De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Heiligenlevens en heiligenverering in de Nederlanden.





Op deze pagina vind je de belangrijkste oorzaken van de historische verplaatsingen, de deplacements historiques.

In deze zaak van historische verplaatsingen is het merkwaardig, dat niet-katholieke of a-religieuze historici er niet gemakkelijk toe komen om een legende af te kraken, vermoedelijk uit welbewuste of intuïtieve vrees, dat zij misschien als anti-klerikaal of anti-rooms uitgekreten zouden kunnen worden.



Katholieke historici hebben daar minder moeite mee, omdat zij het eigen nest wel kennen. Zij waren trouwens al vanaf de 17e eeuw op hun hoede, toen de grote Franse historicus Jean Mabillon, zelf priester en Benedictijn, keihard schreef dat in de grote en brutale vervalsingen van oorkonden en historische teksten onze lieve Moederde H. Kerk helaas 'de eerste viool' had gespeeld.

Mabillon onderkende in zin tijd al de vele vervalsingen, waarbij kloosters zich op valse gronden bezittingen toeeigenden, slechts om het financiële gewin. Latere historici doorzagen deze vervalsingen niet, waarop nog steeds veel van de huidige geschiedenis is gebaseerd. Niet de Roomse Kerk plaatste St.Willibrord in Utrecht, maar het klooster van Echternach, dat helemaal niet gerechtigd was om bisschoppen te benoemen!

Hagiografie.
Tot de hagiografie behoren alle geschriften die heiligen als onderwerp hebben: heiligenlevens (vitae), wonderverhalen (miracula), hymnen, liturgische teksten, kalenders, lijsten van heiligennamen. Martelaarsakten (passiones) en vitae werden vaak verzameld in bundels: passionales en legendaria, waarin de feestdagen van de heiligen het jaar rond werden geordend.
Vanaf de 13de eeuw werden compilaties gemaakt met erg verkorte en opnieuw geschreven vitae die legenda nova worden genoemd. De Legenda Aurea is zo'n legenda nova.

De bekendste auteur van de Legenda Aurea was Jacobus de Voragine (ca.1228-1298), een dominicaan, die een verzameling van heiligenlevens opsomde en beschreef. De Legenda Auria bevat niet alleen heiligenlevens, maar ook verhandelingen over kerkelijke hoogtijdagen rond Christus en Maria.
De Legenda Aurea heeft als voorbeeld gegolden voor veel latere legendaria. Deze zijn opgebouwd volgens de kerkelijke kalender en bestaan uit twee delen: een winterstuc (Advent tot en met Hemelvaart) en een somerstuc (Pinksteren tot Advent).
Het feest van Allerheiligen werd aanvankelijk op 12 mei gevierd maar is verplaatst naar 1 november aangezien er dan wel voldoende voedsel en drank aanwezig is om het feest te kunnen vieren. Het hoofdstuk over Allerzielen (de dag na Allerheiligen) werd geschreven nadat de Paus in 1254 een eerste definitie van het purgatorium had gegeven, maar voordat de officiële formulering ervan tijdens het Concilie van Lyon tot stand kwam.


Jeroen van Noordwijk.
De in enkele bronnen vermelde heilige Jeroen van Noordwijk is een volslagen apocratieve heilige. Er zijn geen contemporaire documenten die hem noemen. Wat over hem bekend is stamt uit religieuze literatuur die pas enkele eeuwen na zijn dood werd geschreven. Hij zou vanuit Schotland gekomen zijn om in Kennemerland de Friezen te bekeren. In 856 werd hij door de Noormannen gevangen genomen en vermoord. De heilige Jeroen zou verschenen zijn aan een boer met de opdracht een grafheuvel of hunebed op te graven en het gebeente dat daar lag naar de abdij van Egmond over te brengen. Een andere versie vertelt dat zijn relieken vanuit Noordwijk overgebracht werden naar het klooster te Egmond. Historische aannemelijk klinkt dit verhaal niet.

Dat moet dan gebeurd zijn na 1130, aangezien het klooster Egmond pas nadien is gesticht. Lees meer over de abdij van Egmond.
Hij wordt herdacht op 17 augustus, zij het alleen in het bisdom Rotterdam, dus niet in het bisdom Haarlem waar Kennemerland toch toe behoort.

