Aan deze pagina wordt nog gewerkt!


Klik op de tekst voor een vergroting.
Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen.
Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd.
Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.
Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
|

Buchel was een buitenechtelijk kind van een kanunnik van het Sint-Pieterkapittel in Utrecht. Hij volgde onderwijs aan de Utrechtse Hiëronymusschool en studeerde enige maanden in Leiden, maar zette in 1585 zijn studie in Frankrijk voort. Daar kwam hij in contact met onderzoekers die gefascineerd waren door Romeinse ruïnes, inscripties en handschriften. Hij vertrok naar Rome, waar hij allerlei wetenswaardigheden over gebouwen, inscripties en kunstwerken noteerde. In 1588 keerde hij terug naar Utrecht.
Aangezet door de sloop en vernielingen van gebouwen en kunstwerken na de Reformatie, begon hij in tekst en tekeningen vast te leggen wat hij tegenkwam aan bedreigde opschriften, grafzerken, wapenborden en andere opmerkelijke zaken. Zo zijn een afbeelding en een beschrijving van de verdwenen Sint-Salvatorkerk (zie hierboven) in Utrecht aan hem te danken. Niet dat hij die zelf vervardigde, maar door wie en wanneer dan wel, is onbekend. Buchelius maakte wel een tekening van de inmiddels verdwenen Utrechtse Mariakerk. Hij stelde ook een aantal manuscripten samen die van onschatbare waarde zijn voor het onderzoek naar verdwenen gebouwen en inventarissen. Zo danken we aan Buchelius nog de beroemdste en oudste afbeelding van het Engelse Shakespeare Swan Theatre, die hij natekende van een schets die Johannes de Witt maakte en naar hem stuurde. Deze schets van De Witt is niet bewaard gebleven, die van Buchelius gelukkig wel.
Buchel heeft tijdens zijn leven nauwelijks iets gepubliceerd. Zijn boek over de bisschoppen van Utrecht, postuum uitgegeven, geldt nog steeds als een standaardwerk. Tijdens zijn leven was hij een gerespecteerd geleerde, en naast Petrus Scriverius een van de eerste oudheidkundigen in Nederland.
De 'Monumenta passim in templis ac monasteriis Trajectinae urbis atque agri inventa' behandelt oudheden in de stad Utrecht en enkele dorpen in de omgeving, zoals Kortenhoef, Maarssen, Houten, Maartensdijk, Westbroek, Tienhoven en Breukelen. Het manuscript wordt bewaard in Het Utrechts Archief.
De 'Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa' gaat over opschriften in een aantal plaatsen in het Sticht, met name Amersfoort, Holland, vooral Leiden, maar ook Den Haag, Delft, Amsterdam, Rotterdam, en in Brabant, vooral Antwerpen, maar ook Leuven en Brussel.
|
Arnoldus Buchelius (1565-1641) en Petrus Scriverius (1576-1660) zijn de twee belangrijkste vertegenwoordigers van het Utrechtse respectievelijk Hollandse oudheidkundige of antiquarische onderzoek in de eerste helft van de zeventiende eeuw.
Aernout van Buchel, in het Latijn Arnoldus Buchelius, was oudheidkundige en humanist. Dankzij een geweldige hoeveelheid brieven, dagboeken, gedichten en notities is hij wellicht de best gedocumenteerde Utrechtse auteur aller tijden. Pieter Schrijver, in het Latijn Petrus Scriverius, is waarschijnlijk wel de bekendste van de twee, op grond van zijn in het Latijn en Nederlands uitgegeven publicaties als Batavia illustrata (1609), de vaak herdrukte Beschrijvinghe van out Batavien (1612), en de postume editie van Het oude Goutsche chronycxken (1663); zijn grote werk Principes Hollandiae, et Westfrisiae (1650) is iets minder bekend. De Utrechter Buchelius geniet vooral bekendheid vanwege zijn kroniekachtige dagboeken, waarvan delen in 1907 en 1940 werden uitgegeven onder de titels Diarium en Notae quotidianae.
Naast deze twee geschiedvorsers waren er in de zeventiende eeuw nog anderen die meenden van historische geografie enige nota te hebben, zoals Johannes Isacus Pontanus wiens in het Latijn geschreven werk 'Historia Gelrica' in het Nederlands werd vertaald en uitgegeven door de Nijkerkse Arend van Slichtenhorst (1616-1957). Lees meer over hen in het hoofdstuk over Geldersse Geschiedenissen.
De Oranjes, met name Frederik Hendrik, misten een bijzonder vorstelijk verleden. Om dat verleden 'uit te vinden' werd de hulp van de inmiddels bekende en beroemde geschiedvorsers Buchelius en Screverius ingeroepen. Deze voelden wel dat ze zich op glad ijs bevonden en wisten wel dat het voorgestelde wapenschild van de Oranjes ten onrechte een prinselijke kroon droeg, in plaats van een veel minder aanzienlijk grafelijk wapen. Uiteindelijk kwamen zij met een geschiedkundig rapport dat bij Frederik Hendrik in de smaak viel.
