Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Prof. Dr. M. Gysseling.

De tegenwoordige toponymisten en historici zijn het er over eens dat 'dogmatisch bepaalde dateringen en type toewijzingen' herzien dienen te worden (uitspraak van P.J.Deckers op de SEMdag 2 nov.2013). Dat geldt ook voor veel 'aannamen' van Gysseling in de toponymie van plaatsnamen.


Maurits Gysseling.


Alle fouten in het "Toponymisch Woordenboek" van prof.dr.M.Gysseling zijn ook aan prof.dr.D.P.Blok toe te rekenen. De toponymische opvattingen van beide profs zijn het grootste struikelblok geweest bij de opheldering van de mythen van de geschiedenis van Nederland in het eerste millennium.

Als uit het totale namenbestand ruim 95% niet in Nederland te localiseren is, moet het toch wel tot je door gaan dringen dat je in de verkeerde streek aan het zoeken bent.

Beide toponymisten vallen nu door de mand nu ook anderen zich met "hun" discipline gaan bezighouden en fout op fout ontdekken.


Maurits Gysseling was een van de felste opponenten van Albert Delahaye, maar geeft hem op enkele cruciale punten toch gelijk. Ook al noemt hij alle toponiemen van Delahaye fout, bij Gysseling was de Schelde toch ook de Renus. In 'Naamkunde 1986' p.11, schrijft Gysseling over de 'pago Renensium' het volgende: "We mogen dus als oudste vorm Reinos postuleren. Daar de gouw Rien aan de grote Scheldebocht ligt, is de hypothese verleidelijk dat de naam zinspeelt op die grote Scheldebocht". LET OP: Hoewel de tekst duidelijk betrekking heeft op de Schelde, wil Gysseling dat niet erkennen, door het gebruik van de dubbele ontkenning van 'verleidelijk' en 'hypothese'.

Het Toponymische Woordenboek van Gysseling is niet op alle punten betrouwbaar. Het is zeker bruikbaar bij verificatie van het nazoeken van namen in de oude bronnen. Maar kan niet meer dienen als onweerlegbare leidraad voor historisch onderzoek, aangezien er bij de interpretaties veel fouten in staan en veel vermeldingen van plaatsnamen in juist de oudste middeleeuwse bronnen gewoonweg ontbreken. Dat het Toponymisch Woordenboek hopeloos verouderd is, heeft ook Gysseling zelf ooit eens erkend! Vandaar een heruitgave, waar helaas weer dezelfde onjuistheden in zijn blijven staan! Elke verwijzing in de historisch geografische literatuur naar dit woordenboek is verdacht en moet kritisch herzien worden.

Albert Delahaye heeft het "Toponymisch Woordenboek" van Gysseling bij herhaling geraadpleegd, al was het maar om de vele determinaties te controleren en de fouten te signaleren die dit werk bevat. Maar het meest heeft hem bevreemd, dat ca. 3000 plaatsnamen uit het eerste millennium er gewoon niet in staan. Plaatsnamen die eenieder toch mag verwachten in een naamkundig woordenboek van het Germaanse taalgebied. Op een paar na slaat Gysseling alle namen van Traiectum over, van Frisia, van Aefternacum, van Werethina, van de Batua en vooral heel veel namen die te vinden zijn bij de klassieke Romeinse schrijvers. Of heeft hij ze overgeslagen omdat hij van mening was dat deze namen niet tot het Germaanse taalgebied behoorden? Of vond hij de determinaties zelf ook onbetrouwbaar?

Het is de tragiek van Gysseling dat hij in dit woordenboek (uit 1960) nog niet kon ontkomen aan de mythen, omdat deze toen nog niet in hun volle opvang aan de orde waren gesteld. Dat gebeurde wel in 1965 met de uitgave van "Vraagstukken in de Historische Geografie van Nederland".
In feite had Gysseling en met hem alle toponymisten moeten ontdekken wat Delahaye ontdekte, namelijk dat er sprake is van een enorme en veelomvattende doublure en mystificatie in de historische geografie.

De overwaardering van het toponymisch woordenboek van Gysseling, vooral in Vlaanderen, heeft het naamkundig onderzoek in tegenstelling tot wat wel eens beweerd wordt, niet gestimuleerd, maar juist geBLOKkeerd. De woordspeling, die hierin zit, is niet opzettelijk gezocht, maar nu ze er eenmaal staat, is er geen enkele reden om deze te veranderen. Met andere woorden : kom niet meer aan met het Woordenboek van Gysseling, daar de namen uit de historische bronnen, waarover het hier gaat, er meestal niet eens in staan en het volstrekt geen zin heeft een nietes-welles-spelletje te spelen met de etymologie van Gysseling ten aanzien van Mannaricium = Maurik en die van Delahaye van Mannaricium = Merville, zolang Gysseling de klassieke schrijvers negeert.

De problemen liggen veel dieper, zelfs zó diep dat de naamkunde pas in een volgend stadium eraan te pas kan komen. Er dient eerst een einde gemaakt te worden aan dit "Toponymisch Woordenboek" van Gysseling, waarin juist alle foutieve determinaties en locaties staan. Daarna kan men beginnen aan de stellingen van Delahaye die momenteel nog steeds bestreden worden met foutieve determinaties en locaties o.a. uit dit woordenboek.

