De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Johannes de Beka (ca.1346-?) en Wilhelmus Heda (ca.1460-1525).


Johannes de Beke (Jan van Beek, ca.1346; ook wel Jan Beke of Beka) was een 14e-eeuwse monnik, waarschijnlijk verbonden aan de Benedictijnse Abdij in Egmond. Hij schreef de Chronographia Johannis de Beka, een Latijnse kroniek van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht, en de gebieden waarover zij heersten, van de Romeinen tot 1346.[1] Het werk was grotendeels gebaseerd op reeds bestaande kronieken, zoals de Rijmkroniek van Melis Stoke. Sommige historici typeren Bekes schrijfwerk als "uiterst onbetrouwbaar". Onbetrouwbaar? Of passen zijn geschriften niet in de traditionele opvattingen? Lees meer over onbetrouwbaar.
Andere auteurs hebben de Latijnse kroniek aangepast en aangevuld tot 1392. In 1395 werd het werk vertaald in het Diets. Deze versie is aangevuld tot 1430, en is een belangrijke bron voor de Hoekse en Kabeljauwse twisten in Holland en de strijd tussen Lokhorsten en Lichtenbergers in het Sticht (Utrecht).

Van De Beke's werk bestaan wel 28 handschriften (netjes genummerd van A1, A2 enz. tot B, C, D en E) die van elkaar zijn overgeschreven, maar ook verschillende 'aanvullingen' bevatten. Soms worden die aanvullingen 'verbeteringen' genoemd en betreffen zowel de schrijfwijze als de inhoud. Maar zijn het verbeteringen? Zo vermeldt handschrift A4 'montisque Odilie teutonice sante Guedelenberge prope Ruremundam' terwijl een ander alleen 'sunte Odilenberge' zonder nadere plaatsaanduiding noemt. De Beke noemt nog Antonina als oude naam voor Utrecht en bij hem is Aquis Granus een plaats in de Ardennen en niet Aken. Hij vraagt zich ook nog waarom Holland zo genoemd wordt, terwijl het Holtlant zou moeten zijn omdat het veel bossen bevat. Zo zijn er meer zaken die achterhaald zijn en momenteel losgelaten zijn. Toch hanteren historici nog steeds uitgangspunten die op het geschrijf van De Beke gebaseerd zijn, zoals de mirakelen van St.Willibrord en Sunte Bonefaes.

Wilhelmus Heda (ca.1460, Alphen aan den Rijn - 3 november 1525) was kanunnik te Utrecht. Heda studeerde kerkelijk en wereldlijk recht. Vervolgens werd hij secretaris van Maximiliaan van Oostenrijk. Wanneer hij tot priester werd gewijd is onbekend. In 1496 verkreeg hij een prebende. Hij werd pastoor te Hoogvliet en deken van Bergen op Zoom. Vervolgens werd hij rector aan de St. Jacobuskerk te Utrecht en in 1509 deken van de St. Johanneskerk in dezelfde stad. Zijn hoogste functie was die van proost van de St. Walburgiskerk te Arnhem.
Hij werd kanunnik van Utrecht. In 1514 verhuisde hij naar Antwerpen omdat hij kanunnik van de Onze-Lieve-Vrouwe-Kerk aldaar was geworden.
Hij is de auteur van het handschrift Historia episcoporum Ultraiectensium (1521), waarin veel van Johannes de Beka overgeschreven werd. De naschrijverij nam toen al grootse vormen aan en heeft sindsdien een onmiskenbaar deel uitgemaakt van de 'geschiedschrijving'. De eerste druk werd pas in 1612 gepubliceerd in Franeker onder redactie van Fumerius. De tweede uitgave onder redactie van Buchelius verscheen in 1643 in Utrecht.

Arnoldus Buchelius (Aernout van Buchell) Utrecht, 18 maart 1565 - Utrecht, 15 juli 1641 - Leiden.
Buchelius was een natuurlijke zoon van een Utrechtse kanunnik. Hij studeerde letteren te Leiden en Dowaai (Fr). Zijn reizen door Frankrijk, Duitsland en Italië brachten hem in contact met beoefenaars van de antiquarische studies. De neerslag van Buchelius' oudheidkundige interesse vindt men in de reisverslagen en dagboekaantekeningen die na zijn dood in diverse uitgaven het licht hebben gezien. Van 1590-1591 was hij secretaris van Walraven van Brederode. In 1593 promoveerde hij te Leiden in de rechten en leidde vervolgens een leven gewijd aan studie en de advocatuur. Op godsdienstig gebied werd hij van katholiek tot orthodox gereformeerd. In zijn briefwisseling had hij contact met onder anderen J.J. Scaliger, P. Merula, P. Scriverius, D. Heinsius, Ph. Cluverius, Joh. Is. Pontanus, J. de Laet en P. Bockenberg.
Hij was bewindhebber der Verenigde Oostindische Compagnie en ouderling. Ondanks het feit dat Buchelius veel schreef en vele afschriften vervaardigde, publiceerde hij zeer weinig en van het geplande Nederlandse Oorkondenboek en andere werken kwam niets.
Reeds in 1615 is Buchelius bezig met de 'verbetering' van Furmerius' uitgave van de kroniek van De Beka en Heda; bij zijn dood is deze nagenoeg persklaar, maar wordt pas in 16433 uitgegeven.
Ioannes de Beka, canonicus Ultrajectinus, et Wilhelmus Heda, praepositus Arnhemensis, de episkopis Ultraiectinis, recogniti et notis historicis illustrati. G. Lap van Waveren, ed. Ultraiecti 1643.

De Chronica loannis de Beka beslaat met de Appendix van S. Petrus 191 pp. De daarop volgende Historia episcoporum Ultraiectensium van Heda heeft een nieuw titelblad: Ultraiecti 1642 [331 pp.]. Hierna volgt opnieuw een Continuatio van S. Petrus [12 pp.] (zie: 214, a; 383, e). Carasso-Kok, 296-297.

