan de archeologen en historici ons willen doen geloven. Dat van het jonge "kanonnenvoer" niets is teruggevonden is duidelijk. Dat kanonnenvlees zat aan de echte Limes Germanicus en die lag waar nu de taalgrens in België ligt.
Conclusie: 'Tabula rasa' met de limes in Nederland, ofwel begin maar opnieuw met alles te onderzoeken en vast te stellen.


Legenda van deze kaart:


Opvallend: ook in de Redelijk Toegankelijk gebied, zelfs in de Toegankelijk gebied zijn de Romeinen nauwelijks geweest, wat wel blijkt uit de archeologie.
Als voorbeeld: in Amersfoort, toch in donkergroen gebied, is nergens ook maar iets Romeins gevonden.
Met de opgravingen in Valkenburg (Zuid-Holland) en de interpretaties ervan wordt duidelijk aangetoond hoe de Nederlandse Archeologie werkt. Uit onderstaande teksten blijkt overduidelijk dat de 'geleerde heren' het allerminst met elkaar eens zijn. Er bestaat nog steeds geen eenduidige opvatting over de locaties van de plaatsen die op de Peutingerkaart worden genoemd. Wat voor Valkenburg geldt, geldt ook voor andere plaatsen van de Peutingerkaart die men in Nederland meent te kunnen plaatsen.

Valkenburg (Zuid-Holland) is de meest onderzochte Romeinse plaats in Nederland. Uit alle opgravingen vanaf 1928 blijkt Valkenburg allerminst te voldoen aan wat er -gezien het vignet op de Peutingerkaart- verwacht mag worden: een badplaats! Plaatsen met eenzelfde vignet heten allemaal 'Aqua....', zoals Aquae Segeste, Aquas Regias, Aquas Labodes, Aquis Tatelis en nog zo'n 30 andere aqua's.
Vergelijkt men daarnaast de op de Peutingerkaart aangegeven afstand van 2 Romeinse Mijl (is 2x1,48km=2,9 km) tussen Lugdunum (dat men voor Katwijk houdt) en Praetorium Agrippinae (Valkenburg-de Woerd) met de werkelijke afstand die 5,5 km is (zie afbeelding hiernaast) tussen beide Romeinse vindplaatsen, dan komt dat verre van overeen. Het is een afwijking van 54% wat onaanvaardbaar is en waarover door historici in Nederland steeds gezwegen wordt. De Romeinen konden toch echt wel rekenen. Indien men voor Lugdunum 'de Brittenburg' houdt, dan wordt de afwijking in de afstanden zelfs 60%. Vergelijkbare afwijkingen in afstanden komen meer voor op de Peutingerkaart, vandaar de opvatting dat de Peutingerkaart te onbetrouwbaar is om er bewijzen op te baseren. Lees meer over de Peutingerkaart.
Overigens lag Lugdunum volgens de Peutingerkaart een flink stuk van de kust en van de Renus (Rijn?) af en daar voldoen Katwijk of de Brittenburg ook allerminst aan. Het zijn details, maar juist deze details bepalen de 'waarde' en de 'waarheid' van de bewijzen die op de Peutingerkaart gebaseerd zijn.
De opgravingen en aangenomen opvattingen in Valkenburg staan model voor andere Romeinse vindplaatsen. Veel, zo niet alles, is gebaseerd op hypothesen en speculaties. Harde bewijzen zijn er niet. Lees het artikel over de Romeinse Limes.

