Terug naar de lijst Naar het overzicht in het kort.

Ermelo: Romeins Marskamp of inheemse nederzetting?

Er is geen enkele zekerheid dat de gevonden sporen in Ermelo van een kamp zijn geweest, laat staan van een Romeins kamp. Van Es houdt het op een inheemse nederzetting.

Het marskamp in Ermelo ligt meerdere marsdagen van de Rijn, wat zonder tussenliggend kamp, wat de afstand van meer dan 45 km betref, erg ongebruikelijk geweest zou zijn. Het is slechts op grond van een vergelijkbare vorm en omvang aan de Romeinen toegewezen. Was het wel een Romeins kamp?
Het kan aangelegd zijn op Romeinse manier door veteranen die het bouwen van kampen in Romeinse dienst leerden. Dat er Romeinse relicten zijn gevonden (zijn die er wel gevonden?) bewijst nog niet dat het door Romeinen is gebouwd.


De visie van Albert Delahaye.
Het zogenaamde Romeinse Marskamp te Ermelo wordt in geen enkele klassieke Romeinse bron genoemd. Nu er in Nederland met plaatsen waar zeker Romeins is gevonden zo onzorgvuldig wordt omgegaan en er zoveel fouten zijn gemaakt, is het niet de moeite waard aandacht te schenken aan dit onbeduidende kamp. De vindplaats, ver buiten de Romeinse grenzen, tart elke logica in "Romeins" Nederland, maar is wel sprekend voor de wijze waarop men in Nederland met de historie omgaat.
P. Blok localiseert te Ermelo de plaats Irminlo dat genoemd wordt in een akte uit 855, liggend in Felua. Irminlo in Felua is in werkelijkheid Hamilincourt op 12 km ten zuiden van Atrecht.

De Nederlandse traditie.Romeins Marskamp.
Bijna twintig eeuwen geleden trok een Romeins leger over de Veluwe. Ver voorbij de Romeinse rijksgrens, op de Ermelose Heide, sloegen ze een marskamp op waarvan de sporen vandaag de dag nog steeds in het landschap zichtbaar zijn. Romeinse marskampen werden tijdens veldtochten en legeroefeningen aangelegd. Soms werden de kampen maar een nacht gebruikt, maar toch werden ze volgens een vast stramien opgebouwd. Hoewel er een groot aantal van deze kampen moet zijn geweest, hebben archeologen er nog maar weinig ontdekt. Het marskamp bij Ermelo is tot nu toe zelfs het enige dat in Nederland gevonden is. Dit boek geeft allereerst inzicht in de algemene geschiedenis van de Romeinen in Nederland. Specifieke aandacht gaat uit naar het marskamp bij Er-melo en de prehistorische geschiedenis van de Ermelose heide en het archeologisch onderzoek daarnaar.

Wat er zich exact heeft afgespeeld op de heide rond het jaar 170 na Chr. is niet helemaal meer na te gaan. Wel is duidelijk dat Romeinse legionairs een kamp voor een paar nachten hebben gemaakt. Ze groeven een greppel en wierpen een aarden wal op om veilig de nacht te kunnen doorbrengen. Aan de wal die nog zichtbaar is in het landschap zijn eerder dit jaar in opdracht van de gemeente Ermelo herstelwerkzaamheden uitgevoerd.

Op de Ermelosche Heide meende Holwerda een Romeins Marskamp te hebben ontdekt. Zie afbeelding hiernaast voor een fantasievolle impressie zoals het marskamp er wellicht uitgezien heeft.
Echter ook deze bevindingen van Holwerda (naast vele andere) zijn steeds onderhevig geweest aan discussie. De details van Holwerda's plattegrond zijn door latere opgravingen niet bevestigd. Het militaire karakter van het 'kamp' staat niet vast. Zou het geen inheemse nederzetting geweest kunnen zijn?, schrijft Van Es (o.c. p. 278, noot 339). De aard en datering van dit kamp zijn echter bijzonder onzeker (Van Es, o.c. p. 122).

