Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De 'Eerste' Gouden Eeuw.

Het is wijn met zeewater vergelijken.


Luit van der Tuuk weet er ook in dit boek, het is bekend van hem, weer een prachtig verhaal van te maken. Maar dat het gebaseerd is op feiten, is ook nu weer een mythe. Ook dit boek boek laat hij zijn fantasie regelmatig de vrije loop. Veel vergelijkingen die hij maakt vormen geen enkel bewijs. Je kunt de situatie in het zonnige ItaliŽ nu eenmaal niet met die in het drassige Nederland vergelijken. Het is wijn met zeewater vergelijken, allebei vloeibaar, maar totaal verschillend van smaak.

(De tussen haakjes vermelde pagina verwijzen naar de bladzijde in dit boek.)

In Westerheem 2 van april 2014 staat de volgende recensie over dit boek:
Er is geen sprake van archeologie, er komt geen jonge archeoloog aan te pas en evenmin is er aanleiding voor een stimulans om op de ingeslagen weg voort te gaan. Toch ontving de auteur van dit boek onlangs de W.A. van Es-prijs voor zijn publicatie. De prijs wordt jaarlijks uitgereikt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als aanmoediging voor jong onderzoekstalent op het gebied van de Nederlandse archeologie. De prijs wordt bij roulatie op de Reuvensdagen toegekend aan een proefschrift, een masterscriptie of een andersoortige opmerkelijke publicatie. Dit jaar is de prijs (Ä2000,- en een oorkonde) toegekend voor een publicatie uit de derde categorie, opmerkelijk genoeg niet geschreven vanuit een archeologische achtergrond maar primair vanuit een historische invalshoek, waarbij uiteraard de archeologische bevindingen niet onvermeld blijven. De auteur schetst op verrassend heldere wijze het scheepvaartverkeer en de handels stromen in noordwest Europa in de Vroege Middeleeu-wen en de rol die het huidige Nederland daarbij heeft vervuld. Die rol resulteert eeuwen later in wat algemeen als De Gouden Eeuw bekend is geworden.

Het is wel duidelijk waarom Van der Tuuk de Van Es-prijs won: hij bevestigt immers de opvatting van Van Es dat Wijk-bij-Duurstede het beroemde Dorestad was. Dat het heel anders was kunt U lezen bij Dorestad. Had hij dit boek maar geschreven vanuit de historische invalshoek, ofwel vanuit de teksten, dan had zijn conclusie een totaal andere geweest. Er bestaat namelijk geen enkele tekst die Dorestad in Nederland plaatst. Als Van der Tuuk wel over zo'n tekst beschikt zou ik die graag van hem ontvangen! Ik heb het hem eerder gevraagd, maar tot heden (juni 2022) heb ik nog niets ontvangen.
Luit van der Tuuk geeft dit boek de titel "De Eerste Gouden Eeuw" mee. Het blijkt te gaan over de handel in Dorestad, zijn stokpaardje.
Maar het is onbegrijpelijk dat Van der Tuuk nog steeds uitgaat van Dorestad in Wijk bij Duurstde. Iemand die zo op de hoogte is van de teksten moet toch onderhand wel in de gaten hebben dat de opgegraven nederzetting in Wijk bij Duurstede, zijn Dorestad, in het geheel niet voldoet aan alle kenmerken in diezelfde teksten genoemd. Lees meer over de kenmerken van Dorestad.


In dit boek over Dorestad gaat Luit van der Tuuk uit van de onbewezen opvatting dat de opgegraven nederzettig bij Wijk bij Duurstede Dorestad was. Daarover heeft archeoloog W.A. van Es duidelijk aangegeven dat daarvoor elk archeologisch bewijs ontbreekt. Lees daarover alles bij W.A. van Es wat het hele verdere betoog van Van der Tuuk op losse schroeven zet. Ook tekstueel is aangetoond dat de gebruikte teksten niet over Wijk bij Duurstede gaan. Als het belangrijkste uitgangspunt onjuist is, zijn alle verdere afleidingen eveneens onjuist. Dan houdt het hele verhaal op.

