Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Johannes Smetius (1590-1651), predikant te Nijmegen.

Hier wordt nog aan gewerkt!






Grafsteen van predikanten Johannes Smetius sr. (predikant van 1618-1651) en jr. (predikant van 1679-1704) in de St.Stevenskerk in Nijmegen.

De visie van Albert Delahaye.
Kanunnik Willem van Berchen en dominee Johannes Smetius zijn de uitvinders van de Karolingische en Romeinse mythen in Nijmegen. De kronieken van Van Berchen zijn nooit in druk verschenen; overigens waren zij in het latijn geschreven en zijn er maar enkele kopieen van bekend. Zijn werken zijn nadien slechts aan enige andere schrijvers bekend geweest. Er was een Smetius nodig, om het smeulend romeins en karolingisch vuurtje op te blazen tot de Vesuvius van Nederland. In de 17e eeuw kwam vooral door toedoen van Smetius de karolingische fabel tot volle wasdom, zodat die, gekombineerd met de fabel van de voormalige rijksstad, met stelligheid gehanteerd werd om Nijmegen een uitzonderingspositie in Gelre en in Nederland te geven. Zelfs wanneer de beide fabels werkelijkheid en waarheid waren geweest, hadden zij in de 17e eeuw alle realiteit verloren, en waren zij uitsluitend een historische terugblik geweest.
Hoe is het mogelijk dat de grootste fantast in de geschiedenis van Nijmegen in een en ander de hand heeft gehad. Die fantast was dominee Johannes Smetius, die in 1618 als predikant naar Nijmegen kwam. De stad en de hervormde gemeente waren al jaren verscheurd door de twisten tussen Remonstranten en Arminianen. Nadat het stadsbestuur met enigszins harde hand schoon schip had gemaakt, werd Smetius uit Aken(!) naar Nijmegen beroepen, kennelijk met de bedoeling om een frisse figuur te krijgen die niet in de partijtwist verwikkeld was. Deze kant van de zaak is volledig geslaagd. Laten we Smetius niet aanwrijven dat hij Nijmegen het idee van gelijkvormigheid met Aken zou hebben aangepraat. Dat denkbeeld bestond al lang; hoogstens heeft hij er van zijn kant een steentje aan bijgedragen. De 'frisse wind' heeft Smetius ook veroorzaakt in de geschiedenis van Nijmegen, waarbij hij allerlei gebeurtenissen naar Nijmegen trok, dat immers het Noviomagus van Karel de Grote was sinds Willem van Berchen dat ca.1480 gesteld had. De boude bewering van Smetius dat in Nijmegen het Oppidum Batavorum gelegen zou hebben, de voornaamste stad van de Bataven. Het is een volledige onwaarheid, waardoor Nijmegen de Franse stad Noyon na haar naam Nviomagus ook deze titel en kroon ontnam. Het was een misgreep daar nergens in de bronnen staat dat Noviomagus en Oppidum Batavorum identiek waren. Integendeel: er blijkt heel duidelijk dat het afzonderlijke plaatsen waren. Het was geen historie wat Smetius pleegde, de uitvinder van deze fabel; het was mythologische hebzucht. Onbegrijpelijk is, dat de latere historici en archeologen het plaatsen van twee onderscheiden steden op een plek nooit kritisch hebben onderzocht.
Smetius getuigt ook, dat in zijn tijd (1619-1651) nog veel romeinse ruines zichtbaar boven de grond stonden. Wijs me eens een Hollander aan, die dat gratis bouwmateriaal ongebruikt zou laten liggen! En dan de tweede Hollander, die het kilometers zou gaan verslepen! En nu komt het punt: waar in Nijmegen is dat gratis Romeins bouwmateriaal teruggevonden? Heeft het wel bestaan in de omvang die men er zo graag aan geeft?