We geven op deze bladzijde een kort overzicht. Voor meer informatie over het Toponymisch Woordenboek van Gysseling: klik op de onderstreepte woorden.

Ook anderen komen tot andere inzichten ten aanzien van de deskundigheid van Gysseling.
Zo nam Gysseling in zijn Corpus van Oudnederlandse teksten nog de Heliand, Genesis, de Eltense evangelieglossen en de Nederduitse Prudentiusglossen op, die men tegenwoordig allemaal beschouwt als Saksisch of Nederduits. En de runeninscripties en de Groningse psalmglossen waar het Corpus Gysseling mee begint en eindigt, gelden momenteel als Oudfries.
(Calendarium van de Nederlandse taal).

Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke uitspraken" van Gysseling.


Maurits Gysseling in jongere jaren.

Prof.dr. Maurits Gysseling (1919-1997) stond doorgaans bekend als een Belgisch (Vlaams) deskundige op het gebied van de naamkunde (toponymie). Zijn "Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226)" uit 1960 was jarenlang een leidraad voor historisch en archeologisch onderzoek.

De Gentse beroemde – eertijds toch – Maurits Gysseling schreef een standaard werk, een woordenboek a.h.w. met verklaringen van alle plaatsnamen in ons wijde taalgebied, ooit vermeld, tot 1226. Wie het nu leest geniet er van, maar verbaast zich ook over de fouten, althans volgens hedendaagse inzichten. Op ons bekende en bijna beruchte Meertens instituut is er niemand meer, die zich bezighoudt met toponymie. De conclusie moet dan ook zijn: de wetenschappelijke maar ook maatschappelijke relevantie van de toponymie is vrijwel nul. (SEMafoor, 2015-4).

Het "Toponymisch woordenboek" van Gysseling blijkt onvolledig te zijn en vol onjuiste interpretaties te staan. Historisch onderzoek waarbij men zich heeft laten leiden door dit woordenboek en hieraan zijn standpunten en argumenten ontleend, zal herzien moeten worden.

Gysseling was jarenlang een van de felste tegenstanders van de opvattingen van Albert Delahaye. Hij wist als geen ander dat Delahaye gelijk had, wat uiteraard voor het publiek verzwegen moest worden. Zijn reputatie als deskundig toponymist stond immers op het spel.
De houding van Vlaming Gysseling getuigt van een dubbele ondankbaarheid. Ten eerste omdat Delahaye juist Vlaanderen haar historisch eigendom terug wil geven. Ten tweede omdat Delahaye het toponymisch woordenboek van Gysseling belangeloos gecorrigeerd heeft. Opvallend bij het verweer van Gysseling is overigens dat hij nooit zijn eigen Toponymisch Woordenboek als argumentatie van zijn opvattingen heeft genoemd. Blijkbaar wist hij dat zijn woordenboek vol fouten zat. Hij verschool zich liever, wat standaard is in de historische wereld, achter opvattingen en uitspraken van anderen. Naarmate Delahaye steeds meer aantoonde dat zijn "woordenboek" fouten bevatte, werd zijn tegenstand feller.
Over de deskundigheid van Gysseling mag men inderdaad twijfels hebben. De topografie, maar ook en vooral de etymologie in zijn "woordenboek" blijkt volkomen fout te zijn, aangezien Gysseling van de verkeerde uitgangspunten is uitgegaan. In navolging van anderen, heeft hij teksten uit het eerste millennium klakkeloos toegepast op de situatie die ontstaan was in het tweede millennium. Van "deplacements historiques" had hij blijkbaar nog nooit gehoord.
Dat hij bij de samenstelling van zijn "Toponymisch Woordenboek" door niemand werd tegengesproken, zegt meer over de "deskundigheid" van anderen, dan over die van hemzelf. "Door niemand" is niet helemaal juist, want behalve door enkele Franse naamkundigen is Gysseling ook definitief en volledig door Albert Delahaye 'ontmaskert' als een wetenschappelijke fabelloog.
Omdat Gysseling de hele literatuur van vóór zijn eigen woordenboek als 'verouderd' verwerpt, bleef zijn bronnenlijst heel beperkt en moeten we er maar naar raden waaraan hij zijn wijsheid ontleend heeft.

De toponymische missers van Gysseling.

Dat het Toponymisch Woordenboek van Gysseling niet alleen hopeloos verouderd is, maar ook veel fouten bevat kunnen we aantonen met veel voorbeelden. We geven de volgende:
  1. Veel plaatsnamen uit oude kronieken en akten ontbreken in dit woordenboek.
    Franse historici hebben Gysseling in het verleden al eens verweten dat hij bepaalde bronnen en bepaalde streken buiten beschouwing heeft gelaten. Ruim 3000 namen uit de bronnen van vóór 1226 ontbreken bij Gysseling. Daarbij komt zelfs dat hij het bestaan van oorkonden die hij niet kent, gewoon ontkent. Dat die namen ontbreken zal met opzet gebeurd zijn. Het is namelijk niet aannemelijk dat hij deze namen niet gezien heeft, aangezien hij soms uit dezelfde bronnen wel andere namen presenteert. Blijkbaar wist hij geen raad met al die namen. Maar als hij een zorgvuldig en wetenschappelijk integer naamkundige was geweest, had hij geen selectie vooraf moeten maken, maar alle namen moeten vermelden, waar dan wel de toevoeging ››onbekend«›› bij gezet had moeten worden.

