| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
![]() Johannes de Beke (Jan van Beek, ca.1346; ook wel Jan Beke of Beka) was een 14e-eeuwse monnik, waarschijnlijk verbonden aan de Benedictijnse Abdij in Egmond. Hij schreef de Chronographia Johannis de Beka, een Latijnse kroniek van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht, en de gebieden waarover zij heersten, van de Romeinen tot 1346.[1] Het werk was grotendeels gebaseerd op reeds bestaande kronieken, zoals de Rijmkroniek van Melis Stoke. Sommige historici typeren Bekes schrijfwerk als "uiterst onbetrouwbaar". Onbetrouwbaar? Of passen zijn geschriften niet in de traditionele opvattingen? Lees meer over onbetrouwbaar. Andere auteurs hebben de Latijnse kroniek aangepast en aangevuld tot 1392. In 1395 werd het werk vertaald in het Diets. Deze versie is aangevuld tot 1430, en is een belangrijke bron voor de Hoekse en Kabeljauwse twisten in Holland en de strijd tussen Lokhorsten en Lichtenbergers in het Sticht (Utrecht). Van De Beke's werk bestaan wel 28 handschriften (netjes genummerd van A1, A2 enz. tot B, C, D en E) die van elkaar zijn overgeschreven, maar ook verschillende 'aanvullingen' bevatten. Soms worden die aanvullingen 'verbeteringen' genoemd en betreffen zowel de schrijfwijze als de inhoud. Maar zijn het verbeteringen? Zo vermeldt handschrift A4 'montisque Odilie teutonice sante Guedelenberge prope Ruremundam' terwijl een ander alleen 'sunte Odilenberge' zonder nadere plaatsaanduiding noemt. De Beke noemt nog Antonina als oude naam voor Utrecht en bij hem is Aquis Granus een plaats in de Ardennen en niet Aken. Hij vraagt zich ook nog waarom Holland zo genoemd wordt, terwijl het Holtlant zou moeten zijn omdat het veel bossen bevat. Zo zijn er meer zaken die achterhaald zijn en momenteel losgelaten zijn. Toch hanteren historici nog steeds uitgangspunten die op het geschrijf van De Beke gebaseerd zijn, zoals de mirakelen van St.Willibrord en Sunte Bonefaes. Wilhelmus Heda (ca.1460, Alphen aan den Rijn - 3 november 1525) was kanunnik te Utrecht. Heda studeerde kerkelijk en wereldlijk recht. Vervolgens werd hij secretaris van Maximiliaan van Oostenrijk. Wanneer hij tot priester werd gewijd is onbekend. In 1496 verkreeg hij een prebende. Hij werd pastoor te Hoogvliet en deken van Bergen op Zoom. Vervolgens werd hij rector aan de St. Jacobuskerk te Utrecht en in 1509 deken van de St. Johanneskerk in dezelfde stad. Zijn hoogste functie was die van proost van de St. Walburgiskerk te Arnhem. Hij werd kanunnik van Utrecht. In 1514 verhuisde hij naar Antwerpen omdat hij kanunnik van de Onze-Lieve-Vrouwe-Kerk aldaar was geworden. Hij is de auteur van het handschrift Historia episcoporum Ultraiectensium (1521), waarin veel van Johannes de Beka overgeschreven werd. De naschrijverij nam toen al grootse vormen aan en heeft sindsdien een onmiskenbaar deel uitgemaakt van de 'geschiedschrijving'. De eerste druk werd pas in 1612 gepubliceerd in Franeker onder redactie van Fumerius. De tweede uitgave onder redactie van Buchelius verscheen in 1643 in Utrecht. Arnoldus Buchelius (Aernout van Buchell) Utrecht, 18 maart 1565 - Utrecht, 15 juli 1641 - Leiden. Buchelius was een natuurlijke zoon van een Utrechtse kanunnik. Hij