Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Romeins Nijmegen.

De grote falsificaris van Romeins Nijmegen is prof.dr. J.E.Bogaers, die onbewezen en door hemzelf aangenomen opvattingen introduceerde alsof het bewezen feiten waren. Op archeologisch gebied, dat zijn specialisatie zou zijn, maakt Bogaers er vaak een potje van.
Ook de 18 door Bogaers aangeleverde teksten in Het Bronnenboek van Nijmegen, getuigen niet meteen van grote deskundigheid op het gebied van Romeins Nijmegen.

Ten aanzien van de aanwezigheid van Romeinse legionairs in Nijmegen is van continu´teit geen enkele sprake. De enige periode waarvan vaststaat dat er Romeinen gelegerd waren in Nijmegen is tussen 71 en 104 n.Chr. Zowel ervoor als daarna is van de aanwezigheid van Romeinen nauwelijks enig bewijs te vinden. De uiterlijke marge is tussen 50 en 175 n.Chr. Zie vooral de opmerkingen van dr.W.A. van Es hierover.

Dat Romeins Nijmegen Ulpia Noviomagus geheten zou hebben is een onbewezen aanname van prof.J.E.Bogaers uit 1959. Deze zÚÚr omstreden mythe ging er in als koek, zeker omdat enkele jaren daarvoor Albert Delahaye ernstige twijfels had laten horen over de authenticiteit van Romeins en Karolingisch Nijmegen.

De naam Ulpia Noviomagus zou Nijmegen gekregen hebben van keizer Trajanus. De teksten die hierover spreken gaan echter over een ander Noviomagus en wel over Neumagen bij Trier. Trajanus was stadhouder in Germania Superior en gaf aan het daar gelegen Noviomagus zijn eigen familienaam Ulpia. Trajanus is zelfs niet eens in Nijmegen geweest, dus de zogenaamde Trajanuszuil staat er eveneens verkeerd, evenals de "geboorte-steen" van Nijmegen, dat een afgietsel is van een in Beieren (Pfünz) gevonden inscriptie.

Toen Bogaers de gedachte Van Ulpia Noviomagus voor het eerst publiceerde (1959), schreef Van Buchem daar het volgende over: "Wij hopen, dat dr. Bogaers spoedig gelegenheid zal vinden om zijn nieuwe denkbeelden omtrent deze voor de oude geschiedenis van Nijmegen toch waarlijk niet onbelangrijke kwesties duidelijker en uitvoeriger uiteen te zetten.". Van Buchem betwijfelt dus de nieuwe denkbeelden van Bogaers dat het Romeinse Nijmegen onder de naam "Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum" zijn stadsrechten aan keizer M. Ulpius Traianus (98-117) te danken zou hebben.
Nijmegen had tot 104 n.Chr. een militaire casstellum, maar beslist geen burgerlijke nederzetting. Die nederzetting zou aan de Waal gelegen hebben en de naam Noviomagus gedragen hebben. Maar daarvoor ontbreekt elk bewijs, ook archeologisch.

De visie van Albert Delahaye.

Laat er geen misverstand over bestaan: Romeins Nijmegen wordt door Albert Delahaye alleminst ontkend. Wel dat de naam Noviomagus het juiste naamplaatje voor Romeinse Nijmegen is. De Romeinse naam van Nijmegen is volkomen onbekend. Geen enkele archeologische vondst of kroniek bevestigt dat Romeins Nijmegen Noviomagus geheten zou hebben.

Nijmegen heeft vóór de 11e eeuw nooit de naam Noviomagus gedragen. Deze aanname is nooit bewezen.

Romeins Noviomagus en Karolingisch Noviomagus was ÚÚn en dezelfde plaats. Daar zijn alle historici het altijd over eens geweest en daar is ook discussie over.
Nu in de boeken van Delahaye is aangetoond dat het Karolingische Noviomagus NIET Nijmegen was, dan was Nijmegen dus evenmin het Romeinse Noviomagus!



Het op de kaart hierboven (detail van de Peutingerkaart) afgebeelde Noviomagi zou Nijmegen zijn. Het opschrift FRANCIA op dit deel van de kaart spreekt deze visie radikaal tegen. Tevens zou Nijmegen dan aan de verkeerde kant van de Waal liggen, immers de afgebeelde rivier onder Nijmegen is de Patabus (volgens de Nederlandse traditie zou dit de Waal zijn). Aan de overkant van die Patabus ligt onmiskenbaar Noord Frankrijk met o.a. de plaats Baca Conervio (Bavay).


Gentse professor in de Romeinse archeologie bewijst het gelijk van Albert Delahaye.
Prof. Hugo Thoen: "Ik zoek al vijftig jaar naar bewijzen van Caesars aanwezigheid in BelgiŰ, maar heb nooit iets gevonden."
Alles in de Romeinse geschiedenis van Nederland en BelgiŰ wat van de foutieve veronderstelling is afgeleid dat Caesar tot in onze streken is geweest, zal herschreven moeten worden.

Romeins Nijmegen heeft, volgens de traditie, bestaan tussen 12v. en 406 n.Chr. Maar is dat ook zo?