Nu zijn er over 'dè Gouden Eeuw' in de 17e eeuw al de nodige op- en aanmerkingen te maken, het was immers voor de meerderheid van de bevolking alles behalve goud wat er blonk. Ook Tom Buijtendorp schreef al een boek over de 'Gouden eeuw' van de Romeinen, die ook allesbehalve GOUD was. De Romeinse maatschappij was er een van uitbuiting en onderdrukking en slavernij. Dan hebben we nu een derde Gouden Eeuw te pakken. In de 17e eeuw had Cluverius bij de Germanen ook zijn "gouden eeuw" gevonden, al was deze van een andere aard. Het was voor hem de tijd van de godsdienstige gelijkheid. Hoeveel gouden eeuwen volgen er nog? De overeenkomsten van deze drie 'Gouden Eeuwen' is dat die eeuw voor de meerderheid van de bevolking allesbehalve 'goud' was. Het wordt tijd dat het bijvoeglijk naamwoord 'gouden' gewist wordt voor deze eeuwen.

Over de door Van der Tuuk genoemde Eerste Gouden Eeuw zijn nog meer opmerkingen te maken.

Gouden Eeuw? Voor wie? Waaruit blijkt die rijkdom?
  • Van die vermeende handel zijn in Wijk bij Duurstede geen sporen gevonden dan een grote hoeveelheid gebroken aardewerk en één beschadigde Gouden Broche onderin een put.
  • De opgravingen in Wijk bij Duurstede hebben geen rijke stad aangetoond, slechts een dorp van vissers en jagers. Lees meer over die opgravingen.
  • Van de rijkdom die bestond uit wel 55 kerken, is geen enkele kerk teruggevonden!
  • Die handel heeft ook in andere plaatsen geen sporen van rijkdom achtergelaten, niet in Utrecht, niet in Nijmegen, niet in Domburg, maar ook niet in het buitenland.
  • De plaats is in 1018 op last van de Duitse Keizer ontruimt en met de grond gelijk gemaakt, aangezien het een roversnest was.
  • Het heeft tot de 13e eeuw geduurd voor er in Wijk bij Duurstede weer enige bewoning was. Waar is al die rijkdom gebleven?

    Hoewel Van der Tuuk meedeelt dat de bronnen (p.72 e.v.) of archeologische sporen nogal vaak (o.a.p.82) schaars zijn, zoals ook op de achterkaft vermeld wordt, weet hij er toch een 'gouden' verhaal van te maken, dat ook 'des te verrassender' wordt genoemd. Wat hij dan als aanwijzingen van zijn verhaal opvoert 'in onze streken' zoals hij het noemt, blijkt geheel uit het buitenland te komen. En wat in Frankrijk of ItaliŽ voorkwam vormt toch geen enkel bewijs voor Nederland? Wat in de Middelandse Zee gebeurde is niet te vergelijken met de Noordzee. Dat is wijn met zeewater vergelijken. Want zeewater en moerassige wadden waren er in Nederland maar genoeg, zeker aan de kust (p.144) waar hij veel geschiedenis wenst te plaatsen.
    Ook een vergelijking met buitenlandse kloosters, zoals San Vincenzo, St.Riquier, St.Germaind-des-Prťs of Sankt Gallen, gaat mank aangezien er in 'onze streken' nog geen enkel klooster bestond. Ook tolbepalingen uit de 11e eeuw, kun je niet als uitgangspunt nemen voor dergelijke bepalingen in de 7e of 8e eeuw. Met dat soort vergelijkingen en hinein-interpreteren gaat Van der Tuuk regelmatig de problemen in. Zo wordt Utrecht als drukke handelsplaats geschetst, maar dan zitten we al in de 12e eeuw (p.83).

