Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Noord-Hollandse kerken en kapellen ca.720-1200.

In 'Noord-Hollandse kerken en kapellen in de Middeleeuwen, ca. 720-1200' schetst A.M.Nijman de geschiedenis van de oudste kerken in Noord-Holland. Dit prima uitgegeven boek verschenen bij Walburg Pers in 2005 geeft een duidelijk overzicht waar de geschiedenis al lang op gewacht heeft. Het boek is voorzien van de nodige afbeeldingen en geeft informatie zowel op schriftelijk als op archeologisch gebied.



Een kritische lezing van de inhoud leidt echter tot andere conclusies dan de titel veronderstelt.
In de inleiding schrijft Numan al: Houten kerkjes uit die periode zijn niet bewaard gebleven, ongeschonden Romaanse kerken ook niet" (citaat p.7).
"Van de 44 archeologisch onderzochte kerken in Noord-Holland zijn er slechts in 3 gevallen resten van houten kerkjes teruggevonden (Assendelft, Egmond en Heiloo)".
"Vanaf de 11e/12e eeuw werd bij de bouw van kerken natuursteen toegepast, vanaf de 12e eeuw ook baksteen
(citaten p.55).

De conclusie moet dan ook zijn dat op die 3 plaatsen na, alle kerken uit de 11e/12e eeuw stammen. De periode vanaf het jaar 720 tot 1000 blijkt dus te bestaan uit slechts 3 vindplaatsen. Slechts op die plaatsen zijn resten van naar men vermoedt houten kerkjes teruggevonden, wat de voorlopers van de stenen kerken zouden zijn.
Bewezen is met die vermoedens dus niets.

En van die 3 plaatsen konden alleen Assendelft en Egmond geheel onderzocht worden. Daarmee vervalt dus feitelijk al Heiloo. Op deze 3 plaatsen is overigens nog heel wat aan te merken: zie bevindingen hiernaast.

Willibrord-putjes.

De Willibrord-putjes vormen een mythisch onderdeel van de Willibrordtraditie. Het zijn een op fabels en legenden gebaseerd gebruik geworden, dat pas in de late middeleeuwen tot stand kwam, nadat de St.Willibrordtraditie in de 14e eeuw eenmaal ingevoerd was. Het was de predikers verboden te dopen uit putten, zeker omdat deze de schijn van heidendom droegen en het stilstaand en niet gezegend water onzuiver om te dopen werd beschouwd. Men behoorde te dopen in stromend water!
Aan welke heiligen wijdde men kerken? (C.A.Rutgers, Spiegel Historiael, jan.1972)
De oudste kerken werden toegewijd aan St.Maarten, die tijdens zijn leven een officier geweest was en voor de adel een alleszins acceptabele beschermheilige was. Omdat de heilige zelf monnik was geweest, wijdden ook de benedictijnen graag hun kerken aan St.Maarten. De oudste (houten) kerken toegewijd aan St.Maarten zijn omgeven van de mythen. Een goed gedocumenteerde oorkonde bij iedere kerkstichting waarin het patrocinium vermeld was blijkt niet bewaard te zijn. Aan de Chronologie schonk men geen aandacht. Hoe en wanneer de verering van St.Maarten in het bisdom Utrecht gekomen is en hoe en door wie zij verder verspreid is, in welke tijd dat gebeurde, hoe de verering de eeuwen door stand hield en geleidelijk afnam ten gunste van andere heiligen, is nooit onderzocht. Dit beeld kan nog gecompleteerd worden door een studie over de altaren in kerken en kapellen en de volksgebruiken. Veel blijkt dan ook gebaseerd te zijn op de later ontstane mythen. Een uit hout opgetrokken oudere kerk (zoals in Tiel, Heiloo en op andere plaatsen) werd niet gevonden. Uit de 11e eeuw dateren slechts enkele St.Maartenkerken, uit de 12e eeuw des te meer. De eerste vermelding van een kerk in Elten (bij Terborch) dateert van 1218, dus de 13e eeuw. Het geeft ook het ontstaan van tradities aan.
(Cursieve tekst mijnerzijds!)

