De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel.

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!




Klik de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.

De verhalen rond Koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel hebben altijd tot de verbeelding gesproken. In dit hoofdstuk gaan we vooral op zoek naar de locaties, zover die uit de teksten af te leiden zijn. Het zijn verhalen die vele generaties doorverteld werden en bepaalde overeenkomstige elementen bevatten. Uiteindelijk zijn deze verhalen op schrift zijn gesteld, waarbij het niet altijd even eenvoudig is om de fantasie van de werkelijke geschiedenis te onderscheiden, al is dat niet onmogelijk. Als een verhaal zich op zee of aan een rotskust heeft voorgedaan, kun je zo'n verhaal niet op een vlak zandstrand plaatsen.

De visie van Albert Delahaye.
Veel volksverhalen en legende over heiligen bevatten bepaalde overeenkomstge elementen, waarbij wonderbaarlijke gebeurtenissen en zelfs wonderen een rol spelen. De verbeeldingskracht en fantasie van hen die met verve de pen voerden, hebben het nodige zoveel mogelijk zelf ingevuld bij de enorme lacunes aan essentieel bronnenmateriaal. Van alle historici verzinnen de mediëvisten het meest. Ze moeten wel, want van perioden waarvan zo weinig bronnenmateriaal voor samenhangende reconstructies voorhanden is, wordt de afwezigheid opgevuld met eigen gedachten. Daarbij laat men zich nauwelijks hinderen door een schaarste aan bronnen terzake, maar vult de lancunes in met gratis beweringen 'zoals het wel geweest zal zijn'. Worden die gratis beweringen vervolgens niet tegengesproken, dan leven ze voort als 'zekerheden'. De onnavolbare 'naschrijverij' doet de rest.


Oude Saksische literatuur.
Het verhaal van koning Arthur kwam op dezelfde wijze als de Beowulf in Engeland terecht, zoals het Ludwigslied en de Nibelungen in Duitsland terecht kwamen. Het waren Frankisch-Saksische verhalen. Zorgvuldig onderzoek plaatst die verhalen in de juiste streek.
Deplacements Historiques.
Historische verplaatsingen hebben zich niet alleen voorgedaan met plaatsnamen, maar ook met verhalen en personen. Waar de geschiedenis onzeker is vanwege ontbrekende bronnen, wordt de fantasie van de schrijvers des te groter.


Wat weten we uit de klassieke teksten?

De algemene opvatting is dat de verhalen rondom Koning Arthur getuigen van een buitengewone vruchtbare fantasie van de schrijvers. Is hij wel een historische figuur of diende die verhaal een ander doel? De heroïsche strijd tussen Britten en Saksen? Inkomsten voor het klooster van de auteur?

Middeleeuwse Arthurvisies voor divers gebruik, schreef J.D. Janssens in zijn artikel in BZZLLETIN 124.
De belangrijkste bron over de verhalen van Koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel, is Geoffrey van Monmouth (ca.1090/1100 - 1154/1155). Hij was een katholieke geestelijke en geleerde en een van de belangrijkste Britse geschiedschrijvers. In 1152 werd hij bisschop van St Asaph. Geoffrey schreef verschillende belangrijke boeken, in het Latijn, waaronder Historia Regum Britanniae (Geschiedenis van het Britse rijk). Volgens De Historia zouden de Britse koningen afstammen van de Trojaanse held Aeneas. De Historia is een van de eerste teksten waarin Koning Arthur en Merlin voorkomen en de oudste nog bestaande tekst die King Leir vermeldt. Die afstamming van Aeneas dat we ook lezen bij de geschiedenis van de Friezen, maakt het geschrijf verdacht. Koning Arthur is een figuur uit de Keltische legenden en de middeleeuwse hoofse literatuur, wiens historiciteit niet vaststaat. Hij is de centrale figuur in de Arthur-legenden. In vroege Welshe teksten wordt hij nergens koning genoemd, maar dux bellorum, en middeleeuwse teksten noemen hem vaak amerauder (heerser). Hij zou geleefd hebben in de zesde eeuw, nadat de Romeinse legioenen Engeland verlaten hadden. Sommige historici identificeren Arthur met ene Riothamus, een "Bretonse koning" die tijdens de regering van de Romeinse keizer Anthemius leefde. Helaas is over Riothamus weinig bekend; het is zelfs niet zeker of "Bretonse koning" refereert aan een koning van Brittannië of van Armorica; de oude naam van Bretagne. Andere historici stellen dat er geen bewijs is dat Arthur daadwerkelijk heeft bestaan.