Over de zogenaamde Noormannen-inval in 856 kan men kort zijn: geen enkele bericht over de Noormannen tussen 834 en 925 kan met Nederland in verband gebracht worden. Wat viel er hier te plunderen? Er bestond geen enkel klooster en geen enkele kerk. Er zijn ook geen kastelen of grafelijke verblijven bekend. Er viel hier totaal niets te plunderen, zelfs geen voedsel, wapens of vrouwen. Lees meer over de Noormannen.
Veel historische gegevens worden geput uit de levensbeschrijvingen van personen die al of niet heilig werden verklaard. De gebruikelijke naam voor die levensbeschrijvingen is vita (meervoud vitae). Veel historische feiten worden naar de schijn alleen gedekt door legenden en heiligenlevens, wat nou niet precies het meest betrouwbare historische materiaal is. Bij heiligenlevens is het belangrijk onderscheid te maken tussen zakelijke feiten en wonderlijke legenden. Dan blijkt een heiligenleven ontdaan van alle wonderen, zeker toepasbaar om bijvoorbeeld geografische feiten vast te stellen.

De visie van Albert Delahaye.
Er bestaan veel boeiende 'legende-wandelingen' uit de historie, waarbij de feiten verplaatst zijn naar andere streken dan waar de geshiedenis zich heeft voorgedaan. Deze 'legende-wandelingen' illustreren hoe subtiel, sluipend en onopgemerkt sommige kerkelijke tradities werden ingevoerd, die op hun beurt weer een enorme invloed kregen op de profane geschiedenis en in een onjuiste retrospectie tot zogenaamd “onbetwijfelbare zekerheden” leidden. Men mag bijna vooropstellen, dat dit is gebeurd zonder de minste intentie tot vervalsing, wel met niet te miskennen lichtvaardigheid en onkritische lichtgelovigheid. Uit de aanwezigheid van relieken of vermeende relieken van, of de devotie tot een heilige zomaar af te leiden, dat de heilige ter plaatse gewoond en gepredikt had, is een voorbeeld van dergelijke lichtzinnige geschiedschrijving.
In Nederland hebben we ook een hele serie van zulke legenden. Kerken met het patronaat van St.Willibrord zijn zeker niet door hem gesticht. Daar komt het misverstaan van plaatsnamen nog eens bovenop, zoals de relieken van Plechelmus te Oudezeele bij St. Omaars, die op zich al hoogst legendarisch waren, wel leidde tot de traditie van Oldenzaal als zetel van Plechelmus. Het is nog tot daaraan toe, dat de simpele middeleeuwer niet beter wist en legenden onder de strakke bepalingen en invloed van de Kerk van Rome erin gingen als koek, doch het is bedroevend dat de moderne historici deze legendevorming niet doorzien hebben.
De legende van St. Victor, een der 50 martelaren van het Thebaanse Legioen is zo'n voorbeeld. Het is gebaseerd op een aangenomen doch volstrekt onjuiste opvatting. Het in de tekst genoemd 'Ad Sanctos' werd gemakshalve 'vertaald' met Xanten. In Xanten was een Romeins legioen gelegerd, dus dat leek overeen te komen met de tekst. Maar naar de rest van het verhaal werd niet meer gekeken. Het 'Ad Sanctos' was echter 'Saintes' in Frankrijk. Daar hoort St.Victor thuis, wat al bevestigd wordt door de ruim 25 plaatsen in Frankrijk met de naam St.Victor. De oudste berichten over het Thebaans Legioen komen uit de Franse Alpen en de Provence. Dan kan men meteen al afschrijven dat dit legioen ooit in de buurt van Xanten had gebivakeerd.