Beke en zijn vertaler worden nogal eens als onbetrouwbaar beoordeeld en vervolgens afgedaan, zonder dat dit goed met argumenten wordt onderbouwd en concreet en duidelijk is aangegeven waarom en op welke punten precies hun relaas niet zou kloppen en waarom dat voorts betekent dat ook vrijwel het totale beeld dat Beke en zijn vertaler geven, zou moeten worden verworpen.

Beka niet betrouwbaar? Maar zijn onjuiste opvattingen over Willibrord in Utrecht en Bonifatius in Dokkum vermoord, worden nog steeds gevolgd!

Het is principieel onjuist om op voorhand de kroniek van Bekes kroniek zonder meer en volledig als onbruikbaar terzijde te schuiven. Het getuigt juist van een wetenschappelijke houding om precies uit te pluizen wat wel juist en wat niet en dat dan ook beargumenteren.

Het op voorhand compleet afwijzen van een historisch onderzoek is meer gebruikelijk in de historische wereld, zoals Albert Delahaye aan den lijve heeft ondervonden, maar wat ook met het Oera Linda Boek is gebeurd. Men begreep de inhoud niet, dus werd het maar afgewezen en voorts genegeerd en (eigen onwetendheid) verzwegen.
De episcopis Ultraiectinis, recogniti et notis historicis, recogniti et notis historicis illustrati ab Arn. Buchelio Batavo I.C. Accedunt Lamb. Hortensii Montfortii Secessionum Ultraiectinarum libri, et Siffridi Petri Frisii Appendix ad historiam Ultrajectinam. (Bound with:) Historia Episcoporum Ultraiectensium. (Bound with:) Lamberti Hortensii Montfortii secessionum civilium Ultraiectinarum, et bellorum ab anno XXIV. supra M.CCCCC.

In feite gaat de hele Nederlandse traditie terug op de geschriften van Johannes de Beka en Wilhelmus Heda, die begint met bovenstaande tekst uitgegeven door Arnoldus Buchelius (1565-1641). Met deze tekst van Johannes de Beka is het grote misverstand en de mythevorming begonnen. Zij vermelden veel zaken die nadien zijn achterhaald en ook door de archeologie niet zijn bevestigd, zoals de plunderingen van de Normannia in 'Hoylandia'. Toch blijven historici vasthouden aan de opvattingen van deze monniken uit deze 15de en 16de eeuws en hun geschriften, ook al wordt dat geschrijf door diezelfde historici 'onbetrouwbaar' genoemd.
Beka en Heda zijn niet altijd onbetroouwbaar, zij schreven in hun tijd zoals men er toen over dacht in alle onwetendheid. De latere historici blijken onbetrouwbaar. Hoewel zij weten dat Beka en Heda fouten maakten, gaan ze nog steeds uit van hun geschrijf. De onjuiste opvattingen over Willibrord in Utrecht en Bonifatius in Dokkum vermoord, worden door de historici nog steeds gevolgd! Het is daarbij dan wel opvallend dat de geschriften van Beka en Heda in tegenwoordige literatuurlijsten steevast ontbreken!


Toch was niet alle geschrijf van Beka en Heda onjuist, hoewel ze het predicaat 'onbetrouwbaar' kregen. Niet Beka en Heda waren onbetrouwbaar, maar de historici. Een voorbeeld van een tekst: (zie afbeelding hierboven): ecclesiam in Antverpo castello sitam super fluvium Schaldim in pago Riensium. Hier schrijven ze dat St.Willibrord aankwam in Gravelingae en een kerk stichtte in het fort Antverpo aan de rivier de Schelde in pago Riensium, in de streek van de Renus.

Deze bewering is volledig juist!... tenminste als er onder Gravelinga het Franse Gravelines verstaan wordt, en onder Antverpo niet Antwerpen, maar de 'aanwerp' (nieuw ontstaan land) bij Calais. De pago Riensium werd door Beka terecht als de Scaldis/Schelde opgevat, wat ook de Renus van Julius Caesar was! De historici hebben hier later Grevelingen in Zeeland van gemaakt dat nadien weer losgelaten en gewijzigd is in Katwijk, dat immers aan de monding van de Rijn ligt, waar men toen de Riensium voor hield. Antverpo betekent hier niet Antwerpen om de simpele reden dat Antwerpen in de 7de eeuw nog niet bestond. De naam duidt op de ‘aanwerp’ (land gewonnen uit zee) in de omgeving van Marck bij Calais, waar Willibrord later een kerk kreeg die nog door Amandus gebouwd was. Als je eenmaal aan Grevelingen in Zeeland aan de Schelde denkt, is de gedachte zo gemaakt, dat het hier over Antwerpen gaat.

Dit voorbeeld geeft precies aan hoe de mythen in elkaar zitten en door de historici zijn aangenomen als ware geschiedenis.

De visie van Albert Delahaye.
Johannes de Beka, die omstreeks 1350 een geschiedenis van het bisdom Utrecht beschreef, deelt mee dat bisschop Balderik (940-977) door een “mystieke openbaring” in Utrecht de relieken vond van de heiligen: Werenfried, Lebuinus, Plechelmus, Wiro, Otger, Odulphus en Radboud, waarmee hij de kerk van Utrecht verrijkte. (Bron: De S.Wirone, AS, mei II, p. 312).

Het bericht is zonder meer verzonnen, daar geen van de heiligen ooit iets met Utrecht uitstaande heeft gehad. Het kan wel dienen om de cirkelredeneringen van legenden en fantasieën te demonstreren. Beka beschrijft een openbaring van vier eeuwen geleden, welke op haar beurt weer teruggaat op personen en feiten van nogmaals 2 à 3 eeuwen eerder, terwijl voor geen van beide ‘overleveringen’ enige documentatie bestaat.