Over de juist ligging van Praetorium Agrippinae bestaat al sinds de twintiger jaren van de vorige eeuw tussen archeologen en historici verschil van mening. Lag het vermeende castellum in 'de Woerd' of op 'de dorpsheuvel' of elders? (Teksten hieronder in blauw en in de kaders, zijn afkomstig van artikel in NRC d.d.27 juli 1985).
  • De eerste archeoloog die in 1928 enkele proefsleuven in de Valkenburgse klei liet maken was A.E.Remouchamps. Dat verleide hem tot de hypothese dat er een castellum van Romeinse hulptroepen moest hebben gestaan.
  • Maar A.E.van Giffen geloofde hier niets van en zette de schop in 1941 in de Valkenburgse dorpheuvel die, gelukkig toeval, juist een jaar eerder door oorlogshandelingen van bebouwing was ontdaan. Hij stelde een rasecht castellum vast van maar liefst zeven opeenvolgende bouwlagen.
  • H.Brunsting stelde in aanvullend onderzoek in de Woerd, dat Remouchamp zich vergist moest hebben. Hier was niets te vinden dat op een castellum wees.
  • Toen er in de dorpsheuvel een scherf werd gevonden met ingekraste letters «grippin» leek het pleit beslecht en stond 'de dorpsheuvel' voortaan te boek als 'Praetorium Agrippinae'.
  • Zo had het kunnen blijven als de Nijmeegse professor J.E.Bogaers in 1964 niet onverwacht een grote kei in de rimpeloze wetenschappelijke vijver had gegooid. Hij lanceerde een nieuwe ingenieuze theorie van de naam zelf. Een praetorium was een luxe verblijfplaats van een praetor (een hoge functionaris), een luxe 'staatshotel' en daar voldeed de dorpsheuvel allerminst aan, ergo: Praetorium Agrippinae moest elders worden gezocht. En weer priemde een hooggeleerde vinger in de richting van de mysterieuze 'Woerd'.
  • De verwachtingen waren dan ook hooggespannen toen een gelegenheidsopgraving in 1972 het definitieve antwoord moest brengen. Groot was de teleurstelling toen er op de Woerd geen spoor van enig 'staatshotel' of zelfs maar een eenvoudig wegrestaurant te ontdekken viel. In plaats van overdadige luxe bleek de terp-aarde slechts alledaagse zaken als graanschuren en (later) boerderijen te verbergen. De opgravers interpreteerden de oudste fase van hun ontdekking, naar aanleiding van een suggestie van H.Brunsting, als een havengebied.
  • Hoewel deze theorie niet helemaal bevredigde, werd de naam Praetorium Agrippinae voorzichtheidshalve maar aan het gehele havencomplex toebedacht.
  • Wellicht zou het gezochte 'staatshotel' toch direct naast het fort hebben gelegen.
  • Toen archeologen in 1985 wederom de Valkenburgse bodem beroerden, werd een uitgebreid grafveld gevonden. Naast het grafveld werden sporen van een graanschuur gevonden omgeven door een spitsgrachtje. Deze vondst nodigde de onderzoeker uit tot het doen van overhaaste speculaties. Was dit nu dan eindelijk het 'Preatorium Agrippinae'?
  • Neen, helaas wéér te vroeg gejuicht. Want voor het langezochte 'praetorium' was het tenminste een eeuw te jong. Praetorium Agrippinae was volgens prof. Bogaers naar Agrippina genoemd, de intrigerende en complotterende echtgenote van keizer Claudius (keizer van 41 tot 54).
  • Sommige onderzoekers hebben nu gesuggereerd dat hier het Britse graan kan zijn overgeslagen, nu er veel meer graanschuren lijken te zijn ontdekt.
  • Een andere mogelijkheid is dat het 'havencomplex' juist lokaal graan werd opgeslagen. Die laatste mogelijkheid nu, suggereert de aanwezigheid van een 'statio', dat zich het beste met een 'gouvernementspost' laat omschrijven.
  • De laatste voorziening biedt een aanknopingspunt: wellicht waren de 'statio'en 'praetorium' twee namen voor dezelfde instelling.
    Er blijft voorlopig dus nog wat te spitten over in de Valkenburgse weerbarstige klei.

    Volg je dit verhaal nauwgezet, dan wordt er geen enkel bewijs geleverd dat deze Romeinse vestigingsplaats ooit de naam Praetorium Agrippinae gedragen heeft. Ook het vignet op de Peutingerkaart, dat staat voor een belangrijke badplaats, liefst met verwarmde baden, voldoet hier niet. Van een badplaats is bij de opgravingen in Valkenburg niets gebleken, net zo min van een belangrijk verblijfplaats van een Praetor.