  2. Ook komen er veelvuldig plaatsnamen voor in dit toponymisch woordenboek, waarbij Gysseling ››onbekend›› of helemaal niets vermeldt. Van de 1883*) namen die hij geeft in Nederland staat bij 511 ervan ››onbekend››, ››twijfelachtig›› of geeft hij zelfs niet eens een vermelding van een plaats. Slechts de klassieke naam wordt gegeven. Het betreft dus zowiezo al 27% waarover verder geen enkele discussie gevoerd hoeft te worden.
    *) Zelf geeft Gysseling op dat het om 1940 namen gaat. Exact natellen leert dat het er slechts 1883 zijn. Hoe zorgvuldig ben je dan?

  3. Gysseling citeert onvolledig (zie hiervoor bij punt 1) en onzorgvuldig.
    Hij citeert uit de Romeinse tijd enkele bronnen die hem te pas komen, andere (die hem tegenspreken) verzwijgt hij. Zo manipuleert hij de geschiedenis in de door hem gewenste richting. Een onvergeeflijke fout in de toponymie. Een selectie van de plaatsnamen moet niet vooraf geschieden, maar achteraf als alle bronnen gegeven zijn.

  4. Van veel plaatsen is nooit bewezen of aannemelijk gemaakt dat die plaats ten tijde van de vermelding wel bestond of bestaan kan hebben. In laag Nederland zijn vele voorbeelden te geven waar de archeologie Gysseling dan ook falikant tegenspreekt. Een plaatsnaam veronderstelt bewoning. Als die bewoning niet is aan te tonen, heeft er ook geen plaats gelegen met een naam die voorkomt in geschreven bronnen.

  5. Van veel plaatsnamen wordt geen, een nietszeggende, een zelf verzonnen of onbegrijpelijk toponiem gegeven. Veel gegeven toponymen zijn etymologisch onacceptabel zonder een bepaalde tussenvorm, die Gysseling niet geeft. Een veel gebruikte term bij Gysseling is het begrip "opklimmen". Als bij hem een plaatsnaam "opklimt" dan is dat een etymologie die hij niet verklaart en die dus niet aannemelijk is. Hij heeft dat "opklimmen" naar een etymologie dan verzonnen, wat hij wellicht onder "creatief wetenschappelijk werk" verstaat, zoals hij dat ooit noemde. Maar Gysseling gaat soms wel erg ver in dat "creatieve", met als hoogtepunt zijn "manna-rik-jan" waartoe Maurik (Gelderland) zou zijn "opgeklommen".

  6. Bij veel toponymen wordt geen onderscheid gemaakt of de naam uit een Romaans of Germaans taalgebied komt. Gysseling legt klakkeloos zuiver Romaanse namen in het Germaanse taalgebied, zonder daar verder een toelichting bij te geven. Hij laat zuiver Romaanse namen wel eens "opklimmen" naar een Germaanse naam, zonder tussenvorm. Het blijft dan ook een raadsel hoe zuiver Romaanse namen in het Germaanse taalgebied terechtkwamen. Gysseling geeft daarvoor in elk geval geen enkele verklaring. De verklaringen die hij wel geeft zijn nogal eens vergezocht, niet aannemelijk of zelfs volkomen ridicuul.

  7. Gysseling herkent valse oorkonden niet altijd van echte en maakt van algemeen aanvaarde bronnen plots een corrupte kopie. Dat doet hij bijvoorbeeld met de Peutingerkaart, waarvan hij dan weer wel gebruikt wat hem te pas komt. Over de Peutingerkaart merkt hij op: "Jammer genoeg heet de Maas op de Peutingerkaart niet Mosa, maar fl(uvius) Patabus, een verwarring met de naam van de Batavi in de Betuwe". Over Ceuclum merkt hij op dat je Ceucium moet lezen. Zo past hij wel meer aan aan zijn eigen opvattingen, wat hij juist Delahaye enkele keren verwijt.
  8. Gysseling gebruikt graag geografische namen afgeleid uit persoonsnamen, een gruwel bij echte naamkundigen. Hij neemt de toponymie daarbij soms wel heel erg ruim. Attinghem is bij Gysseling de "woning van de lieden van Atto". Opmerkelijk is dat Gysseling van Attinghem slechts één tekst geeft en wel uit de 2e helft 11e eeuw, terwijl er vele bestaan o.a. een tekst uit 719 waarin sprake is van de prediking van St.Bonifatius ter plaatse (zie punt 1). Attinghem is bij hem ››onbekend, in of bij de Neder-Betuwe›› (zie punt 2), terwijl andere historici er Breukelen, Loenen of Nederhorst den Berg (Blok) van maakten. Gysseling besteedt geen woord aan die andere determinaties. Zijn waarheid is blijkbaar absoluut. Wie doet er dus "een beroep op de absolute Waarheid die God is", een verwijt dat hij Albert Delahaye eens maakte?