Heiligenlevens.
Van een deskundig onderzoeker op zijn vak aangesproken, verwacht men geen citaat uit een heiligenleven om zijn gelijk te bewijzen. Dat het inderdaad om een noodsituatie ging, bleek overigens ook duidelijk tijdens een TV-uitzending op 6 november 1989, waarbij gepoogd werd ‘Willibrord in Utrecht’ nog te redden door zijn verblijf aldaar slechts kort te houden. Maar ook in korte tijd kan men verdrinken!
Primaire bronnen.
De primaire historische bronnen van kronieken, oorkonden en levens van heiligen zijn voor een leek praktisch onbereikbaar. Zij bevinden zich in de standaard bronnen-uitgaven, die alleen in de grote bibliotheken aanwezig zijn en staan vrijwel altijd in een vreemde taal geschreven, een tweede obstakel voor de meesten om die primaire bronnen te lezen.



Wat weten we uit de klassieke teksten?

Het grote probleem in de historische geografie is dat toen de immigranten in de 10e eeuw naar wat nu Noord-Nederland is, trokken, men in een 'leeg' gebied kwam, een gebied zonder plaatselijke geschiedenis. Deze immigranten namen de plaatsnamen uit hun land van herkomst mee, die in Nederland doubleerde. Het was dus niet andersom: alles kwam uit het zuiden. Deze nieuwe bewoners van dit nieuwe land, dat precies leek op het gebied waar zij vandaan kwamen, namen niet alleen hun eigen taal en plaatsnamen mee, maar ook vele oude tradities. Een van die oude tradities was de verering van heiligen, die daarna plaatselijk ingang vond als had die traditie eeuwen ervoor al bestaan en had het ook deel uitgemaakt van de traditie hun voorouders. Dat laatste is dan wel juist, alleen hun voorouders woonden in het zuiden en wel in Frans-Vlaanderen.

Toen men, een of meer eeuwen later, die nutteloze Latijnse akten (waarvan men zich de juiste Franse oorsprong niet meer realiseerde) nog eens inkeek, herkende men dan ook tal van ‘Hollandse’ plaatsnamen, die inmiddels op de vorengenoemde wijze als doublures van Franse namen ingang hadden gevonden. In dit web van doublures en van eventuele, op louter toevallige naamsgelijkenis berustende schijndoublures, ging men toen, zo goed en zo kwaad als het kon, de geschiedkundige gegevens ophangen zoals deze in de bestudeerde oorkonden, heiligenlevens en andere historische documenten stonden beschreven; waarbij men dus de doublure-namen aanzag voor de originele, en men de echte Franse originele namen -zo men die al kende- als doublures ging beschouwen. Dit betekent niets minder dan dat de geschiedenis die in de 7e t/m 9e eeuw in Noord-Frankrijk had voorgedaan, achteraf werden verlegd naar gebieden die ten tijde van die gebeurtenissen nog (grotendeels) onbewoond of zelfs onbewoonbaar waren; m.a.w. dat aan de Duitse/Nederlandse geschiedenis (vanaf het begin terugwaarts!) een stuk ‘ongeboren’ historie werd voorgeschoven.
Het onbewoond zijn van de nieuwe woonplaats was ook de reden dat het invoeren van de oude geschiedenis zo gemakkelijk plaats kon vinden. Er bestond plaatselijk geen oude geschiedenis die de nieuw ingevoerde in de weg stond.

De vraag blijft, in hoeverre dit alles spontaan tot stand is gekomen, dan wel opzettelijk tot stand werd gebracht. Wellicht is hier de gehele scala bruikbaar van ‘argeloos’ tot ‘arglistig’. Daar was de naïeve enkeling die zijn woonstede, destijds door zijn pionierende voorouders vernoemd naar een (intussen historisch min of meer onbekende) Noordfranse plaats, maar al te graag met die roemruchte plaats zelf gelijkstelde. Maar daar waren ook de klerken van kanselarijen en kloosters of een of andere administratieve instantie, die met duidelijke opzet en stelselmatig de toponymie in die gewenste richting bevorderden, waarbij men meermalen sterk de indruk krijgt dat hen de Franse documenten als ‘partituur’ ten dienste stonden voor het toedelen van namen aan nieuwe nederzettingen en voor het bijschaven van reeds bestaande doublure-namen zoals die door immigranten reeds naar eigen keus waren ingevoerd. De nieuw toe te kennen namen werden regelrecht overgenomen uit de oude oorkonden waar zij, immuun voor elke verdere evolutie, al vele eeuwen vastlagen. Maar de migranten, toen ze bij binnenkomst spontaan hun doublure-plaatsnamen kozen, zijn daarbij allicht niet van de oude documenten uitgegaan, doch ook van namen die voortkwamen uit de bodem, een bodem die zoveel leek op het land waar zij vandaan kwamen. Ook werden de in hun dagen gangbare en eeuwen jongere naamvormen getoetst aan de documenten, die menigmaal voor 'verbetering’ vatbaar bevonden zullen zijn.