Er zijn in Romeins Nijmegen in de loop der jaren veel opgravingen verricht, er is over Romeins Nijmegen in de loop der jaren nog meer geschreven. Opvallend is dat bij de beschrijving van veel opgravingen terecht de nodige voorbehoudens worden gemaakt. In veel opgravingsverslagen tref je dan ook bewoordingen aan die duidelijk een voorbehoud inhouden, zoals "waarschijnlijk", "naar het schijnt", "komt het meest overeen met", "vermoedelijk", "aangenomen zou kunnen worden", "de datering is moeilijk", "aanwijzingen ontbreken", "moet ongetwijfeld geweest zijn", "onverklaarbaar", enz. Echter de historici hebben hun conclusies (vaak tevoren) al klaar en baseren hun uitspraken op verkeerd gelezen historische bronnen, terwijl de archeologie hun beweringen tegenspreekt, zelfs weerlegt.

Nijmegen zag het levenslicht in de bloeitijd van het Romeinse Keizerrijk, zonder dat van het moment waarop dat gebeurde, concrete bewijzen zijn overgebleven. De archeologen die zich met deze materie bezighouden, baseren hun bevindingen noodgewongen op een combinatie van enkele vondsten uit opgravingen, summiere schriftelijke bronnen en hun kennis van de Romeinse geschiedenis. Hun conclusies zijn uit de aard der zaak steevast "voorlopig". (Bron: J.Brabers)
In Nijmegen is in de loop der jaren veel Romeins gevonden, meer dan in andere plaatsen langs de noordelijke grens van het Romeinse rijk. Toch moeten we concluderen dat de vondsten te summier waren om er met zekerheid een geschiedenis uit af te kunnen leiden. Men heeft de gegevens aangevuld met die van schriftelijke bronnen en de kennis van de Romeinse geschiedenis in het algemeen. En juist bij het toepassen van die schriftelijke Romeinse en Middeleeuwse bronnen op Nederland en Nijmegen zijn een aantal fundamentele fouten gemaakt en zijn verschillende misvattingen ontstaan.

Publicaties van anderen.
In de volgende alinea's wijzen we op publicaties van andere historici dan Albert Delahaye, om aan te tonen dat de Romeinse geschiedenis van Nijmegen allerminst een zekerheid is die men er graag van maakt. Bij elke tekst wordt de bron vermeld, zodat de kritische lezer de tekst zelf kan controleren, en belangrijk, het verband kan blijven zien met de rest van het boek of artikel waarnaar verwezen wordt. Veel teksten komen uit het tijdschrift Numaga, een tijdschrift dat gewijd is aan heden en verleden van Nijmegen en omgeving, en waarin gereonomeerder historici hun bevindingen steeds gepubliceerd hebben. Bij het publiceren van hun bevindingen spreken veel historici steeds ook hun twijfel uit, twijfel die later verdwijnt in stelselmatige zekerheid. Historicus A veronderstelt iets, historicus B gebruikt die veronderstelling als "Bron" en historicus C gebruikt de bron van historicus B vervolgens als zekerheid! Zelfs als historicus A historicus C wijst op zijn voorbehouden, blijft C bij zijn stelling. Dit verschijnsel zien we erg vaak in de historie van Nederland en zeker in die van Romeins Nijmegen.


De vondst van Romeinse overblijfselen in de Waal in Nijmegen-west weerlegt de traditionele geschiedenis even overtuigend als onweerlegbaar. Met deze vondst wordt bewezen dat de Waal ten tijde van de Romeinen nog niet bestond. De Waal kan dus nooit de Patabus geweest zijn en de Betuwe nooit het EILAND der Bataven. Daarmee vervalt de hele traditionele Romeinse geschiedenis van Nijmegen Ún van Nederland, die immers afgeleid is van de stelling dat Nijmegen het Noviomagus van de Peutingerkaart en van Karel de Grote is, gelegen aan de Patabus en bij het eiland der Bataven.

Romeins Nijmegen kenmerkt zich vaak door een indeling in meerdere perioden. Die indeling vloeit voort uit een aantal gegevens, die de Romeinse tijd hebben opgeleverd. Zo vind men in Nijmegen op minstens 4 verschillende van elkaar in tijd en plaats gescheiden locaties Romeinse overblijfselen. Deze verschillende locaties tonen eerder een onderbreking in bezetting aan, dan de zo gewenste continu´teit.

De Perioden zijn de volgende (indeling overgenomen uit "400 jaar Romeinse bezetting van Nijmegen"):
1. Periode 1: 12 v.Chr.(??) - 70 n.Chr. Van oorlogsterrein naar grensgebied.
2. Periode 2: 70 - 105 n.Chr. Julius Civilis en het 10e legioen.
3. Periode 3: 105 - 270. Bloeitijd en falende grensbewaking.
4. Periode 4: 270 - 402. Volksverhuizing en Christendom.


1. Romeins Nijmegen, periode 1: 12v.-70 n.Chr. Van oorlogsterrein naar grensgebied.

Periode 1 in Romeins Nijmegen laat men graag beginnen in 12 v. Chr. en eindigen in 70 n.Chr. met de nederlaag van de Bataven in hun opstand tegen het Romeins gezag. Toch zijn er nog steeds historici die Romeins Nijmegen liever eerder laten beginnen, uitgaande van de teksten van Julius Caesar waarin hij over de Bataven, de Tecteren en Usipeten spreekt. Anderen laten de Romeinse geschiedenis halverwege de eerste eeuw beginnen. De eerste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen dateert uit 50 n.Chr. Dat is historisch gezien te aanvaarden. Maar voor de periode daarvóór ontbreekt elk bewijs. Het Bronnenboek van Nijmegen bevestigt hiermee de opvattingen van Albert Delahaye.