  9. Gysseling heeft geen enkel bewijs opgevoerd om de opvattingen van Delahaye te weerleggen, dan het herhalen van wat nu juist eens bewezen zou moeten worden. Bij hem blijft Trajectum uit het eerste millenium Utrecht, omdat Utrecht in het tweede millennium nu eenmaal Ultrajectum genoemd werd.


    Het moet nadrukkelijk nog eens gezegd worden:
    met dit "Toponymisch Woordenboek" werden veel stellingen aangaande de geschiedenis van Nederland uit het eerste millennium opgebouwd en schijnbaar bevestigd. Nu het Toponymisch Woordenboek volkomen onbetrouwbaar blijkt te zijn, zijn ook alle daarop gebaseerde stellingen en argumenten aan herziening toe.

    Klik hier voor een analyse van het Toponymisch Woordenboek van Gysseling.

    Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke uitspraken" van Gysseling.

    Overigens komen veel attestaties helemaal niet uit de koker van Gysseling zelf, maar heeft hij ze gewoon overgeschreven o.a. van J.B.Gramaye. Hij heeft blijkbaar niet eens de moeite genomen om de opvattingen van Gramaye te controleren op waarheid en mythe. En die mythe is regelmatig aanwezig bij Gramaye die nogal eens niet bestaande oorkonden opvoert als bron of tot verkeerde determinaties komt door een foutieve vertaling van de (Latijnse) tekst in een bron. Als voorbeeld kan Rijsbergen in het Toponymisch Woordenboek dienen (zie daar)!

    De slag bij Maurik: 1980

    In “Dagblad De Stem” van 24 mei 1980 citeerde Henk Egbers uitvoerig het artikel van Gysseling onder de kop : “Ongezouten kritiek op de Zundertse archivaris”. Hij had moeten zeggen : “gezouten kritiek”, maar wie valt er nu over een niet vermeld potje pekel van Gysseling? Het artikel bezorgde Albert Delahaye een golf medelijden in zijn streekarchivariaat, wat hem ten hoogste geamuseerd heeft. Egbers stelde de vraag : Hoe kunnen wij leken kontroleren of alles juist is wat Gysseling over naamsverklaringen te berde brengt? Een zeer terechte vraag, omdat journalisten en leken eindelijk beginnen in te zien, dat in de verschillen van opvatting, waarover het gaat, vooral met die massa gelijkluidende namen, vrijwel alles afhangt van de vraag, hoe een bepaalde naam verklaard, zeg maar “vertaald” wordt.
    Het is dan ook dienstig om bij wijze van voorbeeld een van Gysselings determinaties geheel te ontleden, zodat zelfs leken kunnen zien op welke onkritische manier hij zijn stellingen opgebouwd heeft, met onder het vertrappen van enkele hoofdregels van de historische naamkunde die de Franse toponimisten, nog altijd de grootmeesters in de naamkunde, zo vet in hun handboeken laten drukken dat een blinde ze met zijn vingers kan lezen.
    Prof. of geen prof., hij zal de juiste normen voorgeschoteld krijgen, zodat ook voor eenieder duidelijk wordt wat hij met zijn scheldpartij tracht te verdoezelen, want er staat, al is dit niet de schuld noch de bedoeling van Delahaye, een reputatie op het spel.

    Gysseling schijnt veel belang te hechten aan Mannaricium, een plaats uit de Romeinse periode, waarop hij zelfs het definitieve argument bouwt, dat Trajectum dus Utrecht was, want in het Itinerarium Antonini wordt Mannaricium als een volgende plaats op een weg vanaf Trajectum genoemd, en dat Mannaricium is volgens hem Maurik in de Betuwe... ergo is Trajectum Utrecht. Hij had geen beter voorbeeld kunnen presenteren.

    Eerste manco in het betoog van Gysseling:
    Om tot een naamsverklaring te mogen overgaan, moet allereerst absoluut vast staan, dat Mannaricium inderdaad ter plaatse in Nederland gelegen heeft. Gysseling voert geen enkel bewijs aan dat Maurik in de Romeinse tijd Mannaricium heette. Kom niet meer aan met een mislegde kaart van Frankrijk, de Peutingerkaart: zie aldaar!

    Tweede manco:
    De Romeinse nederzetting te Maurik eindigt ca. 250 na Chr. Of ter plaatse een casyellum gelegen heeft, is nooit bewezen. Het is er immers nooit gevonden. Zie verder bij Limes/Mannaricium. Gysseling wil ons doen geloven, dat de plaats én de naam onafgebroken zijn blijven bestaan, om eerst Maldericke en uiteindelijk de vorm Maurik op te leveren. Vanzelfsprekend kan hij geen enkel bewijs, zelfs niet de minste aanwijzing geven voor de historische en de naamkundige continuïteit gedurende zes, waarschijnlijker negen eeuwen, wat in feite twee fouten zijn, doch laten we niet flauw doen en die maar voor één tellen.

