Aan deze pagina wordt nog gewerkt!

Klik op de tekst voor een vergroting.
Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen.
Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd.
Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.
Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
|
|
Naast de bekendste geschiedvorsers Buchelius en Screverius, waren er in de zeventiende eeuw nog anderen die meenden van historische geografie enige nota te hebben. Een van hen was Johannes Isacus Pontanus (Elseneur - Denemarken- 21 januari 1571 - Harderwijk, 7 oktober 1639), wiens in het Latijn geschreven werk 'Historia Gelrica' in 1639 het daglicht zag. Dit werk werd vertaald en uitgegeven door de Nijkerkse Arend van Slichtenhorst (ged. Nijkerk 5 december 1616 - Nijkerk 8 april 1657), een jurist, historicus en dichter. Hij bezocht de Latijnse school te Nijkerk en vanaf ongeveer 1630 het Gymnasium te Harderwijk, studeerde in Franeker en mogelijk ook in Leiden. Hij promoveerde te Franeker tot doctor in de rechten en vestigde zich in Arnhem als advocaat. Vanweg hun 'Gelsedersse Geschidenissen' kregen beiden een straatnaam in Nijmegen, net als er een Van Spaenstraat is.
Een van de leraren van Slichtenhorst in Harderwijk was Johannes Isacus Pontanus, die hij "mijn ouden leeraer en hoofdvriend" noemde. Van Slichtenhorst maakte een vertaling in het Nederlands van het boek van Pontanus. Gaandeweg vulde hij de oorspronkelijke tekst echter steeds meer aan en bracht hij (in zijn opvatting (sic) 'verbeteringen' aan. Het werk vlotte niet erg. In februari 1644 waren de drukplaten al klaar (het beperkte aantal van vier stadsplattegronden bij Pontanus werd aanmerkelijk uitgebreid), maar het omvangrijke werk werd pas in 1653 uitgegeven, bij de Arnhemse uitgever Jacob van Biesen.
De volledige titel was: XIV boeken van de Geldersse geschiedenissen van 't begin af vervolghd tot aen de afzweeringh des konincx van Spanien, waervan 't eerste deel verhandeld de landbeschrijvingh, getrocken meerendeels uyt de Latynsse werken van den heer Joh. Isacus Pontanus; doch doorgaens veranderd, verbeterd, ende met meer dan driehonderd nieuwe hoofd-stucken, en andere noodelijke bijvoegsels allesins vergroot. (Arnhem, 1653/1654; facsimile herdruk Arnhem, 1967).
Behalve aanvullingen, die hij uit diverse publicaties en eigen archiefonderzoek haalde, kortte Slichtenhorst de tekst van Pontanus hier en daar ook in en liet hij soms hele passages weg, met name betreffende de geschiedenis van andere landen en gebieden. Bij zijn archiefonderzoek heeft Slichtenhorst soms gebruikgemaakt van stukken die later zijn verdwenen, zodat hij soms zaken noemt die niet meer te controleren en nergens anders te vinden zijn. Daarmee is zijn werk niet simpelweg een vertaling van dat van Pontanus geworden, maar eerder een aanvulling. Van zijn gedichten is niet heel veel bewaard gebleven. De biograaf Van der Aa schreef in zijn biographisch woordenboek van Nederlandse dichters “dat de historiepen hem beter dan de dichtveder was toevertrouwd”.
De visie van Albert Delahaye.
Het blijft van belang om bij het bestuderen van wat de oudste historie-schrijvers over de geschiedenis schrijven, vooral te bekijken wat zij niet vermelden. Bepaalde later aangenomen tradities blijken in de zeventiende eeuw nog niet te bestaan, hoewel er toen veel 'voor het eerst' geschreven werd. Zo wordt in het hier beschreven boek van Pontanus/Van Slichtenhorst, die met Van Spaen in Nijmegen vereerd zijn met een straatnaam, veel over Zutveen/Zutphen geschreven en over Wijk bij Duerstede, maar wordt Dorestad geen enkele keer genoemd. De opvatting dat Dorestad in Nederland lag bestond toen nog niet, terwijl er wel over plundertochten van de Noormannen in 881 en 882 en het bloedbad in de Betouw (Betuwe) en in Nijmegen geschreven werd. "Daerna kreegen Colen, Aken, Bonn, en de landen daer omtrent ook haere beurte", schrijft Van Slichtenhorst. Dat zijn dan wel lang aangenomen opvattingen geweest, maar in Duitsland zijn de Noormannen nooit geweest, overigens ook nooit in Nijmegen of Wijk bij Duurstede. Het is interessant te lezen wat zij werkelijk schreven en daarbij te letten op bepaalde zaken die zij niet in Nederland weten te plaatsen, maar dan richting Frankrijk gaan.
Over die 'historiepen' en zijn 'verbeteringen' zijn meerdere opmerkingen te maken, die in de 17de eeuw nog als waarheid golden.
Van Slichtenhorst begint zijn boek met: Edele Mogende Heeren , RIDDERSCHAP EN STEDEN-GESANTEN , Vertoonende De Staeten des Vorstendoms GELDER en Graefschaps ZUTPHEN.
Befiende, in den omloop van meer dan anderhalf duysend jaeren, den rey en 't vervolgh van uwe edele Vorsten, den oorfprong en aenwas uwer Steden, de achtbaere oudheyd van uwe geslachten, die (God lof) noch voor een groot gedeelt in wesen zijn, ende de klinkende verdiensten en ongemeyne daeden van uwe voorvaders; die nu, door weldaed van den druck, voor de sterfelijkheyd niet meer en hebben te vreesen, zoo 'er maer leeven in de letter en 't schrift is .