Toch heeft Smetius enige verdienste voor Nijmegen gehad. Hij interesseerde zich bijzonder voor de romeinse voorgeschiedenis van Nijmegen, waarvan in zijn tijd nog veel zichtbaar boven de grond aanwezig was. Hij verzamelde romeinse voorwerpen, zelfs in zo groot aantal dat hij na verloop van tijd een heel museum bij elkaar had. Maar bovenal, hij werd de uitvinder van de fabel dat Nijmegen het Oppidum Batavorum was, wat erin ging als koek en wat, omdat hij in het latijn schreef, wereldwijd werd verbreid. Het zou zo erg nog niet zijn geweest, wanneer hij wat onzin had verteld over de Nijmeegse geschiedenis, maar door zijn gefantaseer pinde hij de Peutinger-kaart op Nederland vast, waardoor het drama begon voor de historische geografie van het westen van Europa. Hoe ver zijn fantasieen zijn doorgedrongen, bleek enkele jaren geleden bij een debat in Frankrijk, toen mij triomfantelijk een franse vertaling van zijn boek “Oppidum Batavorum” voor de voeten werd geworpen, een boek dat in Nederland geen enkele historicus of archeoloog nog durft citeren (maar nu wel wordt gebruikt in het boek De Bataven. Verhalen van een verdwenen volk). Was het maar bij dat boek gebleven! Smetius en zijn familie na hem hebben echter een schanddaad gepleegd tegenover Nijmegen en tegenover de nederlandse archeologie. Zij hebben de romeinse voorwerpen — en uiteraard interesseerden zij zich het meest voor “fraaie” stukken — met karrevrachten aan het buitenland verkocht en zich verrijkt tot onschatbare schade van de Nijmeegse en de nederlandse archeologie. Het kan nauwelijks als een excuus worden aanvaard, dat buiten hen niemand belangstelling had voor deze vondsten en dat zij bij het stadsbestuur geen of te weinig steun hebben gevonden. Met begrip voor deze omstandigheden moet men zich toch afvragen, waarom hun wetenschappelijk en trouwens ook hun gewoon menselijk geweten niet is gaan spreken, toen zij kapitalen vingen voor de archeologica, die niet van hen waren doch van de bevolking van Nijmegen, wanneer de stad dan geen oog had voor dit erfgoed. Het laatste deel van de kollektie Smetius is in 1705 na de dood van Smetius door zijn gelijknamige zoon ook dominee Johannes Smetius voor 20.000 gulden! (zie noot) aan de Keurvorst van de Palts verkocht en naar Mannheim vervoerd! Luguber is de opmerking van Gijsbert In de Betouw (prdikant van 1736-1761 in de Stevenskerk), dat "dit verlies enigszins vergoed wordt door een beschrijving van die vondsten in ‘Antiquitates Neomagenses’. Het staat integendeel als een paal boven water vast, dat die karrevrachten oneindig veel meer hebben bevat dan hetgeen de Smetiussen met hun toenmalig gebrekkig inzicht in de archeologie — wat men hen niet behoeft te verwijten — eruit hebben gehaald. Maar weer wordt aangetoond, en de feiten liegen er niet om, dat de hedendaagse archeologen werken met fragmenten van romeins Nijmegen. Wanneer zij dan mijn opvatting dat Nijmegen niet het romeinse Noviomagus is geweest — het fabeltje van Smetius — triomfantelijk beantwoorden met de vraag: geef ons dan de juiste naam, zeg ik op mijn beurt: die is hoogstwaarschijnlijk afgevoerd op een der karren van de handelaars in romeinse vondsten.

Noot: 20.00 gulden uit 1705 heeft momenteel een waarde van fl. 553 941.20 ofwel € 251 367.56. De familie Smetius heeft er een aardig kapitaal aan overgehouden.


Wat weten we van deze Johannes Smetius?