    Derde manco:
    Het zal eenieder inmiddels wel duidelijk zijn, dat Gysseling vanuit Maurik terugredeneert naar Mannaricium. Dit is voor juiste naamkunde precies de “verkande keert”; zij dient integendeel te vertrekken vanuit de oudste vorm om te onderzoeken, of en hoe deze tot de nieuwe naam kan hebben geleid. Gysseling tracht ons “diets” te maken (wat een prachtig toeval ), dat tussen de twee namen een taalkundig verband zit. Het is op zichzelf al een onmogelijke stap, zijn veronderstelde evolutie van een Gallo-Romaanse naam tot een Germaanse. Daarvoor is minstens één tussenvorm nodig, die hij natuurlijk niet kan aanwijzen en waarvoor hij maar een fantasietje ophangt. Volgens Gysseling komt na het Romeinse Mannaricium (uit het Itinerarium Antonini -3e eeuw) de namen Maldericke (997), Meldrike (1139) en Maldrike (1222) voor. Er wordt geen enkel bewijs gegeven hoe het Manna- in Malde-geëvolueerd is. Ook worden geen vergelijkbare voorbeelden gegeven, om zijn opvatting te bewijzen. Andere historici hebben ondertussen de verklaring dat de naam Maurik een ontlening aan van het Keltische Mannaricium zou zijn, wat weer een afleiding zou zijn van de persoonsnaam Malerius, naar het Rijk der Fabelen verwezen.

    Vierde manco:
    De juiste verklaring van Maldericke staat mijlen af van de betekenis van Mannaricium. Het woord kan ontleed worden in : Malde = mul of mol, losse grond; en rick = rak of rek, een lange strook grond langs een water. Een verklaring van plaatsnamen uit persoonsnamen neemt Delahaye heel moeilijk aan, omdat vrijwel altijd de een of andere topografische bijzonderheid aanleiding tot de naam heeft gegeven en daar dan ook in zit. Manna kan zelfs in het Germaans niet tot Malde evolueren; wil Gysseling dit blijven volhouden, dan levere hij een analoog voorbeeld, maar dan wel zonder gefantaseerde tussenvorm. Dan blijft ook nog de opdracht aan te tonen hoe Malde- geëvolueerd is tot Mau-, want ook daar gaat Gysseling klakkeloos aan voorbij.

    Vijfde manco:
    Kwistig hanteert hij naamsverklaringen uit persoonsnamen, een geliefd spelletje bij veel toponimisten, waar elke historicus grote vraagtekens bij zou moeten zetten. Bij Gysseling is Mannaricium “een Germaanse nederzettingsnaam [Manna-rik-jan], afgeleid van een Germaanse persoonsnaam Manna-riks, hetgeen betekent “rijk aan manschappen”. Kan het infantieler, kan het rijker aan fantasie ?
    Mannaricium is een Gallo-Romaans woord, afgeleid van manare = uitvloeien, uitstromen, wat voortreffelijk past op de juiste plaats Merville, waar verschillende rivieren en beken samenstromen en welke plaats gelegen is op de rand van een groot moerasgebied. Het ››-icium›› of ››-itium›› is ››plaats››, en dit hebben de Fransen leukweg maar overigens correct vertaald in ››-ville››, hierbij meer aansluitend bij het Latijnse "villa" dan bij veel latere betekenis van "stad". Er zijn honderden Franse plaatsnamen met de uitgang -ville, die slechts bij hoge uitzondering een stedelijke bebouwing insluiten.
    Gysseling heeft wel eens uitgeroepen dat Delahaye geen Latijn kent. Hij schijnt geen Frans te kennen, wat voor een strijdbare Vlaming misschien als een pluspunt kan worden aangevoerd, doch voor een toponimist funest is, zeker een die op de taalgrens bezig is. Anders had hij allang opgemerkt, dat Merville de rechte vertaling is van Mannaricium. Deze plaats is omstreeks 1000 bekend als Menreville, en Menre- is naamkundig precies hetzelfde als Manare-. Zodoende is de volslagen naamkundige identiteit aangetoond tussen Mannaricium en Merville.

    Zesde manco:
    Het meest dodelijke, want hierdoor staat Gysseling met zijn “Manna-rik-jan” naast dat kleine Belgje in Brussel. Het stemt tot verheugenis, dat door deze Belgisch-Nederlandse samenwerking op naamkundig gebied eindelijk een net en klassiek synoniem gevonden is voor een lelijk woord in drie letters. Heeft iedereen ook goed opgemerkt, dat hij bij een Gallo-Romaanse naam een Germaanse tussenvorm -Manna-riks-) uit zijn duim zuigt? Het is een eigen fantasietje van Gysseling, waaarschijnlijk ontstaan door zijn creatief wetenschappelijk werk.

    Zevende manco: Historisch terugblikkend vanuit Maurik, ontmoet men nieuwe vragen. Deze plaats is voor het eerst in 997 als Maldericke genoemd in een akte van schenking door keizer Otto III aan een klooster, die bepaald niet overvloeit van betrouwbaarheid. De schenking hangt historisch in de lucht en heeft nadien geen sporen achtergelaten; waarschijnlijk is het eenzelfde gemanipuleer met pretenties, dat wij al in tal van gevallen konden signaleren. Zij komt een volgende maal voor als Meldericke in 1139 (Gysseling zegt zelf : in 1229, wat de sprong nóg groter maakt). Toen was de naam Mannaricium, áls hij ooit in Nederland had bestaan, wat niet het geval is, volslagen onbekend, zodat men zich moet afvragen wie in ’s hemelsnaam de geniale man is geweest, die na acht of negen eeuwen in een handomdraai het Gallo-Romaanse Mannaricium uit zijn hoed toverde, en dat tevens meteen in zijn zogenaamde Germaanse equivalent Maldericke wist te “vertalen”.