De visie van Albert Delahaye.
De oorkonden waarop de vermeende bezittingen van Echternach in Noord-Holland zijn gebaseerd, blijken allemaal vervalsingen te zijn. Zie daarvoor De Ware Kijk Op deel 2, teksten 646 t/m 681.
De abdij van Willibrord in Aefternacum raakt rond 775 in verval. De goederen vervallen aan de koning die lekenabten aanstelt voor het beheer. Adelbert wordt genoemd als opvolger en wellicht laatste benedictijnerabt, mogelijk ook was hij al een lekenabt. In 857 valt de abdij ten prooi aan de invallen van de Noormannen waarbij de St.-Bertijnsabdij van St.-Omaars een toevluchtsoord vormde.
(Let op de nabijheid ervan! Vanuit Echternach zou het betekend hebben dat de monniken naar de vijand toe zouden zijn gevlucht!)
De laatste lekenabt, Siegfried van Luxemburg, verplaatst de abdij van Eperlecques naar Luxemburg waar in 973 een nieuwe benedictijnergemeenschap wordt gevormd die bekend raakt onder de naam Echternach en graaf Siegfried doet afstand van de rechten. Deze Siegfried was de vader van Lutgard van Luxemburg, die in 980 trouwde met graaf Arnulf van Gent en de moeder van Dirk III werd.
De monniken van Echternach verzamelen in de twaalfde eeuw bestaande documentatie van het klooster Aefternacum waarvan ze beweren een voortzetting te zijn. Op zoek naar de vroegere goederen van dat klooster gaan ze eerst naar de juiste streek ten zuiden van Duinkerke. Ze konden aldaar geen aanspraak meer maken omdat de goederen en rechten allang verbeurd waren verklaard. Theofried van Echternach (abt van 1093 tot 1110) vermeldde allerlei voormalig bezit in zijn Vita S. Willibrordi. Daarna is het proost Theoderic van Echternach die eind twaalfde eeuw daarover van her en der 175 stukken verzamelt voor het Liber Aureus (geschreven tussen 1190 en 1222).
Inmiddels twee volle eeuwen na de stichting van Echternach en vier eeuwen na Willibrord gaan de monniken elders op zoek naar bezittingen en rechten van Aefternacum en laten zich daarbij leiden door de veronderstelling dat met ‘Fresen’ ook wel eens de Friezen en met ‘Trajectum’ eventueel het bisdom Utrecht bedoeld zou kunnen zijn. Ze zoeken echter niet in Friesland (waarvan nog geen spoor te bekennen is) of in Utrecht (waar ze tegenover de bisschop, die ze bovendien als bondgenoot nodig hadden, geen schijn van kans maken) maar zoeken deze kerken in Holland dat als maagdelijk gebied dat na de Duinkerke 2 transgressie net droog aan het vallen was.
In de twaalfde eeuwse Vita S. Willibrordi schrijft Theofridus van Echternach dat de vorsten van Holland, Dirk (III of IV?), Floris (I) en zijn zoon Dirk (V), die 25 kerken onder het recht van de heilige bisschop onrechtmatig in bezit namen, in de bloei van hun leven (godswraak ) zijn omgekomen. De kerken worden echter niet bij name genoemd en in latere documenten komen maar 24 namen voor.
Theofried van Echternach stuurt na het jaar 1100 drie monniken naar Holland om goederen en rechten te vinden waarop aanspraak zou kunnen worden gemaakt. Er wordt blijkbaar niets gevonden dat met een oudere documentatie in verband kon worden gebracht zodat lukraak bestaande kerken worden genoemd. De toen opgestelde lijsten, te vinden in het Sacramentium van Echternach dat zich in de Bibliothècque Nationale in Parijs bevindt en dat meerdere afwijkende namenlijstjes omvat, bewijst dat alle vroeger gedateerde akten met namen van kerken latere vervalsingen zijn omdat Echternach eerder niet over namen beschikte.
In 1156 maakt de abdij van Echternach op grond van een valse of vervalste akte gedateerd 1063 tegenover de graaf van Holland en de abdij van Egmond aanspraak op 24 kerken die 450 jaar eerder zouden hebben toebehoord aan Willibrord, een bezit dat de abdij al die tijd blijkbaar had laten verslonsen.

Uit de ontleding van de betreffende oorkonden uit die jaren blijkt duidelijk dat de kernacte uit 1063 een doortrapte vervalsing is slechts om in bezit te komen van goederen om het dan noodlijdende klooster van Echternach weer financiën te verstrekken.

Niet alleen Delahaye denkt daar zo over, maar ook volgens Dr. A.F.C. Koch is de betreffende oorkonde uit het jaar 1063 een vervalsing.
Uit het Dievenboekje van Echternach blijkt overduidelijk het vooropgezette plan tot vervalsing om in het bezit van goederen te komen.