De Vita S.Werenfridi, AS, aug. IV, p. 102, beschrijft het Leven van Werenfried dat alleen bekend is uit een 14e eeuwse bron, die in Utrecht geschreven is. Toch bevat het enige elementen die naar de authentieke streek verwijzen. Opmerkelijk is dat de tekst in het meervoud spreekt over de rivieren van de Renus (=de Schelde). Voorts noemt hij de Batua "zeer bevolkt", wat al per definitie de Betuwe uitsluit, alwaar uit deze periode -het gaat hier om de 8ste eeuw- geen archeologisch bewoningsrelict van betekenis gevonden is. Westervoert heeft in de oorspronkelijke tekst wel ongetwijfeld gedoeld op Westbecourt, thans Acquin-Westbecourt op 9 km zuid van Tournehem. Op 6 km zuid-oost hiervan lag Elste, nu Elnes, dat hier dus als begraafplaats eerder in aanmerking komt dan het door de Vita-schrijver gesuggereerde 90 km zuidelijker gelegen Helisthe van Karel Martel.

Johannes de Beka, die omstreeks 1350 een geschiedenis van het bisdom Utrecht schreef, deelt mee dat bisschop Balderik (940-977) door een "mystieke openbaring" in Utrecht de relieken vond van de heiligen: Werenfried, Lebuinus, Plechelmus, Wiro, Otger, Odulphus en Radboud, waarmee hij de kerk van Utrecht verrijkte. Bron: De S.Wirone, AS, mei II, p. 312.

Dit bericht van De Beka is zonder meer vals, daar geen van de heiligen ooit iets met Utrecht uitstaande heeft gehad. Het kan wel dienen om de cirkelgangen van legenden en fantasieën te demonstreren. Beka schrijft over een openbaring van vier eeuwen geleden, welke op haar beurt weer teruggaat op personen en feiten van nogmaals 2 à 3 eeuwen eerder, terwijl voor geen van beide 'overleveringen' enige documentatie wordt aangevoerd.

Conclusie ten aanzien van Utrecht: tussen ca.940 en1200 verschijnt het bisdom Utrecht volledig nieuw in de bronnen. De naam van Utrecht moet verstaan worden als Uit-Rek, een strook land, vrij recentelijk uit het water te voorschijn gekomen en voorlopig nog "uit"(=buitenliggend). Waarschijnlijk was het nog eiland of waddeneiland dat alleen bij eb toegankelijk was. De weliswaar apocriefe tekst over Balderiks komst naar Utrecht suggereert dit ook. De naam Utrecht kreeg in de officiële stukken vrij vlug de latinisatie Ultraiectum/Traiectum, wat een volkomen normale zaak is, maar wat wel de aanleiding tot enorme misverstanden werd. Voor de toepassing van de naam Vetus (oud) Traiectum was derhalve niet de minste aanleiding, daar stad en bisdom kersvers waren. Geen wonder dan ook dat Balderik de eerste bisschop was die in de Utrechtse Dom begraven werd. Om hem te doen aansluiten bij Radboud, plaatste men het begin van zijn optreden in 918. Er bestaat geen enkel betrouwbaar gegeven hieromtrent.
Wat niet verwonderlijk is, daar het zou betekenen dat Balderik op een jaar na zijn diamanten episcopaat in actieve dienst had kunnen vieren; iets waarvoor men toch wel een leeftijd van tegen de 100 gehad moet hebben. En ook voor zo'n uitzonderlijke ouderdom van Balderik ontbreekt elke aanwijzing. Ook dat hij van Deventer kwam, wordt door geen enkele eigentijdse bron bevestigd. Tot in de 12e eeuw is geen Utrechtse of Hollandse tekst aan te wijzen die de identiteit uitspreekt tussen Willibrords Traiectum en het Nederlandse Utrecht.
De oorkonden die dat wel doen, kunnen stuk voor stuk als vervalsingen worden ontmaskerd. Eveneens kan worden aangetoond dat deze akten in de 13e eeuw gefabriceerd zijn; namelijk na het bekend worden van het Cartularium van Radboud dat, voor de kopie van Egmond uit de 12e of 13e eeuw, in Holland nog niet ter beschikking stond. De opkomst van enige nieuwe namen in Nederland, zoals Lake, Isla, Oostergo, Westergo, Hameland, Frisia, Walcheren, Betuwe, Elst, Nijmegen, Tiel en Deventer is goed te volgen; tevens wordt duidelijk dat dit volledig nieuwe namen zijn, of althans dat de ermee aangeduide plaatsen -afgezien van hun naamsovereenkomst- niet de minste samenhang hebben gehad met hun veel oudere naamgenoten in de beide Vlaanderens en het verdere Noord-Frankrijk.


Externe Links over Johannes de Beke.
Deze hier genoemde werken zijn gebaseerd op de uitgaven van H.Buch. Wij hanteren op deze pagina de uitgave van Arnoldus Buchelius.
Externe Links over Wilhelmus Heda.

Bronnen, noten en/of referenties.
  • Latijnse Inscripties in Nederland gevonden, in: A.W. Byvanck (1931-1947), Excerpta Romana. De Bronnen der Romeinsche Geschiedenis van Nederland, deel 2, blz. 10. Zie tekst IV in kader hieronder.
  • Vermaseren, B.A. (1979) De Romeinse mijlpaal van Monster in Holland, regionaal-historisch tijdschrift. 11 jaargang, nummer 6, blz. 340

  • In deze uitgave over 'episcopis Ultraiectinis' Joannes de Beka en Wilhelmus Heda, uitgegeven door Arnoldus Buchelius, worden verschillende plaatsen genoemd. Niet zozeer in de teksten van Beka en Heda, wel in de opsomming van Buchelus. Zie de lijstjes hieronder. Vraag is dus: zijn dit 14de eeuwse opvattingen van Beka en Heda, of 17de eeuwse opvattingen van Buchelius? Ik ben geneigd het laatste te denken.

    Links de kaart van het diocees Ultrajectenis in de uitgave van Buchelius. Deze kaart is weer een mooi voorbeeld van de west-Oriëntatie. Opvallend is tevens dat de Noordzee 'Oceanus Germanicus' genoemd wordt. Was Germanicus dan Nederland en niet Duitsland?
    Daarnaast de lijsten van plaatsnamen. (Klik op de afbeelding voor een vergroting).


    Het is interessant en leerzaam om te lezen wat er in de geschreven tekst staat (zie hierboven de link naar Chronographia Johannis de Beke.

