Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De oorkonden uit 1006, 1028 en 1050.

De oorkonde uit 1006: kopie uit 1270, de oorkonde uit 1028: kopie uit 1530, de oorkonde uit 1050: kopie uit 1351-1400.

De oorkonden uit 1006, 1028 en 1050 zijn falsums. Er kan dus geen enkele zekerheid uit deze oorkonden afgeleid worden voor de 11e eeuw.
In de oorkonde uit 1006 is sprake van het klooster van St.Ansfridus. Dit klooster zou op de Hohorst bij Amerfoort gelegen hebben. Tegenwoordig heet deze heuvel van 12 meter hoog 'De Heiligenberg', wat uiteraard een naam is die gegeven werd toen de mythe er zich eenmaal had gevestigd.
De oorkonde uit 1006 is een falsum, daar is iedereen het over eens. Ook mevr.C.Broer, de felste verdedigster van de mythe van het klooster Hohorst, erkent dit in haar boek "Uniek in de stad".

Archeologisch is van een klooster of andere bebouwing nooit iets aangetoond. De oudste sporen op de Heiligenberg dateren uit de 13e eeuw!

De naam 'Heiligenberg' die gebruikt wordt voor Hohorst, komt men echter ook op andere plaatsen tegen in Nederland en BelgiŰ. Blok vermeldt in zijn Lexicon: Heiligenberg: verdwenen, ligging onbekend, in de omgeving van Klundert (Noord-Brabant), wrsch. 1177-1189 or.: fundum quod vocatur Sanctus Mons (Koch, OBHZ 1218). Lat. vertaling van "heilige berg".

De beide oorkonden uit 1028 en 1050 zijn falsums. Op deze bladzijde wordt dat op eenvoudige wijze aangetoond.

P.A.Henderikx gaat in zijn artikel 'Onecht of echt?' in de Feestbundel ter gelegenheid de 65e verjaardag van prof.dr.D.P.Blok (Hilversum 1990) uitvoerig in op de echtheid van de oorkonde uit 1050. Zijn hele betoog is doorspekt met twijfel aan die echtheid.
Bij de vergelijking met de oorkonde uit 1006 en 1028 blijkt die twijfel slechts toe te nemen. De conclusie van Henderikx is echter dat hij de oorkonde niet als volledig vals verklaart, maar dat de overleverde oorkonde uit 1050 een op twee plaatsen ge´nterpoleerde afschrift uit de 14de eeuw betreft.

Henderikx erkent dus dat het een afschrift is uit de 14e eeuw, dus geen originele oorkonde en dat deze is ge´nterpoleerd op 2 plaatsen. De aspecten waarover hij aanvankelijk ook twijfel heeft, probeert hij met veel omhalingen (r)echt te maken. Echter voor zijn hele betoog voert hij geen enkel steekhoudend bewijs aan.

Het is dus alvast zeker dat deze oorkonden op minstens 2 plaatsen 'aangepast' is aan de opvattingen van latere tijd. Blijft de vraag in hoeverre de rest van de oorkonde wel authentiek is. Zeker is dat Henderikx geen rekening heeft gehouden met de 'deplacements historiques' en vasthoudt aan de traditionele opvattingen met betrekking tot de naamkunde. Kent men de studie van Albert Delahaye dan dient men ernstig rekening te houden met de 'deplacements historiques'. Immers de enige argumenten uit de traditionele opvattingen zijn gebaseerd op de schijnbare overeenkomst van de namen uit de oude oorkonden met tegenwoordige namen. Zo zou het 'Fugthe' of 'Fuhthe' uit deze oorkonde Twente of het Brabantse Vught zijn. Opvallend daarbij is wel dat de St.Paulusabdij, de genoemde rechthebbende van deze oorkonde, in Twente of Vught of omgeving nooit bezittingen heeft gehad (zie 'Uniek in de stad' p.250 e.v.). Ook in Amersfoort heeft de St.Paulusabdij geen bezittingen gehad en geen rol gespeeld bij de ontginningen in de regio. Broer noemt het zelfs 'opmerkelijk' (p.569), maar trekt er verder geen conclusies uit. En zo zijn er meerdere voorbeelden te geven van plaatsen die in de oorkonde uit 1006, 1028 of 1050 genoemd worden, maar op dat moment nog niet bestonden, laat staan de laat-Middeleeuwse naam gedragen zouden hebben, zoals Amersforde en Deventer (zie hiernaast).