Hij draagt zijn boek op aan:
Vaert wel, Doorluchtige Heeren, en beschuttet mede, door u ontzagh, van de nijdighe tanden desen arrebeyd, zoo wel als den arrebeyder zelven, die niet liever en wenst, dan sijn Vaderland op alle wijsen groot te maeken, ende de eer te hebben van te moghen zijn en blijven, die rechte Vaders bent van 't Vaderland ,
Uwer Ed. Mog. Deemoedigbste dienaer en onderdaen AREND van SLICHTENHORST .
Zoals hij schrijft is het de bedoeling van Van Slichtenhorst de Staten van Gelder en Zutphen groot te maken met zijn Geldersse Geschiedenissen, waarvan hij schrijft dat die wel meer dan anderhalfduizend jaar teruggaat. "Hoewel zommighe der zelver van ouds in groote, in oudheyd, in waerdy, ofte in veelheyd van luydbaere daeden en heerlijke voorvallen, by ons Gelderland niet en zijn tegelijken." Ofwel, niets is met de geschiedenis van Gelderland te vergeljken.
Opmerkingen over die geschiedenissen. We geven steeds de letterlijke oude tekst met in rood de opmerkingen of toelichting.
- Wy en moeghen u niet benijden en onthouden eenighe merkelijke handvesten en vryheydsbrieven, eertijds aen etlijke Steden en plaetzen van het Vortendom en Graefschap verleend, ende meest zulke waer van de Heer Pontanus geen gewagh gemaekt noch den inhoud gesien heeft. Van Slichtenhorst wijst hier op dat hij enkele zaken toevoegd aan de tekst van Pontanus, die hij niet vermeldt of gezien heeft.
Het gaat hier over de naam van Kuilenburg, waarvan Pontanus meende dat het van Claudius Civilis - Civilisburg zou komen. Er werd ook gewezen op dit tuck voor weynighe jaeren by den vermaerden puykschryver Ian Smith, harder van de gemeynte tot Nymeghen uitgegeeven, die Nijmegen noemde als het Oppidum Batavorum.
- Zoo verre gaet het recht van den staur ofte stuyr: uit zaeke hier het Hof was van de Vranken en hunne Keyzeren, die (na de gissinghe van den Heer Pontanus) tot aen dese plaetz en aen de Wael toe haer stuyren ofte tollen moghten invorderen. Er wordt hier gewezen op een Romeinse gedenkstaan met de tekst 'Hue usque jus Staurie', wat dan om een tolgeld zou gaan, maar waarvan Van Slichtenhorst meent: Ende daerom houd hy het voor een misslagh , dat zommighe het woord van Stauria pooghen te duyden op de wel eer maghtighe hoofdstad van Vriesland Staveren, als of de zelve in voortijden haere vlerken (invloed-bezit) tot aen het Rijk van Nymeghen zoude hebben uytgeftreckt. Van Slichtenhorst meende dat de Friezen nooit invloed of bezit hebben gehad tot in Nijmegen.
- De Heer Pontanus heeft voor Barrois of 't land van Bar gestelt Vermandois in Vrankrijk, door enkel onachtsaembeyd en vergissinge. Want Pierpont een deel is van 's Hertoghdom Bar in Lotringen. Hier ging Pontanus de juiste richting op met Pierpont in Barrois, ende van de landen van Mechelen. Van Slichtenhorst vond dit dus een onachtzaamheid en vergissing. Hij had bij Lotharingen nog het idee dat het tot in Nederland reikte.
- De byzonderste stroom in desen streek is, neffens (naast) de Berkel, de Oude Yssfel, alzoo gezeghd ten aensien van den Nieuwen Yssel, welke Drusus, de stijfzoon (stefzoon) van Keyser Augustus, wel eer door het Roomsche (Romeinse) krijghsvolk uit den Rhijn heeft doen graeven, beginnende tegen over Huessen by Yiseloord ofte Westervoort ende lanx de Banneryen van Baer en Lathem vlietende totaen Doesburgh, daer hy sich gaet verberghen in den Ouden Yssel: ende aen hem het driede deel van 't Rhijnwater overlevert om in de zee te brenghen. Het kanaal van Drusus tussen Rijn en IJssel is inmiddels toch achtehaalde geschiedenis (mag ik hopen).
- In oude tijden de Grift van Drufus, als mede de Noorder ofte buytenste Rhijn, ende by Prolomćus Nabalia ofte Navalia genoemd: een woord dat zoo veel beduyder als Na-wael, ofte, zoo zommighe willen, een haven ofte verlaect (overtoom) voor de schepen. De Navalia wordt door Tacitus genoemd als de plaats waar na de Opstand van de Bataven, de vrede met de Romeinen werd gesloten. Het was de Nave in Frans-Vlaanderen, vlakbij Béthune. Dat komt dus niet overeenmet de Waal als noordelijke tak van de Rijn.
- Willen wy beyde die brieven hier beyde die laeten bygaen; te meer om het misverstand van den Heer Pontanus aen te wijsen, gissende door Broeke (het erf Broeke op de Velouw) verstaen te moeten werden de Richter - ampten van Olde en Nieuwe broek. Een misverstand? Van Slichtenhorst noemt Pontanus steeds eerbiedig de Heer Pontanus.
- Den oorsprongh van welke plaetz men niet onwaerschijnlyken zoude konnen passen op Civilis, van wien de gedachte Stad eerst Civilenburgh ende naderhand met luttel veranderinghs Culenburgh zoude zyn genoemd. Dese gissingh van den Heer Pontanus heeft, mijns dunkens, meer schijns dan waerheyds, noch en is zoo bestendigh niet als sy wel spitsvinnigh (spitsvondig) is. Te meer, nademael dat Kuylenburgh eene jonghe en nieuw-gebackene Stad is.
-
-
|