Een en ander zou tenminste de paradox kunnen opheffen dat huidige namen van originele plaatsen in vergelijking met die van de corresponderende doublures vaak verder afwijken van de oude oorkonde-naam. Dit alles laat de integriteit van deze klerken en instellingen onverlet: die kunnen er best van overtuigd zijn geweest dat zij met de bevestiging van authentieke historie bezig waren. Wat echter niet kan worden gezegd van huidige prominenten en instituten die beter wisten, althans beter moesten weten.

Met drie voorbeelden kunnen we het hiervoor genoemde probleem verduidelijken:
1. Vooreerst is er de kanunnik Adam van Bremen (11e eeuw) die, als een van zijn ergste geschiedkundige fabelschrijvers, Noordfranse bisschoppen uit de 8e-9e eeuw terugwerkend met zetel en al vanuit Hammaburg en Brêma en met de aanpalende rivieren (Albis = Franse Aa en Wisurgis = Wimereux) transplanteerde naar Hamburg en Bremen (let op de overeenkomstige namen) en het waterrijke en nauwelijks bewoonde verre noorden van Duitsland. Door het mede importeren van de doublures Elbe, Weser en -dan ook maar- Eems, het rivierenstelsel ontregelde met alle verwarrende gevolgen van dien. Lees meer over Adam van Bremen. Lees meer over de rivieren.
2. Ernstiger nog dan Adams huzarenstuk (misschien heeft deze zelf aan zijn eigen sterke verhalen wel binnenpret beleefd?!) is het gedrag van Echternach, waarbij niets te lachen valt. Hier immers werden, om wederrechtelijke materiele aanspraken door te drukken, hele volksstammen systematisch met een onmogelijke mythe opgezadeld, die de persoon van Willibrord volslagen ongeloofwaardig maakt en de complete historische wetenschap tart. Lees meer over Echternach.
3. In de 20ste eeuw werden voorgaande voorbeelden nog eens in Nederland toegepast door in nieuw aangelegde polders de namen van Almere en Biddinghuizen aan nieuwe woonplaatsen te koppelen, woonplaatsen die in de 8ste eeuw beslist niet hebben bestaan. Bovendien heeft men daarbij de onbegrijpelijk fout gemaakt door de stad Almere te vernoemen naar de zeebaai het Almere dat -de naam zegt het al- een waternaam was. In de historische geografie moet men zich niet verbazen over dergelijke onjuiste toepassingen, die zelfs door historici en naamkundigen niet altijd doorzien werden en worden. Er zijn vele voorneelden van te geven. Lees o.a. wat de naamkundigen D.P.Blok en M.Gysseling er stelselmatig van maakten.

De Passionael en de Legenda Aurea.
Veel levens (vitae) van heiligen zijn verzameld in de Passionael of Gulden legende. Deze verzameling van legenden over de heiligen en de feesten van de dag, voorzagen kloosters en kerken als 'lectuur' over alle heiligen. Voorbeeld voor alle latere verzamelingen was de Legenda Aurea van Jacob de Voragine, uit de 13e eeuw. Afbeelding hiernaast van Legenda aurea, ca. 1290, Biblioteca Medicea Laurenziana, Florence. (klik op de afbeelding voor een vergroting).
Op de linker pagina staat de opsomming van de heiligen, rechts de levensbeschrijvingen (vitae) van de verschillende heiligen.
Dit is een voorbeeld van een geschreven handschrift. Nadien zijn de nodige Passionaels in druk verschenen. Deze werden vooral in kerken en kloosters populair en gebruikt om preken en lezingen voor te bereiden. Zo werden de legendes en heiligenlevens onder de bevolking verspreid en bekend.

