Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het Cartularium van Egmond.

De dokumentatie van het bisdom van St. Willibrord staat praktisch geheel in één codex, het befaamde Cartularium van Egmond, dat in de 12e eeuw in de abdij van Egmond uit de lucht kwam vallen. Van tevoren is het in Nederland niet bekend geweest, wat dan ook duidelijk maakt waarom vóór de 12e eeuw in Nederland met geen woord is gerept over Willibrord en diens bisdom.
Utrecht verkreeg pas in de dertiende eeuw vanuit de abdij van Egmond een kopie van het Cartularium, dat afkomstig was uit Gent en daarvoor uit de St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars, vlakbij Tournehem. De honderden toponiemen uit dit Cartularium kunnen in Nederland -op een enkele foutieve na- niet aangewezen worden. In de omgeving van Tournehem en St.-Omaars, het kernland van de Angelsaksische missionering, zijn ze allemaal teruggevonden.

Het Cartularium van Egmond bevat een serie oorkonden, waarin schenkingen over goederen en rechten staan. Het gros van de plaatsnamen in het Cartilarium staat in de lijst van ca. 870. Bisschop Hunger van Tournehem was in 857 voor de Noormannen gevlucht. Hij keerde na verloop van tijd in zijn bisdom terug en zette zich aan het werk om weer orde op zaken te stellen. Daartoe riep hij groepen mensen op om te getuigen wat het bisdom in bezit had gehad. Het relaas van zijn onderzoek heeft een lange opsomming van plaatsen opgeleverd. De namen uit zijn lijst en uit de oorkonden liggen alle in Frans Vlaanderen.

De plaatsnamen uit de oorkonden van het bisdom Trajectum - Tournehem.

De 262 plaatsnamen uit het Cartularium, de meeste puur romaans, die sowieso al niet in Nederland gelegen kunnen hebben, zijn namen van plaatsen, die dus volgend de Nederlandse 'traditie' tussen 690 en 870 rond Utrecht gelegen moeten hebben. Een periode waarin in het laagland van Nederland niet eens het bestaan van één plaats archeologisch bewezen is. Laten we het maar onverbloemd en cru zeggen, zodat het goed tot eenieder doordringt: de nederlandse medievisten staan wat te kletsen over St. Willibrord in Utrecht, terwijl alle kerken, goederen en rechten van diens bisdom in Frans Vlaanderen liggen. Het schandalige van dit alles is dat zij het sinds 1965 weten, en dat zij welbewust en kwaadaardig voortgaan het Nederlands publiek te misleiden, simpelweg omdat zij hun blunderingen niet kunnen toegeven. Zij weten dat het Cartularium van Egmond 262 namen van plaatsen bevat, die nooit in Nederland gevonden zijn en derhalve daar niet hebben bestaan. Zij weten dat Trajectum en Dorestadum tussen 260 frans-vlaamse plaatsen staan, en derhalve Utrecht en Wijk bij Duurstede niet kunnen zijn geweest. Zij kennen het bestaan van 262 bewijzen, dat het bisdom van St. Willibrord geheel iets anders was, en in een geheel andere streek lag dan het bisdom Utrecht. Maar zij weten ook dat het gewone publiek geen notie heeft van de 262 frans-vlaamse plaatsen in de dokumentatie over St. Willibrord. Vandaar is te verklaren waarom zo angstvallig vermeden werd een diskussie over St. Willibrord of diens bisdom te beginnen, want dan gaat het deksel van het Cartularium van Egmond af. Ooit zal dit toch eens gebeuren. Daarom moest Delahaye op alle mogelijke onfrisse manieren belachelijk en monddood worden gemaakt. Laten ze niet beweren dat zij dit allemaal niet wisten, want als zij dit zouden beweren, dan zouden ze onbenullen in bronnen-onderzoek zijn. Het Cartularium van Egmond, de bron bij uitstek over bet bisdom van Willibrord, kennen zij als hun broekzak. Door de bronnen niet te erkennen plegen ze wetenschappelijke fraude en hebben als integere historici afgedaan, omdat zij met één naam uit een bron staan te roepen en er 261 uit diezelfde bron als niet ter zake doende overslaan. Bovendien zijn zij schaamteloos door het publiek de onwaarheid op de mouw te spelden dat Delahaye dingen overslaat, terwijl zij dat zelf zo'n 260 maal doen.