studeerde letteren te Leiden en Dowaai (Fr). Zijn reizen door Frankrijk, Duitsland en Italië brachten hem in contact met beoefenaars van de antiquarische studies. De neerslag van Buchelius' oudheidkundige interesse vindt men in de reisverslagen en dagboekaantekeningen die na zijn dood in diverse uitgaven het licht hebben gezien. Van 1590-1591 was hij secretaris van Walraven van Brederode. In 1593 promoveerde hij te Leiden in de rechten en leidde vervolgens een leven gewijd aan studie en de advocatuur. Op godsdienstig gebied werd hij van katholiek tot orthodox gereformeerd. In zijn briefwisseling had hij contact met onder anderen J.J. Scaliger, P. Merula, P. Scriverius, D. Heinsius, Ph. Cluverius, Joh. Is. Pontanus, J. de Laet en P. Bockenberg. Hij was bewindhebber der Verenigde Oostindische Compagnie en ouderling. Ondanks het feit dat Buchelius veel schreef en vele afschriften vervaardigde, publiceerde hij zeer weinig en van het geplande Nederlandse Oorkondenboek en andere werken kwam niets. Reeds in 1615 is Buchelius bezig met de 'verbetering' van Furmerius' uitgave van de kroniek van De Beka en Heda; bij zijn dood is deze nagenoeg persklaar, maar wordt pas in 16433 uitgegeven. Ioannes de Beka, canonicus Ultrajectinus, et Wilhelmus Heda, praepositus Arnhemensis, de episkopis Ultraiectinis, recogniti et notis historicis illustrati. G. Lap van Waveren, ed. Ultraiecti 1643. De Chronica loannis de Beka beslaat met de Appendix van S. Petrus 191 pp. De daarop volgende Historia episcoporum Ultraiectensium van Heda heeft een nieuw titelblad: Ultraiecti 1642 [331 pp.]. Hierna volgt opnieuw een Continuatio van S. Petrus [12 pp.] (zie: 214, a; 383, e). Carasso-Kok, 296-297. Beke en zijn vertaler worden nogal eens als onbetrouwbaar beoordeeld en vervolgens afgedaan, zonder dat dit goed met argumenten wordt onderbouwd en concreet en duidelijk is aangegeven waarom en op welke punten precies hun relaas niet zou kloppen en waarom dat voorts betekent dat ook vrijwel het totale beeld dat Beke en zijn vertaler geven, zou moeten worden verworpen. Beka niet betrouwbaar? Maar zijn onjuiste opvattingen over Willibrord in Utrecht en Bonifatius in Dokkum vermoord, worden nog steeds gevolgd! Het is principieel onjuist om op voorhand de kroniek van Bekes kroniek zonder meer en volledig als onbruikbaar terzijde te schuiven. Het getuigt juist van een wetenschappelijke houding om precies uit te pluizen wat wel juist en wat niet en dat dan ook beargumenteren. Het op voorhand compleet afwijzen van een historisch onderzoek is meer gebruikelijk in de historische wereld, zoals Albert Delahaye aan den lijve heeft ondervonden, maar wat ook met het Oera Linda Boek is gebeurd. Men begreep de inhoud niet, dus werd het maar afgewezen en voorts genegeerd en (eigen onwetendheid) verzwegen. |
De episcopis Ultraiectinis, recogniti et notis historicis, recogniti et notis historicis illustrati ab Arn. Buchelio Batavo I.C. Accedunt Lamb. Hortensii Montfortii Secessionum Ultraiectinarum libri, et Siffridi Petri Frisii Appendix ad historiam Ultrajectinam. (Bound with:) Historia Episcoporum Ultraiectensium. (Bound with:) Lamberti Hortensii Montfortii secessionum civilium Ultraiectinarum, et bellorum ab anno XXIV. supra M.CCCCC.