In de Legenda Aurea doen zich wat de 'Nederlandse' heiligen betreft, enkele opvallende zaken voor: (Bron: Gouden Legenden. Heiligenlevens en heiligenverering in de Nederlanden, Hilversum 1997).
  • Veel heiligenlevens zijn toegevoegd, bijvoorbeeld aan het einde van het handschrift om vervolgens door een latere kopiïst op de juiste datum te worden ingevoegd.
  • Het tussenvoegen blijkt onder meer omdat de zogenaamde Nederlandse heiligen niet in de index staan, maar hun vita wel in de levensbeschrijvingen zijn opgenomen.
  • In de bewaard gebleven Utrechtse exemplaren bevinden zich heel wat aanwijsbare in- en toegevoegde vitae, zoals van de heilige Jeroen van Noordwijk en de Utrechtse bisschop Radbod..
    1. Onder de bewaarde gedrukte edities van de Passionael (vanuit. de basiscorpus van Williams-Krapp, c.1478) is er niet één die ook maar bij benadering dezelfde reeks van toegevoegde legenden bevat. Bij de meeste van de toegevoegde legenden gaat het om heiligen die in het bisdom Utrecht en in de omliggende bisdommen werden vereerd, zoals Willibrord, Gertrudis en Servaas.
    2. Heiligendagen die uitsluitend in het bisdom Utrecht werden gevierd zijn in de aangevulde corpus nauwelijks van een tekst voorzien.
    3. Heiligen als Cunera, Engelmund, Plechelmus en Werenfried zoekt men er tevergeefs, laat staan de nog niet gecanoniceerde heilige Lidwina van Schiedam (15de eeuw). Uit het ontbreken van Lidwina van Schiedam kan men afleiden dat de 'Utrechtse teksten' pas na de 15e eeuw tot stand kwamen.
    4. In de oorspronkelijke tekst van de handschriften uit de vijftiende eeuw van het Oude Convent te Weesp ontbreken de typische Utrechtse heiligen als Willibrord, Bonifatius, Werenfried, Lebuinus en Plechelmus. Zij zijn pas nadien tussengevoegd.
    5. In het handschrift uit Amersfoort zijn de levens van onder meer Wiro, Plechelmus, Odger, Servaas, Bonifatius en de in Utrecht zeer vereerde martelaar Pontanus toegevoegd. Dat laatste betekende een verdubbeling, want er was al een leven van Pontamus ingevoegd, zij het met een geheel andere tekst.
    6. In twee handschriften uit Weesp (KB73 F20, KB73 F21) vinden we op de juiste kalenderdag de levens van Plechelmus, Frederik (bisschop van Utrecht in de negende eeuw), Werenfried, Bonifatius, Odulf, de twee Ewalden, Willibrord en Lebuinus. Dat wijst erop dat zij wel in het voorbeeld stonden, maar nog niet op de juiste datum.
    7. Uit het voorkomen van bepaalde heiligen is op te maken in welke tijd de Legenda Aurea is samengesteld. Zo komt de heilige Thomas van Canterbury er in voor, maar hij is pas overleden in 1170 en in 1173 heilig verklaard. Het handschrift is dus van ná 1173.
    8. Er ontbreekt inzicht in het gebruik van de Legenda Aurea door Nederlandse kroniekschrijvers zoals Johannes de Beke (ca.1346) en Johannes de Leydis (overleden in 1504). Zij hadden slechts aandacht voor heiligen van eigen bodem en die vonden zij niet in de Legenda Aurea.
      1. Johannes de Beke schreef de 'Chronographia Johannis de Beka', een Latijnse kroniek van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht, en de gebieden waarover zij heersten, van de Romeinen tot 1346. Het werk was grotendeels gebaseerd op reeds bestaande kronieken, zoals de Rijmkroniek van Melis Stoke. Sommige historici typeren Bekes schrijfwerk als "uiterst onbetrouwbaar". Andere auteurs hebben de Latijnse kroniek aangepast en aangevuld tot 1392. In 1395 werd het werk vertaald in het Diets. Deze versie is aangevuld tot 1430, en is een belangrijke bron voor de Hoekse en Kabeljauwse twisten in Holland en de strijd tussen Lokhorsten en Lichtenbergers in het Sticht
      2. Johannes de Leydis schreef de 'Chronicon comitum Hollandiae et episcoporum Ultraiectensium', een kroniek van de graven van Holland en bischoppen van Utrecht. De eerste redactie van dit werk is alleen in handschriften overgeleverd en werd geschreven tussen 1467 en 1469. De tweede redactie, aangevangen tussen 1485 en 1494, werd voor het eerst uitgegeven door Franciscus Sweertius en is in Frankfurt gedrukt: Rerum Belgicarum Annales chronici et historici de bellis (1620). Een nieuwere uitgave is van V.J.G. Roefs, De Egmondsche abtenkroniek van Iohannes a Leydis 0. Carm. (diss. Nijmegen), Sittard 1942, pp. 115-238.