R.S.Hulst en J.Vredenberg schreven in 2007 over dit kamp in het boek 'Het Romeins Marskamp bij Ermelo' (zie afbeelding links hiernaast). Daarin lezen we de volgende opmerkingen:
  • Hoewel het kamp in Ermelo gewoonlijk als 'marskamp' wordt aangeduid, kan niet met zekerheid gezegd worden of het in verband met oorlogsshandelingen of een militaire oefening is aangelegd.
  • Hoewel vermoed wordt dat er in het marskamp ook cavalerie aanwezig was, zijn daar geen sporen van gevonden.
  • Het marskamp bij Ermelo wordt niet vermeld in historische bronnen.
  • Het kamp bij Ermelo lag op twee marsdagen afstand vanaf de limes. Feitelijk op meer dan twee dagen als het leger zo'n 25 km per dag aflegde. Vanuit Nijmegen, de enige plaats waar met zekerheid in 170 n.Chr. een leger gestationeerd was, is de afstand toch zeker 70 km.
  • Van de bevolking langs de limes kan nauwelijks een bedreiging zijn uitgegaan. Dit werd ook al geschreven door A.W.Byvanck en W.A. van Es.
  • Het marskamp bij Ermelo dateert uit de periode rond de jaren 160-175.
  • In Ermelo is de vorm van het kamp onregelmatig, en daarom is de praetentura niet vanuit de plattegrond te bepalen.
  • De klassieke vorm van het Romeinse kamp was zuiver rechthoekig. Daar voldoet het kamp bij Ermelo allerminst aan.
  • In het zuidelijke deel van het terrein zijn wel veel met houtskool gevulde kuilen gevonden. Dit zijn waarschijnlijk haardplaatsen van het tentenkamp.
  • Het is niet erg waarschijnlijk dat Romeinse haardkuilen na zoveel eeuwen nog aan de oppervlakte zichtbaar zijn geweest.
  • Binnen de omwalling van het kamp zijn diverse sporen van menselijke activiteiten gevonden, variŽrend van scherven en andere kleine voorwerpen tot resten van een broodoven.
  • De oven lijkt slechts enkele dagen te zijn gebruikt.
  • Verder zijn er in1923 resten aardewerk opgegraven onder andere van ruwwandige kookpotten. Die werden niet door de Romeinen gebruikt. Zij hadden hun eigen terra sigillata.
  • In 1980 werd een klein fragment Zuid-Gallische terra sigillata gevonden.
  • Naast aardewerk zijn er ook enkele metalen voorwerpen opgegraven, waaronder een ijzeren speerpunt, een verroeste (schoen?)nagel en een eensnijdig mes.
  • Hoewel er wel weinig metalen voorwerpen zijn aangetroffen, verwijzen zij wel duidelijk naar de militaire functie van het kamp.
  • Op de wal van een Romeins kamp stonden vaak palissades, maar daar zijn hier geen sporen van gevonden.
  • De functie van een grote kuil is niet met zekerheid te bepalen. Het is niet zeker of deze kuil uit de Romeinse tijd dateert. Mogelijk werd hier voedsel bereid.
  • Sommige kuilen liggen echter dichter bij elkaar en passen niet in het systeem, waardoor twijfel mogelijk blijft.
  • De functie van het middelgrote kamp in Ermelo is niet met zekerheid te bepalen. De omvang zegt weinig over de functie.
  • Van veel middelgrote kampen wordt aangenomen dat het marskampen zijn. Zeker is echter dat het kamp (gezien de omvang) is ingericht voor duizenden soldaten.
  • Begin twintigste eeuw stond het kamp onder de plaatselijke bevolking bekend als 'Heidenkamp' of 'Heidensch Kamp'. Een verband met de Romeinen was toen nog niet gelegd. Op de topografische kaart uit 1850 staat het marskamp als 'Heidensch Kamp' afgebeeld.
  • Holwerda meende in 1922 dat het complex een omwallig of legerplaats van Frankische oorsprong was.
  • In de jaren zeventig sprak J.E.Bogaers opnieuw twijfel uit over de aard van het kamp. Wel brengt hij meer duidelijkheid in de datering. Bestudering van het aardewerk toont aan dat dit uit de tweede of derde eeuw dateert.
  • In de jaren zeventig en tachtig blijven verschillende auteurs twijfel aan de interpretatie van Holwerda. Verder wordt de twijfel over de aard van het kamp gevoed door de gebrekkige datering en de onbekendheid met de historisch context. Er blijkt nauwelijks meer aan het Romeins-militair karakter wordt getwijfeld. Slechts enkel auteurs opperen nog vragenderwijs de gedachte aan een inheemse nederzetting.
  • Niet duidelijk is wat de functie van de terreinscheiding was. Holwerd's theorie is daarmee noch bewezen, noch weerlegd.
  • G.Mildenburger vormte een uitzondering met zijn voorstel de kampen in Kneblinghausen en Ermelo te interpreteren als versterkte inheemse nederzettingen met een voorburcht, naar voorbeeld van Romeinse versterkingen. De plaatselijke bevolking maakten hun kampen naar Romeins voorbeeld na.
  • Het onderzoek in 1987 heeft geen defitief uitsluitsel gegeven, maar het heeft de conclusies van Holwerda in grote lijnen bevestigd. Dus toch een Frankisch kamp?
  • Naast verdere opgravingen in Ermelo zouden ook nieuwe vondsten uit het gebied ten noorden van de limes meer inzicht in het doel en betekenis van het kamp kunnen verschaffen. Nu zijn slechts twee bouwwerken bekend: het marskamp en een laat-Romeinse wachttoren bij Oud-Leusden. Zij wijzen erop dat de limes niet moet worden gezien als een statische grens, maar eerder als een door de Romeinen gedefinieerde zone van invloed.

    Bechert (o.c. p.79) vermeldt dat onderzoek in 1987 een broodoven bloot legde. C-14-datering en aardewerk maken een datering in de 2e eeuw zo goed als zeker. In deze periode heeft het kamp (van 9 ha.) zeker gefunctioneerd. Het is echter onduidelijk of het daarvoor en daarna het geval was.

    Byvanck (o.c. p. 436) schrijft daarover, met een verwijzing naar Holwerda -1923 : "Op de Veluwe is ten oosten van Ermelo een Romeins legerkamp uit de tijd omstreeks 300 opgegraven, met een wal, een gracht, vier poorten, de overblijfselen van bivakvuren, laat Romeinse kookpotten uit de derde wellicht uit de vierde eeuw. Waarschijnlijk heeft daar, in de periode toen het Romeinse Rijk wederom alle krachten inspande om zijn positie te bevestigen, een Romeins leger een tijd lang gekampeerd".

    Welke rol dit kamp, dat ongever 36 km benoorden de Rijngrens lag, heeft gehad, blijft vooralsnog duister. Als we van de vroegere datering uitgaan kan het kamp nauwelijks nog gezien worden als uitvalsbasis voor verdere veroveringen. De grens van het Romeinse rijk lag immers vast. (Klok/Brenders, o.c.p.10).


    Zie ook bij Deplacements Historiques en bij Limes.