St. Willibrord was aartsbisschop van de Friezen. Deze namenlijst toont aan waar in zijn tijd de Friezen woonden, namelijk in Frans Vlaanderen, wat Tacitus en de andere klassieke schrijvers al 20 eeuwen geleden duidelijk hadden gezegd. We begrijpen nu ook, dat alle veldslagen van de Friezen in Frans Vlaanderen plaats vonden, wat trouwens logisch is daar Pepijn en Karel Martel hen in hun eigen streek aanvielen, en het pure waanzin is geweest te veronderstellen dat de hollandse Friezen zich keer op keer in Frans Vlaanderen gingen opstellen om diens aanval af te wachten. Het is derhalve afgelopen met de fabel, dat de Friezen al in de romeinse periode in het nederlandse Friesland zaten. Even onverbiddelijk volgt daaruit, dat na het opruimen van de kern der historische mythen van Nederland de grote schoonmaak moet beginnen met alles wat daarvan werd afgeleid. Het is duidelilk dat dit zowel de romeinse periode als de vroege middeleeuwen betreft.

Hoe de codex in Egmond kwam.

Al weten we niet precies hoe deze codex in Egmond terecht is gekomen, dan kan aan de hand van andere gegevens toch een redelijke veronderstelling worden gedaan.

De abdij van Egmond is in de 12e eeuw gesticht, en niet omstreeks 950 wat altijd ten onrechte is aangenomen. Zij werd bevolkt met een abt en monniken uit Gent. Het Vita S.Adelberti verhaalt dat bisschop Andreas van Utrecht (Andries van Kuik, 1128 - 1139) en Petronelle gravin van Holland aan de abt van Gent verzochten om monniken af te staan voor een klooster te Egmond. Deze zond Walter, proost van de Gentse nederzetting te Lens! (16 km noord-oost van Atrecht), die door de bisschop tot abt werd gewijd. Op 7 oktober 1143 is de nieuwe abdijkerk van Egmond door bisschop Harthert van Utrecht ingewijd. Nergens staat geschreven dat abt Walter het Cartularium in zijn bagage heeft meegebracht, doch een lijn is al duidelijk. De tweede is, dat het opduiken van de codex in Nederland haarfijn samenvalt met de stichting van een Gents klooster te Egmond. In Egmond was ook een Evangeliarium aanwezig dat volgens een legendarisch verhaal tegen het einde van de 10e eeuw door Dirk I van Holland aan de abdij van Egmond zou zijn geschonken, die evenwel nog niet bestond, zodat het verhaal niet waar kan zijn. De herkomst van deze codex is duidelijker, omdat hij een afbeelding bevat der abdijkerk van St. Riquier bij Abbeville, waardoor vast staat dat de codex daar geschreven is. Overigens blijft het niet bij die ene afbeelding. De codex is geheel uit de school van St. Riquier.

En dan komt het allermerkwaardigste. Al had de abdij van Egmond de dokumentatie van het bisdom van St. Willibrord in huis, toch heeft zij met geen woord gezegd of zelfs maar laten verstaan dat die dokumentatie op Friesland en Utrecht betrekking had.

In de Annalen van Egmond, die in de 12e eeuw beginnen - weer datzelfde keerpunt! - maar later met allerlei toevoegingen werden aangevuld, staat geen woord over Willibrord of het oude bisdom Trajectum. Die kwestie begon pas, toen Utrecht in de 13e eeuw een afschrift van het Cartularium van Egmond in bezit kreeg, dit aanvulde met een paar levensgrote vervalsingen, juist bestemd om de band te leggen tussen het bisdom van Willibrord en Utrecht, en het geheel presenteerde als de ware en authentieke dokumentatie van Utrecht. Alle historici zijn erin gevlogen; Opperman had het half door. En toen Albert Delahaye deze rekonstruktie gaf, was de verbijstering zo groot dat zijn stelling als onmogelijk werd verworpen. Ten onrechte, want de valse akten, die gefabriekt werden om de link tussen Willibrord en Utrecht te leggen, zijn op een kilometer afstand als vals te onderkennen, reeds vanwege het simpele feit dat de meest cruciale vervalsingen niet in het Cartularium van Egmond staan.


Ten aanzien van de Annales en het Cartularium van Egmond hebben er altijd grote meningsverschillen bestaan tussen geleerden. De opvattingen van Otto Oppermann werd als eigenzinnig en omstreden gezien, vooral met betrekking tot het ontstaan ervan. Melink, Gumbert, Rentenaar en Koch hadden andere opvattingen, maar waren het ook niet altijd met elkaar eens. Opperman kwalificeerde grote stukken als vervalsingen. De kritiek had niet moeten luiden dat hij 'hyperkritisch' was (had hij dan meer door de vingers moeten zien?), maar dat hij maar half door had wat er aan de hand was. De aanwijzing voor de herkomst van het Cartularium en de Annalen was voor hem niet geheel duidelijk. Toch had hij dat kunnen ontdekken aangezien de oudste delen over de Karolingen en hun opvolgers in Frankrijk en ItaliŽ gaan en Utrecht er pas vanaf 900 summier in voorkomt. Utrecht? Trajectum, maar dat bleek dus niet Utrecht te zijn, maar Tournehem in Frans-Vlaanderen.

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.