    Wat Van der Tuuk in zijn boek als 'de gouden eeuw' beschrijft is de ene keer de periode van de 7e tot de 9e eeuw, dus de 8ste eeuw, elders blijkt het meer de 9e en 10e eeuw te betreffen. Als hij dan voorbeelden noemt van handel en verdiensten dan blijkt het te vaak zelfs over de 11e en 12e eeuw te gaan en meestal over het buitenland. De voorbeelden van die handel blijken om Frankrijk, Duitsland, ItaliŽ, Spanje, zelfs ArabiŽ te gaan. En dat heeft weinig te maken met wat hij steeds 'ons land' noemt. De situatie in Cordoba in de 7e eeuw kun je natuurlijk niet vergelijken met die in Utrecht, dat immers in de 7e eeuw nog niet bestond mag je de archeologie geloven, of zoals Van der Tuuk het zelf noemt: Utrecht stelde niet veel voor. Op p.201 lezen dan eindelijk wat hij onder die 'Eerste Gouden Eeuw' verstaat, namelijk de tweede helft van de 8e eeuw en het eerste kwart van de 9e eeuw, dus niet eens een hele eeuw maar zo'n 75 jaar van ca. 750 tot 825. En die gouden eeuw hangt vooral samen met het Dorestad dat in of bij Wijk bij Duurstede gelegen zou hebben. De vraag of Dorestad een rijke handelsstad was blijft een beetje onbeantwoord. Maar als we lezen dat het maar een armoedige nederzetting was (p.125), waar men beter weg kon blijven (p.132), voldoet het meer aan de omschrijvingen van het roversnest Munna, is het wel duidelijk. Als dan ook nog wordt erkent door Van der Tuuk dat er nauwelijks een achterland of verzorgingsgebied (p.184) bestond waarmee gehandeld werd, blijft van die 'gouden' handel weinig aantoonbaars over. Opmerkingen als 'ook al vinden we daar in de bronnen niets van terug' (p.68) en 'er zijn geen schriftelijke getuigenissen van overgeleverd' (p.72), zeggen daarover genoeg.

    Als je het hele boek doorneemt blijkt feitelijk de enige overeenkomst tussen beide 'Gouden' eeuwen uit de handel in slaven te bestaan. Daar werd flink aan verdiend, toen en ook later in de 17e eeuw, al was dat maar voor 5%, zoals uit een recente studie blijkt.

    Veel mythes en hypotheses.
    Het boek bevat de nodige onwaarheden, onzorgvuldigheden en opzettelijke verdraaiingen, waarvan de meeste allang weerlegd zijn. Maar dat weet de gemiddelde lezer niet. Die laat zich van alles op de mouw spelden. Vander Tuuk kunnen we ook beschuldigen van valsheid in geschrifte, immers uit correspondentie met hem blijkt dat hij de boeken van Albert Delahaye wel degelijk kent. Toch houdt hij vast aan de mythen van vorige historici. We houden het maar op dat hij niet helemaal begrepen heeft wat Delahaye geschreven heeft. Immers als W.A. van Es, de opgraver van Dorestad, zelf schrijft "In Wijk bij Duurstede is geen archeologisch bewijs gevonden voor de determinatie Dorestadum", dan houdt toch elke discussie op! Dan moet je als serieus historicus niet door blijven gaan met het verkondigen van 'het sprookje van Wijk bij Duurstede". Dan worden het glasharde leugens.

    Je kunt over veel details in dit boek vele artikelen schrijven en hele studies opzetten, maar van de meeste is dat reeds gedaan door Albert Delahaye. Zo wordt regelmatig de bekende oorkonde uit 777 aangehaald (o.a. p.67). Ook de aangehaalde oorkonde uit 779 over de Rijkstol wordt verminkt weergegeven. Opvallend daarbij dat Van der Tuuk het hierin vermelde Traiectum niet noemt. Is dat dat niet meer Utrecht? In 'onze streken' blijft dus alleen Dorestad over als tolplaats. Utrecht stelde volgens Van der Tuuk niets voor als handelsplaats (p.78 en p.80). Hij erkent dat de 'archeologische sporen uit de beginperiode uiterst schaars zijn' (p.82), maar toch meent hij met deze spaarzame gegevens de vage contouren van de handelswijk in kaart te kunnen brengen. Bij het als 'drukke handelsplaats geschetste Utrecht' (p.83) blijkt het om de 12e eeuw te gaan. In Vetus Traiectum zou volgens Van der Tuuk alleen een kerk gestaan hebben en was er geen nederzetting (p.80). Hoe dat precies in elkaar steekt, blijft gissen. Wel een kerk, maar geen inwoners? Wie ging er dan naar die kerk?