Opmerkelijk is overigens dat prof.dr.D.P.Blok, in wiens feestbundel dit artikel van Henderikx verscheen, de betreffende oorkonde uit 1050 in zijn eigen 'Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200' een falsum noemt.
[In Seist et Amersfordo. In Seist en Amersfoort. LNT 66, 1101-1250 (falsum 1050, kopie 1351-1400)

De oorkonden uit 1006, 1028 en 1050 veronderstellen een omvangrijk administratief en wereldlijk bestuur. Immers een heel groot deel van Nederland wordt erin beschreven. Er moet minstens een klooster of een hof geweest zijn waar deze oorkonden geschreven werden. Dat terwijl de omvangrijke ontginningen in dit waterrijke gebied nog moesten beginnen. Er moet een hele bestuurslaag geweest zijn. Waar verbleven deze mensen? Waar was het bestuurlijke centrum, waar het kerkelijke centrum? Waar woonden al deze mensen die betrokken waren rondom deze adelijke bestuurders? Er is in heel Eemland geen plek aan te wijzen die daarvoor in aanmerking zou kunnen komen. Dit hiaat wordt dan ook steevast verzwegen. Ook Utrecht wordt uitgesloten, immers pas in 1050 werd het klooster van Hohorst verplaatst naar Utrecht waar geen klooster aanwezig was, zoals de algemene opvatting (ook van mevr.Broer) is, wat ook tekstueel beschreven is bij de stichting van het Utrechtse klooster.
Zolang er geen steekhoudende antwoorden gegeven worden op dit hiaat, kunnen de oorkonden ook niet als authentieke en tijdsgebonden documenten beschouwd worden en blijft slechts de conclusie dat het nadien geproduceerde falsums zijn.

Vergelijkt men de in deze oorkonden genoemde plaatsnamen met de oorkonde uit het jaar 777 (zie daar), dan is het opvallend dat geen enkele plaatsnaam overeenkomt.


Wat de traditie ervan maakt.
In de oorkonden uit 1028 en 1050 wordt de stad Amersfoort voor het eerst genoemd en wel respectievelijk "Amersforde" en "Amersfordo". De steevast gehanteerde naamsverklaring zou een "voorde", een doorwaadbare plaats, door de Eem zijn.

Maar is dit ook zo?
  • Tot heden heeft men die doorwaadbare plaats niet eenduidig kunnen aanwijzen. Men heeft momenteel vijf verschillende locaties voor die oversteekplaats, die allemaal op een onlogische plaats liggen. Welke opvatting men ook volgt, dan blijken er vier foutief. Nuchter nagedacht is die vijfde ook onjuist. Die doorwaadbare plaats bestond dus niet.
  • Bovendien is de vraag waar die oversteekplaats naar toe leidde. Die ging rechtstreeks het moeras in, immers de oudste nederzetting Amersfoort lag op een zandige uitloper van de Utrechtse Heuvelrug aan een groot moeras- en waddengebied.
  • Het derde probleem is dat geen historicus aannemelijk heeft kunnen maken dat de Eem ooit Amer geheten zou hebben. H.Halbertsma heeft ooit een poging daartoe ondernomen, echter niemand in historisch Nederland neemt dat nog serieus.
    Bijkomend probleem is dat aangenomen wordt dat de Eem al bestond als rivier en deze naam droeg, voordat er bewoning was. De rivier de Eem is pas ontstaan als gevolg van de ontginningsactiviteiten die voor het gebied Eemland pas in de 11e eeuw een aanvang namen.

    De oorkonden uit 1006, 1028 en 1050 zijn falsums.
    De beide oorkonden uit 1028 en 1050 staan bekend als z.g. bevestigingsoorkonden. Er worden eerder verkregen rechten of bezittingen in bevestigd door een latere machthebber. In dit geval bevestigt bisschop Bernold van Utrecht (1027-1054) de bezittingen en rechten van de kerk van Utrecht op bepaalde goederen en opbrengsten van akkerland, die zijn voorgangers Ansfridus (995-1010) en Adelbold (1010-1026) hadden. Het betreft in de 14e (1351-1400) en 16e eeuw (ca.1530) opgestelde oorkonden om in bezit te komen van bepaalde gebieden en inkomsten, precies zoals de noodlijdende abdij van Echternach in de 13e eeuw zogenaamde goederen van St.Willibord ging claimen in Noord-Brabant. Zie aldaar!