Opvallend bij dit hele verhaal is dat Echternach met claims uit de 11e en latere eeuwen probeert in het bezit van kerken te komen die al uit de tijd van St.Willibrord zouden stammen. Archeologisch is van het bestaan van deze kerken in de 8e eeuw geen enkel bewijs gevonden.
Een volgende (valse) acte uit 1156 bewijst het bestaan van deze plaatsen in 1156, maar allerminst dat ze ook al in de achtste eeuw bestonden. De eis van Echternach was vijfvoudig vals omdat nergens uit blijkt dat deze kerken ooit aan Willibrord hadden toebehoord :
  • nóch in de documenten van zijn bisdom Traiectum, nóch in die van zijn abdij te Aefternacum worden deze kerken eerder genoemd;
  • evenmin komen ze voor in de Vitae van Willibrord die door Alcuinus en door Theofried van Echternach werden geschreven;
  • de plaatsen die daarin wél worden genoemd kunnen niet met Kennemerland in verband worden gebracht;
  • ook in de plaatselijke bronnen van Kennemerland komen ze niet voor als kerken van Willibrord;
  • er bestaat geen pauselijke bul ter bevestiging van deze bezittingen van vóór 1063 en aan de bul van Eugenius III uit 1148 zijn de namen van de kerken later toegevoegd.

    Bovendien behoren kerken toe aan bisdommen en slechts zelden aan kloosters die landerijen en rechten kunnen bezitten. Dat is één van de redenen waarom Echternach de bisschop van Utrecht, die toch al aanspraak op Holland maakte, er in betrok.
    Volgens de akte gedagtekend 28 december 1063 erkent Bisschop Willem van Utrecht tegenover de abt van Echternach, dat de abdij voor de helft de kerken in Holland bezit, eertijds door Karel Martel (drie-en-een-halve eeuw eerder) en anderen geschonken, die de graven Dirk (III) van Holland, Dirk (IV) en Floris (I) onrechtmatig in bezit hadden genomen. De lijst is identiek aan die van 1156 en net zo vals.

    Wat weten we nu feitelijk echt over die 3 houten kerkjes?
    Voor het bestaan van deze 3 houten kerkjes uit de tijd van St.Willibrord (8e eeuw) hoeft men slechts het boek van Numan zorgvuldig te lezen. Dan blijkt al snel dat er geen enkel archeologisch noch tekstueel bewijs wordt gegeven. Numan schrijft feitelijk zelf dat het hele betoog op vermoedens en mogelijkheden is gebaseerd, waarbij de datering van de archeologisch vondsten vooral door teksten wordt 'bewezen'.

    Assendelft.
    Uit dendrochronologisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat de kerk in de tweede helft van de 10e eeuw gebouwd zal zijn. Ter plaatse van de huidige kerk kan vanaf de 12e-13e eeuw een (tuf)stenen kerkje hebben gestaan.
    Op WIKIPEDIA lezen we: "Het oudst bekende voorkomen van de naam Assendelft, geschreven als Ascmannedilf, is van 1063."

    Commentaar: daar hoeft niets aan toegevoegd te worden. De tweede helft van de 10e eeuw is dus ruim 3 eeuwen ná St.Willibrord.

    Egmond.
    De eerste stenen kerk werd in ca.950 gebouwd door graaf Dirk II van Holland. In 1938, 1941, 1947 en 1948 werden opgravingen uitgevoerd. Diverse paalkuilen werden gevonden, behorend tot een houten gebouw (boerderij? kerkje??) met de afmetingen van ca.6.50 x 3.50 m. Van de zogenaamde stenen kerk werd slechts een deel van de funderingssleuven teruggevonden, waarmee niet bewezen is dat het een kerkje zou betreffen.

    Commentaar: er wordt geen datering gegeven van deze paalkuilen wat dan ook geen enkel bewijs vormt dat het een kerkje uit de 8e eeuw zou betreffen. Misschien was het gewoon een boerenschuurtje of een woning van 6,5 bij 3,5 meter uit de 10e eeuw of later.