Voor zover we weten is de eerste die over een vondst uit Romeins Nijmegen heeft geschreven, Willem van Berchen geweest, eens kanunnik van de Nijmeegse St.Stevenskerk. In zijn Gelderse kroniek "De nobili principatu Gelrie et eius origine'' heeft hij omstreeks 1465 een steen met een Latijnse inscriptie vermeld, die toentertijd was ingemetseld in de z.g. Karolingische kapel op het Valkhof, en die thans bewaard wordt in het Provinciaal Museum G.M. Kam (*). Het betreft een grafsteen die tussen 96 en ca. 104 is opgericht voor G(aius) Iulius Pudens, veteraan van de Legio X Gemina Pia Fidelis, en voor diens zoon Iulius Iunius.
De wijze waarop Willem van Berchen de tekst van de inscriptie heeft aangevuld, gelezen en becommentarieerd, grenst aan het ongelofelijke en is ronduit verbijsterend. ,,Alles is anders" zouden we met H.Brunsting kunnen zeggen.
(Bron: Museum Kam)
En ondanks dat de mededeling van Willem van Berchen dat Nijmegen gesticht zou zijn door Julius Caesar, voor onwaar wordt verklaard, blijft men zijn beweringen nog steeds voor waarheid houden en legt Willem van Berchen met zijn beweringen de kiem van de latere mystificaties in "de algemeen aanvaarde geschiedenis van ons land".
(*) De eertijdse collectie van Museum Kam is nu ondergebracht in Museum Het Valkhof te Nijmegen.

Het begin van de Romeinse occupatie van Nederland wordt algemeen gesteld op het jaar 47 n.Chr. toen keizer Claudius de noordelijke rijksgrens vaststelde. Deze noordelijkste grens liep in Nederland langs de (Oude) Rijn.

Wat zeggen andere historici over het begin van Romeins Nijmegen:

  1. De eerste en oudste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen, een uitgave van de eigen Universiteit, dateert van ca. 50 na Chr.(Bron: Bronnenboek van Nijmegen)
    Hoewel deze tekst (over de Civitates Batavorum) allerminst op Nijmegen betrekking heeft, erkent ook het Bronnenboek dat hiermee de Romeinse periode in Nijmegen halverwege de eerste eeuw begint. De archeologie toont hetzelfde aan. Ook erkent men dat alles wat daarvoor ligt, niet bij Nijmegen hoort! De tekst van Willem van Berchen zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek van Nijmegen, ofwel men erkent ook hiervan de onjuistheid.

  2. In 55 v.Chr. is Julius Caesar in de omgeving van Nijmegen, maar n˛ch vondsten, n˛ch litteratuur geven ons nadere inlichting. (Bron: H. Brunsting)
    Je vraagt je dus niet langer in verwondering af hoe men aan de veronderstelling komt dat julius Caesar in Nijmegen geweest zou zijn. Dat was op grond van een foutieve vertaling van een Romeinse tekst door Willem van Berchen? Zie hiervoor!

  3. Is Nijmegen gesticht door de Romeinse veldheer Gaius Iulius Caesar? Welneen. Toen Iulius Caesar tegen het midden van de laatste eeuw vóór Christus het grondgebied van het tegenwoordige Frankrijk en BelgiŰ bij het zich nog steeds uitbreidende, reeds uitgestrekte Romeinse rijk voegde, was het huidige stadsgebied van Nijmegen nog onbewoond. "Wij kunnen dan ook de telkens weer opduikende legende van een stichting van Nijmegen door Iulius Caesar veilig laten voor wat zij is. (Bron: Van Buchem)
    Aldus de eerste alinea uit een artikel in het eerste nummer van NUMAGA, het 'eigen' tijdschrift van Nijmegen. Julius Caesar is nooit in Nederland geweest en dan kan alles, maar dan ook werkelijk alles, dat voorheen van deze foutieve veronderstelling is afgeleid, uit de Nederlandse historie geschrapt worden. Dan was de Renus dus niet de Nederlandse Rijn, dan was de Betuwe niet het eiland der Bataven, dan vond de slag tegen de Ucipeten en Tencteren niet in Nederland plaats en woonden de volkeren als Cimbri, Cherusci en Suebi die Caesar uit eigen waarneming en treffen heeft beschreven ook niet in Nederland of zelfs ver in Duitsland. Julius Caesar is met zijn veroveringen nooit hoger geweest dan de huidige taalgrens. Dit leidt slechts tot ÚÚn conclusie: de geschiedenis die Caesar beschrijft in "De Bello Gallico" heeft zich ten zuiden van die taalgrens afgespeeld. Als men deze ene conclusie eenmaal accepteert, komt de geschiedenis in west-Europa vanzelf weer op de juiste plaats terecht.

  4. In de tijd van Caesar woonden er nog geen Bataven in de Betuwe. (Bron: W.J. de Boone) Deze ene constatering weerlegt de hele traditie van Romeins Nederland.