    Hieronder links een afbeelding van de geschreven tekst (pagina 25). Hier worden de predikers Ewaldi (de broers), Wigbertus en Williboldus (Willibrord?) genoemd, die in 'Orientalem Fransiam' Saxonia in Westfalia en Oestvalia predikten. In de kantlijn worden de schrijfwijzen 'corrupt' genoemd en moeten zijn Westphaliam en Oestphaliam.

    In de gedrukte tekst lezen we het volgende: "Duo quidem SS .Ewaldi præsbyteri Nabiam introëuntes Christum prædicando confessi sunt , qui abinde ascendentes in Saxoniam V Nonarum Octobris glorioso Swidberto Martyrio coronati sunt Sanctus verd(y) Suidbertus beati Clementis in verbo Domini fidelis Coepiscopus post plurimorum gentilium conversionem in Domino requievit [...in insula imperialius...] Willeboldus equidem Orientalem Franciam adiens Heistatensis" .....
    Vertaald is dat: Twee van de heilige priesters, Ewald, kwamen naar Nabië en beleden Christus. Op 5 oktober, toen ze naar de Saksen gingen, werden ze gekroond met de glorieuze marteldood van Suidbert, de heilige waardige Suidbert, trouw in het woord van de Heer aan de zalige Clemens en medebisschop van de Heer, rustte na de bekering van vele heidenen in de Heer. Willebold ging inderdaad naar Heistatensis (?) en bezocht Oost-Francië.

    Wat hier meteen opvalt dat er verschil bestaat tussen de geschreven en gedrukte tekst, waar zelfs enkele woorden zijn weggelaten. Wat wel vastgesteld kan worden is dat Willibold Oost-Francië bezocht. Dat was dan Willibrord, die meerdere keren met Suitbertus en de gebroeders Ewald genoemd wordt. De geschreven tekst werd al meerdere keren gecorrigeerd en/of aangepast. Bij handschriften heel gebruikelijk. Vraag is wie dan die 'tweede hand' was, zoals dat genoemd wordt, en wanneer dat werd gedaan?
    De lijst met plaatsnamen zoals hiernaast afgedrukt, komt daarin niet voor. Dat zijn interpretaties uit de 17de eeuw, waarvan veel opvattingen sindsdien al gewijzigd zijn. Het is wel duidelijk dat het handschrift geschreven werd vanuit de overtuiging dat het om Holland ging en dat het vooral bedoeld was om het Christelijk geloof te promoten. De tekst over de dood van Bonifatius en zijn gezellen, bijvoorbeeld, luidt als volgt: "...en zij gaven zich vrijwillig over aan het martelaarschap. Bonifatius, de nieuwelingen, werden eveneens gedood in het dorp Doccum voor de naam van Christus met 52 in getal; en in het prachtige paleis van de hemel werden zij gekroond met de palm van de glorieuze overwinning. En zonder uitstel haastten de heidense Friezen van Doccum zich om de codex van de heilige prefect in zijn geheel te vernietigen en het christelijk geloof volledig uit hun grenzen te verdrijven". Hier wordt dus duidelijk gesteld dat de Ragnifidex Codex die Bonifatius voor het afweren van de slagen gebruikt zou hebben, niet langer bestaan heeft. In het geschreven handschrift staat niet Doccum, maar Dockem. In de lijst staat dan weer Dockum.

    Het hoofdstuk van de plaatsnamen heet: Interpretatio locorum obscurorum, fluminum, distrituum, oppidorum & villarum ofwel Interpretatie van onbekende plaatsen, rivieren, districten, steden en dorpen.. Het is dus een interpretatie. Veel plaatsen hebben momenteel nog steeds (nagenoeg) dezelfde naam, zoals Oosterbeeck, Heeswijck, Harlem, Hillegum, Harderwijck, Oorschot, Ommen, Benthem, Diepenhem, Amersfort, Coeverden, Drente, Twente en Velue. Maar wat bewijs je daarmee? Het blijft dan de vraag of die plaatsen in de tijd van Beka (14e/15e eeuw) al bestonden onder dezelfde naam, of was het een geval van terugredeneren vanuit de 17de eeuw? Het gebruik van de -i-j- (de 'lange ij' ontstond pas in de 16de eeuw, daarvoor was het -i-i-) zou er op kunnen wijzen.

    Hoe komt men aan de naam Honorathorpa voor Voorhout (Blok en Gysseling kennen Honorathorpa niet. Blok noemt bij Voorhout: Vuroholz, Gysseling noemt bij Voorhout: Forneholt). Waarvan komt de naam Hegenscote voor Bunschoten? (Blok en Gysseling noemen Hegenscote en Bunschoten nergens) of Hasenheym voor Amerongen? (Blok en Gysseling noemen bij Hasehem beiden: ligging onbekend, waarschijnlijk in Utrecht).
    Uit deze voorbeelden blijkt al duidelijk dat er veel misvattingen bestaan en er nog heel wat uit te zoeken is.

    Wat weten we uit de klassieke teksten?
    Radboud te Ootmarsum?: 900-917.
    Radboud werd in 900 door koning Arnulf tot bisschop van Traiectum(Tournehem) benoemd. Hij verbleef de laatste jaren van zijn leven te Ootmarsum in Overijssel, waar hij ook overleed. Hij werd te Deventer begraven. Bron: Vita Radbodi, MGS, XV, p. 568.

    Deze tekst is uit een zeer jonge kopie. Johannes de Beka (ca.1350) geeft in plaats van Ootmarsum een andere naam, t.w. Honishem, waarmee we weer op authentieker terrein zitten; klaarblijkelijk heeft deze schrijver een oudere en betere tekst onder ogen gehad. De plaats was Honnincthun, een gehucht van Wimille, op 5 km noord van Boulogne. Een andere plaats, Cremarest op 5 km noord-west van Desvres, heette voorheen Biscopem (huis van de bisschop) wat vermoedelijk een herinnering bevat aan een bisschop van Traiectum en zelfs de mogelijkheid open laat dat het bericht over Radboud en diens verblijf te Daventria(Desvres) toch op een authentiek gegeven berust. Het ‘Biscopem’ kan echter ook al -zo niet uitsluitend- teruggaan tot Hunger of althans Odilbald, welke laatste zelfs zwart op wit met ‘Taventrensis episcopus’ werd betiteld.