In feite gaat de hele Nederlandse traditie terug op de geschriften van Johannes de Beka en Wilhelmus Heda, die begint met bovenstaande tekst uitgegeven door Arnoldus Buchelius (1565-1641). Met deze tekst van Johannes de Beka is het grote misverstand en de mythevorming begonnen. Zij vermelden veel zaken die nadien zijn achterhaald en ook door de archeologie niet zijn bevestigd, zoals de plunderingen van de Normannia in 'Hoylandia'. Toch blijven historici vasthouden aan de opvattingen van deze monniken uit deze 15de en 16de eeuws en hun geschriften, ook al wordt dat geschrijf door diezelfde historici 'onbetrouwbaar' genoemd. Beka en Heda zijn niet altijd onbetroouwbaar, zij schreven in hun tijd zoals men er toen over dacht in alle onwetendheid. De latere historici blijken onbetrouwbaar. Hoewel zij weten dat Beka en Heda fouten maakten, gaan ze nog steeds uit van hun geschrijf. De onjuiste opvattingen over Willibrord in Utrecht en Bonifatius in Dokkum vermoord, worden door de historici nog steeds gevolgd! Het is daarbij dan wel opvallend dat de geschriften van Beka en Heda in tegenwoordige literatuurlijsten steevast ontbreken! ![]() Toch was niet alle geschrijf van Beka en Heda onjuist, hoewel ze het predicaat 'onbetrouwbaar' kregen. Niet Beka en Heda waren onbetrouwbaar, maar de historici. Een voorbeeld van een tekst: (zie afbeelding hierboven): ecclesiam in Antverpo castello sitam super fluvium Schaldim in pago Riensium. Hier schrijven ze dat St.Willibrord aankwam in Gravelingae en een kerk stichtte in het fort Antverpo aan de rivier de Schelde in pago Riensium, in de streek van de Renus. Deze bewering is volledig juist!... tenminste als er onder Gravelinga het Franse Gravelines verstaan wordt, en onder Antverpo niet Antwerpen, maar de 'aanwerp' (nieuw ontstaan land) bij Calais. De pago Riensium werd door Beka terecht als de Scaldis/Schelde opgevat, wat ook de Renus van Julius Caesar was! De historici hebben hier later Grevelingen in Zeeland van gemaakt dat nadien weer losgelaten en gewijzigd is in Katwijk, dat immers aan de monding van de Rijn ligt, waar men toen de Riensium voor hield. Antverpo betekent hier niet Antwerpen om de simpele reden dat Antwerpen in de 7de eeuw nog niet bestond. De naam duidt op de ‘aanwerp’ (land gewonnen uit zee) in de omgeving van Marck bij Calais, waar Willibrord later een kerk kreeg die nog door Amandus gebouwd was. Als je eenmaal aan Grevelingen in Zeeland aan de Schelde denkt, is de gedachte zo gemaakt, dat het hier over Antwerpen gaat. Dit voorbeeld geeft precies aan hoe de mythen in elkaar zitten en door de historici zijn aangenomen als ware geschiedenis.