Arthur wordt het eerst genoemd in Welshtalige literatuur. In een vroeg Welsh gedicht, 'Y Gododdin' van de dichter Aneirin (7e eeuw), vinden we over 'Gwawrddur': 'Hij gaf de raven te eten, al was hij niet Arthur'. Dit gedicht echter, is in de loop der tijd gewijzigd en aangevuld, en het is niet zeker of de bedoelde regel een latere aanvulling is, dus niet authentiek is. Arthur wordt ook in het Welshe Boek van Taliesin genoemd, bijvoorbeeld 'De zetel van de heerser refereert aan Arthur de gezegende'. In andere gedichten komen zinsnedes voor als "de moed van Arthur, wij gingen met Arthur in zijn grootse daden en zoals bij de slag bij Badon met Arthur, gever van feesten, met zijn zwaarden rood van de strijd, zoals allen herinneren".
Rond 830 schreef de monnik Nennius zijn Historia Britonum. Over dit werk wordt gezegd dat het een samenvoeging is van vroege legendes en geschiedenissen uit Wales. In dit boek wordt Arthur 'leider in de strijd' genoemd, en niet koning: "Toen streed Arthur tegen hen in die dagen met de koningen van de Britten, maar hij was zelf de leider in de strijd (dux bellorum)."

In 1191 beweerden monniken van de Abdij van Glastonbury de lichamen van Arthur en zijn vrouw Guinevere ten zuiden van de Lady Chapel (Vrouwenkapel) te hebben opgegraven. Alles rondom die opgraving is er niet meer. In 'de geschiedenis van de abdij' uit 1291 van Adam van Domerham, een monnik van de Glastonbury abdij, die vermoedelijk als bron mondelinge overleveringen gebruikte, is ook geen bewijs te vinden. Over het algemeen wordt aangenomen dat de vondst van de monniken vals is. Een politiek motief was volgens Geraldus dat koning Henry II met het opgegraven lichaam wilde bewijzen dat Arthur niet was opgestaan in de persoon van zijn kleinzoon Arthur I van Bretagne, wat opstandige Keltische volken had geïnspireerd bij hun oproer. Een financieel motief zou zijn, dat de monniken, die bezig waren met het herstellen van de brandschade, die in 1184 was ontstaan, fondsen wilden werven door pelgrimstochten naar het klooster te stimuleren. De vraag waarom Arthur volgens beide motieven met Glastonbury werd geassocieerd is niet beantwoord en niet te bewijzen.

Dit verhaal vertoont veel overeenkomsten met het klooster van Echternach en het daar gevonden corpus van St.Willibrord, dat aantoonbaar vals is.

De Arthur-legende wordt traditioneel aan Engeland toegeschreven, immers daar werd er het meest over geschreven. Maar is het een verhaal uit Groot-Brittannia of over Klein-Brittannia dat Bretagne was. In het Franse Bretagne vind je ook de andere 'ingrediënten' van deze verhalen terug, zoals het zwaard Excalibur en het eiland Avalonia (Avalon?) en de ridders van de Ronde Tafel. Le Forêt de Brocéliande in Bretagne wordt als plaats genoemd van de herkomst van deze legenden. Hier komt een sprookjesachtige wereld tot leven, bevolkt door de fee Viviane, Merlijn de Tovenaar en de ridder Lancelot. De bron van Barenton is een van de plekken in het bos die het meest beheerst wordt door deze legenden. Op deze plek, diep in het bos gelegen, zou Merlijn de Tovenaar Viviane hebben ontmoet.