    Beke heeft de trend gezet voor de geschiedschrijving over het Romeinse en vooral het middeleeuwse verleden van Utrecht gedurende zes eeuwen. Het is zelfs waarschijnlijk dat door het werk van Beke oudere bronnen over de Utrechtse geschiedenis verloren zijn gegaan (of in de haard zijn verdwenen), omdat zijn werk als min of meer het laatste woord werd beschouwd. Maar het spreekt vanzelf dat hij op den duur kritiek heeft ondervonden en veel van zijn opvattingen geen stand meer hielden.

    Hieronder noemen we opvallende zaken waarover Johannes de Beke schrijft, maar die -zoals wij nu weten- gebaseerd zijn op onjuiste aannamen. opmerkingen in rood.

    De gedrukte uitgaven gaan terug op het handschrift Chronographia Joannis de Beke. (klik op de afbeelding voor een vergroting). Opvallend bij deze geschreven tekst zijn de 'aanvullingen' in de kantlijn die meestal nieuwe opvattingen betreffen en gezien het handschrift niet door De Beka zijn geschreven.

    De Beke schrijft over Adam en Eva, over Wiltabrug, over de Saksen en over de Fresones (Friezen).
    Er zijn veel historici die de geschriften van De Beke en Heda hebben bestudeerd. Meestal kwamen ze niet tot en eensluidende conclusie vanwege de eigen interpretaties. J.Romein geeft daarvan een overzicht is zijn boek over de "Noord-Nederlandsche Geschiedschrijving in de Middeleeuwen" (Haarlem, 1932). Er is sinds 1932 niet veel nieuws aan toegevoegd.

    Johannes de Beka is de eerste schrijver die Wijk bij Duurstede noemt en op het eind van de 14e eeuw schrijft: “Wijk, vulgariter genoemd Duerstede”. Bij hem is er geen enkele aanwijzing dat hij aan Dorestadum ook maar gedacht zou hebben. Hij zegt alleen dat de omwonende bevolking de naam van dit bisschops-buitengoed gebruikte om de plaats Wijk aan te duiden en van al de overige “Wijken” in Nederland te onderscheiden. Onbewust heeft deze schrijver het zéér juist uitgedrukt. Immers, als de historische reconstructie juist was geweest, had hij moeten zeggen: Duerstede, vulgariter genoemd Wijk, want Dorestadum was de oudste en de klassieke naam. De naam Wijk bij Duurstede bevat nog dezelfde historische en naamkundige degradatie, waar de belangrijke plaats en zeehaven tot achtervoegsel is gemaakt van een dorp. Een historische waarheid had zich ook in de naamgeving anders gepresenteerd; de huidige naam is een klutsei van waarheid en legende. Duurstede was het buitenverblijf van de bisschop van Utrecht en heeft geen etymologische of toponymische relatie met Dorestadum. Allereerst is Duerstede (wat de oudste schrijfwijze is) Germaans, terwijl Dorestadum Romaans/Keltisch is. Daarnaast betekent Duerstede 'vertsterkte/behouden plaats' en betekent Dorestadum 'toegangspoort' ofwel een '(zee-)havenplaats'. Voorts komt de naam Duurstede voor het eerst voor in de 14de eeuw, terwijl de naam Dorestad nog in de 10de eeuw voorkomt. Dan kan het niet over Dorestad c.q. Wijk bij Duurstede gaan dat immers in 863 verdween.

    Niet aan zijn waarde als geschiedbron - ofschoon het verkeerd zou zijn die te onderschatten - maar aan het literair karakter van zijn werk dankt Beka, evenals zoveel andere geschiedwerken uit vroeger en later tijd, de schier onmetelijke invloed, die hij op de latere historiografie in Nederland heeft uitgeoefend: alleen van den Latijnse Beka en zijn vervolgen bestaan nog 21 handschriften, waar dan nog voor de Dietse bewerkingen een zelfde aantal bijkomt, terwijl er zelfs van de Franse vertalingen nog een 5-tal handschriften bestaan. Beka zou bijna twee eeuwen lang. dè kroniek blijven, totdat hij door Heda en door de Divisie-kroniek van Aurelius verdrongen werd.

    Met de kroniek van Beka is het in het klein zo gegaan als o.a. met die van Sigebert van Gembloux in het groot. Elke instelling, die zichzelf respecteerde, heeft er klaarblijkelijk een exemplaar van laten afschrijven of er een gekocht, en wie het gelezen en er zijn zin voor geschiedenis aan had voelen ontwaken of het nut ervan door de lectuur had leren beseffen, tekende op de laatste bladzijde zelf-beleefde of gehoorde of soms ook elders gelezen en geëxcerpeerde gebeurtenissen aan. Zo zijn er tal van Latijnse en Hollandse vervolgen op Beka gemaakt, omtrent wier onderlinge verhouding nog maar weinig vaststaat en wellicht ook nooit heel veel meer zal komen vast te staan, maar die, zoveel is althans wel waarschijnlijk is, met elkaar het kennis-complex gevormd hebben, waarop de rijpere geschiedschrijving uit de tweede helft van de vijftiende eeuw voor haar kennis van de historie tussen de jaren 1350 en 1450 ongeveer is aangewezen geweest en die zij zonder verdere kritiek dan ook in haar werken heeft overgenomen. Johannes a Leydis, Theodericus Pauli, Veldenaer, het "Magnum Chronicon Belgicum" en de "Divisie-kroniek" zijn ondenkbaar zonder de "Vermeerderde Beka's", die aan hen zijn voorafgegaan.