Toen de star volgehouden strijd tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten mede door het persoonlijk ingrijpen van prins Maurits in 1618 ten gunste van de laatsten was beslecht (en het Johan van Oldebarnevelt zijn kop kosttte, red.), was het zaak voor de Sint Steven een predikant te beroepen, wiens rechtzinnigheid boven alle twijfel verheven was. Hij werd gevonden in de persoon van Johannes Smetius Sr., in 1590 geboren te Aken en hoogleraar in de wijsbegeerte te Sedan. Gedurende 33 jaren ging hij zijn gemeente consciëntieus voor en herstelde „in Nijmegen onder Gods leiding de orthodoxe kerk", aldus in Nederlandse weergave het Latijnse onderschrift onder zijn pastei-portret, geschilderd door zijn tijdgenoot, de Nijmeegse kunstenaar Rutger van Langevelt.
Was de rechtzinnige en diepgelovige leraar een steunpilaar van zijn Calvinistische gemeente, daarnaast kreeg deze typisch 17e-eeuwse humanist als archeoloog en verzamelaar van Romeinse oudheden uit Nijmeegse bodem opgedolven, als zorgvuldige beschrijver in de Latijnse taal van zijn vondsten en als poëet in de tale Latiums internationale vermaardheid. Met verschillende humanisten van naam stond hij in persoonlijk en schriftelijk contact. Velen bezochten hem om zijn kabinet van oudheden te bewonderen. Dat deze om wetenschap en godgeleerdheid hooggeprezen Nijmeegse predikant bij zijn dood in 1651 een waardige uitvaart in zijn eigen kerk onder overweldigende belangstelling ten deel viel, behoeft nauwelijks gezegd te worden. Nog verkondigt een grafzerk in de een humanist passende statige Latijnse volzinnen zijn faam zoals een meer bescheiden en beknopter straatnaambordje zijn naam sinds de ontmanteling van de stad vastlegt in het geheugen van straatbewoners, brievenbestellers en overige Nijmegenaren.

De grafsteen kan nauwelijks de tekst bevatten van een der meest uitvoerige grafschriften, die in de kerk te vinden zijn. De dode wordt geprezen als een uitzonderlijk sieraad van stad en kerk. Omdat hij in een omvangrijk onderzoek wilde aantonen, dat Nijmegen het Oppidum Batavorum is, door Tacitus in het vijfde boek van zijn „Historiae" vermeld, wordt hij niet alleen geroemd als de predikant, die de kerk aan de rechtzinnigen maar ook als de vorser, die Nijmegen aan de Bataven teruggaf; hij was onberispelijk van levenswandel; de gedenkstukken uit de oudheid en hun oorsprong maakte hij wereldkundig; Nijmegen bleef hij tot zijn dood trouw ondanks aanzoeken hem bereikend vanuit andere kerken en academies. De indrukwekkende lijkrede in steen eindigt aldus: "Aan het graf liet hij zijn sterfelijk lichaam na, aan stad en wereld zijn onsterfelijke naam, aan vrouw en kinderen diepe rouw, aan het nageslacht zijn altijddurend gemis".