Enkele jaren later werd er door Screverius nog een hoofdstuk aan toegevoegd, toen Frederiks zoon Willem II in 1641 in het huwelijk zou treden met de elfjarige Maria Stuart. Dat diende om het Engelse vorstenhuis ervan te overtuigen dat deze Willem toch enige vorstelijke statuur bezat.
Scriverius kreeg het dringende verzoek een stamboom en wapenteken voor Willem te vervaardigen met zo lang mogelijke historische wortels. Zijn Utrechtse collega Buchelius had bij het eerste vorstelijk onderzoek al in norse bewoordingen laten weten dat hij liever niet betrokken wilde raken bij de geschiedkundige wensen van de Oranjes. Maar de Leidse Scriverius wilde best nog wat spitwerk ondernemen voor Frederik Hendrik, wellicht omdat hij als remonstrant diens gematigde godsdienstpolitiek wel kon waarderen. Zo werd dus geschiedenis geschreven. Bij de beoordeling van het werk van Scriverius dient ernstig rekening gehouden te worden met de historische waarheid, aangezien hij als hofschrijver de historische waarheid wel eens ondergeschikt maakte aan andere (persoonlijke) belangen.
|
Arnold van Buchel, Buchelius, en Pieter Schrijver, Scriverius, naar het algemeen gebruik in die tijd om namen (ook plaatsnamen) te vertalen in het Latijn (om 'geleerd' over te komen?), waren de vertegenwoordiger van de zeventiende eeuwse 'oudheidkundigen'. Zij beseften beiden dat zij aan hun levenslange vorswerk niet 'de titel van Historicus' konden ontlenen, zoals Scriverius dat zelf omschreef. Zij waren in de eerste plaats 'oudheidkundigen', onderzoekers van de antiquitates, dus van de tastbare overblijfselen, en geen humanistische woordkunstenaars die in door de klassieken geoliede taal een omvattende en wijsgerige visie op de historia te boek stelden. Buchelius en Scriverius waren kortom geschiedvorsers van het type dat door de moderne overschatting van de literaire geschiedschrijving naar de schaduwzone van het vakgebied is gedrongen. Het beeld van de antiquaren als pedante feitenschrapers en erudiete betweters die letterkundig tekortschoten, heeft geleid tot een schromelijke veronachtzaming van hun betekenis voor de geschiedwetenschap. Maar dat is niet hun enige verdienste. Met zijn postuum, verschenen editie van de middeleeuwse Hollands-Utrechtse kronieken van Johannes Beka en Wilhelmus Heda legde Buchelius zoiets als de grondslag voor de filologisch-kritische houding jegens oude teksten. En Scriverius schreef niet alleen in 1612 met zijn 'Beschrijvinghe van out Bataviën' de eerste geschiedkundige bestseller van ons land, maar bood met zijn 'Principes Hollandiae, et Westfrisiae' uit 1650 bovendien een monumentaal voorbeeld van een geschiedkundige bronneneditie. Twee jaar na Buchelius' dood is bovendien zijn belangrijke editie van de Hollands-Utrechtse kronieken van Johannes Beka uit ca. 1350 en van Wilhelmus Heda uit 1521 verschenen. Zijn boek over de bisschoppen van Utrecht, postuum uitgegeven, geldt nog steeds als een standaardwerk.
Hun betekenis voor de historische ontwikkeling van de historische wetenschap in de Lage landen is niet gering. Deze twee 'oudheidkundigen' hebben sinds de 17de eeuw vooral de ontwikkeling en opvattingen van de vaderlandse geschiedenis bepaald. Zij schreven in het Latijn, wat in die tijd wel enige indruk maakte op zowel de bevolking als op de 'geleerden'. Zeker is dat Buchelius en Screverius de historische helden van hun tijd waren, en dat zij als 'oudheidkundigen' en bronnenvorsers een bijzonder belangrijke rol hebben gespeeld in de prille verwetenschappelijking van het geschiedkundig onderzoek. De leermeester van Screverius was ondermeer J.J.Scaliger. Scriverius was een vurig pleitbezorger van de 'Bataafse mythe' die de oudheid en de prominentie van de Hollandse gewesten voorstond. Buchelius verdedigde in zijn werk de middeleeuwse grandeur van Utrecht en omstreken, die in zijn tijd al terugliep. Buchelius en Scriverius worden gezien als een soort aartsvaders van de Nederlandse geschiedwetenschap. Dat is niet onterecht. In elk geval waren zij de eerste die fulltime historici in de Lage Landen.