    Ondertussen waren de opvattingen van De Beka overal 'doorgedrongen' en konden de ontstane mythen die gemeengoed geworden waren, nauwelijks gecorrigeerd worden. Schrijvers P.C.Hooft en Vondel en schilders als Rembrandt bleven in die oude mythen hangen en hun geschrijf of gedichten en schilderijen vormen heden nog steeds een 'bewijs' van de roemruchte Nederlandse historie.


    Het centrale kernpunt waar alles om draait, is de volledig misverstane oorkonde uit het jaar 777.
    Karel de Grote zou vanuit het (niet bestaande) paleis van Nijmegen aan de St.Maartenskerk (pas gebouwd in de 11e? eeuw) van de bisschop van (het niet bestaande) Utrecht landerijen en 4 bossen hebben geschonken (op 25 à 30 km. van Utrecht?), volgens een oorkonde uit 777. Daarbij werden de namen genoemd van de streek Flethite (dat zou Eemland zijn, waarin die 4 bossen lagen) en de plaatsen Dorestad (Wijk bij Duurstede), Lisiduna (Leusden, voorheen als Loosduinen opgevat) en een eiland tussen de Renus (de Rijn) en de Lockia (Laca ofwel Lecke: de Lek). Welk eiland dat was, is tot heden onbekend. Ook de genoemde plaats Ubchirica is onvindbaar in Nederland.

    Als je alle door Buchelius genoemde plaatsen bij Blok en Gysseling nazoekt, toch de 'deskundigen' onder de toponymisten, kun je de volgende verdeling maken:
  • plaatsen bij beiden overeenkomstig genoemd
  • plaatsen bij beiden «ligging onbekend» genoemd of
  • plaatsnamen die bij beiden niet genoemd worden, of
  • plaatsen waarbij sprake is van een opmerkelijk verschil in opvatting, zoals bij Maurik (zie hieronder).

    Van een aantal plaatsen wordt de locatie die Buchelius noemt nog steeds gehanteerd, zoals van Trajectum dat Utrecht is, Amuda is Muyden, Antwerpia zou Antwerpen zijn, Colonia Agripina als Colen (Keulen), Drusiburgum zou Dousburgh kunnen zijn (ook wordt Duisburg (D) genoemd), Egmunda is Egmonde (of was het toch Emunde in België?), Stavera is Staveren (bij Delahaye was Stavia of Stavre waar Odulphus gepredikt heeft de plaats Staple op 11 km.oost van St.Omaars), Flevolandia zou Vlie zijn, al wordt daar nog danig mee geschoven. Het is zeker niet het huidige Flevoland dat pas sinds 1986 officieel bestaat, meer een foutive naam heeft. Het klassieke Flevo was een water, een zee-inham, dus geen land. De naam Flevoland is afgeleid van het Flevomeer, ofwel Lacus Flevo, zoals dit door de Romeinse geograaf Pomponius Mela werd genoemd in zijn Chorographia in 44 na Chr. Het gebied ten noorden van de Rijn is nooit in bezit geweest van de Romeinen. Dorestad wordt in dit boek 4x genoemd, Trajectum 108 keer, Haltna 0 keer, Fehnta 0
    Voor al deze plaatsen kan Albert Delahaye een locatie in Vlaanderen aanwijzen die beter aansluit bij de gegevens uit de betreffende teksten en een logische samenhang hebben. Zo lag Trajectum in Gallia en niet ver van Mannaricio dat Merville was en niet Maurik (wat een opvatting van Gysseling is en waarbij Blok hem niet volgt, maar slechts Maldericke en Meldrike noemt).

    Van ander plaatsen is de locatie sindsdien herzien of geheel verlaten, zoals van Lugdunum dat bij Buchelius nog Leiden is en Arenacum als Aernhem (tegenwoordig houdt men het op Rindern), Batavodurum dat bij Buchelius Batenburch is en dus niet Nijmegen. Nimmegen heet hier Neomagum (ook fout). Waarom wordt zijn opvatting van de Bataven in de Betuwe, die ook fout is, dan nog wel voor waarheid gehouden?

    Van de traditionele opvatting over Medemelaca dat hier nog Medemblik zou zijn, is ondertussen aangetoond dat het Meldick in Frans-Vlaanderen is. Daar werd Radbod (bijna) gedoopt door bisschop Wulfram uit Sens, welke doop mislukte. Wulfram kwam daarvoor niet even uit Sens naar Medemblik, dat overigens toen (ca.719) nog niet bestond. Van een locatie waar dat gebeurd zou zijn, is ook archeologisch nooit iets gebleken.

    Grinnes zou Rhenen zijn, een opvatting die bij sommige historici nog steeds bestaat, terwijl Lugdunum als Leiden achterhaald is. Grinnes is bij Gysseling Rossum, bij Blok is het 1 km. ten oosten van Rossum. Fletio zou Geervliedt zijn, maar werd aanvankelijk op Vleuten gehouden, tegenwoordig op Vechten, met een verwijzing naar de Peutingerkaart, waarop niet Fectio staat, maar Fletione. Bij Buchelius is Fethna nog Vechten, ofwel men weet net nog steeds niet.

    Amelant loca circa Sutphen & in Velua is ook Ambelacha en Amstrachia: 3 name voor hetzelfde gebied? (Bij Blok heet het Hamaland: gebied aan weerszijden van de Gelderse IJssel; bij Gysseling heet het Hameland : gouw ten oosten van de Gelderse IJssel).

    Het mysterieuze Dorestadum dat dicht bij de zetel van Willibrord gelegen heeft, komt bij Johannes Beka niet voor, wel in deze uitgave van Buchelius. Beka noemt Wijk bij Duurstede op het eind van de 14e eeuw als: "Wijk, vulgariter genoemd Duursteden". Bij hem is er geen enkele aanwijzing dat hij aan Dorestadum gedacht zou hebben. Hij zegt alleen dat de omwonende bevolking de naam van dit bisschops-buitengoed gebruikte om de plaats Wijk aan te duiden en van al de overige "Wijken" in Nederland te onderscheiden. Volgens Nederlandse naamkundigen zijn Dorestadum en Duurstede ook etymologisch niet identiek. Het 'Dore' wijst op een 'toegangs-poort', een haven; 'Duur-' wijst op een 'versterking'.