  5. Julius Caesar heeft nooit een voet in BelgiŰ gezet. (Bron: De Morgen)
    De Gentse oud-hoogleraar en archeoloog dr. Hugo Thoen, een autoriteit op oudheidkundig gebied en oud-docent provinciaal-Romeinse archeologie, komt na een studie van 50 jaar tot de conclusie dat Julius Caesar nooit een voet in BelgiŰ heeft gezet en dan al helemaal niet in Nederland. Hij is beslist niet "over BelgiŰ heen gesprongen" met zijn legioenen. Zo ver noordelijk is Caesar dus nooit geweest. Voor de geschiedschrijving lijkt dit toch de nodige consequenties te hebben. In weerwil van wat voor de meeste historici nog geldt, staan de bevindingen van de archeologen haaks op de interpretaties van de (oud-)historici. Hiermee bevestigt prof.dr.Thoen onmiskenbaar de visie van Albert Delahaye. Zie ook de vorige opmerking.

  6. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van een Romeins garnizoen te Nijmegen in ongeveer het midden van de 1e eeuw n.Chr. zijn er niet. (Bron: W.van Es)
    Ook Prof.Dr.W.A. van Es erkent dat de Romeinen niet eerder dan in het midden van de eerste eeuw in Nijmegen arriveerden.

  7. Het tiende legioen dat in 69 en 70 n.Chr. in de Betuwe tegen de Bataven gestreden zou hebben, werd pas na het voorjaar van 71 n.Chr. vanuit Frankrijk (Norroy) naar Nijmegen overgeplaatst. (Bron: J.Bogaers) Dit feit wordt zelfs bij 4 verschillende Nederlandse historici genoemd: doordenken op de consequentie ervan schijnt er niet bij geweest te zijn. Als het Tiende Legioen bij de opstand van de Bataven in 69 en 70 n.Chr. nog niet in Nijmegen was maar in Frankrijk, dan heeft de strijd zich ook dßßr afgespeeld: ergo verbleven de Bataven ook dßßr!

  8. De vondsten die in 1971 en 1972 op de noordelijke helling van het Kops Plateau zijn gedaan, hebben geen argumenten opgeleverd om Holwerda's identificatie van de nederzetting op het plateau met Tacitus' Oppidum Batavorum te ondersteunen. (Bron: Museum Kam)
    Dr. J.H.W.Willems (toen directeur van de ROB. in Amersfoort) betoogde bij opgravingen op de Kopse Hof in Nijmegen: "We hebben op dit ogenblik (1989) zo'n 9000 m2 van 'Holwerda's Oppidum Batavorum (1)' opgegraven, maar zoals eigenlijk wel te verwachten was: we hebben het niet gevonden. Alles wat we tot toe hebben gevonden wijst erop dat het tussen 12 vóór en 70 n.Chr. op het Kops plateau een komen en gaan van Romeinse legeronderdelen is geweest. En als er hier al Bataven zijn geweest dan hoorden die dààrbij!"

  9. De naam Municipium Batavorum is alleen bekend van enige inscripties die buiten Nijmegen zijn gevonden. (Bron: Museum Kam)
    In Nijmegen zelf is dus NIETS gevonden dat bevestigt dat het Municipium Batavorum daar gelegen was. De vondsten in Kapel Avezaath en Colijnsplaat bewijzen niets ten gunste van Nijmegen. Net zo min als de naam Noviomagus dat is, aangetroffen op gedenkstenen te Pfünz, Boedapest en Rome en die men altijd voor Nijmegen heeft opgevat! Met dit Noviomagus is natuurlijk gewoon Noyon bedoeld, dat immers vanouds Noviomagus heette. De naam Noviomagus voor Nijmegen is een achterafse latinisatie, zoals dat in de late middeleeuwen met talrijke plaatsnamen en persoonnamen gebeurde. Jacobus Canisius en Johannes Smetius, die immers gewoon Sjaak de Hond en Jan Smit heette, zijn in Nijmegen zelf twee van de vele voorbeelden.

  10. Er is nergens een aanwijzing te vinden voor de theorie, dat de Bataven op het Kops plateau gewoond hebben en in de Betuwe geplaatst zijn door de Romeinen. De stelling dat de Bataven al geheel geromaniseerd hier gekomen zijn, wordt door de vondsten niet bevestigd. importgoed uit ItaliŰ bewijst dat er geen vrouwen en kinderen gewoond hebben, veeleer militairen. (Bron: W.H.Kam) Meer informatie.Er is dus geen enkel bewijs dat er Bataven op het Kops Plateau gewoond zou hebben. Daar gaan de mooie Nijmeegse verhaaltjes over het Oppidum Batavorum! Zie ook de volgende opmerkingen.

  11. Bij de opgravingen in de Betuwe is, zover mij bekend, nergens een nederzetting gevonden waar niet de meeste scherven uit inlands fabrikaat, eventueel nagenoeg geheel, uit inlands aardewerk bestonden. De Romeinse scherven, die gevonden werden, waren steeds na 70 te dateren. Een inlandse nederzetting, die nagenoeg geheel uit Romeins aardewerk bestond met een groot aantal Arretijnse stukken, is nergens gevonden. (Bron: W.H.Kam)

  12. Is het ook niet eigenaardig dat in Nijmegen nergens resten van Bataafse bewoning zijn gevonden waarin de golfrandige scherven voorkomen, zoals die in de Betuwe en in Overasselt gevonden worden? Het is natuurlijk onjuist alle inlands aardewerk Bataafs te noemen. Zo is ons geen Bataafse begraafplaats met urnen bekend. Holwerda en Braat wijzen daar al op. Het is dus onzin om van een zuiver Bataafs graf te spreken, wanneer een urnbijzetting in een Romeinse omgeving wordt aangetroffen. Dit moet een inlands graf heten, dat mogelijk uit de urnenvelden-tijd stamt, uit de ijzertijd of eventueel uit de bronstijd. Ook het inlandse aardewerk dat uit gemengd Romeinse brandgraven komt, is niet Bataafs. Het is nog steeds onbekend hoe de Bataven hun doden ter aarde bestelden, maar zeker niet in urnbijzettingen." (Bron: W.H.Kam)

    Zowel het jaar 12 v. Chr. als het jaar 70 n.Chr. zijn aan kritiek onderhevig en vormen zeker geen begin of eindpunt van een periode in de Romeinse geschiedenis van Nijmegen.