    De visie van Albert Delahaye.
    Dat Valkenburg het Pretoriu agrippine van de Peutingerkaart zou zijn, is nog steeds een onbewezen hypothese. Lees meer over de Peutingerkaart. In de visie van Albert Delahaye is Praeterium Agrippinae de Franse plaats Elinghen, op 7 km. van Leulinghen (dat Lugdunum is) wat overeen komt met de gegevens van de Peutingerkaart.


    De Nederlandse traditie zoals die sinds 1981 wordt gevolgd.
    Het castellum Valkenburg is in 15 campagnes sinds 1941 grotendeels opgegraven en behoort tot een van de meest onderzochte castella van Europa. Het dateert van vermoedelijk 40 n.Chr. en heeft bestaan uit 6 of 7 perioden. De laatste periode dateert van omstreeks 178 na Chr en had een omvang van 120 bij 140 meter, ofwel de oppervlakte van een flinke boerderij. Van een stad is helemaal geen enkele sprake.
    Praetorium Agrippinae van de Peutingerkaart was een belangrijk Romeinse badplaats (zie het vignet op de kaart en de afbeelding hiernaast) en was tevens een grote vesting-, garnizoensplaats en bestuurscentrum, waarvan bij alle opgravingen in Valkenburg nooit iets is gebleken.
    Van Es (o.c., p. 80, 82, 116) presenteert aarzelend De Woerd als kandidaat, doch eerlijk erkent hij dat deze determinatie archeologisch uiterst zwak staat. "Maar het kan toch wel waar zijn", besluit hij, wat nogal laconiek en weinig overtuigend klinkt uit de mond van de (voormalig) directeur van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodenonderzoek (R.O.B.).

    Vroeger werd aangenomen dat met het binnenvallen van de Franken in de tweede helft van de 3de eeuw een deel van de castella aan de Nedergermaanse limes, vooral die ten westen van Nijmegen, verwoest en opgeheven werden. Intussen kijkt men daar iets genuanceerder tegen aan. Van invallende Germaanse stammen is in Nederland nooit iets aangetoond. Dat was ook niet mogelijk want ten noorden van de Rijngrens woonden (volgens de -foutieve- traditie) de Friezen langs de kust en verder was Nederland onbewoond.

    Er is door de Nederlandse historici nooit een aannemelijke verklaring gegeven, waarom een Limes tegen invallen van Germaanse stammen langs de Nederlandse Rijn nodig geweest zou zijn. Er viel in Nederland immers geen enkele inval vanuit het noorden te vrezen. Ten noorden van de Romeinse plaatsen in Zuid-Holland en Utrecht bestond Nederland uit één groot veenmoeras en waddengebied (zie Van Es, o.c. p.19 en het kaartje hiernaast uit ca.100 n.Chr. Klik op het kaartje voor een vergroting). De in Noord-Holland, Friesland en Groningen vermeende Friezen hadden met de Romeinen in 12 v. en 47 na Chr. verdragen gesloten, waardoor elke dreiging geëlimineerd was (Byvanck, o.c.p.199 en 206-219). Ten noorden van de Rijn in Gelderland, was het één groot leeg gebied, waar zelfs geen enkele bevolking aanwezig was. "Opvallend is ook dat tot nu toe niemand ooit een stamnaam met de Veluwe of de Utrechtse Heuvelrug verbonden heeft", schrijft Van Es (o.c.p.31). "In het oosten van Nederland woonde geen enkele stam waarvan wij de naam weten, schrijft Byvanck (o.c.p.218). Immers had er een stam gewoond die voor de Romeinen een dreiging geweest zou kunnen zijn, dan had men de naam wel geweten. Bechert (o.c.p.15) vermeldt dat de rechter Rijnoever tot wel 3 km. onbewoond was.
    Alle Germaanse stammen waarmee de Romeinen voortdurend in conflict waren, worden door de traditionele historici ten oosten van de Rijn in Duitsland geplaatst. En juist in het Duitse deel van de Rijn, met name tegenover de Lippe en de Ruhr, was de grens maar matig bezet met slechts drie castella, te weten Xanten, Alt-Kalkar en Moers-Asberg. Over de Rijngrens tussen Alt-Kalkar en Moersbergen, een afstand van 128 km (volgens opgave van de Peutingerkaart; in werkelijkheid slechts 47 km., waarmee meteen aangetoond is dat de Peutingerkaart hier niet past) lagen slechts deze drie castella. Over de hele Nedergermaanse grens vanaf Katwijk tot Remagen, een afstand van 350 km, bestond de grensbewaking aanvankelijk uit 6 legioenen, aan het eind van de eerste eeuw uit slechts 2 legioenen (is 12800 man), een aantal dat daarna constant bleef (Bechert, o.c.p.20-21; op p.23 noemt Bechert een aantal van 21.000 aan het begin van de 3e eeuw). De Romeinen vreesden blijkbaar geen invallen van allerlei Germaanse stammen aan de grens langs de Rijn, want met 21.000 man over 350 km. houd je geen volksverhuizingen tegen. Bovendien is het vreemd dat juist ná de Opstand der Bataven het aantal legioenen aan de Rijngrens werd verminderd. Opvallend is verder dat er in Nederland ten zuiden van de rivieren weinig tot niets was dat tegen die vermeende aanvallen beschermd had moeten worden. De Romeinse overblijfselen in Zuid-Nederland zijn sporadisch en bestaan vaak uit niet meer dan de resten van één enkele boerderij (villa). We zijn hier even sec van de Nederlandse traditie uitgegaan, waarbij de onlogica meteen al voor zich spreekt.