De visie van Albert Delahaye. Johannes de Beka, die omstreeks 1350 een geschiedenis van het bisdom Utrecht schreef, deelt mee dat bisschop Balderik (940-977) door een "mystieke openbaring" in Utrecht de relieken vond van de heiligen: Werenfried, Lebuinus, Plechelmus, Wiro, Otger, Odulphus en Radboud, waarmee hij de kerk van Utrecht verrijkte. Bron: De S.Wirone, AS, mei II, p. 312. Dit bericht van De Beka is zonder meer vals, daar geen van de heiligen ooit iets met Utrecht uitstaande heeft gehad. Het kan wel dienen om de cirkelgangen van legenden en fantasieën te demonstreren. Beka schrijft over een openbaring van vier eeuwen geleden, welke op haar beurt weer teruggaat op personen en feiten van nogmaals 2 à 3 eeuwen eerder, terwijl voor geen van beide 'overleveringen' enige documentatie wordt aangevoerd. Conclusie ten aanzien van Utrecht: tussen ca.940 en1200 verschijnt het bisdom Utrecht volledig nieuw in de bronnen. De naam van Utrecht moet verstaan worden als Uit-Rek, een strook land, vrij recentelijk uit het water te voorschijn gekomen en voorlopig nog "uit"(=buitenliggend). Waarschijnlijk was het nog eiland of waddeneiland dat alleen bij eb toegankelijk was. De weliswaar apocriefe tekst over Balderiks komst naar Utrecht suggereert dit ook. De naam Utrecht kreeg in de officiële stukken vrij vlug de latinisatie Ultraiectum/Traiectum, wat een volkomen normale zaak is, maar wat wel de aanleiding tot enorme misverstanden werd. Voor de toepassing van de naam Vetus (oud) Traiectum was derhalve niet de minste aanleiding, daar stad en bisdom kersvers waren. Geen wonder dan ook dat Balderik de eerste bisschop was die in de Utrechtse Dom begraven werd. Om hem te doen aansluiten bij Radboud, plaatste men het begin van zijn optreden in 918. Er bestaat geen enkel betrouwbaar gegeven hieromtrent. Wat niet verwonderlijk is, daar het zou betekenen dat Balderik op een jaar na zijn diamanten episcopaat in actieve dienst had kunnen vieren; iets waarvoor men toch wel een leeftijd van tegen de 100 gehad moet hebben. En ook voor zo'n uitzonderlijke ouderdom van Balderik ontbreekt elke aanwijzing. Ook dat hij van Deventer kwam, wordt door geen enkele eigentijdse bron bevestigd. Tot in de 12e eeuw is geen Utrechtse of Hollandse tekst aan te wijzen die de identiteit uitspreekt tussen Willibrords Traiectum en het Nederlandse Utrecht. De oorkonden die dat wel doen, kunnen stuk voor stuk als vervalsingen worden ontmaskerd. Eveneens kan worden aangetoond dat deze akten in de 13e eeuw gefabriceerd zijn; namelijk na het bekend worden van het Cartularium van Radboud dat, voor de kopie van Egmond uit de 12e of 13e eeuw, in Holland nog niet ter beschikking stond. De opkomst van enige nieuwe namen in Nederland, zoals Lake, Isla, Oostergo, Westergo, Hameland, Frisia, Walcheren, Betuwe, Elst, Nijmegen, Tiel en Deventer is goed te volgen; tevens wordt duidelijk dat dit volledig nieuwe namen zijn, of althans dat de ermee aangeduide plaatsen -afgezien van hun naamsovereenkomst- niet de minste samenhang hebben gehad met hun veel oudere naamgenoten in de beide Vlaanderens en het verdere Noord-Frankrijk.
In deze uitgave over 'episcopis Ultraiectinis' Joannes de Beka en Wilhelmus Heda, uitgegeven door Arnoldus Buchelius, worden verschillende plaatsen genoemd. Niet zozeer in de teksten van Beka en Heda, wel in de opsomming van Buchelus. Zie de lijstjes hieronder. Vraag is dus: zijn dit 14de eeuwse opvattingen van Beka en Heda, of 17de eeuwse opvattingen van Buchelius? Ik ben geneigd het laatste te denken.