Zie de afbeelding van de Ridders van de Ronde Tafel hiernaast, en de foto's hieronder van de bron van de Barenton, in het midden het graf van Merlin en rechts het zwaar Excalibur, dwars door een rots gestoken. Toeristische trekpleisters uiteraard.

Het verhaal van koning Arthur kwam op dezelfde wijze als de Beowulf in Engeland terecht, zoals het Ludwigslied en de Nibelungen in Duitsland terecht kwamen. Het waren Frankisch-Saksische verhalen. De twaalfde-eeuwse kroniekschrijver Geoffrey of Monmouth vervult hier een belangrijke rol. Zonder zijn Historia regum Brittanniae ('Geschiedenis van de koningen van Brittannië', uit 1138), en de daarin verwerkte sagen over de vijfde-eeuwse Koning Arthur, zouden we een belangrijk deel van de Europese cultuurgeschiedenis missen en zeker de Arthur-romances van de Franse schrijver Chrétien de Troyes. Hij is het die de Arthur-legenden op schrift stelde, Monmouth nam zijn geschriften over en verplaatste die naar Engeland. Veel van de bekende Arthur-elementen zijn pas later aan de legende toegevoegd. Bij Monmouth is er nog geen zwaard in de steen, geen zoektocht naar de Heilige Graal (hij schrijft een Keltische en dus heidense geschiedenis die door de Roomse kerk 'verboden' werd!). Er is nog geen sprake van het verraad van Sir Lancelot, want het is Arthurs aartsvijand Modred met wie koningin Guinevere ervandoor gaat. Al die romantische toevoegingen zijn uitvindingen van hoofse dichters in Frankrijk, die Geoffrey's held tot een bijfiguur in hun gedichten degradeerden. Als je al kunt spreken van een historische Arthur -het is niet eens zeker of hij wel bestaan heeft- zijn alle bronnen die wij kennen op zijn vroegst gekopieerd aan het eind van het eerste en begin van het tweede millennium, meer dan vierhonderd jaar na de beschreven gebeurtenissen. Hier zijn veel overeenkomsten te vinden met het ontstaan van de 'vaderlandse' (Nederlandse) geschiedenis.



Wanneer dichters verhalen vertellen, gesitueerd in een 'episode' (uit Arthurs regering) waarvan historisch niets vastligt, krijgt de verbeelding ulteraard vrij(er) spel. De lacune werd opgevuld door gegevens uit hoofdzakeliik mondelinge overleveringen: dwergen, reuzen, mysterieuze Jonkvrouwen, bizarre schepen en kastelen, wonderen van magische oorsprong doen massaal hun intrede en schenken de verhalen hun veelbesproken sprookjesachtige karakter. Met het sprookje hebben de niet-historische Arthurromans niet enkel het vanzelfsprekende Wonder, maar ook het (schijnbaar) atemporeel universum gemeen: in het 'te enen male' zien we de hoofdpersonages optreden en evolueren, zonder dat ze ouder worden (of sterven).

De volkse overlevering rond koning Artur, zijn omgeving en rond aanverwante Brits-Keltische thema's bleef niet beperkt tot Engeland. Reeds vroeg, d.w.z. vóór 1136 - dus onafhankelijk van de Historia van Galfridus van Monmouth - drong de Arturstof door op het continent, waar men zich nochtans bewust bleef van de herkomst van het stofcomplex en er sprak van 'Matière de Bretagne' (d.i. Groot- of Klein-Brittannië?), getuige de proloog van Jean Bodel in zijn Karel-epos, Chanson des Saxons (ca. 1200).
Met een spectaculair verhaal van mysterieuze avonturenwouden, dwergen en reuzen en de wondertuin met zijn science-fictionafsluiting, creëerde Chrétien de Troyes de eerste Artur-roman, Erec et Enide (ca. 1170) en werd hij tegelijk de vader van een nieuw genre, dat de niet-historische Arturroman werd genoemd. Het niet historische zat vooral in het sprookjesachtige van het verhaal.
In navolging van Chrétien zijn talrijke dichters niet-historische Arturromans gaan schrijven: Guillaume Ie Clerc met zijn Fergus, Raoul de Houdenc met Meraugis, een zekere Raoul (dezelfde als de voorgaande?) met La Vengeance Raguidel, een Henegouws dichter met Hunbaut, een Normandisch (of Picardisch?) dichter met Durmart Ie Gallois, enz. Allen hebben ze zich aan het grote voorbeeld opgetrokken, slechts zelden echter bereikten ze zijn niveau.