    Plaatsnamen die zowel bij Blok als bij Gysseling niet genoemd worden, komen meermalen voor. Werda als Weurt noemt Blok niet, wel UUerdupa al noemt hij «ligging onbekend» op de Veluwe. Bij Weurt noemt Blok Werdam in Batua, al geeft hij aan vervalst (? en wordt door Bouman ten onrechte voor vals gehouden): kopie uit de 14e eeuw. Het blijkt -gezien het kaartje- over Werda in Duitsland te gaan. In hoeverre lag dat in het bisdom Utrecht? Haltira kent Blok niet, wel Haltna dat Houten zou zijn, maar ook hier noemt hij een vervalsing uit de 17e eeuw. Bij Gysseling is het al niet veel beter. Hij noemt beide plaatsen niet, bij Houten houdt hij het op Haltna, dus niet op Haltira, maar dat kan een leesfout betreffen, waarbij -ir- gelezen werd als -n-. Wat wel blijkt is dat onzorgvuldigheid of verschil door leesfouten veelvuldig te constateren zijn. Zie de verschillende schrijfwijzen van Dokkum hierboven.

    Andere genoemde plaatsen die onze aandacht vragen zijn: Nabalia voor de IJssel, Austrachia voor Schellink (?), Batua voor Betue, Fresia voor Westfrieslant (dus niet Friesland!), Wasda voor het land van Waes (bij Blok onbekend, bij Gysseling: onbekend bos in Vlaanderen, lees Walda: kopie 15e eeuw), Marsna zou Maersen zijn, terwijl het in de Nederlandse opvattingen steeds voor Meerssen (Vrede van 870) gebruikt wordt, Malsna is Gelder ende Burenmalsen.

    Het is uitermate wetenswaardig welke opvatting Blok en Gysseling er op na houden bij alle genoemde plaatsen. Komt het een beetje overeen met wat Buchelius schrijft? Uiteraard wel bij de plaatsen met (nagenoeg) dezelfde naam. Zie hierboven.

    Rien wordt hier het Markisaetschap van Antwerpen genoemd. Deze opvatting volgt Gysseling ook. Hij plaatst de pagus Renensis aan de Schelde, wat een bevestiging is van de opvattingen van Albert Delahaye.

    Testerbant zou de Bommeler- en Tielerwaard zijn. Toxandria de Meierij van Den Bosch (dus niet eens heel Brabant). Echter Teisterbant en Toxandria, hier verschillende streken, zijn in werkelijkheid dezelfde streek, net zoals Luik, Liège en Lüttich verschillende namen zijn voor dezelfde plaats.

    Onbekend of niet genoemd.
    Kunera is zowel bij Blok als bij Gysseling onbekend. Kuyndre idem onbekend. Bij Blok is Kuinder (Overijsel) bekend als Cunre: 1118 falsum? cop. 13e e.: domurn ... juxta Cunre (OBUtr I 289). Gysseling schrijft bij Kuinder: [ Ov ] 1119 U SP, Kunre • 1132 vals 2e helft 13e • Lw in monte Cunre • 1200 • Hg W 508. (de letters en nummers zijn verwijzingen naar de bronnen. Deze zijn te vinden in het Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) door Maurits Gysseling (1960).

    Fladitinga zou Vlaerdinghen zijn, bij Blok Flardingis genoemd, bij Gysseling is Vlaardingen Flardingun. Ze zijn het ook hier weer niet eens met elkaar. Forestensis is hier Sevenwolde, maar zowel Blok als Gysseling kennen dit niet. Moselandia is Delflant ende Schielant maar is zowel bij Blok als bij Gysseling onbekend. Masis voor De Eem zijn ook bij Blok en Gysseling onbkend.

    Fossa Ottonis Mare inter Zuytbeverlant & Wasiam.den hont. Waar tussen Zuid-Beveland en den Hont (Hontenisse?) een gracht is gegraven in de (Wester-) Schelde is onbekend. Een oude naam voor de Westerschelde is Honte. Het enige dat we vinden op de website van oude plaatsnamen is: Walsoorden (een oude zandbank in de Schelde) bij Hontenisse, 1210 Volcoutshord, Volcoiort: landspits van Fulkawald (bij Perkpolder?). Zouden de Ottonen in Zeeland een kanaal hebben laten graven? Blok geeft bij Hontenisse: Hontenisse (Zeeland) 1182-1183 or.: terram maris inter Ossenesse et Guntenesse iacentem (Chart. St.Pierre Gand 1342 en Cron.Cart-Dunis -ter Duinen- 332 ex cop.: Hontenesse) vergeleken met origineel Brugge; Gysseling geeft bij Hontenisse: Guntenesse • 1183 • en Hontenesse • 1190, dus ruim 12e eeuw. Ze vermelden beiden niets over een gracht van Otto.

    Fossa Drusi Incipit ab Yseloort & finitur Diusburgo. De traditionele opvatting van de Drususgracht tussen Rijn en IJssel is reeds lang achterhaald.

    Kinhem five Okenvoird. Fluvius olim prope Alckmaer. Wat hier Kinhem genoemd wordt en vaak wordt opgevat als Kennemerland, was Kennehem, zoals het in de klassieke teksten staat, dat in de Batua lag. Ligt Kennemerland in de Betuwe? Van een rivier (fluvius) bij Alkmaar die Kinhem of Okenvoird heet is ook bij P.H.Witkamp en A.J.van der AA onbekend. Bij Blok vinden we wel Alecmare en Alcmere (ca.1420). Bij Gysseling lezen we: Alcmere • 1063 kopie 12e, Alcmere • 1063 kopie 12e, Alcmere • 1083 vals 12e en Alcmera • 1083 vals 12e.