Toch zijn zij er debet aan dat historici na hen van hun tekortkomingen weinig tot niets geleerd hebben. Daarbij ging het niet zozeer om de behandeling van de teksten, dat zij op zich wel juist deden, maar om de interpretaties en de vertalingen van wat in de tekten te lezen valt. Bovendien werd hun geschrijf (en wordt dat nog steeds) beschouwd als ware geschiedenis die vanwege de veelvuldige 'naschrijverij' nog steeds de huidige geschiedkundige opvattingen bepalen.
Zij hebben echter enkele hardnekkige mythen in stand gehouden, die ze nog steeds deel uitmaken van onze 'vaderlandse' geschiedenis. Opvallend is dan wel dat hun namen en boeken in de literatuurlijsten van huidige geschiedenis-uitgaven steevast ontbreken. Geen enkele tegenwoordige historicus zal voor zijn/haar bron durven verwijzen naar Buchelius of Scriverius. Men weet wel beter, maar dan is zwijgen de beste 'oplossing'.
De visie van Albert Delahaye.
In de 17e eeuw werden bepaalde godsdienstige en politieke opvattingen op gezag van de post-humanisten met de Bijbel in de hand als de enige waarheid aan de bevolking opgedrongen. Tijdens de reformatie werden de Bataven plots opgevoerd als onze voorouders en als voorbeeld van de dappere Hollanders in hun strijd tegen de Spanjaarden. Hoewel deze mythe reeds lang weerlegd is, steekt die toch telkens de kop weer op. Met de opkomst van de boekdrukkunst werden die 17e eeuwse opvattingen breed verspreid en hebben zich genesteld in ons collectief historisch bewustzijn. Ze vormen sindsdien de bron van veel historisch geschrijf, dat niet teruggaat op de oudste bronnen, maar slechts op de 17e eeuwse denkbeelden. Zo heeft de stad Nijmegen zich vóór de 17e eeuw er nooit op beroepen de oude residentie van Karel de Grote te zijn geweest. Het blijft bevreemdend dat de historische opvattingen die in deze tijd ontstonden, door menig historicus nog steeds als de enige en absolute waarheid worden gezien, maar in hun literatuurlijsten niet voorkomen, zelfs al is van die opvattingen reeds lang aangetoond, dat deze onjuist waren. De Bataven in de Betuwe is zo'n nooit bewezen achterhaalde opvatting, die steeds weer de kop opduikt, zelfs in gerenommeerde boeken.
Welke opvattingen werden in de 17de eeuw voor het eerst beschreven?
In de 17de eeuw werden veel opvattingen voor het eerst beschreven, die nog steeds in de geschiedenis als vaststaand worden beschouwd, zelfs door moderne historici en archeologen. Een aantal van die opvattingen zijn:
Pas in de 15e eeuw is voor het eerst een link gelegd tussen Karolingisch Noviomagus en Nijmegen, welke mythe overigens pas in het begin van de 17e eeuw voor het eerst in druk verscheen. Het was Willem van Berchen die omstreeks 1480 het ei van deze mythe had gelegd, hij had dat immers gelezen bij Gregorius van Tours (die 2 eeuwen vóór Karel de Grote leefde (sic!), doch dit ei werd pas uitgebroed in het begin van de 17e eeuw door de post-humanisten die de Bataven hadden uitgevonden. Tot overmaat van ramp leek de Peutingerkaart hen volledig te bevestigen, althans ten opzichte van de Betuwe en Nijmegen.
Willem van Berchen, de uitvinder van de karolingische mythe, bestaat niet voor het Bronnenboek. Zijn naam wordt niet eens genoemd; in de literatuuriijst van het Nijmeegse Bronnenboek mist men de eerste Nijmeegse kroniek. De latere Nijmeegse en Gelderse schrijvers vanaf de 17e eeuw hebben hem bij herhaling en uitvoerig geciteerd. Zij dragen hem als autoriteit aan wanneerzij over karolingisch Nijmegen schrijven. Waarom passeert het Bronnenboek de teksten van Willem van Berchen, de Nijmeegse auteur? Het antwoord moet helaas weer vernietigend luiden voor de Universiteit van Nijmegen: omdat eenieder dan zou zien dat hij de eerste en enige schrijver is geweest, die voor de 17e eeuw karolingisch Nijmegen heeft voorgestaan, en omdat eenieder zich na de lezing van zijn tekst van alles begint af te vragen.
In de 17e eeuw kwam vooral door toedoen van Smetius de karolingische fabel tot volle wasdom, zodat die, gekombineerd met de fabel van de voormalige rijksstad, met stelligheid gehanteerd werd om Nijmegen een uitzonderingspositie in Gelre en in Nederland te geven. Zelfs wanneer de beide fabels werkelijkheid en waarheid waren geweest, hadden zij in de 17e eeuw alle realiteit verloren, en waren zij uitsluitend een historische terugblik.