    Dat St.Willibrord in Utrecht volkomen legendarisch is, blijkt bij Van der Tuuk nog steeds onbekend. Het wordt toch tijd dat hij alle boeken van Delahaye en van andere historici over St.Willibrord eens onbevoordeeld gaat lezen. Ik verneem daarna van hem graag de bewijzen die hij meent te hebben voor de aanwezigheid van St.Willibrord in Utrecht. En dan niet de 'bewijzen' uit de 12e eeuw of later, maar die uit de 8ste eeuw.

    In veel van die handel in 'De Eerste Gouden Eeuw' blijkt het om handel van de Friezen te gaan, die nogal vaak in beeld komen. Toch geeft Van der Tuuk aan dat het hier niet gaan om de bewoners van het huidige Friesland gaat (p.) en of het elders wel om echte Friezen ging (p.122). De locatie van de juiste plaats van de Fresones uit de 8ste eeuw kan hij dan ook eens gaan bestuderen, als hij toch de boeken van Albert Delahaye gaat lezen.

    Heeft hij die boeken niet? Hij kan ze alsnog bij mij bestellen (zie bij bestellen), net zo als ik zijn boeken koop om te lezen wat hij schrijft en vooral welke bewijzen hij daarvoor aanvoert. En dan is 'Renus=Rijn' geen bewijs. Dat moet eerst eens bewezen worden aan de hand van de klassieke teksten. Begin bijvoorbeeld eens met de Bello Gallico van Julius Caesar (zie daar).

    Toch is Van der Tuuk soms heel eerlijk en spreekt dan van een vermoeden. Dat zou dan blijken uit een vergelijking met andere plaatsen of geheel andere perioden. Hij kan de ware toedracht toch niet verzwijgen. Dat zou anders te veel opvallen. Wat bijvoorbeeld opvalt dat Van der Tuuk Zutphen niet noemt als handelsplaats. Deventer enkele keren wel, maar daarbij gaat het steeds om de situaties in de 10e eeuw en later, waarbij steeds ook Tiel wordt genoemd. Beide plaatsen zouden de handel van Dorestad hebben overgenomen na diens teloorgang in 863. Dat van de plunderingen in Wijk bij Duurstede of elders nooit iets gebleken is wordt dan niet duidelijk vermeld. Overigen erkent hij dat wel in zijn boek over de 'Noormannen in de Lage Landen' uit 2008, in herdruk uitgegeven als 'Vikingen' met Noormannen in de Lage landen als ondertitel (2015). Het geloof in mythen en legenden verdwijnt, al gaat dat langzaam, en maakt steeds meer plaats voor de historische waarheid.

    Het Frisia dat regelmatig genoemd wordt in dit boek zou de strook langs de kust van de Lage Landen zijn. Dat die doorlopen tot Frans-Vlaanderen is bij Van der Tuuk wellicht onbekend. Het is zoals hij schrijft in elk geval niet Friesland, maar soms toch weer wel. Ofwel, verwarring en terechte twijfel, ook van Van der Tuuk.

    In zijn boek spelen de plaatsen Dorestad, Medemblik, Domburg, Antwerpen, Utrecht, Deventer, Tiel, Asselt en het Kennemerland (St.Adelbertus) een nogal centrale rol. Echter van geen van deze plaatsen is ooit bewezen dat de aan die plaats toegewezen geschiedenis er ook werkelijk te plaatsen is. Dat de Noormannen (door Van der Tuuk soms Vikingen genoemd, andere keren weer niet) er geplunderd zouden hebben is een nooit bewezen opvatting. Zowel tekstueel als archeologisch is er nooit enig bewijs voor geleverd. Ook anderen dan Albert Delahaye hebben de mythen van deze plaatsen aangetoond. Zie daarvoor bij Citaten.

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.