    Lavica zou de Lauwers zijn. Bij D.P.Blok lezen we Lauwers waterloop, langs de grens van Friesland met Groningen, van Surhuisterveen, gem. Achtkarspelen, naar Munnikenzijl, gem. Kollumerland (Friesland), en deel van de Waddenzee tussen Simonszand en Rottumerplaat 786-787 cop. begin l3e e.: ultra fluuium Lauuichi (Wampach, Echt 96) 11 na 786 cop. eind 15e en 16e e. (ad midden 8e e.): usque in ripam occidentalem fluminis qui dicitur Lagbeci (Liudger, VitaGreg c. 5 SS 15, p. 71) cop. eind 12e - begin Be e.: Lachbekki 11 begin ge e. cop. 1557: inter Laubachi; bij M.Gysseling (voormalige stroom tussen de provincies Friesland en Groningen) ultra fluvium Lauuichi •786-87 kop. ± 1222; fluminis Labeki (gen.) • 1e helft 9e kop. 1e helft 11e • vita s. Liudgeri. Laveke • 1040 kop. midden 12e.
    Het zijn de traditionele opvattingen waarbij de Lachbeki of de Laubach werd opgevat als Lauwers, als afscheiding van het land van de Friezen, terwijl het de Loogracht in Frans-Vlaanderen was. Met de vermelding van Sincfal (wat inderdaad het Zwin bij Damme/Brugge is), moet men niet naar het noorden om het gebied waar de Friezenwet gold te bepalen, maar juist naar het zuiden. Het is de grondfout in de Nederlandse historische geografie: Frisia lag in Vlaanderen en was beslist niet Friesland! Er zijn meerdere details uit de klassieke teksten te noemen die niet op Nederlands Friesland te passen zijn. We geven er 3:
    1. In zijn Annales (XIII, 54) vermeldt Tacitus de bergwouden, waarin de Friezen zich verborgen hielden in hun strijd met de Romeinen. In Nederland past deze tekst alleen in Zuid-Limburg (volgens Byvanck), maar daar hebben nooit Friezen gewoond. In Noordwest Frankrijk en het Zuidwesten van België, de werkelijke woonplaats van de Friezen in het eerste millennium, is het landschap heuvelachtig en bevat het op verscheiden plaatsen zelfs hoge heuvels, wouden en zelfs grotten, die dienden voor de Textielweverijen. De landstreek Toxandria was ook niet niet Noord-Brabant, maar Texandria in Vlaanderen. Waar zijn in Brabant grotten waarin textiel (de naamgever van Texandria) geweven werd? De plaats Cassel is gelegen op de 176 meter hoge Casselberg, met daarnaast de Wouwenberg van 141 meter hoog. Plaatsen met namen als Mont des Cats, Mont Noir en Mont Guynemer zeggen genoeg. Waar in Friesland zijn die bergen?
      Het waren dus zeker niet de terpen van enkele meters hoog, die Tacitus bedoelde met de bergwouden, wat enkele fantasievolle historici er in Nederland wel eens van probeerden te maken. Deze tekst van Tacitus past dus in het geheel niet op Nederlands Friesland.
    2. Tekst uit ca. 675: 'Want toen zij over de zee scheep gingen naar Fresia, dat ligt naast de streek van de Morini, kwam het voor dat hij het Misoffer wilde opdragen'. Bron: Vita S.Vulframni, AS, maart III. p.145.
      'Hij' is St.Wulfram. De Morini is onmiskenbaar de streek van Terwaan. De Friezen zijn dus buren van de Morini van Terwaan.
    3. Tekst uit ca. 700: Daar bij de Britse Zee scheidt het de Fresones van de Texandrui en de overige bewoners van de streek.
      Bron: Vita quarta S.Lamberti, AS, sept.V, p.609. Combineer deze tekst met het onder a genoemde en de locatie wijst zich vanzelf uit.
    .
    Wahalis wordt hier de Waell genoemd. De naam Wahalis staat in geen enkele klassiek tekst. Op de Peutingerkaart staat Patabus, Julius Caesar (De bello Gallico, IV, 10) noemt de Vacalus (Vahalis) als een van de grenzen van het Eiland van de Bataven. Van deze rivier zegt hij, dat ze zich op 80 mijlen van de Oceaan in de Renus stort, waardoor al evident is dat Caesar de Waal niet bedoeld kan hebben. Wal fluvium, identiek met de Vahalis van de klassieke schrijvers bij het Eiland van de Bataven, in allerlei vormen bekend zoals Guala in de 9e eeuw, is de Gouhelle in de omgeving van Noyon. Gysseling noemt bij de Waal (arm van de Rijn): Uacalus, Uahalem, Vachalis en geeft meerdere namen als Pacatus, Vachalim, Uachalus, Wal, VUal, Walum, Vayl en opmerkelijk bij Aardenburg (Zeeland) de Wala. Er wordt nergens een feitelijk bewijs gegeven dat het over de Nederlandse Waal zou gaan. Het zijn slechts overeenkomstige namen van Waal, Wal, Wala, Waell e.d. wat algemene waternamen zijn, vergelijkbaar met de doorbraak-naam: Wiel, Weel, Wade, Braak, Breek, Breken, Kolk enz. , wat de vermelding bij Aardenburg waar een Wala bestond, al aangeeft. Lees meer over de Nederlandse Waal, waarvan nooit bewezen is of die in de Romeinse tijd al bestond en doorstroomde tot de kust.

    Vergelijkbaar is de naam Mosa voor de Maas. Hier wordt de Mosa Mase genoemd en wordt Moselandia als Delflant ende Schielant opgevat, maar daar stroomt de Maas niet, wel de Lek ten zuiden en de Hollandse IJssel ten oosten ervan.
    Mosa ook Moza, is een algemene waternaam van vooral een water in moerassig gebied, zoals Moese en Meuse, ook Moos en Moeze. Alles draait natuurlijk om de juiste betekenis van MOSA, waarmee Caesar aanvangt. Caesar geeft aan dat de Mosa en de Renus samenvloeien. Waar is dat? Met de naam Mosa op zich bewijs je niets over de ligging. Ptolemeus beschrijft de rivier de Mòσα (aan de Canche) bij de Menapii en hun stad Castellum (=Cassel).
    Gyssseling geeft naast Mosa ook Mosae (meervoud) en Maase.

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.