      Uit de punten hierboven blijkt dat de verering van de typische 'Nederlandse' heiligen pas in en na de 15e eeuw tot stand kwam.

    9. Het verhaal van Cunera en Ursula en de 11 duizend maagden is een verhaal apart, maar geeft wel precies aan hoe mythen en legenden ontstaan en samenkomen.
      1. Het verhaal van Sinte Kunera en Ursula vinden we in een aantal middeleeuwse bronnen: Latijnse en Middelnederlandse handschriften en gedrukte werken. Er is één 14de eeuws handschrift bekend (uit 1382), maar dat is verloren gegaan. De overigen zijn van latere datum.
      2. Het verhaal van Cunera is verbonden met de legende van Ursula en haar 11.000 maagden. Maar die verbinding is pas in een later stadium gebeurd. In de Ursulalegende, die zelf een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt en geen enkele naam vermeldt, komt Cunera niet voor. Haar naam duikt voor het eerst op in de Vita Sancti Meinwerci (omstreeks 1160) waarin gesproken wordt over de bouw van de Cunerakerk in Rhenen en over de relikwieën van Cunera (o.a. haar wurgdoek) die er bewaard worden. Dat toont aan dat deze Vita Meinwerci van na 1400 moet zijn. Voor die tijd was er nog geen Cunerakerk in Rhenen. Zie onder e.
      3. De abdij van Deutz heeft een grote rol gespeeld in de ontwikkeling van de Ursula-legende. Deze abdij bezat heel wat goederen rondom Rhenen (die wellicht noodleidend waren). In een handschrift uit 1164 werd na de vondst van een flinke hoeveelheid beenderen in het Keulse land, fantasierijke mededelingen vervaardigd over martelaren en martelaressen. Wellicht dat de monniken met hun vroom 'bedrog' de relatie Ursula met Cunera tot stand gebracht hebben. "Aan relikwieën viel te verdienen". Vergelijk dit verhaal met dat van Echternach.
      4. In alle Cunera legenden komen een reeks wonderen voor die ook bij andere heiligen voorkomen. De meeste wonderen worden vermeld in het zestiende eeuwse drukwerk: 'Dat leven ende Passie' uit 1530. Op haar voorspraak genazen blinden, doven, kreupelen en werden schipbreukelingen en verdronkenen gered.
      5. De kerk in Rhenen werd pas na 1400 aan Cunera toegewijd. Tevoren droeg de kerk het patronaatschap van St.Petrus.
      6. De oudste bekende vermelding van Cunera is uit 1404 waarbij het gaat om een bedevaart die als straf door de Domproost van Utrecht werd opgelegd. Daaruit blijkt dat Rhenen toen als bedevaartsplaats al bestond en bekend was.
      7. De 15de en 16de eeuw stonden stijf van de aflatenprivileges. (Thomas à Kempis en de Moderne Devotie verweerden zich juist hiertegen). Kosten noch moeite werden gespaard om hier graantjes van mee te pakken. In 1495 kregen de pelgrims van bisschop David van Bourgogne vrijgeleide (geen tol te betalen e.d.) gedurende twaalf dagen. Zulke beslissingen waren uiteraard gunstig voor de toeloop.
      8. De meeste historische gegevens over de bedevaarten in Rhenen zijn afkomstig uit de tijd na 1450. Het gaat in de 15de eeuw niet goed met Rhenen, zowel economisch als politiek. In die 15de eeuw kwamen de bedevaarten naar de St.Cunerakerk op gang, uiteraard met uitgiften van aflaten en relikwieën.
      9. Blijkbaar heeft men in Rhenen zich gespiegeld aan de bedevaarten in Amersfoort (vanaf 1444) die veel geld in het laatje van de kerk brachten. Daarmee is in Amersfoort de O.L.Vrouwetoren gebouwd. Rhenen volgde dat voorbeeld, waarbij Sint Cunera een 'goed hulpmiddel' bleek te zijn. Tussen 1492 en 1531 werd in Rhenen de Cuneratoren gebouwd.
      10. De Cunera verering is nooit door de de hoogste kerkelijke instanties gestimuleerd. Het heeft zich ook nooit tot de officiële Roomse Kalender gebracht en werd ook door Rome niet gepropagandeerd.
      11. Na het herstel van de Kerkelijke Hierarchie in Nederland in 1853, heeft het aarstbisdom Utrecht in 1860 de publiekelijke verering van Cunera in het bisdom zelfs verboden. De aanvraag tot wederinvoering in 1878 heeft het niet gehaald.
      12. Behalve in Rhenen -waar de devotie snel afnam en er nu nog nauwelijks belangstelling voor bestaat- heeft in de Brabantse dorpen Heeswijk, Berlicum en de buurtschappen Kaathoven en Bedaf, enige verering van Cunera bestaan. Een zeer belangrijke rol bij die verering van Cunera in het Brabantse, komt op naam van de Norbertijnen, met name met de eigentijdse devotie.