    Het begin van de Romeinse occupatie van Nederland wordt algemeen gesteld op het jaar 47 n.Chr. als keizer Claudius (41-54) de noordelijke rijksgrens vaststelt. Deze noordelijke grens liep in Nederland langs de (Oude) Rijn. Rond ditzelfde jaar laat men ook vaak Romeins Nijmegen beginnen. Echter de aankomst van het Tiende Legioen in het jaar 71 n.Chr., dus NA de Opstand van de Bataven, is de eerste zekerheid in de geschiedenis van Nijmegen. Het was in het Romeinse rijk gebruikelijk om een legeronderdeel dat zware strijd geleverd had, te verplaatsen naar een andere streek vanwege wraak en rancune van de bevolking. Zo kwam het tiende Legioen eind 70, begin 71 n.Chr. in Nijmegen terecht. In het jaar 105 vertrok het weer naar Hongarije.

    Algemeen gaat men er vanuit dat Nijmegen in deze periode de naam "Oppidum Batavorum" gedragen hebben. Deze aanname wordt door geen enkel bewijs bevestigd.

Terug naar boven.


2. Romeins Nijmegen, periode 2: 70 - 105 n.Chr. Julius Civilis en het 10e legioen.


Deze tweede periode van Romeins Nijmegen valt samen met de aanwezigheid van het 10e legioen in Nijmegen.
    Volgens de traditie zouden de Bataven, na hun nederlaag na de Bataafse opstand, in het westelijk Waaloever-gebied in Nijmegen een nieuwe stad hebben mogen stichten. Hun oude Oppidum was immers verwoest. Zoveel menslievendheid kan men van de Romeinen niet verwachten. In hun vaak medogenloze strijd tegen de "barbaren" werden volkeren na een opstand eerder uitgroeid, dan dat zij privileges kregen. Een nieuwe stad mogen stichten onder de hoede van het Romeinse tiende legioen getuigt van een infantiele onnozelheid, die we bij de Romeinen niet hoeven te verwachten. Dit heeft zich dan ook nooit voorgedaan, dan in de fantasie van historici die zelf de historische weg totaal kwijt waren.

    Vrijwel algemeen wordt aangenomen dat de Legio X Gemina in 71 te Nijmegen, d.i. Batavodurum, de plaats heeft ingenomen van de Legio II Adiutrix, ofschoon tot nu toe op het terrein van de legerplaats of elders in onze strekens geen archeologische sporen zijn aangetroffen die met zekerheid aan dit laatste legioen kunnen worden toegeschreven.
    (Bron: J.Bogaers) De aankomst van het Tiende Legioen is de eerste zekerheid in de geschiedenis van Nijmegen. Het vertrek van het 10e Legioen wordt algemeen gesteld op 105 na Chr., waarna het naar Hongarije werd overgeplaatst.

    Het staat vast dat het tiende legioen heeft gestreden tegen de Bataven tijdens de "opstand van de Bataven" in de jaren 69 en 70 n.Chr. Het tiende legioen kwam pas in 71 in Nijmegen terecht, dus na het onderdrukken van de "opstand van de Bataven". Het kwam toen vanuit Norroy in Noord-Frankrijk. Als het tiende legioen tijdens de opstand der Bataven in Noord-Frankrijk was, heeft de opstand zich ook daar voorgedaan en niet in de Betuwe.

    "Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum".
    ULPIA NOVIOMAGUS kan het beste een "uitvinding van Bogaers" genoemd worden. De naam en het ontstaan van de Romeinse stad Noviomagus zijn uitvoerig en grondig besproken door J.E. Bogaers in zijn inaugurale rede in 1959. Sindsdien is algemeen aanvaard dat de Romeinse nederzetting in Nijmegen-West van Keizer Traianus de naam Ulpia Noviomagus heeft ontvangen tezamen met het marktrecht. Dit zou in 103 of 104 zijn gebeurd ter compensatie (ach, zielig Nijmegen, moet Trajanus hebben gedacht - wie gelooft dit zelf?) van het vertrek van de Legio X Gemina naar het Donaugebied. In latere tijd zou Ulpia Noviomagus als Municipium Batavorum stadsrecht hebben gekregen. Compensatie in de vorm van marktrecht bij het vertrek van het 10e legioen? Deze gedachtenkronkel werd dus bedacht dr. J.E. Bogaers. Je vraagt je in gemoede af of deze professor wel enige kennis van de nietsontziende en meedogenloze Romeinse legioenen heeft gehad. Compensatie? Van de Romeinen? Eerst al een nieuwe stad mogen bouwen na de opstand van de Bataven die bijna 2 jaar duurde? En dan nog compensatie van marktrecht? En op deze kronkels is de hele geschiedenis van Romeins Nijmegen gebaseerd.
    Het gaat hier dus over een "sterke traditie sinds de Romeinen" van Hugenholtz, die dus pas sinds 1959 bestaat. De opvattingen van Bogaers, waarvoor hij geen enkel bewijs aangeeft -het zijn opvattingen-, zijn allerminst overtuigend geweest, getuige de volgende uitspraken van Van Buchem. "Wij hopen, dat dr. Bogaers spoedig gelegenheid zal vinden om zijn nieuwe denkbeelden omtrent deze voor de oude geschiedenis van Nijmegen toch waarlijk niet onbelangrijke kwesties duidelijker en uitvoeriger uiteen te zetten."
    Van Buchem betwijfelt de gegrondheid van Bogaers' scepsis, dat het Romeinse Nijmegen, onder de naam "Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum", zijn stadsrechten aan keizer M. Ulpius Traianus (98-117) te danken zou hebben.
    H.Halbertsma meent (ook in Numaga): "Dat er ten onrechte een band zou zijn gelegd tussen Noviomagus en keizer M. Ulpius Traianus en dat dat niet door Bogaers is gesuggereerd". Dat had meneer Halbertsma dus niet goed begrepen, want Boagers heeft niet de bedoeling gehad Ulpia van Noviomagus van elkaar te scheiden, aldus Van Buchem. (Kunt U deze redenatie nog volgen?) De "gedachte" van Bogaers bleek meteen een zekerheid te zijn geworden. En op deze "zekerheid" is de hele traditie van Romeins Nijmegen gebaseerd.