    Achtste manco:
    De opkomst van de plaats en de naam Maldericke is een volslagen nieuw historisch en naamkundig feit. Enkel op grond van de historische mythen is deze nieuwe naam met het klassieke Mannaricium in verband gebracht. Op 2 andere plaatsen van het Itinerarium Antonini komt de stad nogmaals voor, eerst als Minaricium tussen Cassel en Doornik, de andere keer als Minariacum tussen Cassel en Atrecht, wat inhoudt dat zij zonder de minste twijfel in Frankrijk gesitueerd moet worden. Alle deskundigen lokaliseren haar dan ook te Merville of vlak daarbij te Estaires. De hierboven gegeven naamsverklaring van Merville bewijst, dat dit de juiste lokalisatie is. Het kleine verschil in schrijfwijze tusssen Minaricium en Minariacum of Mannaricium zegt niets; we hebben hetzelfde in Albinianis en Albanianus (Alembon), of Samarobrina en Somonobrinum (Amiens) waar men desondanks aan dezelfde plaats vasthoudt. Voor ieder nuchter denkend mens, die de klank van de naam laat prevaleren (ook een regel van naamkunde), is het duidelijk dat hier sprake is van één plaats. Gysseling is het daarmee niet eens, maar kan niet volstaan met slechts een ontkenning, maar zal aan moeten tonen om welke twee plaatsen het dan zou gaan.

    Negende manco:
    Heeft iedereen nu gezien hoe deze toponimist heeft gewerkt ? Zijn “dus is Trajectum Utrecht” is als konklusie uit Mannaricium geheel onjuist. Utrecht immers is evenmin van Trajectum afgeleid, eerstens om de eenvoudige reden dat in Nederland de naam Trajectum niet aan die van Utrecht is voorafgegaan. Ten tweede, omdat de juiste betekenis van de naam Utrecht geheel anders is. Hij moet verklaard worden als “Uit-Rek”, de volkomen toepasselijke en de enig goede betekenis, indien men het juiste beeld voor ogen heeft van een eerste menselijke vestiging op een waterland dat bewoonbare plaatsen begint te presenteren. Dezelfde betekenis zal men ook in andere namen met de uitgang -recht moeten zoeken, waar de besmetting van Trajectum-Utrecht eveneens tot een foutieve uitleg leidde. In het Holland van toen waren de wateren en oversteekplaatsen zoiets gewoons, dat moeilijk aangenomen kan worden dat zij in zoveel plaatsnamen terecht zouden zijn gekomen.

    Tiende manco:
    Dezelfde normen moet men aanleggen bij alle namen uit de Romeinse periode en het merendeel van de namen tot de 10e eeuw. De namen dienen verklaard te worden vanuit de een of andere topografische bijzonderheid die aanleiding tot de naam heeft gegeven. Dan kan het “Grote Doorstrepen” in Woordenboek van Gysseling beginnen. Een even groot “Aanvullen” moet volgen ten aanzien van de circa 3000 namen, die volgens zijn opvatting van de bronnen in Nederland moeten hebben gelegen en die hij desondanks overslaat. De namen met hun verklaringen beslaan in zijn Woordenboek enkele regels in kolom.

    Was het niet zo tragisch, dan zou men bewondering kunnen hebben voor de manier, waarop hij erin is geslaagd om tien knalfouten in één regel te persen. Wie zoiets presteert, mag zijn toponimisten-lier aan de wilgen hangen.

    Gysseling verwijt Delahaye, overigens ten onrechte, dat hij zijn Woordenboek nauwelijks geraadpleegd heeft. Waarschijnlijk is er niemand anders in West-Europa, die het zo dikwijls en zo grondig heeft nagevlooid. Onder raadplegen schijnt hij echter te verstaan : blindelings volgen en overnemen, en dat is nu precies de kern van het verschil van mening. Delahaye spreekt hem in honderden gevallen tegen. Desondanks heeft hij hem zo weinig mogelijk geciteerd, eerstens om niet dezelfde fouten als Gysseling te maken en tweedens omdat het niet de taak van Albert Delahaye is zijn Woordenboek te korrigeren. Dat zullen de Franse en de Vlaamse toponimisten moeten doen.

    De toponymie is de jongste van alle historische hulpwetenschappen; serieus beoefend bestaat zij nauwelijks 60 jaren. Wat er tevoren op dit gebied was gedaan, is het lezen vaak niet waard; daarvan is zelfs nog lang niet alle puin geruimd. Bij alle nieuwe wetenschappen gebeurt het, dat men er aanvankelijk grandioos naast kan zitten, totdat nieuw onderzoek soms zelfs aantoont dat er methodische fouten zijn gemaakt. Dat doet niets af aan de verdiensten van de pioniers, die echter niet de arrogantie moeten hebben te menen dat zij en alleen zij de naamkundige wijsheid in pacht hebben. Helaas schijnt dat bij pioniers een noodzakelijk kwaad te zijn. Ongetwijfeld zal men later opmerken : Hier had Delahaye zichzelf wel eens op de borst mogen kloppen.