    Heiloo.
    In de jaren 1961-1967 zijn opgravingen uitgevoerd. Op een diepte van ca.2m. werden onder de huidige kerkvloer paalkuilen aangetroffen. Uit de kleine paalkuilen kwam Badorf en Karolingisch aardewerk daterend uit ca. de 8e en 9e eeuw te voorschijn. Dit moeten de resten zijn van het kerkje dat door St.Willibrord is gesticht.
    Commentaar: let vooralop dat moeten. Met aardewerk wordt niet bewezen dat het om een kerkje zou gaan, ook al staat op dezelfde plaats later een kerk. In een kerk werd doorgaans geen aardewerk gebruikt. Bovendien werd Badorf en Karolingisch (?) aardewerk tot in de 12e eeuw geproduceerd. Het bewijst dus niets over het bestaan van een kerkje in de tijd van St.Willibrord.

    Professor E.H.P. Cordfunke.
    Tussen professor Cordfunke en oud-archivaris van Alkmaar W.A.Fasel ontwikkelde zich een pennenstrijd over de waarheid van de geschiedenis van de oudste kerk in Heilo. H.P.H. Jansen schreef over een artikel over die oudste kerk in Heilo de volgende recensie.
    'Over de oudste kerk van Heilo en de verspreiding van het christelijk geloof langs de kuststreken’, Alkmaarse historische reeks, III (1979) 37-53 mag hier wel even gesignaleerd worden omdat het onderwerp de moeite waard is en omdat tevens zo de aandacht gevestigd kan worden op de grote publicistische activiteiten (bedoeld wordt hier de hiervoor genoemde pennenstrijd! red.) die in de eerste stad van het Noorderkwartier (Alkmaar, red.) sinds enkele jaren ontplooid worden.

    Commentaar: Let vooral op de (door mij) onderstreepte woorden, die zeggen voldoende om de theorie van Cordfunke als fabelogie te beschouwen.

    Professor Cordfunke maakt aannemelijk dat er achtereenvolgens twee houten kerkjes gestaan hebben op de plaats van de huidige parochiekerk, waarvan het oudste best door Willibrord gebouwd kan zijn. De zogenaamde Willibrordusput moet uit exact dezelfde tijd dateren. Het patrocinium van de oudste kerk zal wel dat van St. Maarten geweest zijn, de tweede houten kerk, bezit van de abdij Echternach, zou dan aan Willibrord gewijd kunnen zijn. Het kerkje van Heilo vormde het centrum van een geestrug, die in de zevende eeuw zeker bewoond was, maar vlak bij de kerk was geen nederzetting; die lag wat verder op in het Heiloër bos. Later werden op die zelfde geestrug de dochterkerken van Limmen en Alkmaar gesticht. De voorstelling van zaken lijkt me plausibel en zo staan er in deze en de vorige twee delen van de reeks meer bijdragen, die niet oninteressant zijn, hoewel er ook veel klein goed van niet meer dan plaatselijk belang bij zit.
    (Bron: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. Deel 97. Martinus Nijhoff, Den Haag 1982).

    Zo schrijft men in Nederland geschiedenis, met bewoordingen als "zal best kunnen zijn".

    De bekering heeft zich ingezet!
    Op WIKIPEDIA lezen we nu de feitelijke inzichten.
    "Rondom de kerstening zijn diverse verhalen bekend. Maar ook hier ontbreekt het aan schriftelijke en archeologische bronnen. Veel van de verhalen zijn ontstaan in de loop van de 17e eeuw. Toen was sprake van een romantisering van het buitenleven. Sommigen zijn nog steeds van mening dat het Heilooër bos identiek is aan het Baduhennawoud waar de Friezen in een slag 1300 Romeinen doodden. Zo werd gezegd dat het woud van Baduhenna na de kerstening werd verdoemd voor zijn heidense rituelen.
    Het zal Willibrord zijn geweest die er rond 690 gepredikt heeft en er een bedevaartsoord van heeft gemaakt. Echter zijn geen archeologische vondsten bekend die dit verhaal kunnen bevestigen. Bovendien is nog maar de vraag of ten tijde van het verhaal het gebied bebost is geweest. Het huidige bos is veel jonger."
    .

    Ook op andere plaatsen begint de wetenschap door te dringen dat de hele St.Willibrordus traditie een grote mythe is, gebaseerd op onjuist gelezen FRANSE schriftelijke bronnen.

    Het boek van Numan dat overtuigend oogt is een volgend voorbeeld dat men, ondanks het ontbreken van feitelijke bewijzen, toch blijft vasthouden aan de eenmaal gevormde mythen.
    Zorgvuldig nadenken over eigen bevindingen is er ook bij Numan niet bij.

    De aloude traditie blijkt sterker dan het moderne onderzoek.


    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.