    De forten aan de Beneden-Rijn, tussen de afsplitsing van de Waal en de kust, zijn op zijn laatst ten tijde van het opheffen van het Gallische rijk (274) en de komst van de Franken rond 275 verlaten. Ook zijn er (volgens enkele historici) ook bewijzen dat minstens een deel van deze militaire kampen zoals bijvoorbeeld Meinerswijk (bij Arnhem), Utrecht en Valkenburg in de 4de eeuw opnieuw in gebruik genomen zijn. (Bechert o.c. p.26/27).

    De oorzaak voor het verlaten van dit deel van de Rijnoever moet niet gezocht worden in het binnenvallen van de Franken, maar in de toenemende wateroverlast. Aanwijzingen voor bewoning in de 4de eeuw zijn in de hele vicuszone niet gevonden. (Bechert o.c. p. 95, waarbij Bechert zijn eerdere conclusie -zie vorige alinea- dus tegenspreekt)

    Dr.L.P. Louwe Kooijmans noemt op p.72 niet Valkenburg, maar "bij Katwijk" als de locatie van Praetorium Agrippinae. Hoe hij tot die locatie komt wordt niet vermeld.
    Overigens "vertaalt" hij Patabus met Maas, terwijl men er in Nederland doorgaans de Waal voor aanziet.
    Uit bovenstaande determinaties mag blijken dat de Nederlandse interpretaties allerminst "een traditie sinds de Romeinen" zijn, zoals prof. Hugenholtz eens meende te moeten uitroepen!

    De vondst van een grafveld in Valkenburg werd in 1985 breed uitgemeten in de pers. Er werd één familiegraf (vader, moeder, kind) gevonden. Daarmee werd meteen verondersteld dat het 1. om Romeinen ging en dat 2. soldaten wel degelijk ook trouwde, ook al was dat in het Romeinse leger niet toegestaan. Op grond van bijgiften dateerde men dit graf op de 4e eeuw. Met hetzelfde graf wil men tevens bewijzen dat daarmee ook 3. het bestaan van een nederzetting is aangetoond en 4. dat Valkenburg in de 4e eeuw nog bestond. Dit was vooral bijzonder omdat tot nu toe algemeen werd aangenomen dat de Romeinse nederzettingen langs de Rijn allen in de derde eeuw werden ontruimd.
    Om op grond van één graf vier (zie de nummering hierboven) zulke verregaande conclusies te trekken is de archeologie eigen. Men wil kost wat kost bewijzen wat in de traditie wordt beweerd. Mar dat ene graf komt niet overeen met de belangrijke badplaats die Praetorium Agrippinae gezien de Peutingerkaart was. Dat ene graf doet meer denken aan "die ene zwaluw....".