    En wat schrijft J.K. Haalebos (de compaan van Bogaers) in Numaga? Bogaers heeft voorgesteld dat de naam Batavodurum van de oude hoofdplaats der Bataven in het oosten van Nijmegen is meeverhuisd naar het nieuwe bestuurscentrum in het Waterkwartier. Een dergelijke verschuiving van de plaatsnaam Batavodurum is puur hypothetisch. Als stad (municipium) wordt Nijmegen pas in het begin van de 3de eeuw vermeld onder de naam Municipium Batavorum. Noviomagus betekent Nieuwveld of Nieuwmarkt. Het doet wat vreemd aan dat een dergelijke naam gegeven zou zijn aan een bestaande nederzetting, zelfs als dit samen zou gaan met het verlenen van marktrecht. Zowel de aanwezigheid van de Ala Batavorum als het feit dat deze ruiterafdeling nog Bataven onder haar manschappen telde, mag opmerkelijk worden genoemd en wijkt af van de gangbare opvattingen over de ontwikkeling van de Romeinse hulptroepen. Meestal wordt aangenomen dat de Bataafse hulptroepen na de grote opstand van 69/70 uit de provincie zijn verwijderd en dat er aan het einde van de 1ste eeuw weinig rekening meer met hen werd gehouden.

    Puur hypothetisch, vindt Haalebos. Hypothetisch=een als voorlopige waarheid aangenomen maar nog niet bewezen veronderstelling (volgens Van Dale). Ofwel: "Wie verkoopt er hier nou KLETSPRAAT?" ("Kletspraat" was de geliefde uitdrukking van Bogaers, waarmee hij het zeer zorgvuldige bronnenonderzoek van Delahaye kwalificeerde, bij gebrek aan steekhoudende argumenten.) De Bataven zouden in de opvatting van Bogaers dus als dank voor hun opstand tegen de Romeinen, een nieuwe stad mèt marktrecht hebben gekregen. Om het met Obelix te zeggen: "Rare jongens die Romeinen".

    Reconstrueert men nu de opvattingen van Bogaers met de "BEWIJZEN" die hij ervoor aanvoert, dan blijkt Bogaers DE grote falsaris van Romeins Nijmegen te zijn. Wat Bogaers over Romeins Nijmegen heeft gepubliceerd grenst aan het ongelooflijke. Het is begrijpelijk dat Bogaers het felst van alle historici tegen Delahaye ageerde. Zijn deskundigheid stond op het spel. Een deskundigheid waar achteraf NIETS van overblijft. Niet Delahaye heeft de deskundigheid van Bogaers te grabbel gegooid. Dat heeft Bogaers mooi zelf gedaan. Bogaers kan het best gekwalificeerd worden als de grote fabeldichter van Romeins Nijmegen.
In deze periode weet men voor Nijmegen geen naam te bedenken. Immers dat Nijmegen de naam Ulpia Noviomagus of Municipium Batavodorum of een combinatie van beide gedragen zou hebben, wordt met geen enkel bewijs aangetoond. Het zijn slechts veronderstellingen, waarvan door Albert Delahaye is aangetoond dat deze aannames slechts "gratis beweringen" zijn geweest.
Terug naar boven.


3. Romeins Nijmegen, periode 3: 105 - 270. Bloeitijd en falende grensbewaking.

Hoewel de periode van 105 tot 270 in het algemeen als ÚÚn periode wordt beschouwd, is er echter sprake van een duidelijke breuk in die periode rond het jaar 175. In de periode tussen 105 en 270 is van enige continu´teit helemaal geen sprake. Er is sprake van meerdere verschillende legerkampen, wat archeologisch wordt aangetoond door de verschillende locaties waar Romeinse overblijfselen zijn gevonden uit van elkaar gescheiden verschillende perioden. Grachten van het ene legerkamp lopen dwars door die van een vorig legerkamp. De locaties verschillen dusdanig dat niet aannemelijk is dat de verschillende kampementen elkaar logisch opgevolgd zijn. Bovendien ontbreekt elke schriftelijke overlevering of bevestging van de vermoedde geschiedenis. Wat dr. W.A. Van Es hierover schrijft in "De Romeinen in Nederland" (zie opmerking 2 hieronder) laat daarover geen misverstanden bestaan. Dat is duidelijke taal, tenminste voor de goede verstaander.