Daarnaast de lijsten van plaatsnamen. (Klik op de afbeelding voor een vergroting). Het is interessant en leerzaam om te lezen wat er in de geschreven tekst staat (zie hierboven de link naar Chronographia Johannis de Beke. Hieronder links een afbeelding van de geschreven tekst (pagina 25). Hier worden de predikers Ewaldi (de broers), Wigbertus en Williboldus (Willibrord?) genoemd, die in 'Orientalem Fransiam' Saxonia in Westfalia en Oestvalia predikten. In de kantlijn worden de schrijfwijzen 'corrupt' genoemd en moeten zijn Westphaliam en Oestphaliam. In de gedrukte tekst lezen we het volgende: "Duo quidem SS .Ewaldi præsbyteri Nabiam introëuntes Christum prædicando confessi sunt , qui abinde ascendentes in Saxoniam V Nonarum Octobris glorioso Swidberto Martyrio coronati sunt Sanctus verd(y) Suidbertus beati Clementis in verbo Domini fidelis Coepiscopus post plurimorum gentilium conversionem in Domino requievit [...in insula imperialius...] Willeboldus equidem Orientalem Franciam adiens Heistatensis" ..... Vertaald is dat: Twee van de heilige priesters, Ewald, kwamen naar Nabië en beleden Christus. Op 5 oktober, toen ze naar de Saksen gingen, werden ze gekroond met de glorieuze marteldood van Suidbert, de heilige waardige Suidbert, trouw in het woord van de Heer aan de zalige Clemens en medebisschop van de Heer, rustte na de bekering van vele heidenen in de Heer. Willebold ging inderdaad naar Heistatensis (?) en bezocht Oost-Francië. Wat hier meteen opvalt dat er verschil bestaat tussen de geschreven en gedrukte tekst, waar zelfs enkele woorden zijn weggelaten. Wat wel vastgesteld kan worden is dat Willibold Oost-Francië bezocht. Dat was dan Willibrord, die meerdere keren met Suitbertus en de gebroeders Ewald genoemd wordt. De geschreven tekst werd al meerdere keren gecorrigeerd en/of aangepast. Bij handschriften heel gebruikelijk. Vraag is wie dan die 'tweede hand' was, zoals dat genoemd wordt, en wanneer dat werd gedaan? De lijst met plaatsnamen zoals hiernaast afgedrukt, komt daarin niet voor. Dat zijn interpretaties uit de 17de eeuw, waarvan veel opvattingen sindsdien al gewijzigd zijn. Het is wel duidelijk dat het handschrift geschreven werd vanuit de overtuiging dat het om Holland ging en dat het vooral bedoeld was om het Christelijk geloof te promoten. De tekst over de dood van Bonifatius en zijn gezellen, bijvoorbeeld, luidt als volgt: "...en zij gaven zich vrijwillig over aan het martelaarschap. Bonifatius, de nieuwelingen, werden eveneens gedood in het dorp Doccum voor de naam van Christus met 52 in getal; en in het prachtige paleis van de hemel werden zij gekroond met de palm van de glorieuze overwinning. En zonder uitstel haastten de heidense Friezen van Doccum zich om de codex van de heilige prefect in zijn geheel te vernietigen en het christelijk geloof volledig uit hun grenzen te verdrijven". Hier wordt dus duidelijk gesteld dat de Ragnifidex Codex die Bonifatius voor het afweren van de slagen gebruikt zou hebben, niet langer bestaan heeft. In het geschreven handschrift staat niet Doccum, maar Dockem. In de lijst staat dan weer Dockum.
Het hoofdstuk van de plaatsnamen heet: Interpretatio locorum obscurorum, fluminum, distrituum, oppidorum & villarum ofwel Interpretatie van onbekende plaatsen, rivieren, districten, steden en dorpen.. Het is dus een interpretatie. Veel plaatsen hebben momenteel nog steeds (nagenoeg) dezelfde naam, zoals Oosterbeeck, Heeswijck, Harlem, Hillegum, Harderwijck, Oorschot, Ommen, Benthem, Diepenhem, Amersfort, Coeverden, Drente, Twente en Velue. Maar wat bewijs je daarmee? Het blijft dan de vraag of die plaatsen in de tijd van Beka (14e/15e eeuw) al bestonden onder dezelfde naam, of was het een geval van terugredeneren vanuit de 17de eeuw? Het gebruik van de -i-j- (de 'lange ij' ontstond pas in de 16de eeuw, daarvoor was het -i-i-) zou er op kunnen wijzen.Hoe komt men aan de naam Honorathorpa voor Voorhout (Blok en Gysseling kennen Honorathorpa niet. Blok noemt bij Voorhout: Vuroholz, Gysseling noemt bij Voorhout: Forneholt). Waarvan komt de naam Hegenscote voor Bunschoten? (Blok en Gysseling noemen Hegenscote en Bunschoten nergens) of Hasenheym voor Amerongen? (Blok en Gysseling noemen bij Hasehem beiden: ligging onbekend, waarschijnlijk in Utrecht). Uit deze voorbeelden blijkt al duidelijk dat er veel misvattingen bestaan en er nog heel wat uit te zoeken is.