Uit geen enkele tekst blijkt dat Noviomagus en Batavodorum één en dezelfde plaats waren. Deze onzin danken wij aan de 17e-eeuwse Smetius, die eens even besliste dat de Bataven in de Betuwe zaten en Nijmegen een van hun hoofdsteden was.
Pas in het begin van de 17e eeuw en na de ontdekking van de Peutingerkaart is men verband gaan leggen met de Bataven, vanzelfsprekend na de mythe. De opvatting dat hier de Bataven hadden gewoond, vindt men in geen enkele oude Nederlandse bron. Zij kwam pas op in het begin van de 17e eeuw, na de eerste publicatie van de Peutingerkaart.
Katwijk, waar St. Willibrord geland zou zijn, is een interpretatie voortgekomen uit de misvatting over de Monden van de Renus. Deze bewering treft men overigens pas in de 17e eeuw voor het eerst aan, waardoor duidelijk is dat zij geen verdere weerlegging nodig heeft.
Moordwoude, een legendarisch bos bij Dokkum, waar St. Bonifatius zou zijn vermoord, is eveneens een uitvinding uit de 17e eeuw.
Suabsna, waar St. Ludger werd geboren (ca. 742) en diens grootvader een steun voor St. Willibrord was. In zijn jeugd bezocht St. Ludger bijna dagelijks de kerk van St. Willibrord. In Nederland wordt de plaats vereenzelvigd met Zwesen of Zuilen. Deze plaats ligt op 5 meter onder NAP, dus bestond niet in 742 toen de transgressies heersten. De eerste vermelding ervan stamt uit de 17e eeuw. De juiste determinatie is Zouafques op 1,5 km noord van Toumehem.
Willibrord-putjes, vermoedelijk het prototype is van de talrijke legendarische duplicaten elders, verschenen pas in de 17e eeuw.
Pas in de 16e en met name in de 17de eeuw kreeg men in Brabant na de Reformatie belangstelling in de cultus van St.Willibrord als Heilige. De kerk probeerde juist in die tijd de Heiligen populair te maken, wat je ziet aan de patroonheiligen die de kerken toen pas kregen.
In deze zaak is het merkwaardig, dat niet-katholieke of a-religieuze historici niet gemakkelijk ertoe komen om een legende af te kraken, vermoedelijk uit welbewuste of intuïtieve vrees, dat zij misschien als anti-klerikaal of anti-rooms uitgekreten zouden kunnen worden. Katholieke historici hebben daar minder moeite mee, omdat zij het eigen nest wel kennen. Zij waren trouwens al vanaf de 17e eeuw op hun hoede, toen de grote Franse historicus Jean Mabillon, zelf priester en Benedictijn, keihard schreef dat in de grote en brutale vervalsingen van oorkonden en historische teksten onze lieve Moederde H. Kerk helaas I de eerste viool had gespeeld.
De opkomst van "tradities".
Met name in de 17de eeuw is er veel geschreven over de 'vaderlandse' geschiedenis. Het waren vaak dominees, kanunniken en advocaten die dan wel Latijn kenden, maar ook meenden verstand te hebben van historische geografie. Gedurende eeuwen heeft niemand het over Bataven gehad. Dit gebeurde pas in het begin van de 17e eeuw door onze geniale post-humanisten nadat klassieke teksten in druk verschenen en de Peutinger-kaart bekend was geworden. De Fabelschrijvers konden Noviomagi gelijkstellen met Nijmegen, wat door Smetius (17e eeuw) uit de duim werd gezogen en sindsdien als evangelie verkondigd is gebleven. Het Valkhof van Nijmegen voert de traditie (stammende uit de 17e eeuw!) , dat Claudius Civilis er heeft
gestaan, "tandenknarsend, toen hij de Romeinse leger scharen (door de Betuwe) zag naderen". Afgezien van de vraag, of aan deze traditie, afkomstig uit een dichterlijk brein, wel enige historische waarde mag worden toegekend (al hebben de historici zich de gedachte wel eigen gemaakt), is zij tóch in de interpretaties van Romeins Nijmegen dermate ingeburgerd, dat zij moeilijk los te maken schijnt van de "Oude Stad der Batavieren", zoals Nijmegen sinds de 17e eeuw wordt
genoemd. Zij wisten wel dat plaatsen voorheen bewoond zijn geweest, wat zij trouwens konden zien aan de massa's nog boven de grond staande ruïnes van de Romeinen, die er tot ver in de 17e eeuw zichtbaar zijn gebleven. |
|  |
Met die valse tradities gingen ook de heiligen mee.
De landing van St.Willibrord die men met zoveel kwasi-zekerheid te Katwijk (Holland) werd gesitueerd, was een bewering overigens die ook pas in de 17e eeuw ontstond.