    De belangrijkste conclusie uit de Legenda Aurea is wat de 'Nederlandse' heiligen betreft, dat zij pas na de 15e eeuw bekend werden in kerken en kloosters. In de oudste bronnen vindt men geen gegevens over Willibrord, Bonifatius, Plechelmus, Wiro, Lidwina van Schiedam, Odger, Servaas, Werenfried en Lebuinus.

    Het blijkt dat de bevinding van prof.L.Rogier maar al te waar is. In de 'Geschiedenis van het Katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw, twee delen, Amsterdam 1945' stelde hij dat vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Noord-Nederland geen spoor te bekennen. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de gehele middeleeuwen niets.

    Dit komt precies overeen met de oudste 'Legenda Aurea' waarin blijkt dat de typische 'Nederlandse' heiligen er oorspronkelijk niet in voorkomen, maar allemaal later zijn tussengevoegd. Daar is maar ëën verklaring voor te geven: de devotie tot deze 'Nederlandse' heiligen bestond vóór de 15e eeuw nog niet, zeker niet bij de plaatselijke bevolking, hoogstens in enkele kerken en kloosters.
    Zo was de oude kerk in Klein-Zundert gewijd aan St.Willibrord, echter deze werd gesticht vanuit de abdij van Tongerlo, dus vanuit het zuiden en niet vanuit Utrecht waar St.Willibrord nog volkomen onbekend was. Ook Echternach had geen weet van deze oudste St.Willibrordkerk uit 1157 in Nederland. In de 'Echternachse' bronnen wordt deze kerk niet genoemd.


    Fragment uit handschrift nr.896 (het volgnummer geeft al aan hoeveel verschillende handschriften hebben bestaan). Dit handschrift is vervaardigd in de tweede helft van de 15e eeuw en in bezit van de Universiteit van Gent.

    Het importeren van heiligenlevens is niet op ëën moment gebeurd en al helemaal niet vanaf de tijd dat de betrokkene in de geschiedenis verscheen. Wanneer en hoe die import van de verschillende heiligen precies plaats vond blijft een vraag. Wel is te herleiden op welk tijdstip de verering van een bepaalde heilige onder de bevolking voor het eerste voorkwam. Veel informatie is daarbij te halen uit de Passionael, of de Leganda Aurea, de Gouden Legenda.
    De import ging in fasen, waarbij de ene legende de opmaat was voor de volgende. Zo ver de historische kennis reikt was St.Liudger de eerste geïmporteerde heilige in Nederland.


    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.