Een tweede herinnering aan de grote Nijmegenaar, die nog altijd wacht op een uitvoerige monografie over zijn leven en werken, is de kansel, die na zorgvuldige restauratie de herboren Stevenskerk siert: een bekwaam en stijlvol werkstuk van Joost Jacobs uit Amsterdam. Vanaf 1640, toen de kansel gereed kwam, tot het jaar 1651 is Smetius hierin zijn gemeente voorgegaan. Tijdens zijn pastoraat heeft hij in zijn kerk, waaruit geleidelijk de laatste sporen van de katholieke eredienst verdwenen, veel nieuwe aanwinsten kunnen bewonderen als de tochtportalen uit 1623 en 1632, het laatste een werkstuk van de Nijmeegse schrijnemaker Cornelis Schaeff, die naar een ontwerp van Joost Jacobs in 1644 ook het herengestoelte uitvoerde en dit plaatste aan de zuid-oostelijke pijler van het transept tegenover de kansel, zodat de heren van de magistraat en voorname gasten van het stadsbestuur een even onbelemmerd uitzicht hadden op de predikant voor de tegenoverstaande pijler als de minder bevoorrechte kerkgangers op de verheven heren in hun gereserveerde plaatsen.
De meeste van de sierlijke bolkronen, die nog altijd de kerk tooien, al worden zij hinderlijk en opdringerig geflankeerd door twee rijen moderne pendels, heeft Smetius vanuit zijn kansel zien hangen. Maar het fraai gesneden doophek van Cornelis Schaeff kwam een jaar na zijn dood gereed en werd rond de kansel en de doopvont geplaatst. Vandalistisch in stukken gezaagd hebben tijdens de restauratie de fragmenten een nieuwe funktie gekregen als afsluitingen van de zijkapellen, die hieraan geen behoefte hadden. Het „papengestoelte", waarmede de prae-Reformatorische kanunnikenbanken in het koor werden aangeduid, werd krachtens raadsbesluit verkocht in hetzelfde jaar, waarin het doophek gereed kwam. Mogelijk zijn de aanschafkosten voor het laatste geheel of gedeeltelijk gedekt door de opbrengst van het eerste.
Enkele jaren vóór zijn dood deelde Smetius nog in de vreugde om de sluiting van de vrede van Munster in 1648, die een einde maakte aan de tachtigjarige oorlog. Op 26 mei van dat jaar werd deze voor geheel Europa belangwekkende gebeurtenis in Nijmegen door de gehele burgerij feestelijk herdacht, waarbij de Stevenstoren een belangrijke rol speelde. Niet alleen begeleidden de klokken van Sint Steven en van alle overige kerken en stadspoorten het feestgedruis maar vóór en na de officiële bekendmaking van de vrede vanaf de Kerkboog werd de bevolking vermaakt met muziek en spel van de stadsmuzikanten en speelluiden, die op de toren plaats hadden genomen. Het muziekfestijn werd 's middags vanaf vier uur op de toren voortgezet tot laat in de avond met een non-stop-concert van afwisselend optredende vocalisten, instrumentalisten, beiaardier en klokkeluiders.

Al staat het niet op zijn grafsteen vermeld, mogelijk wegens plaatsgebrek, Smetius is ook de grote promotor geweest van de eerste Nijmeegse universiteit, die als Illustre School in 1655 haar poorten opende en het jaar daarop werd omgezet in een Kwartierlijke Academie met vier faculteiten68. Hij heeft de vervulling van zijn hartewens niet meer mogen beleven, evenmin als zijn mede-ijveraar voor de oprichting, de stadspensionaris Lambert Goris, die in hetzelfde jaar als Smetius overleed en als deze zijn laatste rustplaats vond achter het koor in de Stevenskerk. Geestverwant van Smetius op het terrein van wetenschap en letteren verheerlijkte hij Nijmegen en vooral het Kelfkensbosch, in zijn dagen nog een echt, zij het dan ook mini-bos in gezwollen Latijnse verzen. Maar zijn grafschrift is aanzienlijk bescheidener dan dat van zijn vriend en vertelt alleen maar kort en bondig, dat Goris „in sin leven sindicus der stadt Nimwegen" was en dat bij hem begraven liggen zijn echtgenote „joffrouwe Maria van Panhuys alsmede Martin Goris haren soon".

Op 3 mei werd de Illustre School geopend met een even plechtige als naar onze mening saaie en onverteerbare academische zitting in de Stevenskerk, want na een feestelijke optocht door de stad werden daar de stichtingsoorkonden en de leges van de school voorgelezen en spraken de drie benoemde hoogleraren, de theoloog Christophorus Wittichius, de jurist Petrus de Greve en de filosoof Guillaume Soudan achter elkaar hun inaugurale rede uit, waarna de kerk bleef fungeren als een soort aula academica, want tot 1662 hadden daar de promoties plaats

Bron: Numaga 1969-3, p.228.

Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.