De naam Katwijk is in geen enkele oudere bron te vinden. De oorsprong van deze traditie kan zeer duidelijk tot de 17e eeuw worden teruggevoerd; van te voren bestond zij niet. St. Willibrords landing te
Katwijk moet derhalve zonder de minste aarzeling als een fabel opzij worden gezet; zij kan op geen enkele manier bewezen worden.
Noord-Brabant bezit (of bezat!) talloze Willibrordus-putjes, waaraan de traditie verbonden is, dat de apostel er gedoopt zou hebben. Deze putjes zijn de vruchten van een, overigens zeer late, legendevorming. Vóór de 17e eeuw zijn zij
nergens vermeld. Het zou misplaatst zijn, hun zogenaamde historiciteit nog proberen te weerleggen.
De moord op Bonifatius kwam pas in de 17e eeuw in Dokkum terecht, wat derhalve een zeer late traditie vormt, waar de vervalsing van de oudste tekst apert is. Latere kroniekschrijvers hebben het woord Dockynchirica telkens verder afgekort; via allerlei tussenvormen, zoals Dockynga, Dockninga en andere Friese (!) varianten kwam men tenslotte in de 17e eeuw op Dokkum terecht, wat derhalve een zeer late traditie vormt, waar de vervalsing van de oudste tekst wel duidelijk is.
|
Het is wel duidelijk dat "we hebben een traditie sinds de Romeinen" wat prof.F.Hugenholtz eens stellig beweerde, slechts teruggaat op de 17de eeuw!
Wat weten we van Buchelius en van Scriverius?
Aernout van Buchell (Buchelius) wordt niet beschouwd als een beroemde geleerde: hij staat ook niet in de lijst van bekendste Utrechters en publiceerde postuum slechts één boek. Toch is hij het onderwerp van tientallen boeken en publicaties, en zijn nalatenschap heeft een grote historische waarde voor Utrecht en daarbuiten. In de tijd van de Reformatie en Tachtigjarige Oorlog schreef Buchelius over van alles wat hij zag en interessant vond. Hij legde dit vast in dagboeken, verslagen, notitieboeken, brieven, gedichten, verhandelingen en allerlei andere geschriften. Veel hiervan is bewaard gebleven, tot in bibliotheken in Londen, Oxford, Berlijn en München aan toe. De Collectie Buchelius van pakweg 60 handschriften is de grootste die er is, en behoort tot de Schatkamer van de Bijzondere Collecties.
Buchelius was (door zijn huwelijk met de rijke Claesje van Voorst) net als Scriverius rijk genoeg om het grootste deel van zijn leven te doen waar zijn hart naar uitging, namelijk het bestuderen van de geschiedenis. Hun werken, grotendeels in het Latijn geschreven, zijn een belangrijke bron voor het dagelijks leven in Utrecht en Holland in het tijdvak van de Reformatie.
Met de kaart van Buchelius uit 1643 (zie hiernaast Klik op de kaart voor het geheel) worden de traditionele opvattingen in beeld gebracht, wat uiteraard vertrouwen wekkend was. Zo werd de traditionele opvatting met een landkaart bevestigd, zoals dat ook gebeurde met de Peutingerkaart. In de "Bataafse Oudheid" bood Buchelius' kaart een gedetailleerde blik op de Romeinse rijksgrens langs de Rijn. De plaats waar in het oosten de 'kop' van het 'eiland der Bataven' begon, Lobith, gaf Buchelius aan met een eenvoudige stip. Vervolgens gaf hij vier legerplaatsenn een vignet met torens: van oost naar west ging het om Arenacum, Vada, Grin[n]es en Batavodurum. Deze plaatsen werden in Tacitus' Historiae uitdrukkelijk vermeld als Romeinse versterkingen. Buchelius situeerde deze legerkampen aan de noordoever van de Rijn, zoals te zien is op de kaart', wat dus onjuist is. In Nederland zijn deze plaatsen nooit met enige zekerheid gelocaliseerd.
In Descriptio Urbis Traiectinae schrijft Buchelius over andere zaken met name betrekking tot sporen, uittreksels uit een ongepubliceerd handschrjft. Hij beschrijft de omvang van de stad Traiectina, met haar poorten, muren, torens en wallen eromheen. Vanaf het begin werd het gesticht door Willibrord met een bisschopszetel, en hij beschrijft het vanaf de dood van Bonifatius tot het jaar 1112 n.Chr.
De naam van Van Buchel duikt ook regelmatig op bij andere historieschrijvers. Zo vermeldt Jacobus Revius hem in zijn werk waarin hij stelt dat Liafwijn dezelfde is als Lebuinus. Buchelius verwerpt deze benamingen. Zo meende Buchelius ook dat Radboud, bisschop van Trajectum (Utrecht?) onmiddellijk werd opgevolgd door Balderic, wiens lichaam werd begraven in Deventer.