    Het is méér dan merkwaardig, het is zelfs een openbaring voor wie de tekenen verstaat, dat Gysseling en Blok het na "Vraagstukken...." in 1965 nooit hebben aangedurfd om daarover te praten of er stelling tegen te nemen. Men heeft zelfs gedacht, dat zij het nooit gezien hadden, doch blijkens hun recente uitlatingen kenden zij het allang en hebben zij het zelfs heel grondig bestudeerd; zij komen tenminste met de kleinste details. In het publiek hielden zij zich volslagen koest in een “welsprekend zwijgen”. Zij voelden zich veilig achter de afwijzing van de historici. Geen haar op hun hoofd dacht eraan de aandacht te trekken op hun persoon en hun zogenaamde monopolie-positie op het punt van de naamkunde. Gysseling heeft zich 15 jaren zitten verbijten en toen hij gedwongen door de feiten wel móest reageren, kon een ontploffing niet uitblijven. Na de onbevredigende resultaten van Wijk bij Duurstede moest de historie van Nederland opnieuw aan de orde worden gesteld. Door het boekje “Van Dorestadum tot Waderlo” breidde de twijfel zich als een olievlek uit. Nu verschillende deskundigen van Vlaanderen en Frankrijk Delahaye bijvallen of minstens de kwestie hoogst serieus nemen, kunnen de naamkundige konsekwenties natuurlijk niet meer met de mantel der (eigen) liefde bedekt blijven. Beide heren reageren precies eender, alsof ’t afgesproken werk was. Klare feiten worden ontkend of doodgezwegen; beweringen van de kant van Delahaye worden met opzet verdraaid zodat zij bespottelijk klinken; zij blijven de vergissingen van eeuwen her eruit gooien, de oude fouten herkauwen, wat in het begin alleen irriterend was, maar langzaam aan een Oedipus-vertoning gaat worden. Er moet hen maar eens recht voor de raap gezegd worden, dat zij niet moeten blijven dreinen over lokalisaties en determinaties, die op een onware historische reconstruktie waren gebaseerd. De historie is primair; naamkunde kan die slechts volgen, kan die nooit voorafgaan en kan nog minder het “uitimum quid” van de historie worden. Of wil Gysseling ook deze wet omkeren? Beide heren Gysseling en Blok hebben samen het refrein ingestudeerd: een tweestemmig lied van hoon. Gelukkig is Delahaye daarvoor in de loop der jaren immuun geworden; elke nieuwe scheldpartij beschouwen we als een volgende bevestiging dat hij gelijk heeft. En menen zij werkelijk het publiek nog achter zich te krijgen, dat in het begin niet wist waar het aan toe was, maar het wel spuugzat wordt als de geleerden alleen maar blijven schelden en de bewijsvoering overslaan. Onderhand zullen de heren wel bemerkt hebben, dat zij hun hoon met rente terugkrijgen.

    Het meest tragische is, dat de studies en publikaties van Gysseling Delahaye op een zeer belangrijk punt de weg hebben gewezen. Hij heeft veel en zeer zinnig geschreven over de taalgrens. Waarom wordt hij kwaad nu Delahaye uit zijn eigen opvattingen de enig mogelijke en de enig juiste conclusie heeft getrokken – die hij blijkbaar zelf niet zag – dat op de taalgrens dan ook de volkerengrens gelegd moet worden? Die volkerengrens is vanaf de eerste klassieke schrijvers tot ver in de 12e eeuw onafscheidelijk verbonden met de grens van Germanië, de Renus en zelfs de Bataven. Die volkerengrens staat zo duidelijk op de Peutinger-kaart afgebeeld, dat het ontbreken van het woord “volkerengrens” nauwelijks een manco kan worden genoemd. Een échte wetenschapper verheugt zich erover, als een volgende schrijver dankbaar doorgaat op een van zijn opvattingen en die bevestigt. Gysseling verstoot zijn eigen kind, dat zich ontwikkeld heeft tot een mondig wezen en een taal spreekt, die tot heden ongekende horizonten opent naar juiste opvattingen over historie, bewoningsgeschiedenis en zelfs naamkunde. Dat daarbij een en ander gekorrigeerd moet worden, kan alleen betreurd zijn door iemand die de eigenwaan boven de historische waarheid stelt.

    Laten we besluiten met Gysselings theatraal en vertwijfeld slot, Laocon ten voeten uit, waarin hij schrijft : "Alle identificaties van Delahaye zijn onmogelijk (woordelijk ontleend aan Blok; of is het andersom ?). Geen enkele bewering van Delahaye bevat waarheid. Hij houdt zijn lezers, met een beroep op de Absolute Waarheid die God is, op een grandioze manier voor de gek. Ik heb mijn tijd nodig voor creatief wetenschappelijk werk".