Wat weten we uit de klassieke teksten?Radboud te Ootmarsum?: 900-917. Radboud werd in 900 door koning Arnulf tot bisschop van Traiectum(Tournehem) benoemd. Hij verbleef de laatste jaren van zijn leven te Ootmarsum in Overijssel, waar hij ook overleed. Hij werd te Deventer begraven. Bron: Vita Radbodi, MGS, XV, p. 568. Deze tekst is uit een zeer jonge kopie. Johannes de Beka (ca.1350) geeft in plaats van Ootmarsum een andere naam, t.w. Honishem, waarmee we weer op authentieker terrein zitten; klaarblijkelijk heeft deze schrijver een oudere en betere tekst onder ogen gehad. De plaats was Honnincthun, een gehucht van Wimille, op 5 km noord van Boulogne. Een andere plaats, Cremarest op 5 km noord-west van Desvres, heette voorheen Biscopem (huis van de bisschop) wat vermoedelijk een herinnering bevat aan een bisschop van Traiectum en zelfs de mogelijkheid open laat dat het bericht over Radboud en diens verblijf te Daventria(Desvres) toch op een authentiek gegeven berust. Het ‘Biscopem’ kan echter ook al -zo niet uitsluitend- teruggaan tot Hunger of althans Odilbald, welke laatste zelfs zwart op wit met ‘Taventrensis episcopus’ werd betiteld. Beke heeft de trend gezet voor de geschiedschrijving over het Romeinse en vooral het middeleeuwse verleden van Utrecht gedurende zes eeuwen. Het is zelfs waarschijnlijk dat door het werk van Beke oudere bronnen over de Utrechtse geschiedenis verloren zijn gegaan (of in de haard zijn verdwenen), omdat zijn werk als min of meer het laatste woord werd beschouwd. Maar het spreekt vanzelf dat hij op den duur kritiek heeft ondervonden en veel van zijn opvattingen geen stand meer hielden. Hieronder noemen we opvallende zaken waarover Johannes de Beke schrijft, maar die -zoals wij nu weten- gebaseerd zijn op onjuiste aannamen. opmerkingen in rood. De Beke schrijft over Adam en Eva, over Wiltabrug, over de Saksen en over de Fresones (Friezen). Er zijn veel historici die de geschriften van De Beke en Heda hebben bestudeerd. Meestal kwamen ze niet tot en eensluidende conclusie vanwege de eigen interpretaties. J.Romein geeft daarvan een overzicht is zijn boek over de "Noord-Nederlandsche Geschiedschrijving in de Middeleeuwen" (Haarlem, 1932). Er is sinds 1932 niet veel nieuws aan toegevoegd. Johannes de Beka is de eerste schrijver die Wijk bij Duurstede noemt en op het eind van de 14e eeuw schrijft: “Wijk, vulgariter genoemd Duerstede”. Bij hem is er geen enkele aanwijzing dat hij aan Dorestadum ook maar gedacht zou hebben. Hij zegt alleen dat de omwonende bevolking de naam van dit bisschops-buitengoed gebruikte om de plaats Wijk aan te duiden en van al de overige “Wijken” in Nederland te onderscheiden. Onbewust heeft deze schrijver het zéér juist uitgedrukt. Immers, als de historische reconstructie juist was geweest, had hij moeten zeggen: Duerstede, vulgariter genoemd Wijk, want Dorestadum was de oudste en de klassieke naam. De naam Wijk bij Duurstede bevat nog dezelfde historische en naamkundige degradatie, waar de belangrijke plaats en zeehaven tot achtervoegsel is gemaakt van een dorp. Een historische waarheid had zich ook in de naamgeving anders gepresenteerd; de huidige naam is een klutsei van waarheid en legende. Duurstede was het buitenverblijf van de bisschop van Utrecht en heeft geen etymologische of toponymische relatie met Dorestadum. Allereerst is Duerstede (wat de oudste schrijfwijze is) Germaans, terwijl Dorestadum