In het boek "Geschiedenis als ambacht" beschrijf Sandra Langereis Arnoldus Buchelius (1565-1641) en Petrus Scriverius (1576-1660).
Het zijn volgens haar de twee belangrijkste vertegenwoordigers van het Utrechtse respectievelijk Hollandse oudheidkundige of antiquarische onderzoek in de eerste helft van de zeventiende eeuw. Beide 'geleerden' genieten tegenwoordig bekendheid als de 'mythenjagers' die met hun oorspronkelijke bronnenstudies vele oude fabels over de vaderlandse geschiedenis het veld hebben doen ruimen. Zij hebben echter enkele hardnekkige mythen in stand gehouden en zo versterkt dat ze nog steeds deel uitmaken van onze 'vaderlandse' geschiedenis.
De in Amsterdam geboren, in Haarlem opgegroeide en tenslotte in Leiden werkzame Scriverius is waarschijnlijk wel de bekendste van de twee, op grond van zijn in het Latijn en Nederlands uitgegeven publicaties als Batavia illustrata (1609), de vaak herdrukte Beschrijvinghe van out Batavien (1612), en de postume editie van Het oude Goutsche chronycxken (1663); zijn grote werk Principes Hollandiae, et Westfrisiae (1650) is iets minder bekend.
De Utrechter Buchelius geniet vooral bekendheid vanwege zijn kroniekachtige dagboeken, waarvan delen in 1907 en 1940 werden uitgegeven onder de titels Diarium en Notae quotidianae. Het manipuleren van zaken als de familienaam of geboorteplaats kwam, zeker onder geleerden en letterkundigen, wel vaker voor in de vroegmoderne tijd, en werd vergemakkelijkt door het ontbreken van adequate regustratie. Zo vertaalden zij ook graag hun eigennaam in het Latijn om hun geschriften wat meer aanzien te geven. Dat bij dat manipuleren talloze fouten zijn gemaakt, mag blijken uit de volgende opmerkingen uit dit boek van Langereis: (de meeste opvattingen kunnen we toch wel als achterhaald beschouwen!)
- De geschiedbeoefenaars waren soms wel verbonden aan een hogeschool of universiteit, maar zij verrichtten hun onderzoek dan niet uit hoofde van hun academische aanstelling. Vóór de 19de eeuw bestond er geen universitaire opleiding geschiedenis.
- Op grond van documenten meende Scriverius ook zijn stamboom te kunnen terugvoeren tot in de veertiende eeuw. Zie ook hoe hij Frederik Hendrik en zijn zoon Willem een 'aanzienlijke' afstamming bezorgde (zie kader links boven).
- Haarlem was zelfs de plaats waar de boekdrukkunst werd uitgevonden, zoals door Scriverius en zijn tijdgenoten tenminste werd geloofd.
- In "Oudt Batavien nu ghenaemt Holland" (1606) gaf antwoord op de vraag 'Hoe, ende in wat manieren, ende van wien Hollandt, Zeelandt,, ende Vrieslandt eerst bewoont is gheweest', waarbij de burcht van Leiden, afgebeeld werd als Lugdunum Batavorum.
- De rijmkroniek van Meelis Stoke werd in 1591 voor het eerst uitgegeven in druk. In 1614 werd zijn naam pas bekend. Scriverius heeft deze kroniek 'bewerkt'. Vraag is in hoeverre deze dan nog oorspronkelijk is?
- De kleine Heilig Kruiskapel, gelegen tussen de Dom en de ruïnes van de Salvatorkerk, was een authentieke en in 695 door Willibrord gesticht kerkje.
- De Frankische koning Dagobert (623-639) werd met de kerstening van de Lage Landenn geassocieerd. Dagobert was de stichter van het oudste kerkje in Utrecht. Volgens Buchelius had op de plaats van de Domkerk Willibrord ooit, op de ruïnes van een ouder Frankisch kerkje, een nieuw kerkje gebouwd en dat aan St.Maarten gewijd.
dat enige tijd later door de eerste Utrechtse bisschop Willibrord zou worden hersteld en aan Sint Maarten gewijd, zoals Buchelius in zijn aan de Utrechtse kerken en kloosters gewijde album 'Monumenta' beschreef. Deze voorganger van de Domkerk was daarna door de Noormannen verwoest.
- Johannes de Beka had het bisdom Utrecht duidelijk beschouwd als ondergeschikt aan het Hollandse graafschap. Volgens hem waren zowel het graafschap als het bisdom in de Karolingische tijd ontstaan uit een 'oer-Holland', een gebied dat het hele Nederlandse rivierengebied besloeg,
door hem 'Holdlandia' genoemd."