    Met deze laatste smerige insinuatie van heiligschennend bedrog, is Gysseling te ver gegaan. Tot voldoening en tot troost heeft Delahaye van veel wetenschapsmensen vernomen, dat zij dit hoogst onbeschaamd vinden. Toch moet Delahaye hem weer gelijk geven. Hij kan inderdaad zijn tijd beter gaan gebruiken, maar dan voor een verbeterde editie van zijn Woordenboek.
    Delahaye is niet wraakzuchtig, en om hem bij dat creatief werk wat te helpen, droeg Delahaye in alle bescheidenheid zijn “Namenboekje van Frans Vlaanderen” op aan Gysseling. Het huiswerk over Mannaricium is inmiddels al voor hem gemaakt. Ditmaal plaatsen we geen “Einde” meer. Het is passender te sluiten met de Indianen-kreet :

    ››M A N N A R I K J A N››


    Sindsdien is er van dr. Maurits Gysseling in deze kwestie niets meer vernomen.

    In de 'Boeken Spiegel' krijgt Gysseling nog bijval van prof.dr.Ludo Milis van de Universiteit van Gent (waar ook Gysseling een aanstelling had, je valt je collega toch niet af) over een artikel in "De Franse Nederlanden" Jaarboek 1979 van de Stichting Ons Erfdeel. Milis schrijft: "Last but not least zij vermeld dat A. Delahaye, die zowat vijftien jaar geleden al furore maakte met zijn 'Vraagstukken in de historische geografie van Nederland' opnieuw voor het voetlicht treedt met 'Het Romeinse en vroeg-middeleeuwse Trajectum te Tournehem-sur-la-Hem'. Gelukkig verwittigt de redactie de mogelijk argeloze lezer ervan dat volgend jaar een repliek zal verschijnen van de hand van de Gentse toponymist M. Gysseling. Spijtig dat die geleerde het zijn taak acht tegen windmolens in het strijdperk te treden. Wanneer Dorestadum, Tilia en Daventria (p. 211) niet Dorestad, Tiel en Deventer zijn, maar Audruicq, Desvres en Tilques (dép. Pas-de-Calais), dan is elke dialoog overbodig. Hoe er ooit een bisschop kan gezeteld hebben in het vredige dorpje Tournehem (en niet in Utrecht) vertelt de auteur niet. Gelukkig misschien voor mij in deze dagen: ik zou mijn tekst voor de nieuwe Algemene Geschiedenis der Nederlanden alleen maar kunnen verbranden ... en ter ontspanning gaan spitten in mijn tuin (wie weet vind ik nog botten van Bonifatius of Willibrord?)
    Gelukkig leven we in een democratie waarin persvrijheid (min of meer) bestaat. 'Le ridir cule' valt alleszins nooit onder de censuur! Daarom duidt ik het de redactie van het Jaarboek ook niet ten kwade dat ze dit artikel heeft opgenomen. Naast al het ernstige, fijn overlegde wetenschappelijk werk, waar vooral mijn bewondering en sympathie, mocht na vier jaar wel eens een grappige noot. Prof. dr. L. Milis."
    Tot zover het citaat.

    Commentaar: behalve dat duid ik zonder -t- moet, is er nog het nodige op dit geschrijf aan te merken.
    De kwaliteit van de repliek van Gysseling kunt U hierboven vernemen. Ook hier blijkt weer dat het belachelijk maken van de onderzoekingen van Delahaye een veelgebruikt middel is ter verdediging van de traditie. Het fijn overlegde wetenschappelijk geldt blijkbaar niet voor dat van Delahaye, wel voor dat van Gysseling. Lees daarover dan dit hoofdstuk.
    Milis vergeet dat de strijd tegen windmolens Nederland juist veel voorspoed en rijkdom hebben gebracht, naast de strijd tegen het water waarmee de transgressies weer eens bevestigd worden. Uit het verwijt van Milis dat de auteur niet vermeldt hoe er ooit een bisschop gezeteld kan hebben in Tournehem blijkt eens te meer dat hij de boeken van Delahaye nooit gelezen heeft. Hij vraagt zich ook niet af of dat in Utrecht dan wel mogelijk was. Archeologisch staat immers vast dat ten tijde van St.Willibrord in Utrecht zeeklei werd afgezet. Met andere woorden: Utrecht lag toen onder water.
    Zijn tekst voor de Algemene Geschiedenis der Nederlanden komt blijkbaar in het geding. Ook hier zal wel weer sprake zijn van reputatieschade. Of hij in zijn tuin in Gent nog botten van Bonifatius of Willibrord zal vinden is ook zo'n voobeeld van het belachelijk maken. Dat het uitgesloten is kan deze professor dokter ook niet weten, als je Dorestad, Tilia en Daventria in Nederland blijft zoeken. Opvallend blijft dat hij naast Tiel en Deventer ook Dorestad als Nederlandse plaats noemt. Waar Dorestad dan ligt moet men maar uitzoeken. Ik heb het in Nederland in elk geval nergens gevonden.
    Maar hoeveel heil is er te verwachten van een professor die de Nieuwste tijd vóór de Nieuwe tijd wil plaatsen en daar nog ruzie over gaat maken. De volgorde van de vergrotende trap lijkt mij wel duidelijk: Nieuw komt voor Nieuwste en niet andersom.