    Dat deze oorkonden falsums zijn is op te maken uit de volgende gegevens:
  • de inhoud van deze oorkonden is overeenkomstig met de vervalste oorkonde uit 1006, waarvan algemeen erkend wordt dat het een falsum uit 1270 is.
  • de genoemde plaatsen komen echter maar deels overeen met die uit 1006. Van een pure bevestigingsoorkonde is dan ook geen sprake.
  • de oorkonde uit 1006 geeft 15 plaatsen, die uit 1028 acht van die 15 en die uit 1050 tien van die 15.
  • aan beide oorkonden zijn nieuwe bezittingen toegevoegd en wel 18 plaatsnamen, waaronder Amersfordo(e).
  • de schrijfwijze van de plaatsnamen komt niet overeen in de 3 oorkonden, wat al aangeeft dat ze uit verschillende perioden stammen, aangepast aan de ontwikkeling van de schriftelijke taal en de historische opvattingen van die tijd.
  • het genoemde Amersfoort bestond nog niet in 1028 of in 1050. De oudste archeologische sporen in de stadskern van Amersfoort dateren uit de 13e eeuw, een enkele scherf uit eind 12e eeuw, waarmee geen bewoning is aangetoond, laat staan een nederzetting met de naam Amersfordo die al anderhalve eeuw daarvoor bestaan zou hebben. Pas in 1203 wordt de plaats (weer ?) vermeld en heet dan Amersforde. In de oorkonde van de stadsrechten uit 1259 heet de plaats Amersforde en Amersfoorde (twee schrijfwijzen.).
  • aangezien er sprake is van een 'bevestigingsoorkonde' zouden de overeenkomstige genoemde plaatsen al vˇˇr 1006 bestaan moeten hebben. Dat is van de genoemde plaatsen in de oorkonde van 1006 nooit aangetoond.
  • ook andere genoemde plaatsen bestonden nog niet in de eerste helft van de 11e eeuw. Als voorbeeld mag Fughte dienen. Continu´teit naar de late Middeleeuwen is er dan ook zeker niet. Fughthoute in de oorkonde van 1006 zou een bos zijn, ligging onbekend, in de omgeving van Vucht (Noord-Brabant), maar de oorkonde wordt door Koch een falsum genoemd (Koch, OBHZ 1 p.70: 1006: falsum ca. 1270). In 1050 vermeldt Koch falsum cop. 2e helft 14e e.: quartam partem silve in U othŰholt (Koch, OBHZ I p.81; OBNB I29 fragm.). Holt =hout, bos, waarschijnlijk met de plaatsnaam Vucht (Vught).
  • opvallend is dat de St.Paulusabdij in Utrecht waarvoor deze bevestigingsoorkonde werd opgesteld, in latere eeuwen nooit bezittingen in Amersfoort heeft gehad. Als men die bezittingen in de 14e eeuw niet meer had en er is niets bekend over hoe en wanneer die verloren zijn gegaan, dan heeft men die bezittingen ook in de 11e eeuw niet gehad. Abdijen staan erom bekend hun bezittingen steeds goed te hebben ge´nventariseerd en beheerd. Een slordigheid om kostbare bezittingen verloren te laten gaan, kan men van een abdij niet verwachten.
  • de schrijfwijze van een aantal plaatsen komt niet overeen met de ontwikkeling van de grammatica van de Nederlandse taal. PrÚ- en suffixen als Oster- of Oester-, Papen-, -beke, -drecht, -horst, -hout en -brugge bestonden nog niet in 1028. Het is algemeen bekend dat rond 1100 de eerste "nederlandse' woorden opgeschreven werden in Latijnse teksten, wat gebeurde in de abdij van Egmond. In de periode vˇˇr 1250 is geen enkel ambtelijk stuk in het Nederlands overgeleverd. "Horstnamen" bijvoorbeeld (zie voetnoot) zijn beslist niet ouder dan 1186. Daarmee is mede aangetoond wegens voorkomen ervan in de oorkonden van 1028 en 1050, het om gecompileerde oorkonden gaat.
  • ook andere grammaticale taalkenmerken, zoals de sjwa (de stomme -e-), geven duidelijk de tijd aan waarin de oorkonden zijn geschreven. Dat is in elk geval niet gebeurd vˇˇr de 13e eeuw, laat staan al in begin 11e eeuw!
  • van de oorkonde uit 1050 erkent ook prof.dr.D.P.Blok dat het om een kopie uit de periode 1351-1400 zou gaan. In zijn 'Lexicon van Nederlandse toponiemen' uit 1989 noemt hij het een falsum.
  • over de oorkonde uit 1028 merkt mevr.C.Broer op: "Aan de echtheid van de Koenraadsoorkonden uit 1028 is voor zover bekend nooit getwijfeld". (Uniek in de stad, p.239). En daar zit nu precies het probleem. Voor zover bekend bij mevr.Broer!. Mevr.Broer blijkt dus niet op de hoogte van vele bezwaren waardoor aan de echtheid wel degelijk getwijfeld is. Ja, als je de boeken van Albert Delahaye niet leest, kun je zo'n uitspraak gemakkelijk doen. Diverse bezwaren tegen deze oorkonde kwamen ook van Tenhaeff en Hendrikx, maar zijn voor haar blijkbaar onvoldoende om deze oorkonde voor verdacht of zelfs onecht te houden.
  • Het is wel duidelijk. Als twee van de drie oorkonden bekend staan als falsums en er bij de derde op zijn minst twijfel bestaat over de echtheid, een oorkonde die aantoonbaar pas uit 1530 stamt, is dat natuurlijk ook een falsum.