  1. De legerplaats Nijmegen is kort na 175 n.Chr. opgegeven. De bewoning van de beide kampdorpen ten westen en oosten van de castra was na ongeveer 120 n.Chr. al grotendeels verdwenen. (Bron: Sarfatij e.a.)

  2. Na 104 lagen te Nijmegen een tijdlang kleinere afdelingen, waarschijnlijk voornamelijk belast met politietaken, totdat uiterlijk in 175 de castra geheel werd ontruimd. (Bron: W.A. van Es, p.110)

  3. Tot ongeveer 175 n.C. werd de castra door verschillende legioenen als huisvestingsplaats gebruikt. (Bron: Stad aan de Waal)
    Na het jaar 175 zijn er geen aanwijzingen meer dat het castra in Nijmegen nog gebruikt werd, ofwel het was verlaten. Van een continu´teit in de Romeinse aanwezigheid in Nijmegen is dan ook verre van sprake. Ook de zo gewenste bewoning op het Valkhofterrein is nooit aangetoond. "Van het fort zelf is tot heden (1984) niets teruggevonden", lezen we op blz. 25 in Stad aan de Waal.

  4. Ook de bij de legerplaats behorende grafvelden lopen niet verder door dan tot het midden van de 2e eeuw. Dat alles doet veronderstellen dat het amfitheater wel niet alleen door en voor de militairen gebruikt zal zijn. Toen die grotendeels vertrokken waren is het verder geŰxploiteerd ten behoeve van de stadsbevolking. Handig, maar wel ongebruikelijk en eigenlijk nogal armoedig. Dat klopt ook wel, want Nijmegen is als Romeinse stad misschien nooit een groot succes geweest. (Bron: ROB)

  5. Ulpia Noviomagus is als stad misschien nooit een groot succes geweest. In ieder geval staat vast dat er na 270 niet veel van overbleef. Continu´teit naar de middeleeuwen is er zeker niet. (Bron: Sarfatij e.a.)

  6. De naam "Ulpia Noviomagus" is een bedenksel van dr.J.E.Bogaers en slechts gebaseerd op een in Pfünz (Beieren) gevonden gedenksteen. (Bron: Numaga)

  7. Aangaande het bestuur van de stad Ulpia Noviomagus-Municipium Batavorum beschikken we over heel weinig gegevens, slechts aangetroffen op altaren die allen buiten Nijmegen zijn gevonden. (Bron: Museum Kam)

  8. De nederzetting die de Galloromeinse naam Noviomagus van de ten onder gegane Romeinse stad bewaard had, kan niet omvangrijk geweest zijn. (Bron: F.Gorissen)

Het einde van de Romeinse bezetting van ons land wordt algemeen gehouden op 270 n.Chr. Van enige blijvende bewoning sinds die tijd is nauwelijks sprake. Archeologisch heeft men dat nooit aangetoond, op grond van schriftelijke bronnen al evenmin. Zie het Bronnenboek, waarin de laatste Romeinse teksten die men graag op Nijmegen van toepassing houdt, uit de 3e eeuw zijn.

Ten westen van Nijmegen was een civiele nederzetting met Gallo-Romeinse tempels en enkele grafvelden met de keltische naam Noviomagus. Algemeen gaat men er in Nederland van uit dat Nijmegen in deze periode de naam "Ulpia Noviomagus" gedragen heeft, waarbij Ulpia door keizer Trajanus toegevoegd werd aan Noviomagus. Deze aanname wordt door geen enkel bewijs aangetoond. Het "Ulpia Noviomagus" van keizer Trajanus was de Duitse stad Neumagen, in de Romeinse tijd Noviomagus geheten. Dat Romeins Nijmegen ooit de naam Noviomagus droeg is een onbewezen aanname, afkomstig van het in het tweede millennium gebruik (plaats-)namen in het Latijn te vertalen. In 1282 werd Nijmegen voor het eerst Noviomagus genoemd, naar analogie van in die tijd gebruikelijke latinisatie van plaatsnamen. De vertaling van de naam "Nieuw Megen" in Noviomagus heeft later voor alle verwarring gezorgd, toen men de geschiedenis van het alom bekende Noviomagus (wat Noyon is) ging toepassen op Nijmegen. De eerste die dat deed van Willem van Berchen (zie hiervoor).

Terug naar boven.