- In Holdlandia waar de Romeinse consul Antonius de naar hem genoemde hoofdstad Antonina stichtte, die later bekend kwam te staan als Traiectum ofwel Utrecht.
- Beka ving het chronologische deel van zijn kroniek aan met de tijd van Willibrord. Wat verderop bracht hij de Hollandse graven voor het eerst ten tonele. Hierbij voer Beka op Egmonds kompas door de oorsprong van het Hollandse gravenhuis te verfraaien met oude en hoge rechten en imposante genealogieën.
- De vernielingen die in rond 1588 plaatsvonden (Beeldenstorm) deden Buchelius, die van huis uit katholiek was, maar trouwde met een protestantse bruid (sic!), opmerken dat de calvinisten nog 'barbaarser dan de Gothen' waren. Hij wond zich vooral op over de sloop van een van de vier kapittelkerken, de nog door Bonifatius gestichte Salvator, ten gevolge van de 'lust en nijd van enkelen'.
- De oudste kapittelkerk was volgens Buchelius de Salvatorkerk aangezien in schriftelijke bronnen kon worden gevonden dat deze kerk nog door Bonifatius was gebouwd en dat, behalve Willibrord en Bonifatius, alle oudste bisschoppen van 'Batavia' in de Salvator begraven waren. Deze opvattingen zijn inmiddels achterhaald
- Met de in Latijnse teksten genoemde Germania Inferior of Belgiumum bevestigden Buchelius en Screverius nogmaald de opvattingen van Smetius dat het om de Nederlanden zou gaan.
- Scriverius voerde aan dat de Bataven behalve nederzettingen als Katwijk aan Zee en Katwijk aan de Rijn, ook echte steden hadden gesticht, namelijk Nijmegen ofwel Noviomagum - dat was de door Tacitus in zijn Historiae vermelde 'stad der Bataven' (oppidum Batavorum) - en Leiden ofwel 'Lugdunum Batavorum'.
- In de eeuwen volgend op de tijd van Buchelius en Scriverius werd de reputatie vann de antiquaren nog veel ernstiger beschadigd, want ditmaal kwam de aanval vanuit de geleerde wereld zelf, namelijk van de kant van de verlichte philosophes. Maar ondanks die kritieke houding bleven traditionele opvattingen in stand.
- De jurist Gerard van Loon (1683-1758) stelde een hele reeks numismatische handboeken samen en prees in 1717 de studie van de 'penningen' aan met de woorden: 'Want 't zyn deezen, waarop als in metaale blaaden, de voorgevallee geschiedenissen zyn te boek gesteld; [...] 't zyn deezen, die de twyfelachtige zaaken ophelderen.' Naast de munten kregen met name ook de oorkonden grote aandacht. In Leiden hield Frans van Mieris (1689-1763) zich in zijn vrije tijd bezig met zowel numismatiek als diplomatiek; hij gaf in de jaren 1753-1756 een vierdelige oorkondenverzameling uit, het Groot charterboek der graaven van Holland, goed voor ruim 3000 bedrukte pagina's. In Frankrijk was veel eerder al de benedictijn Jean Mabillon (1632-1707) op dit gebied actief geweest. Zijn werk laat goed zien hoezeer de eind-zeventiende-eeuwse oudheidkunde voer voor specialisten was geworden. Mabillon, de 'Newtonn of history' hernieuwde de grondslagen van de oorkondenkritiek in zijn imposante handboek 'De re diplomatica' uit 1681. In dit boek formuleerde Mabillon regels voor een beoordeling van de authenticiteit van oorkonden aan de hand van kenmerken als schrift, taal, structuur, datering, ondertekening en zegeling.
Twee jaar na Buchelius' dood is bovendien zijn belangrijke editie van de Hollands-Utrechtse kronieken van Johannes Beka uit ca. 1350 en van Wilhelmus Heda uit 1521 verschenen. Daarnaast is Buchelius bij genealogen en Utrechtse historici en bij vele mediëvisten befaamd dankzij zijn indrukwekkende handschriftelijke nalatenschap, die voor een belangrijk deel in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek en in Het Utrechts Archief wordt bewaard. Hiertoe behoren onder andere zijn prachtig geïllustreerde albums met beschrijvingen en tekeningen van kerken, kloosters en grafmonumenten in Utrecht en andere plaatsen in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en van de familiewapens van allerlei adellijke en aanzienlijke Nederlandse geslachten.