    Deventer.
    Deventer is het ultieme voorbeeld van een plaats die ten gevolge van een reeks misverstanden een valse geschiedenis opgeplakt heeft gekregen.
    Zo is de geschiedenis van St.Lebuinus, die een volledige doublure van St.Lieven in Vlaanderen en St.LiÚvin in Frankrijk, in Deventer terecht gekomen en met hem de legende van St.Ludger. In de oudste levensbeschrijvingen van St.Lebuinus komt de plaats Deventer echter niet voor. Dit gebeurde pas toen men de originele Isla-streek uit de bronnen, ten zuiden van St.Omaars, als de Nederlandse IJsselstreek was gaan opvatten.
    Opvallend is overigens dat de abdij van Echternach die in de 11e en 12e eeuw verschillende kerken in Holland en Brabant ging claimen, nooit enige pretenties heeft gesteld ten aanzien van Deventer, Tiel of Wijk bij Duurstede. Dat terwijl dit belangrijke plaatsen waren, die volgens de traditionele opvattingen als Daventria, Thylia en Dorestad werden opgevat.
    De opgravingen ter plaatse van het oude bisschopshof te Deventer tonen aan dat de geschiedenis van de bisschopshof pas begint in de 12e eeuw. Er zijn wel aardewerkscherven gevonden voornameljk uit de 10e tot 13e eeuw, maar daarmee bewijs je niets over het bestaan van Deventer in de 8e eeuw of bewoning in begin 11e eeuw. Een Merovingische voorloper ontbreekt in Deventer en is net als bij Wijk bij Duurstede een doorslaggevend bewijs dat die oude oorkonden niet over Nederland gaan.
    De gevonden zogenaamde Frankische waar werd aangetroffen in dezelfde laag waar ook Romeinse relicten zijn gevonden. En Romeinen hebben in Deventer net zo min een nederzetting gehad als de Franken. Hoe betrouwbaar is de archeologie?
    Hetzelfde verhaal geldt ook voor St.Plechelmus en Oldenzaal, wat natuurlijk gewoon Oudezeele in Vlaanderen is. Zie aldaar.

    Opvallend is ook dat zowel Gysseling (zie daar) als Blok (zie daar) de oorkonden van 1028 en 1050 niet genoemd worden bij Deventer. Het in die oorkonden vermelde Daventra of Daventria wordt door hen dus niet opgevat als Deventer.


    Lees meer bij de 4 bossen

    Lees de boeken van Albert Delahaye en oordeel zelf.