Romaans/Keltisch is. Daarnaast betekent Duerstede 'vertsterkte/behouden plaats' en betekent Dorestadum 'toegangspoort' ofwel een '(zee-)havenplaats'. Voorts komt de naam Duurstede voor het eerst voor in de 14de eeuw, terwijl de naam Dorestad nog in de 10de eeuw voorkomt. Dan kan het niet over Dorestad c.q. Wijk bij Duurstede gaan dat immers in 863 verdween. Niet aan zijn waarde als geschiedbron - ofschoon het verkeerd zou zijn die te onderschatten - maar aan het literair karakter van zijn werk dankt Beka, evenals zoveel andere geschiedwerken uit vroeger en later tijd, de schier onmetelijke invloed, die hij op de latere historiografie in Nederland heeft uitgeoefend: alleen van den Latijnse Beka en zijn vervolgen bestaan nog 21 handschriften, waar dan nog voor de Dietse bewerkingen een zelfde aantal bijkomt, terwijl er zelfs van de Franse vertalingen nog een 5-tal handschriften bestaan. Beka zou bijna twee eeuwen lang. dè kroniek blijven, totdat hij door Heda en door de Divisie-kroniek van Aurelius verdrongen werd. Met de kroniek van Beka is het in het klein zo gegaan als o.a. met die van Sigebert van Gembloux in het groot. Elke instelling, die zichzelf respecteerde, heeft er klaarblijkelijk een exemplaar van laten afschrijven of er een gekocht, en wie het gelezen en er zijn zin voor geschiedenis aan had voelen ontwaken of het nut ervan door de lectuur had leren beseffen, tekende op de laatste bladzijde zelf-beleefde of gehoorde of soms ook elders gelezen en geëxcerpeerde gebeurtenissen aan. Zo zijn er tal van Latijnse en Hollandse vervolgen op Beka gemaakt, omtrent wier onderlinge verhouding nog maar weinig vaststaat en wellicht ook nooit heel veel meer zal komen vast te staan, maar die, zoveel is althans wel waarschijnlijk is, met elkaar het kennis-complex gevormd hebben, waarop de rijpere geschiedschrijving uit de tweede helft van de vijftiende eeuw voor haar kennis van de historie tussen de jaren 1350 en 1450 ongeveer is aangewezen geweest en die zij zonder verdere kritiek dan ook in haar werken heeft overgenomen. Johannes a Leydis, Theodericus Pauli, Veldenaer, het "Magnum Chronicon Belgicum" en de "Divisie-kroniek" zijn ondenkbaar zonder de "Vermeerderde Beka's", die aan hen zijn voorafgegaan. Ondertussen waren de opvattingen van De Beka overal 'doorgedrongen' en konden de ontstane mythen die gemeengoed geworden waren, nauwelijks gecorrigeerd worden. Schrijvers P.C.Hooft en Vondel en schilders als Rembrandt bleven in die oude mythen hangen en hun geschrijf of gedichten en schilderijen vormen heden nog steeds een 'bewijs' van de roemruchte Nederlandse historie. |
Het centrale kernpunt waar alles om draait, is de volledig misverstane oorkonde uit het jaar 777.
Karel de Grote zou vanuit het (niet bestaande) paleis van Nijmegen aan de St.Maartenskerk (pas gebouwd in de 11e? eeuw) van de bisschop van (het niet bestaande) Utrecht landerijen en 4 bossen hebben geschonken (op 25 à 30 km. van Utrecht?), volgens een oorkonde uit 777. Daarbij werden de namen genoemd van de streek Flethite (dat zou Eemland zijn, waarin die 4 bossen lagen) en de plaatsen Dorestad (Wijk bij Duurstede), Lisiduna (Leusden, voorheen als Loosduinen opgevat) en een eiland tussen de Renus (de Rijn) en de Lockia (Laca ofwel Lecke: de Lek). Welk eiland dat was, is tot heden onbekend. Ook de genoemde plaats Ubchirica is onvindbaar in Nederland.
| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |