Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Utrecht = Trajectum Albiobola.

De stad Utrecht is onttrokken aan het moeras. (Bron: Utrecht aan zee)

Utrecht is geen Christelijk Centrum van betekenis geweest en heeft geen enkele traditie in deze. Dit ondanks dat St.Willibrord er zijn zetel gehad zou hebben en te boek staat als dè prediker van westelijk Europa.

De eerste aartsbisschop van Nederland na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853, mgr.Zwijsen bleef dan ook in Den Bosch. Voor hem was dat het kerkelijk centrum van Nederland, waar ook een levendige Maria-verering bestond. Utrecht had niets.
Slechts onder druk van Rome werd Utrecht in 1868 de standplaats van de aartsbisschop.

Op deze pagina staan enkele van de vele citaten van andere historici dan Albert Delahaye, die daarmee het gelijk van Delahaye aantonen c.q. bevestigen.

Toch blijft de mythe rondom Utrecht en St.Willibrord onuitroeibaar. Zie bijv. De St.Willibrordus-mythe in Utrecht.

Archeoloog Herre Wynia voegt er in het Jaarboek van Utrecht uit 2017 een nieuw gezichtspunt aan toe. Hij schrijft 'het bisdom Utrecht dat in het jaar 777 was ingesteld'. Dus Willibrord of Bonifatius hadden daar blijkbaar nog geen bisdom. Alberik zou de eerste bisschop van Utrecht geweest zijn. Hij komt blijkbaar tot dit inzicht door de opgravingen in Leidsche Rijn waarnaar hij in zijn noten verwijst. Op dit opgravingsverslag is het nodige aan te merken.
Maar deze opgravingen bevatten geen gegevens over de stad Utrecht, al wordt in het voorwoord (hoofdstuk 2.2.5) wel de traditionele geschiedenis over het kerkje van Dagobert en die van St.Willibrord, die overigend nooit gevonden zijn, weer wel genoemd. En zo blijven de mythen rondzingen.
Tot het jaar 777 zal hij wel gekomen zijn door die bekende oorkonde uit dat jaar. Zie daar.
In Utrecht is nooit een spoor van Willibrords zetelstad gevonden. Sterker nog, tijdens het leven van Willibrord was er op de plaats van het latere Utrecht zelfs geen menselijke aanwezigheid. Archeologen hebben onder het Domplein geen sporen gevonden uit de tijd tussen de derde en de tiende eeuw. Dit wordt door steeds meer historici en archeologen erkend. Zie bij Utrecht

De visie van Albert Delahaye.

Traiectum is Tournehem in Frans-Vlaanderen.

Romeins Utrecht dat onmiskenbaar bestaan heeft, heette Albiobola (zie noot)). De opgravingen van C.W.Vollgraff op het Domplein hebben dat in 1929 aangetoond. De naam 'Trajectum' is er nooit aangetroffen. Dat deze bevinding van Volgraff in de "doofpot" verdwijnen moest, is geheel verklaarbaar. Het veegde in één klap de hele traditionele geschiedenis van tafel. Als Romeins Utrecht geen Trajectum geheten zou hebben, dan was Utrecht ook niet het Trajectum van St.Willibrord. Immers Romeins Trajectum en het Trajectum van St.Willibrord waren dezelfde plaats!

Neen, zegt Albert Delahaye. Het Trajectum van St.Willibrord lag niet ver van de plaats waar hij vanuit Engeland aan land kwam. En dat was te Gravelines en niet in Katwijk. Niet alleen diverse teksten zoals de eigen documentatie van Echternach tonen dit aan, maar ook St.Willibrord schreef zelf dat hij aankwam in Francia en dat hij meteen in zijn missiegebied was. En tot Francia heeft Katwijk of Utrecht of welk deel van Nederland dan ook, nooit gehoord, ook al beweren enkele historici van wel. In Echternach hanteren ze, net als de Duitse en Franse historici, nog steeds Gravelines als de aankomstplaats van St.Willibrord. Geheel verrassend blijkt ook St.Willibrord al vanouds de patroon van de plaatselijke kerk te zijn. Je vraagt je dan ook af wat de 'aartsbisschop van de Friezen' daar in Gravelines doet. De verklaring is vrij simpel: de Friezen (Fresones of Frisones) in zijn tijd woonden daar aan de kust van Het Kanaal.
De aankomst te Katwijk is een fabel die voor het eerst in de 17e eeuw als landingsplaats werd genoemd. Daarvan is geen enkele klassieke tekst voorhanden, dan de tekst die melding maakt dat St.Willibrord aankwam in de monding van de Renus. Wat er onder de Renus verstaan moet worden leest U elders op deze website. Zie bij Renus.
Sommige historici houden de aankomst van St.Willibrord op het Zeeuwse Grevelingen. Ze erkennen daarmee dat ook zij Katwijk niet accepteren, maar tevens onbewust dat het wel Gravelines moet zijn geweest. Immers de 'Vlaamse' naam voor Gravelines is Grevelingen. Dat het zeeuwse Grevelingen in de 7e eeuw, toen de transgressies op een hoogtepunt waren, bestond is een mythe. De naam Grevelingen is ook een van vele importnamen waarmee Zeeland, dat ontgonnen werd vanuit Vlaanderen, vol ligt. Ook Walcheren, Middelburg, Vlissingen en Westkapelle zijn doublurenamen die vanuit Frans-Vlaanderen geïmporteerd werden.

(noot) De naam Albiobola voor Romeins Utrecht wordt momenteel door enkele onderzoekers (o.a.Frank Moed) weer ter discussie gesteld. De publicatie roept enkele vragen op, maar lijkt toch meer voortgekomen uit een privé-actie van één persoon, die navolgers vindt bij anderen (o.a. J.v.Hout en R.Voogel). Men twijfelt daarmee opnieuw aan het onderzoek van prof.dr.Vollgraff, hoogleraar Griekse Taal en Letterkunde, die op enkele gevonden objecten die naam meende te herkennen. Uiteraard kwam er toen zowel uit binnen- als buitenland kritiek op de bevindingen van Vollgraff. Maar dat kan geen argument zijn om zijn bevindingen nu weer af te wijzen. Immers die eerdere kritiek kwam voort uit het feit dat als Utrecht Albiobola heette, de hele aangenomen geschiedenis vanaf de Romeinse tijd ter discussie kwam te staan.
Ondanks dat de onderzoekers nog niet gekomen zijn tot een begrijpelijke betekenis van de betreffende inscriptie, wijst men de naam Albiobola op voorhand toch weer af. De gemeentelijke archeoloog van Utrecht, Herre Wynia, acht zich over de waarde van de ontcijfering niet deskundig genoeg al is het volgens hem wel duidelijk dat het woord Albiobola niet op de steen voorkomt.
Maar als je niet deskundig genoeg bent, kun je dan wel een standpunt innemen? Hier zien we weer een voorbeeld van het algemene gebruik onder 'deskundigen' die wel een standpunt innemen, maar onder de noemer van 'niet deskundig genoeg' dat niet hoeven te bewijzen en zo slechts hun eigen 'deskundigheid' proberen te redden. Het lijkt een ingewikkelde zin, maar in historisch Nederland vaak voorkomend en soms zelfs uitgangspunt. Zie bijv. bij Hugenholtz en Bogaers.

Maar stel nu dat Romeins Utrecht niet Albiobola heette? Bewijs je daarmee dan dat het Trajectum heette?
De centrale vraag in deze hele kwestie is, of het Romeinse Utrecht ooit Trajectum geheten heeft. Tot heden is daarvoor geen enkel bewijs geleverd. In Utrecht is nog nooit een Romeinse inscriptie gevonden waar de naam Traiectum in voorkomt. Het volksgeloof mag dan voorschrijven dat de Romeinen met Traiectum Utrecht bedoelden, maar men heeft dat bedacht via een cirkelredenering. Aangezien Utrecht na de 10e eeuw de zetel van de aartsbisschop werd, zal deze plaats dat ook wel in het eerste millenium geweest zijn, dacht men. Maar hiervoor ontbreekt elk bewijs. Archeologisch is vastgesteld dat de 10e eeuwse bouwresten direct op die uit de Romeinse tijd staan. En de Romeinse tijd eindigt voor Utrecht eind 3e eeuw (rond 260 n.Chr.).
Een Trajectus (oversteekplaats over water) in de buurt van Utrecht is in elk geval duidelijk onzin, want de route werd daar nergens onderbroken door een water dat overgestoken moest worden.
Dat het Romeinse Trajectum dezelfde plaats was als het Trajectum van St.Willibrord staat wel vast. Het blijkt immers uit de schriftelijke bronnen, die, hoe kan het, bijna allemaal in Franse kronieken staan!

Waar die trajectum -die oversteekplaats- naar toe leidde is in Utrecht altijd een onopgelost raadsel gebleven. Al meer dan een eeuw lang houden archeologen, historici en geologen zich bezig met de vraag waar de rivierbeddingen van Rijn en Vecht lagen binnen de Utrechtse stadsgrenzen. Als niet eens bekend is waar de rivier liep, dan is de oversteekplaats, de trajectum al helemaal een raadsel. Overigen zou in de Romeinse tijd die oversteekplaats rechtstreeks naar vijandelijk gebied geleid hebben. Immers aan de overkant van de rijn was de 'vijand', die er overigens niet was volgens Byvanck en andere historici. Een dubbel onjuiste veronderstelling.

In Tournehem, het echte Trajectum, lag die oversteekplaats op de doorgaande en gebruikelijke route naar Brittannia.

Tot ver in de Middeleeuwen omvatte het Bisdom Utrecht slechts alluviale gebieden in Utrecht, Holland en Zeeland. Daarentegen behoorde Friesland, Groningen en Oost-Nederland tot het bisdom Münster. Zeeuws-Vlaanderen, Brabant en Limburg ressorteerden onder de bisdommen Doornik, Kamerijk en Luik/Maastricht. Het rivierengebied in Midden-Nederland tot aan de Merwede viel onder het bisdom Keulen. Wie goed over deze indeling nadenkt kan slechts tot de conclusie komen dat het bisdom Utrecht een van de laatste stichtingen in de kerkelijke hiërarchie van Nederland geweest kan zijn. De andere bisdommen hebben een geschiedenis die ouder is en soms teruggaat tot ver in het eerste millennium. Voor het in de 10e eeuw nieuw gestichte bisdom Utrecht waren slechts de nieuw verworven gebieden beschikbaar. Het bisdom Utrecht kan dan ook niet ouder zijn dan de eerste ontginningen, die pas in de 10e eeuw begonnen zijn. De strijd tussen de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland vanaf de 10e eeuw bevestigen dit. Die strijd ging steeds over de nieuw verworven en ontgonnen gebieden in laag-Nederland.
Dit sluit een stichting van het bisdom Utrecht in de 7e eeuw volkomen uit. Dan zou het bisdom Utrecht immers oudere rechten hebben gehad dan de graaf van Holland en zou een strijd met de graaf overbodig zijn geweest. Dit probleem is ook bij de historici bekend, maar wordt vanwege de controverse meestal volkomen verzwegen. Het verzwijgen is veelzeggend.

Over St.Willibrord, Utrecht en Egmond!

  1. Tussen 250 en 950 ontbreekt elke vorm van bewoning in Utrecht. (Bron: W.van Es).
    St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers hebben er dus nooit een bisschopszetel kunnen hebben. Immers zonder bewoners valt er niets te bekeren.

  2. Aan het eind van de 3de eeuw komt een eind aan de Romeinse bewoning. Pas in de 11de eeuw verschijnen op het terrein weer tekenen van menselijke activiteit. Het Romeinse vegetatieniveau is dan inmiddels afgedekt door een pakket grijze klei. Daarin bevinden zich de oudste middeleeuwse sporen, die de periode van de 11de tot het begin van de 14de eeuw beslaan. (Bron: Archeologische Kroniek).
    Het gaat hier om opgravingen in de Eligenstraat in het oude centrum van Utrecht. Overigens vertoont de gehele binnenstad in Utrecht hetzelfde beeld. Hiermee wordt glashelder aangetoond dat Utrecht niet bewoond was in de tijd van St.Willibrord, noch lang daarvoor of lang daarna. Bovendien toont het pakket grijze klei het bestaan en voorkomen van de transgressies aan.

  3. Utrechts historie tussen 275 en 925 is archeologisch vooral herkenbaar als een pakket van gesedimenteerde klei. Deze alom aanwezige afzettingslaag is tot nu toe in de onderzoeken grotendeels genegeerd. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1999)..
    Dit gegeven bevestigt wat hierboven is gesteld. Bij een gemiddelde afzetting van 1mm per jaar (Berendsen, 1984) gaat het om overstromingen over een periode van ruim 400 jaar. Boven in het kleipakket beginnen de 10e eeuwse en latere sporen. Het negeren van dit gegeven is vooral veroorzaakt door de verblindheid van historici, die Utrecht toch als het Trajectum van St.Willibrord blijven zien, ondanks alle bewijzen die dat weerleggen.

  4. De archeologische vondsten in Utrecht uit de periode van Willibrord en Bonifatius zijn niet meer dan een handvol stof. (Bron: T.Hoekstra).
    Hoekstra was stadsarcheoloog van Utrecht! Men heeft er nooit iets gevonden uit de tijd van St.Willibrord en St.Bonifatius. Ook hier spreekt de archeologie weer duidelijke taal.

  5. Utrecht levert in de periode van Willibrord en Bonifatius alleen maar sedimente afzettingen op. (Bron: C.van Rooijen).
    Van Rooijen was stadsarcheoloog van Utrecht en opvolger van Hoekstra! In het Jaarboek Oud-Utrecht 2000 p. 186) kreeg T. Hoekstra de opdracht Van Rooijens bijdrage te relativeren. Dat gebeurde op een erg doorzichtige en haast aandoenlijke wijze. Minder aandoenlijk was de volgende uitspraak: "Houdt hij aan zijn these vast, dan zal hij de resultaten van al zijn opvattingen moeten verwerpen. Doet hij dat dan komt hij verdacht dicht bij de opvattingen van wijlen Albert Delahaye en zijn volgelingen, die het bestaan van een vroeg-middeleeuws Utrecht überhaupt ontkennen en het in Noord-Frankrijk situeren, omdat de boel hier onder water gestaan zou hebben".
    Hiermee wordt dus klip en klaar erkend dat als het Utrecht van St.Willibrord fout is, dat dan ook de rest van de geschiedenis van ons land in die periode fout is. En dat is precies wat Albert Delahaye steeds beweerd heeft: de hele boel is fout omdat het een onlosmakelijk aan het ander verbonden is. Je kunt niet één kaart uit het kaartenhuis trekken. Dan stort de hele boel onherroepelijk in. En dat is ook precies wat de gevolgen zullen zijn. De hele geschiedenis van Nederland in het hele eerste millennium zal herzien moeten worden, te beginnen met een blanko begin.

  6. Dat in Utrecht al in ca.600 een christelijke kerk stond heb ik in 1962 gemeend te moeten wraken. Wie schetst dan ook mijn verontrusting toen ik bij Van Moorsel las, dat onder de resten van het oudmunster een doodkist was gevonden, die op omstreeks 600-625 gedateerd kon worden. Trekt men dit bericht echter na - van Moorsel beroept zich op C.J.A.C. Peeters, die zich weer op Van Giffen beroept - dan blijkt dat men de sarcofaag gedateerd heeft enkel op grond van het door mij gewraakte schriftelijke bericht. De datering hangt dus in de lucht, maar bijna had de historicus zich laten imponeren. (Bron: D.P.Blok)
    En als Blok, de verdediger van de Franken in Nederland, dit zelf al opmerkt, is er geen verdere discussie meer nodig. Dan gaat de hele traditie van St.Willibrord op de helling, want zonder een kerk in ca.600 is er in Utrecht ook geen St.Willibrord geweest. Blok noemt het verschijnsel dat de ene historicus zich beroept op een andere enz. een "cirkelredenering".

  7. In "het Nederland van St. Willibrord" zijn geen archeologische vindplaatsen aan te wijzen in het gebied van de Utrechtse Vecht. (Bron: W.van Es)
    Er is in het gebied van de Utrechtse Vecht geen enkel archeologisch bewijs te vinden voor de aanwezigheid van St.Willibrord. Geen spoor van zijn missioneringswerk, geen spoor van kerkenbouw en geen spoor van bewoning.

  8. Bij opgravingen aan de voet van de Utrechtse Dom zijn fundamenten van het eerste bisschoppelijk paleis van Nederland gevonden. Ook zijn resten blootgelegd van de Romeinse castellummuur die moest wijken voor de bouw van dit paleis. Nooit eerder was er iets te zien van dit paleis, dat in de 11e eeuw is gebouwd. Er is bij dit onderzoek een muurwerk tevoorschijn gekomen, dat was gefundeerd op grote granieten zwerfkeien. Tussen het puin bevonden zich ook enkele brokstukken van kleurrijk gedecoreerd Romeins pleisterwerk. (Bron: ANP. september 2008)
    Het elfde eeuwse bouwwerk was rechtstreeks op het Romeins gebouwd. Tussen de 3e en 11e eeuw was er in Utrecht niets. Na deze archeologische constatering kunnen we de hele discussie over St.Willibrord in Utrecht voorgoed beëindigen. Zeker omdat men (de historici) altijd beweerd hebben dat de z.g. eerste kerk van St.Willibrord op het domterrein zou hebben gestaan. Einde discussie.

  9. Willibrord, de Ierse missionaris, kwam in 690 n.Chr. in Frankrijk aan. (Bron: J.W.Bronkhorst)
    Daar gaat de mythe van Katwijk, een mythe uit de 17e eeuw. Dan gaat ook de onjuiste interpretatie dat de Renus de Rijn zou zijn, want St.Willibrord landde in de monding van de Renus! (Door het misverstaan van het begrip Renus kwamen de historici aanvankelijk ook in Katwijk -aan de monding van de Oude Rijn- terecht)

  10. Theofried van Echternach verhaalt in zijn "Vita Willibrordi" dat de apostel aan land kwam in Gravelines, daarheen gedreven door de wind. "delatus vero est primum in portum Gravalingae, villae maritimae". Maar deze veronderstelling verliest zijn geloofwaardigheid, omdat St.Willibrord op een steen de overtocht over het kanaal zou hebben gemaakt. (Bron: G.H.Verbist) . Dit schrijft G.H.Verbist de Willibrordkenner bij uitstek in de vorige eeuw. Het wonder met de steen is door Albert Delahaye reeds lang verklaard als een gewone schippershandigheid. Bij slecht weer en hevige wind nam men stenen aan boord als extra balast, om de boot een stabiele ligging te geven. Het wonder van de steen is in de streek rond het Kanaal een volkomen verklaarbaar en begrijpelijk feit. Het geeft tevens aan in welke streek de oversteek thuishoort, namelijk daar waar men gewend is om "op een steen" te varen. Slechts de historici die de tekst niet begrepen, hebben er een wonder van gemaakt en daarmee de verdere tekst ook als een legende opgevat, terwijl zij historisch volkomen juist is. Had men van het verhaal over het terugvinden van het corpus van St.Willibrord in Echternach maar een legende gemaakt. Dan was ook de daar de waarheid overeind gebleven.
    Ook het "afdrijven" door de wind is aan de kust van Het Kanaal verklaarbaar. Immers de gebruikelijke aankomstplaats was aan de overkant bij Dorestad of Wissant. Gravelines ligt meer naar het noord-oosten, waarheen St.Willibrord blijkbaar afgedreven was.


  11. Ofschoon de kerstening in het noorden reeds aan het einde van de achtste eeuw veld begint te winnen, dateren de oudste stenen kerken hier uit de twaalfde eeuw. (Bron: P.Glazema)
    Pas na de tijd van St.Willibrord en St.Bonifatius zou de kerstening veld gewonnen hebben. De kerstening van St.Willibrord (eind 7e eeuw, begin 8e eeuw) en St.Bonifatius (eerste helft 8e eeuw) hebben blijkbaar geen resultaat gehad. Dat is wel bezijden de tot dan toe gehanteerde traditie! De afwezigheid van stenen kerken in het noorden bevestigt de visie van Albert Delahaye op een wel zeer onmiskenbare wijze.

  12. In de periode van St.Willibrord zijn in Nederland boven de rivieren geen archeologische feiten die met St.Willibrord in verband kunnen worden gebracht. (Bron: W.van Es).
    Dat Utrecht en het gebied ten noorden daarvan het werkterrein van St.Willibrord is geweest, vindt Van Es niet aannemelijk. En als Van Es het niet aan te nemen vindt, dan is het dus ook niet zo geweest. Daarvoor is hij deskundige genoeg. Zo'n uitspraak spreekt voor zich en schept wel duidelijkheid! Van Es is hier dus gewoon eens met de opvattingen van Delahaye. Er is boven de rivieren geen spoor gevonden van de grote "apostel van de Friezen". Archeologisch heeft St.Willibrord hier niet bestaan. Ook tekstueel heeft St.Willibrord nooit in Nederland bestaan, sinds dat al te duidelijk is aangetoond door Albert Delahaye.

  13. Utrecht kan niet de werkelijke standplaats (sedes episcopalis) van St.Willibrord geweest zijn. Willibrord heeft zichzelf nooit bisschop van Trajectum genoemd. Er bestond geen diocees in oprichting. (Bron: P.Leupen).
    En als zelfs Leupen Albert Delahaye gelijk gaat geven, hoe ver zijn we dan al gekomen met de bekering?

  14. Van de idee dat Willibrord vele kerken bouwde is er misschien maar één die archeologisch bewijsbaar is. En dat is het kerkje van het oude klooster van Echternach. (Bron: C. Peeters).
    Het bedoelde kerkje blijkt overigens niet gezien te kunnen worden als Angelsaksische import, dus kan feitelijk ook niet door St.Willibrord gesticht zijn. Wat zeker is dat er in Nederland geen enkele kerk aantoonbaar uit de tijd van St.Willibrord stamt. En als er geen kerken uit de tijd van Willibrord bestaan, dan heeft Willibrord hier ook niet bestaan.

  15. In Nederland zijn van Ameland tot Zeeland Willibrordputjes en -bronnen te vinden. Van veel plaatsen staat vast dat St.Willibrord er nooit geweest is.(Bron: I.Jacobs & K.Ribbens).
    Het staat ook vast dat op al die plaatsen St.Willibrord nooit geweest is. St.Willibrord zou als Benedictijn en trouw Rome volgeling nooit uit een put gedoopt hebben, zeker omdat de Paus dat verboden had. Van veel bronnen en putjes staat ook vast dat die niet teruggaan tot de tijd van St.Willibrord, maar soms nog geen eeuw oud zijn. Het voornaamste argument bestaat uit het verkeerd lezen van klassieke teksten, zoals het putje van Oss ("in loco Deosne" werd gelezen als "in loco de Osne"), dat uit begin 20e eeuw blijkt te dateren.

  16. Wat we archeologisch van Utrecht weten is veel, maar er zaten veel lacunes is. Tot ongeveer 260 vinden we sporen van Romeinen, maar daarna valt er een gat. De draad wordt weer opgepakt omstreeks 950, uit welke tijd we de eerste tekenen van bewoning vinden. Maar pas in de elfde en twaalfde eeuw krijgen we veel meer gegevens. (Bron: H.de Groot).
    St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers hebben er dus nooit een bisschopszetel kunnen hebben. Immers zonder bewoners valt er niets te bekeren. Hetzelfde gat zien we in Nijmegen en andere plaatsen in Nederland.

  17. Opgraving Domplein.
    De oudste archeologische sporen met een christelijke signatuur op het Domplein in Utrecht wijzen juist naar de H.Kruiskapel en de St.Salvator. Een datering in de 10e eeuw
    (die algemeen gehanteerd wordt) zou ernstige problemen opleveren. Wanneer we echter uitgaan van een stichting aan het eind van de 7de of begin van de 8e eeuw zijn alle argumenten en gegevens logisch verklaarbaar. Met uitzondering van de C-14 dateringen pleiten mijns inziens alle hiervoor gepresenteerde aanwijzingen en gegevens voor een bouw ten tijde van Willibrord. (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1992-1993).
    Het is zeer interessant en verhelderend te lezen hoe H.L. de Groot, de auteur van dit artikel in de Archeologische Kroniek van Utrecht, de archeologische gegevens hanteert en interpreteert (beter is om te spreken van manipuleert), om met zeer vage aanwijzingen vooral zijn vooropgestelde uitgangspunten logisch verklaarbaar te maken. Zo vindt De Groot een ophoging van de grond met 80 cm (op het Domplein) in zijn maaiveld-theorie onwaarschijnlijk. Terwijl 4 bladzijden verder in dezelfde Kroniek C.A.M. van Rooijen (opgraving Minrebroederstraat) spreekt over "een ophoging van het maaiveld in Utrecht is een regelmatig voorkomend verschijnsel. Zowel bij het Oudkerkhof als in de Annastraat werden dit soort ophogingen gevonden". Met deze vaststelling vervalt de hele "maaiveldhoogten-theorie" van De Groot en is een datering van de Kruiskapel in de 7e of 8e eeuw uitgesloten. Overigens dateert de eerste keer dat de H.Kruiskapel in schriftelijke bronnen voorkomt uit 1105.
    De C-14 methode is de enige wetenschappelijke en objectieve manier van vaststellen van dateringen. En de C-14 methode toont onweerlegbaar aan dat de Kruiskapel uit de 10e eeuw stamt. De Kruiskapel bevindt zich direct op Romeinse resten, waarmee onweerlegbaar wordt aangetoond dat er na de Romeinse tijd tot de 10e eeuw geen bewoning was in Utrecht. Wat St.Willibrord er dan is komen doen en wie hij hier heeft kunnen bekeren, zijn dan ook de ernstige problemen die H.L. de Groot niet noemt, maar wel bedoelt.

    Volgens H. de Groot (in hetzelfde artikel) bestaat er nauwelijks discussie over het feit dat St.Willibrord aan het eind van de 7e eeuw een kerkje herbouwde op de plaats waar er reeds eerder een had gestaan. Bovendien bouwde Willibrord een tweede kerk: de St.Salvator. Hiermee spreekt De Groote letterlijk geen onwaarheid, al bedoelt hij iets wat onwaar is. Er bestaat wel degelijk discussie over de plaats waar men deze gegevens moet plaatsen. De Groot blijft vasthouden aan Utrecht, Albert Delahaye heeft aangetoond dat het Utrecht niet geweest kan zijn, maar dat het over Tournehem in Noord-Frankrijk gaat. De schriftelijke bronnen spreken immers over de plaats Vultaburch, de stad der Vulti, die in de Gallische taal Trajectum wordt genoemd.

  18. Opgraving Nieuwe Gracht/Hortus Botanicus.
    Na de Romeinse periode is het gebied lange tijd niet bewoond geweest. Dat blijkt vooral uit een pakket van circa 40 cm klei dat bovenop de Romeinse vegetatiehorizont is afgezet. In deze klei zijn enkele kuiltjes ingegraven, waarvan de oudste 11de/12de-eeuws is. Afsluitend kan geconcludeerd worden dat (in de buurt van) de oude Hortus Botanicus een inheems Romeinse nederzetting moet hebben gelegen. Deze woonplaats lag bovenop een oude stroomrug, die door de hoge ligging een goede woonplaats bood. Vervolgens is over het Romeinse niveau heen een dik kleipakket afgezet, een sedimentatieproces dat in ieder geval in de 11de eeuw, maar vermoedelijk eerder, afgerond moet zijn geweest.
    (Bron: Archeologische Kroniek Utrecht 1992-1993).
    De Archeologie toont hier dus onweerlegbaar aan dat er in Utrecht
    1. na de Romeinse periode langdurige overstromingen zijn geweest en
    2. tussen de Romeinse tijd en zelfs de 11e eeuw geen enkele bewoning was in dit gebied.
    En het gebied Domplein - Nieuwe Gracht is het oudste deel van Utrecht.

  19. Het is opvallend dat vóór 1559 van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers geen sporen zijn. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de middeleeuwen niets. (Bron: L.J.Rogier, II p.763)
    Bij een juiste beschouwing is dit dus niet opvallend. De devotie ontbrak aangezien deze predikers niet in Nederland thuishoren. De devotie tot St.Willibrord en andere predikers werd niet gedragen door de bevolking, waarmee aangegeven dat deze hier niet thuishoorde. Dat had de bevolking dus eerder begrepen dan de geschiedschrijvers.

  20. Dat de Rijn steeds de grens van het Merovingische rijk vormde en Utrecht circa 600 Frankisch geweest is, kan onmogelijk juist zijn. (Bron: D.P.Blok)
    Feit is dat de Merovingische en later de Karolingische koningen wel zeggenschap hadden in Trajectum, maar volgens Blok dus niet in Utrecht. De enig juiste conclusie trekt Blok echter niet: Utrecht was dus niet het Trajectum van St.Willibrord,

  21. In Utrecht zijn weinig archeologische artefacten en vindplaatsen van de periode tussen circa 275 en 950 bekend. Te weinig als men uitgaat van een redelijk continu bewoond Utrecht. (Bron: C.van Rooijen)
    Er was dus geen redelijke bewoning in Utrecht. Waar lagen dan alle plaatsen in oorkonden genoemd in de omgeving van Utrecht ?

  22. Er is geen spoor te vinden van berichten uit het belangrijke missie-centrum dat Utrecht geweest moet zijn. Er is niets gevonden. (Bron: J.W.Bronkhorst)
    Als St.Willibrord in Utrecht zijn bisschopszetel gehad heeft, is het onverklaarbaar dat er geen enkele schriftelijke bron uit Utrecht afkomstig is. Het is eveneens onverklaarbaar dat geen enkele kerk of kerkelijke feestdag van oudsher naar deze heilige is vernoemd. De enige verklaring voor het ontbreken van deze gegevens ligt in het ter plaatse ontbreken van de heilige zelf.

  23. Bij opgravingen in Utrecht zijn geen resten uit de tijd van St.Willibrord gevonden. (Bron: A.G. Weiler)
    Er is sinds 1929 in Utrecht hard gezocht maar nooit iets gevonden uit de tijd van St.Willibrord. Maar er moet iets zitten. Daarom is er telkens weer opnieuw gezocht, want je weet maar nooit, misschien is er in de tussentijd iets nieuws bijgekomen. Behalve Romeins is er in Utrecht niets noemenswaardigs gevonden uit het eerste millennium! Utrecht verschijnt in de schriftelijke bronnen in het jaar 940. De archeologie sluit daar wonderwel op aan. Er is tussen de Romeinse tijd en de 10e eeuw geen enkele bewoning vastgesteld, laat staan een doorlopende bewoning van een hele stad. Het tiende eeuwse Utrecht is op Romeinse funderingen gebouwd met een grote leegte daartussen.

  24. De oudste kerk aan het Sticht dateert niet uit de zevende of achtste eeuw, maar uit de tiende! (Bron: M.Breij)
    Er zijn in Utrecht geen archeologische vondsten van rond 700, die bewijzen dat daar een bisschopszetel gevestigd was. Zonder kerk is er geen bisdom geweest!

  25. Er zijn geen archeologische bewijzen gevonden in Utrecht of Wijk bij Duurstede die met St.Willibrord in verband gebracht kunnen worden.(Bron: W.van Es)
    Er zijn in Utrecht of Wijk bij Duurstede dus geen archeologische vondsten van rond het 700 bekend. Ofwel zonder bewoning viel er voor St.Willibrord niets te bekeren.

  26. De ouderdom van de St.Willibrordusput te Heiloo dateert vermoedelijk uit de 16de eeuw. (Bron: H.Halbertsma).
    De zogenaamde St.Willibrordusput te Heiloo blijkt niet ouder te zijn dan de 16de eeuw. Dat is 8 eeuwen jonger dan de vermeende aanwezigheid van St.Willibrord ter plaatse.

  27. Als dan eens een missionaris werd vermoord, zoals de vooraanstaande Lambertus in Luik, maakten tijdgenoten en nageslacht spoedig een martelaar van zo iemand, op wiens graf mirakelen geschiedden. In de literaire overlevering vinden we dan een weinig kritische, maar kleurrijke biografie, terwijl we aan 'harde' gegevens nauwelijks iets hebben. Achteraf immers is die periode volgepropt met legenden en sterke verhalen, maar de historische figuren, ook bijvoorbeeld iemand als de eerste aartsbisschop van Utrecht, Willibrord, blijven onduidelijk en in schaduwen gehuld.(Bron: A.F.Manning)
    Voor de nederlandse geschiedenis klopt dit helemaal. Immers St.Willibrord komt in de oudste kerkelijke bronnen in Nederland (Egmond) niet voor.

  28. Tijdens het leven van St.Adelbert bezat Egmond nog geen kerk.(Bron: Tien eeuwen Egmond)
    De diaken Adelbert werd de apostel van Kennemerland genoemd. St.Adelbert zou volgens de Annales Xantenses een metgezel van St.Willibrord zijn geweest. In de Vita St.Willibrord wordt hij niet genoemd. St.Willibrord zou in Egmond een kerk gesticht hebben, die er na onderzoek niet bleek te hebben bestaan. Indien er geen kerk bleek te zijn in Egmond ten tijde van "de diaken van St.Willibrord", is het verhaal van St.Adelbert ten onrechte in Egmond geplaatst en is ook deze mythe ontrafeld.

  29. De verbinding van St.Adelbert met het klooster van Egmond is volkomen legendarisch. (Bron: H.P.H.Jansen)
    Als St.Adelbert uit Egmond verdwijnt, betekent dat meteen het einde van de aanwezigheid van St.Willibrord of een van de andere predikers, zoals Werenfried en de beide Ewalden, ter plaatse, zeker omdat deze mythen elkaar moesten ondersteunen om staande te blijven.

  30. St.Adelbert is geen streekheilige van Kennemerland, maar een geïmporteerde heilige vanuit Gent, waar ook andere bezittingen van Egmond vandaan gekomen zijn. In heel Noord-Holland en Zeeland is niet één kerk, kapel, altaar of officie gewijd aan St.Adelbert. Zelfs niet één der kerken of kapellen onder het patronaat van Egmond heeft de verering van St.Adelbert overgenomen. (Bron: W.A.Fasel)
    Het oudste Vita van St.Adelbert stamt uit het jaar 990 (dat is ruim 2 eeuwen na zijn overlijden, vermoedelijk rond 740) en is geschreven door Ruopert van Mettlach in opdracht van de aartsbisschop Egbert van Trier, die de onder de bevolking levende legenden van St.Adelbert heeft verzameld. De afkomst vanuit Gent en daarvoor vanuit St.Riquier staat boven twijfel. Behalve enkele heiligen zijn ook veel documenten afkomstig via Gent van de abdij van St.Riquier, wat blijkt uit een miniatuur met de afbeelding van de abdij. In de abdij van St.Riquier was 25 juni de feestdag van St.Adelbert. Ook hier weer dezelfde vraag: Waarom wordt zo ver in Frankrijk (omgeving Abbeville) het feest van een zeer plaatselijke heilige uit Kennemerland gevierd?

  31. Wat steeds weer opvalt in de opgravingsberichten uit deze streek. is het gat tussen de 2e/3e eeuw en de 9e/10e eeuw. (Bron: W.A.Fasel)
    De bedoelde streek is Noord-Holland, met name de omgeving van Alkmaar. Er wordt wat Romeins aardewerk gevonden uit de 2e/3e eeuw en vervolgens voorwerpen en huisplattegronden uit de 9e/10e eeuw. Daartussen NIETS. Daaruit valt slechts te concluderen dat het land daartussen niet bewoond was ofwel onder water stond. Dat impliceert uiteraard ook dat de HH.Willibrord en Adelbert hier dan ook niet geweest kunnen zijn om te prediken, putjes te graven of heilige eiken om te hakken. Dit nu plaatst de historici en archeologen voor een dilemma en we constateren dan ook dat zij het vacuüm trachten te verdoezelen met vage redeneringen, alsmede door voortdurend met de term "karolingisch" te schermen, aldus meer suggererend dan bewerend dat er nooit een vacuüm is geweest. Met een enkele gevonden scherf worden hele kastelen gebouwd.


  32. St.Willibrord en Bonifatius zijn nooit in Velsen geweest. Ten tijd van St.Willibrords landing was er vrijwel geen bewoning in Velsen. Bewoningssporen in Velsen van ongeveer de derde tot de zesde eeuw ontbreken volkomen. (Bron: J. van der Horst)
    Als er geen bewoning was, was er ook niets te bekeren door St.Willibrord.


    Nog enkele andere opvallende Citaten over Utrecht en St.Willibrord:

    Drs.M.Breij, Sint Maarten schutspatroon van Utrecht, 1988 en Utrecht stad van Sint Maarten, Katholiek Nieuwsblad 15 juli 1988.
    "Niet St.Willibrord, maar Sint Maarten is van meet af aan de patroon geweest van Utrecht. De oudste kerk aan het Sticht dateert niet uit de zevende of achtste eeuw, maar uit de tiende" concludeert musicologe en archeologe drs. Mieke Breij na onderzoek van het St.Maartensofficie in de Utrechtse kathedrale kerk.
    Steun voor de visie van Albert Delahaye uit onverwachte, maar geheel begrijpelijke hoek. Immers een kerk zonder religieuze gebeden en gezangen kan niet bestaan hebben.
    "Er waren steeds meer aanwijzingen dat het klassieke verhaal van St.Willibrord, die een kerkje voor St.Maarten herstelt, op geen enkele wijze door de feiten wordt gestaafd. Integendeel: vóór de tiende eeuw ontbreekt elke historische verwijzing." "Maar het meest frappante is wel, dat ook de archeologie geen enkel bewijs voor bewoning van de omgeving van de Dom levert. Je vindt alleen Romeinse resten (die tot de derde eeuw gaan), vervolgens blanke kleilagen zonder enig spoor, variërend in dikte van een halve tot één meter, hetgeen duidt op honderden jaren overstroming. De eerste vondsten boven de klei zijn meestal uit de 11e tot 13e eeuw".
    Deze gegevens stemmen overeen met wat geologen constateren: dat het gebied van Noord- en West-Nederland honderden jaren onder water, maar zeker onder invloed van de getijden heeft gestaan." "Opmerkelijk is ook dat in het oude aartsbisdom Utrecht (ruwweg benoorden de Maas) het aantal oude Maartenskerken erg groot is, terwijl alle sporen van een Willibrordverering vóór de 12e/13e eeuw totaal ontbreken. In het boek met sequentiae, het Prosarium van de Utrechtse Maria-kerk, dat van vóór 1280 dateert, komen alle mogelijke heiligen voor: opmerkelijk is het ontbreken van sequentiae voor Sint Willibrord en zijn gezellen."

    Opmerkelijk is bovendien dat ook in Friesland kerken vaak naar Sint Maarten zijn vernoemd, maar nooit naar St.Bonifatius. In een bewust streven naar herkatholisering na 1870 en als "bevestiging" van de opgekomen mythe, zijn in Dokkum (1872) en Leeuwarden (1882) de nieuwe katholieke kerken naar Bonifatius vernoemd. De neo-gotische Bonifatiuskapel in de binnenstad is van 1872 (gerestaureerd in 1974-1982) en staat op de plaats van een schuilkerk uit 1676. Hierin bevinden zich relikwieën van Bonifatius verkregen uit Fulda, maar met een nogal dubieuze voorgeschiedenis.

    Charlotte Broer, Uniek in de stad (Utrecht 2000).
    In een publicatie van mevrouw Broer komt het 'Utrecht van Willibrord' weer op de traditionele manier aan de orde. Mevrouw Broer begint haar boek met de volgende zinnen: "Dat is natuurlijk niet het hele verhaal, maar zo gaat het nu eenmaal met verhalen. We maken ervan wat we willen". En dat "wat we willen" is blijkbaar haar uitgangspunt geweest.
    "Willibrord laat zich in de eerste plaats herkennen als een rondtrekkend evangelieprediker, voornamelijk opererend vanuit het klooster of wellicht beter de kloosters waarin hij leefde en waarvan hij aan het hoofd stond". Deze gedachten van mevrouw Broer zijn in flagrante tegenspraak met wat de bronnen (waaronder die van St.Willibrord zelf, van St.Bonifatius en Beda) ons vertellen. Daarin is te lezen dat St.Willibrord tot in lengte van dagen vanuit zijn te Traiectum gevestigde bisschopszetel werkzaam was. Van een rondtrekkende evangelieprediker kan bij St.Willibrord dan ook geen enkele sprake zijn. Door mevrouw Broer, en dat is nieuws, wordt de koppeling van Utrecht aan een bisschopszetel als onhoudbaar losgelaten (zie p.67). St.Willibrord had volgens haar in Utrecht een klooster, maar Utrecht was geen bisschopszetel. Waar blijf je dan met de tradities? Die kunnen blijkbaar dus geschrapt worden. Als Willibrord een klooster had in Utrecht, waarom zou hij dan nog een klooster gehad hebben in Echternach? Blijkbaar heeft zij wel argumenten tot deze opvatting, maar doordenken op eigen bevindingen is er ook bij haar helaas niet bij. Als Utrecht geen bisschopszetel was, is de enig juiste conclusie dat St.Willibrord er dan niet is geweest.
    Ze komt met de verder nergens bewezen of toegelichte veronderstelling "dat de twee Utrechtse kerken met het klooster in beginsel één groot complex hebben gevormd". Het gebruik van de term 'in beginsel' in het Utrecht anno 700 is op niets gebaseerd en is dus een mooi staaltje van insinuatie ter bevestiging van de mythe-vorming en getuigt van weinig wetenschappelijk.

    Cees van Rooijen in het 'Jaarboek Oud Utrecht', 1999.
    Volgens eeuwenoude traditie heet Utrecht het "Traiectum van Willibrord" te zijn. Dat reeds lang twijfel bestaat aan die traditie komt vaak niet ter sprake.
    Het artikel "Continue discontinuïteit" van Cees van Rooijen in het 'Jaarboek Oud Utrecht', 1999, vermeldt voor het eerst onverbloemd de werkelijke situatie van Utrechts ondergrond en de betekenis van de archeologische vondsten daar gedaan. Enkele citaten uit de slotbeschouwing: "Het zal de lezer niet zijn ontgaan dat in Utrecht weinig archeologische artefacten en vindplaatsen van de periode tussen circa 275 en 950 bekend zijn. Te weinig als men uitgaat van een redelijk continu bewoond Utrecht". "Grof gezegd is buiten de muren van het castellum Traiectum, Utrechts historie tussen 275 en 925 archeologisch vooral herkenbaar als een pakket van gesedimenteerde klei". "Binnen het castellum hebben, gezien de verschillende topvondsten, wel regelmatig menselijke activiteiten plaats gevonden, maar ook hier lijkt geen sprake van continuïteit. De spaarzame vondsten kunnen gemakkelijk verklaard worden door enkele, korter of langer durende, perioden van occupatie van het castellum".
    Men is vanwege de traditionele interpretatie van de schriftelijke bronnen - in weerwil van de feiten - er zó van overtuigd dat Traiectum-Utrecht vóór 950 een belangrijke rol heeft gespeeld, dat zelfs niet overwogen wordt of met "Traiectum" een andere plaats bedoeld zou kunnen zijn.
    Ook van Rooijen probeert iets van de traditie te redden door een uitzondering te maken voor de periode 700-834, niet omdat de bodem dit uitwijst, maar omdat de veronderstelde geschiedenis nu eenmaal wil dat er bewoning moet zijn geweest. Het is duidelijk dat te Utrecht, zelfs bij een eventuele kortstondige bewoning van het tot ruïne vervallen Romeinse castellum, eenzaam gelegen in een niemandsland, geen sprake kan zijn van het "Traiectum van Willibrord". Maar ook voor wetenschappers is het kennelijk ontzettend moeilijk te accepteren dat mogelijk de schriftelijke bronnen verkeerd geïnterpreteerd zouden kunnen zijn. Die schriftelijke bronnen hebben overigens alleen betrekking op een "bisdom Traiectum". Bronnen waaruit duidelijk blijkt dat de plaats Utrecht bedoeld wordt, bestaan niet.
    Een eeuwenoude traditie is weliswaar niet zo maar weg te cijferen, maar vormt op zich geen bewijs. De vondsten wijzen uit dat de gebeurtenissen, die men in Utrecht dacht te kunnen plaatsen vóór 950, zich dáár niet afgespeeld kunnen hebben. We zullen dus moeten uitkijken naar een ander Traiectum: Tournehem.

    Prof.dr. A.J.A. Bijsterveld, Willibrordus-kerken zijn eeuwen jonger. Eindhovens Dagblad 6 november 2000.
    Ongeveer twintig delegaties van Willibrordparochies uit het bisdom Den Bosch vertegenwoordigden zaterdagmiddag hun Parochie tijdens de Willibrordusmanifestatie in de gelijknamige kerk in Waalre. De interesse van publiek liet wat te wensen over. En dit ondanks de uiterst interessante lezingen door de van oorsprong Waalrese historicus Prof.dr. A. Bijsterveld en architect H. Strijbos uit Eersel over de historie rond Willibrordus en de gelijknamige kerken.
    Opmerkelijk was de rede van prof.Bijsterveld waarin hij stelde dat de toehoorders zich, wat Willibrord betreft, eerder moeten richten op de twaalfde eeuw dan op de achtste eeuw. "ledere parochie houdt zich graag aan de vroegste stichtingsdatum van hun kerk maar of deze datum wel rond de achtste eeuw ligt is discutabel", aldus de professor. Of Willibrordus daadwerkelijk de eerste geloofsverkondiger van deze streken was, betwijfelt Bijsterveld sterk. "Deze daad werd hem waarschijnlijk toegeschreven in de jaren dertig, toen het Rijke Roomse Leven nog volop intact was. Bij aankomst van Willibrord in Nederland was de Kempenstreek al gekerstend. Hij kwam eerder structuur aanbrengen en een parochie-netwerk opzetten. Daarom was hij meer een organisator dan missionaris".
    Blijkbaar is Bijsterveld al een beetje door St.Willibrord bekeerd, want als student in Nijmegen was hij nog volgeling van de veronderstelde geschiedenis (zie bij Bronnenboek).
    Bijsterveld verwees verder naar de expositie die in de Waalrese kerk is te zien. Tientallen historische boeken over deze apostel van het Zuiden, bekers, munten en schrijnrelieken worden achter het altaar getoond.
    De Eerselse architect H. Strijbos beaamde in feite de stelling van Bijsterveld. "Vanuit zijn geboorteland Ierland kende Willibrord stenen kerken. In onze streken werd er destijds enkel met hout, leem en wilgentenen gebouwd. Later werden de kerken in baksteen omgebouwd. Maar de baksteen is pas van na de elfde eeuw. Een authentieke Willibrorduskerk bestaat eigenlijk niet meer", aldus de architect.
    De middag werd afgesloten met een bezoek aan het 'oude' Williborduskerkje.
    De plaats Waderlo (in parallelle teksten ook Wattreloe en Watriloe) in Taxandria (Texandria) was in Nederland aanvankelijk Waarle, welke interpretatie onhoudbaar bleek. Zeker omdat men nooit heeft kunnen aantonen met enige plaatselijke tekst of archeologische vondst, dat Waalre al bestond in de 7e eeuw. In 1983 meende een fantasierijke historicus (prof.dr.A-J.Bijsterveld) dat Delahaye hiermee Waterloo bij Brussel bedoelde. Met zo'n blunder vindt ook deze historicus, net als eerder Napoleon, hier zijn "Waterloo". Bijsterveld laat hier duidelijk merken dat hij de boeken van Delahaye niet eens gelezen heeft, die dat immers nooit beweerd heeft, en bovendien geen verstand te hebben van plaatsnaamkunde. Laat hij zich dan ook niet bemoeien met historische geografie en zich onthouden van commentaar op Albert Delahaye.

    J.W. Bronkhorst: Spinrag der Middeleeuwen (1980).
    Pag.27 "Op het ogenblik dat Willibrord, de Ierse missionaris, in Frankrijk aankwam (690)" (let op: dus niet te Katwijk).
    Pag.79 "Bonifatius werd in 754 in Friesland (gelezen moet worden Frisia) vermoord. Dokkum bestond toen nog niet."
    Pag. 89 "Uit schriftelijke bronnen is bekend dat er wel 20 kerken in Dorestad stonden. Met volkomen zekerheid kon na 10 jaren snuffelen nog geen enkele kerk aangewezen worden (onderzoek ROB te Wijk bij Duurstede)".
    Pag. 31 "Geen spoor van bericht uit het belangrijke missie-centrum dat Utrecht geweest moet zijn. Er is niets gevonden."
    Pag. 117 "De historie duidt aan dat Dorestad welvarend moet zijn geweest. Het uiterst geringe aantal sieraden dat teruggevonden werd, ondersteunt deze stelligheid niet".
    Pag. 118 "Er is geen spoor gevonden van Karolingische of Merovingische bewoning in Dorestad".
    (De schrijver blijft Wijk bij Duurstede toch Dorestad noemen, tegen beter weten in dus)

    H.J.Kok, Enige patrocinia in het Middeleeuwse bisdom Utrecht, Assen 1958.
    "Zo valt heel sterk op, dat in Noordelijk Nederland geen enkele oudere kerk onder het patronaat van St.Willibrord is gesteld. In het gehele oude bisdom Utrecht, dat zich toch de kerkprovinire van St.Williblord noemt, kwam zijn patronaat niet voor".
    "Dit frappeert zeer bijzonder in Friesland, waar de gevestigde mening toch het zwaartepunt van zijn missionering legt, en waar in de vroege Middeleeuwen talrijke kloosters en kerken getuigen van een sterk gevestigd katholicisme". Als dit zijn oorsprong te danken heeft gehad aan de prediking van St.Willibrord, dan getuigt het van een onvergeeflijke ondankbaarheid, dat de grondlegger van het geloof niet eens meer is genoemd!
    De conclusie van dit onderzoek lijkt gering, maar is natuurlijk van cruciale betekenis. De oudste kerk in Nederland met het patronaat van St.Willibrord is die van Klein-Zundert (1157), vlak aan de Belgische grens onder Breda. Daarmee wordt exact geïllustreerd van welke kant de verering van St.Willibrord Nederland binnen kwam.

    S.W.A.Drossaers, Het archief van den Nassauschen Domeinraad, I, Regestenlijst.
    "De dagen en data worden in de Middeleeuwen vaak genoemd naar de kerkelijke kalender, naar de feestdag van een heilige, naar een feest of naar de gepasseerde of komende zondag. Het valt op, dat vóór de 14e eeuw geen enkele Utrechtse oorkonde gedateerd is naar het feest van St.Willibrord".

    H.Halbertsma, Frieslands Oudheid (1982).
    Halbertsma schets het traditionele verhaal m.b.t. de geschiedenis van ons land in het eerste millennium.
    Toch merkt hij op: "Het Friese volk verspreidde zich over steeds wijdere streken. De zeespiegel kwam hoger te liggen. De gronden bleven daardoor durend niet bruikbaar. De mensen moesten voortdurend verkassen. Op zo'n lokatie vind je sporen van bijvoorbeeld 12 boerderijen. Maar je moet erop bedacht zijn dat die niet allemaal tegelijk bewoond waren. Van die 12 bijvoorbeeld 3. Na de bouw van een nieuwe boerderij naast of nabij de oudere werd de voorafgaande afgebroken, die nog slechts in de ondergrond zijn sporen naliet."
    Ofwel het 'Friese'volk bestond uit een zeer verspreide bevolking, waarvan nauwelijks sporen zijn teruggevonden. Waar woonde dan het omvangrijke volk der Friezen, die het behalve de Romeinen ook de Franken intensief en langdurig zo moeilijk heeft kunnen maken, zoals men in de geschreven bronnen kan lezen.

    D'Haenens, Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden, 1978, p 115.
    D'Haenens plaatst Rorik, een hoofdman van de Noormannen, vlak boven Boulogne. Een tweede maal, maar ditmaal foutief, plaats hij Rorik in de buurt van Utrecht, doch de schrijver besteedt geen woord aan de verklaring van deze tegenspraak.

    J.Kreijns en L.Pirson, Traiectum- Utrecht of Maastricht, Maastricht 1998.
    De onderzoekers J. Kreijns en L. Pirson plaatsen het Trajectum van Willibrordus in Maastricht. Dat een naam als Trajectum (ad Mosam) ook van toepassing is op Maastricht is onomstreden. De overgang van het bisdom Tongeren-Maastricht (Lambertus) naar Luik valt inderdaad merkwaardig scherp samen met de aankomst van Willibrordus in Francia (zoals Beda meldt). De betekenis van Maastricht als bisschopsstad, tolkantoor, muntslag, handels- en marktplaats, wegenknooppunt en taalgrensplaats, staat vast. Kreijns en Pirson 'vergeten' dat Maastricht in het episcopaat van St.Willibrord (690-739) twee andere algemeen bekende bisschoppen heeft gehad: St.Lambertus (670-706) en St.Hubertus, die van het hert met een kruis in het gewei (706-727). Twee bisschoppen op één zetel lijkt me er één teveel.
    Ook teksten die aangeven dat het Trajectum van St.Willibrord in Francia lag, zoals St.Willibrord het zelf schreef, of in Gallia, zoals andere teksten vermelden, worden door Kreijns en Pirson genegeerd. Zo wordt er met het niet begrijpen van teksten een nieuwe mythe gecreeërd, net zoals de oude ooit ontstonden.
    Kreijns en Pirson houden vast aan de traditionele visie op de vroegmiddeleeuwse geografische situatie van Nederland: de Renus is de Rijn en ook de Waal en Dorestad liggen in het Nederlandse rivierengebied. Zo komen de onderzoekers uit op een locatie van Dorestad waar Rijn en Maas samenvloeiden, namelijk ten oosten van Herewaarden, enkele kilometers ten westen van Nijmegen aan de Waal.
    Ook de plaatsen in Patavia op de Peutinger-kaart krijgen bij Kreijns andere locaties: Lugdunum wordt Luik (wel erg ver van de kust zoals de Peutingerkaart aangeeft) en de 2 wegen in Patavia construeert hij vanaf Nijmegen naar het zuiden. Want Noviomagus blijft wel Nijmegen. Dat hij dan niet aan de kust uitkomt, wat de Peutingerkaart toch duidelijk aangeeft en waar iedereen het toch over eens is, deert Kreijns blijkbaar niet.
    Conclusies: Trajectum is in elk geval niet Utrecht en Dorestad is ook niet Wijk bij Duurstede.

    Daarnaast bestaat de interpretatie van J.Rozemeyer, die Trajectum in Antwerpen situeert.
    Rozemeyer heeft ook ten aanzien van andere plaatsen (o.a. Daventria en Tiale) een locatie in de buurt van Antwerpen op het oog. De locatie Deventer voor Daventria acht hij om diverse redenen onwaarschijnlijk. Dat er in Antwerpen nauwelijks Romeins is gevonden -enkele boerderijtjes- en al helemaal geen castellum, maakt voor Rozemeyer blijkbaar niet zoveel verschil (zie opgravingsverslag AVRA, 1974-1976). Het lijkt toch wel een minimale voorwaarde voor het Romeinse Trajectum. De vraag is zelfs gerechtvaardigd of Antwerpen wel bestond in de tijd van St.Willibrord. De streek rondom Antwerpen was toen, net als laag en midden Nederland, één groot moerassig gebied. De naamgeving van Antwerpen - Aanwerp- wijst op het droogvallen van nieuwe gronden en helemaal niet op het zogenaamde "werpen met handen", zoals de plaatselijke VVV. ons wil doen geloven. In "Synopsis van het Colloquium Verleden en toekomst van Antwerpen" wordt het einde van de Romeinse bewoning omstreeks 250-270 n.Chr. geplaatst. Direct op de Romeinse laag volgt de Karolingische laag (eind 8e, begin 9e eeuw). De Merovingische laag ontbreekt! In de tijd van St.Willibrord is in en rond Antwerpen archeologisch geen bewoning aangetoond.
    Maar het belangrijkste argument tegen de optie Antwerpen is dat Antwerpen nooit bisschopsstad is geweest. En zonder bisschopszetel heeft St.Willibrord er niet verbleven.
    Het Walichrum uit de oorkonden over St.Willibrord plaats Rozemeyer in Zeeland en wel op Walcheren. Maar Walcheren bestond niet in de 8e eeuw. Het was toen nog waddengebied en lag onder water, ofwel was onbewoonbaar. Het Walichrum uit de oorkonden betrof het Walachria bij Brugge, dus iets verder naar het zuiden. En in dat Walachria bij Brugge liggen, tot ieders verbazing, ook de plaatsen Middelburg, Westkapelle en Vlissegem (Vlissingen), net zoals deze plaatsen op het Nederlandse Walcheren bestaan. Daar zijn ze duidelijk later terecht gekomen als volledige doublures van de Vlaamse plaatsen. Niet verwonderlijk, want Zeeland is door de Vlamingen ontgonnen vanaf de 11e eeuw. Een duidelijker voorbeeld van de deplacements historiques is bijna niet te vinden.

    Opvallend is dat zowel Kreijns en Pirson, als Rozemeyer de locatie Utrecht als het Trajectum van St.Willibrord verwerpen. Ook hier krijgt Albert Delahaye weer gelijk, zij het nog niet volledig. We gaan met Trajectum langzaam de goede kant op: naar het zuiden.



    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.