De publicaties en handschriften van Buchelius en Scriverius getuigen van een levenslange toewijding aan het onderzoek naar de vaderlandse oudheden, maar waren niet altijd zorgvuldig. Zo deed Scriverius graag voorkomen dat hij Haarlemmer van geboorte was, maar was geboren in Amsterdam. Door hun tijdgenoten werden Buchelius en Scriverius gerespecteerd als gezaghebbende specialisten op het terrein van historisch onderzoek. Desondanks zijn hun antiquarische werkzaamheden nog niet eerder het onderwerp geweest van een uitvoerige studie en spelen zij in historiografische overzichten meestal een figurantenrol. De belangrijkste literatuur over Buchelius als oudheidkundige bestaat uit de artikelen van Graafstal, 'Aernout van Buchell bezoekt De Meern' en idem, 'Aernout van Buchell verkent de "limes', beide handelend over Buchelius' archeologische expedities in de omgeving van Utrecht. In de biografie van Buchelius door Pollmann, Een andere weg naar God (vertaling van Religious choice in the Dutch Republic), staat Buchelius' religieuze ontwikkeling centraal, maar zijdelings wordt informatie gegeven over zijn antiquarische werkzaamheden.
Nederland in de Romeinse tijd naar een manuscriptkaart van Arnoldus Buchelius (naar Langereis 2001).
Op basis van klassieke bronnen, (veelal discutabel) etymologisch onderzoek, inscripties en eigen veldonderzoek situeerde Buchelius Romeinse legerplaatsen bij Arenacum (Arnhem), Vada (Wageningen), Grin(n)es (Rhenen), Batavodurum (Wijk bij Duurstede), Manaricum (Maurik), Traiectum (Utrecht), Albiniana (Alphen aan den Rijn) en Lugdunum (Leiden). Drie onbenoemde vestingen, waaronder een wapenhuis, situeerde hij bij Lobith, De Meern en Katwijk. Die opvattingen zijn imiddels achterhaald.

In de gedrukte tekst van Joannes de Beka en Wilhelmus Heda is duidelijk te zien dat bij de tekst "super montem sanctum" naderhand op Den huijlig-Π bEvgj, Ho-HORST in een kriebelig handschrift erbij geschreven is. Niet duidelijk is door wie dit geschreven is. Wel duidelijk is dat dit geschreven is in de tijd dat de -ij- (lange -ij-) al bestond, dus pas na de 15de eeuw geschreven kan zijn. Het klooster Hohorst werd nadien de gangbare opvatting, hoewel daar archeologisch geen enkel bewijs voor gevonden is.
In de 'De Diversitate Temporem', de tekst van Alperus Mettensis, wordt ook nergens Hohorst, Amersfoort, de Eem of welke huidige naam dan ook genoemd. Deze namen zijn nadien op de teksten toegepast, terwijl ze er niet in staan. Voor veel belangstellenden die de oorspronkelijk tekst niet kennen is dit al een eerste verrassing. Er wordt meestal gewezen op een tekst van Arnoldus Buchelius (1565-1641) waarin Hohorst genoemd wordt, bij zijn beschrijvingen van het werk van Joannes de Beka en Wilhelmus Heda, maar dat is een 17e eeuwse interpretatie van die Aernout van Buchel. In de oorspronkelijke tekst van Alpertus Mettensis en Joannes de Beka en Wilhelmus Heda staat nergens Hohorst of Emersfort of Amersfoort. De 'Ema' wordt wel genoemd in de tekst van Thietmar van Merseburg, maar het is maar de vraag of het hier geen latere interpolatie betreft of een geheel ander Ema bedoeld wordt. Immers Ema, Eem of Ee is een veel voorkomene waternaam.
Die eigen interpretaties van Buchelius is een zeer juiste opmerking, maar deze eigen interpretaties vormen nog steeds de basis van die oudste geschiedenis van de Lage Landen. Opmerkelijk is dat de archeologie die eigen interpretaties vaak tegenspreekt. De eerste die over de foreesten in de oorkonde uit 777 schreef was Aernout van Buchel, die in 1641 dus in de 17de eeuw deze plaatst in Amerongen, Elst, Wageningen en Ede. Hij heeft het nergens over Amersfoort. Meer gefundeerd schreef Abraham van Bemmel in 1760 in zijn 'Beschrijving der stad Amersfoort' over Amersfoort. Interessant is dan om te lezen dat hij over een aantal aangenomen opvattingen uiterst kritisch is. Zo schrijft hij over de naam van Amersfoort 'gelyk de naams-oorsprong van Amersfoort zwaar is om te bewyzen, zo is het ook duister wanneer deze Stadt haar aanvang genomen heeft'. 'Er bestaan omtrent de naamsoorsprong verschillende gedachten', schrijft hij, 'maar geen daarvan is zeker'. Een van die gedachten die hij noemt is Eemfort: 'Fort aan de Eem'. Dat bepaalde tradities al eeuwenlang zouden bestaan, is sterk overdreven. Dat "we al een traditie sinds de Romeinen hebben" wat prof.F.Hugenholtz eens stellig beweerde, is nog sterker overdreven. De hierboven genoemde tradities gaan slechts terug op de 17de eeuw!
|