De historische Arthur (als die al bestaan heeft) hult zich telkens opnieuw in een waas van mysterie, alle verdienstelijke identificatiepogingen ten spijt en verdwijnt ongrijpbaar in de nevelen van de tijd. Het probleem van de historiciteit van Arthur is nagenoeg onoplosbaar, al lijkt hij wel de vorst met de meeste reputatie van de Britten te zijn. Het is het verstandigst in dit verband de woorden aan te halen van Richard Barber, een onderzoeker die zich nochtans uitvoerig met de kwestie heeft ingelaten: 'lt is a riddle with no answers, or several. .. But even though we know there can be no clear answer, the riddle is fascinating in itself.' "Het is een raadsel zonder antwoorden, of met meerdere... Maar ook al weten we dat er geen duidelijk antwoord kan zijn, het raadsel is op zichzelf fascinerend genoeg".

Wat ons bij dit alles interesseert is de vaststelling dat in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw koning Arthur (naast anderen: Godfried van Bouillon, Tancred, Richard Leeuwenhart, enz.) model was voor een sterk geïdealiseerde levenshouding zoals men dat voorstond. Men greep terug naar een ver verleden (twaalfde tot vijftiende eeuw) om uit de hoogtepunten van grootse, ridderlijke daden een ideologie te smeden waarop een harmonische samenleving kon worden gebouwd. Tussen haakjes: eigenlijk was hetzelfde ook al gebeurd in de twaalfde eeuw! Koning Arthur, met de 'Negen Besten' (Les Neuf Preux) en zovele andere helden leek een nieuw leven beschoren. Zie afbeelding hiernaast: Arthur is de derde van rechts.

De Negen Besten (Dapperen) bestaan uit 3 heidense helden: Hector, Alexander de Grote en Julius Caesar; 3 bijbelse helden: Jozua, Koning David en Judas van Maccabée en 3 christelijke helden: Koning Arthur, Karel de Grote en Godfried van Bouillon.

Het motief van de Neuf Preux verschijnt voor het eerst in Les Voeux du Paon, een vers geschreven in een roman samengesteld door Jacques de Longuyon, die oorspronkelijk dient voor een feestelijke opvoering in Arras rond 1312. De held van dit gedicht wil rivaliseren met de illustere krijgers uit het verleden en put successievelijk uit de drie bronnen van de Grieks-Romeinse, Joodse en Christelijke oudheid om zijn modellen te kiezen. Het succes van het thema is zodanig dat het zich snel over heel Europa verspreidde.

Het is vergelijkbaar met de opvoering van de Bataven in Holland als dappere voorouders in hun strijd tegen de Romeinen en de strijd in de 80-jarige oorlog tegen de toemalige overheerser: Spanje. Het diende om een nationaal gevoel en bewustzijn in te voeren of te versterken. Veel ontwikkelingen die bepalend zijn voor het gezicht van de huidige samenleving vinden hun startpunt in de 16de en 17de eeuw. Bij gebrek aan essentieel bronnenmateriaal, verzinnen de historici -vooral de medievisten- van alles om de lacunes op te vullen. Ze moeten wel, wil men de plaatselijke geschiedenis nog enig belang geven. Zo kwam men in Nijmegen op het verschijnsel van de oudste stad van het land, terwijl dat op geen enkele bron is terug te voeren.





Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.