4. Romeins Nijmegen, periode 4: 270 - 402. Volksverhuizing en Christendom!

  1. Ondanks het zwijgen der geschiedenisbronnen over deze periode menen we te mogen aannemen dat de bewoning te Nijmegen op bescheiden voet voortduurt, zoals de continu´teit van de naam Noviomagus - Numaga - Nijmegen al zo duidelijk suggereert. (Bron: H.Brunsting)
    Het suggereren van continu´teit door het voortbestaan van de naam van een plaats zonder bewoners, komt slechts voort uit een wensgedachte en een ondeskundigheid op historisch geografisch gebied. Waar immers blijft een plaatsnaam voortbestaan zonder inwoners, dan in de fantasie van historici? De twee genoemde plaatsen, Noviomagus en Numaga, zijn aantoonbaar namen van Noyon waar een continu´teit in bewoning wel bestaan heeft.
    Hieronder enkele zinssneden uit het hierboven genoemd boekje. De cursief gedrukte tekst zijn toevoegingen mijnerzijds.
  2. Het hierna volgende overzicht is samengesteld door vier archeologen die zich intensief bezighouden met de bestudering van het Romeinse verleden van Nijmegen en die een zo goed mogelijke interpretatie hebben willen geven van tal van vondsten. Vaak hebben wij ons tevreden moeten stellen met het uiten van vermoedens en het naar voren brengen van hypothesen; soms zijn wij het niet met elkaar eens. Veel materiaal moet nog diepgaand bestudeerd worden en over tal van problemen is nog een uitvoerige discussie noodzakelijk. Als gevolg daarvan zullen thans neergeschreven opinies in de al of niet naaste toekomst misschien gewijzigd dienen te worden. Bovendien beseffen wij allen terdege dat de in Nijmegen werkzame archeologen op grond van nieuwe, verrassende ontdekkingen reeds herhaaldelijk hebben moeten bekennen: ,,Alles is anders", en dat dit ook in de komende jaren bij voortgezet bodemonderzoek nog wel eens het geval zal kunnen zijn. (Bron: Museum Kam)
    Het 'hierna volgende overzicht' is de inhoud van het boek "Noviomagus, op het spoor der Romeinen in Nijmegen". Onderstreping door redactie toegevoegd!
    De twijfel die hierboven wordt uitgesproken ontstaat daar de traditionele geschiedenis zoals men die altijd voor Nijmegen gedacht had, niet past bij de archeologische vondsten en een kritisch lezen van de authentieke bronnen. Albert Delahaye heeft altijd al getwijfeld aan die traditionele Romeinse geschiedenis in ons land, niet dat er Romeinen zijn geweest, maar aan de toekenning van plaatsnamen en gebeurtenissen aan de Nederlandse geschiedenis.


  3. Noviomagus Batavorum is misschien wel de enige plek in Nederland waar in de 4e eeuw na C. nog enige nakomelingen van Bataven woonden, want hun broeders waren omstreeks het midden van de 3e eeuw door het wassende water uit de Betuwe verdreven en o.a. in Noyon terechtgekomen; deze volksverhuizing heeft nog in onze tijd tot merkwaardige mystificaties geleid. (Bron: H. van Buchem)
    De bedoelde mystificaties zijn de beweringen van Albert Delahaye dat de Bataven nooit in de Betuwe hebben gewoond, maar thuishoren in Noord-Frankrijk en hier met name genoemd in Noyon. In het midden van de 3e eeuw (wat een algemeen gegeven is) hebben inderdaad de transgressies de Romeinen verdreven uit onze streken.
    Vanaf de derde eeuw woonden er dus al Franse Bataven te Noviomagus (Noyon). Dan kan het toch geen vraag meer zijn waar Karel de Grote, te Noviomagus (Noyon) tot koning van de Franken gekroond, omstreeks het jaar 770 een nieuw paleis bouwde. Einhart, de eerste schrijver over dat paleis, brengt het in verband met het "Eiland van de Bataven" want, zegt hij, daarnaast lag Noviomagus.


  4. Na het vertrek van de Romeinen verdween de stedelijke cultuur in onze streken, tot ongeveer de elfde eeuw. (Bron: Stad aan de Waal, blz.29)
    En dan blijft men in Nijmegen nog doodleuk beweren dat de stad al 2000 jaar zou bestaan. Men mist ZEVEN eeuwen.

  5. Wat moet men zich voorstellen van Nijmegen na de Romeinse periode? Er is weinig bekend: zowel schriftelijke bronnen als archeologische gegevens zijn schaars. (Bron: Stad aan de Waal, blz.29)
    Deze gegevens zijn niet alleen schaars in Nijmegen, ze ontbreken gewoon. Indien de gegevsn schaars zijn gaan blijkbaar alle akten waarin sprake is van Noviomagus, niet over Nijmegen. Wat tot de 11e eeuw een zeer juiste conclusie is.
    In deze vierde periode was er een nederzetting, waarschijnlijk onder de hoede van een Romeinse versterking langs de hoge Waaloever. Zuidwaarts van Nijmegen was een militaire wachtpost (Heumeskamp?) uit de 4e eeuw. De naam van deze nederzetting is niet bekend.
Slechts op grond van enkele vage en onbewezen grafvondsten probeert men kost wat kost aan Nijmegen een Romeins bestaan te geven in de 4e eeuw. Dit alles natuurlijk om het bestaan van Nijmegen als het Noviomagus van de Peutingerkaart staande te houden. Die kaart dateert immers uit de 4e eeuw. Dat daar een stuk van Nederland, een stuk prijsgegeven gebied op zou staan, tart natuurlijk elke logica. Bovendien zou dan een gedeelte van Noord-Frankrijk er niet op staan. Juist het grensgebied tot waar de Romeinen zich na 270 terugtrokken, zou op deze wegenkaart ontbreken? Juist de oversteekplaats naar Engeland zou ontbreken? Juist de "Haut Leulene", de belangrijkste en doorgaande route tussen Engeland en Rome zou ontbreken?

Er is maar ÚÚn conclusie duidelijk: Romeins Nijmegen heeft bestaan tussen 50 en 175 n. Chr. en is daarna opgeheven.


Terug naar boven.


Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.



Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.