De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

P.C.M.Hoppenbrouwers tegen de Amateur-historici.

Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

Citaten van Historici


wetenschap is twijfel


ongelooflijk


onnozelheid


Heiligenlevens


Kletspraat

De teksten hiernaast zijn geschreven naar aanleiding van het artikel van dr.L.H.Bruins in 'Ons Waardeel' van juni 1986. De hele materie is één op één te vergelijken met de ervaringen van Albert Delahaye.






De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem. En Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!

P.C.M. (Peter) Hoppenbrouwers (1954-2023) is een typische voorbeeld van de 'laatdunkende' houding van de professionele historici ten opzichte van de amateur-historici. Feitelijk is het enige verschil dat de eerste groep ervoor betaald wordt en de tweede groep gewoon 'liefhebbers' van geschiedenis zijn. De professionals menen dat je alleen mag meepraten over historisch kwesties, als je ervoor gestudeerd hebt. Het is echter een bekend fenomeen dat de gestudeerde geleerden dikwijls de plank volkomen misslaan, maar halsstarrig blijven volhouden om bijvoorbeeld subsidies in de wacht te kunnen slepen. Een bekend voorbeeld daarvan is de houding van dr.W.van Es over zijn opgraving van 'Dorestad'. Bijkomend nadeel is dat voor de goegemeente de opvatting van de profs voor waarheid wordt aangenomen want "zij zullen het toch wel weten, want ze hebben er immers voor geleerd". Om bij dit voorbeeld te blijven: Van Es kan in zijn opleiding nooit iets over Dorestad geleerd hebben, dat toen immers nog onbekend was.
Jona Lendering merkte daar eens het volgende over op. "Honderden misverstanden komen voort uit het rondpompen van verouderde kennis. Driekwart van deze fouten kwam voor in publicaties van mensen met een doctorstitel".


Hoppenbrouwers stelt in bovengenoemd artikel dat:
  • Amateur-historici hebben de laatste tientallen jaren geen enkele fundamentele bijdragen geleverd aan de professionele geschiedeniswetenschap. Fundamentele, d.w.z. de grondslagen betreffende bijdragen, worden zelden geleverd, ook door de vakgeleerden, die met hun klakkeloze naschrijverij slechts oude opvattingen blijven herhalen. Er zijn tientallen voorbeelden te geven dat de amateurs wel degelijk fundamentele bijdregen hebben geleverd aan de geschiedeniswetenschap.
  • De amateurs zijn te individualistisch bezig. Zij werken te gevoelsmatig, hetgeen betekent dat zij meer het gevoel dan het verstand tot hun richtsnoer nemen. Deze boute bewerking wordt meer gesteld, zonder met feiten te staven.
  • Zij zijn te weinig analytisch, d. w.z. de stof die zij bewerken ontleden zij onvoldoende. Hun nieuwsgierigheid en leergierigheid houdt te snel op. Met deze uitdrukking bewijst Hoppenbrouwers eens te meer het werk van de amateurs slecht te kennen. Heeft hij de uitvoerige artikelen wel eens gelezen en geanalyseerd? Kent hij de boeken van Albert Delahaye? Heeft hij 'De Bisschop van Nijmegen' wel eens gelezen en de inhoudelijke bezwaren tegen het Bronnenboek wel eens gelezen, of liever, bestudeerd?
  • Zij laten de erkende wetenschappers te weinig profiteren van hun vondsten. Inderdaad profiteren de erkende wetenschappers te weinig van die vondsten, maar komt dat niet gewoon doordat de erkende wetenschappers er niet voor open staan?
  • Hun kennis is vaak gebrekkig. Als de vakgeleerden zich meer tot hen zouden richten, dan zou ook hun kennis aanzienlijk groter zijn. Veel amateurs beschikken over veel meer historische kennis dan de profs, vooral van de eigen omgeving.
  • De amateurs dienen zich te beperken tot het verrichten van hand- en spandiensten voor de beroeps die er zijn voor het grote werk. Ook deze opmerking houdt een laatdunkende houding in. Wel goed genoeg om de profs werk uit handen te nemen, maar vooral geen eigen opvattingen daarover te mogen hebben.

    De uitlatingen van Hoppenbrouwers staan model voor de algemene opvattingen van de professionele historici. Ze lezen alleen wat vakbroeders schrijven en onderhouden ook alleen met elkaar contacten. Hoewel, dat blijkt niet altijd het geval, zoals prof.Hugenholtz en prof.Stolte dat eens erkenden alsof het een verdienste was. Men heeft alleen waardering voor amateurs als die hen materiaal aandragen. Dit verklaart waarom soms het het werk van amateurs toch geprezen wordt, als ze maar 'meehuilen met de wolven in het bos'.

    Maar het grootste probleem blijkt te zijn als de amateur tegen de opvattingen van de beroeps ingaat! Hiervan getuigen de ervaringen van Albert Delahaye als geen ander!

    De visie van Albert Delahaye.
    De laatdunkende mentaliteit van de professionele historici heeft ook Albert Delahaye aan den lijve ondervonden. Zo verklaarde prof.F.Hugenholtz 'het niveau van Delahaye te laag om er over te discussieren' en stelde Prof.Stolte "schoenmaker blijf bij je leest", alsof een archivaris geen verstand van het lezen van oude kronieken zou hebben. Toen zijn studie enig resultaat ging afwerpen en hij enkele medestanders kreeg, zoals prof.Georges Duby van de Universiteit in Parijs, werd hem en die medestanders duidelijk gemaakt vooral niet met de studie door te gaan, want die was voor een amateur veel te moeilijk. Later volgde het verwijt dat men zich begaf op het terrein van de vakhistoricus. Prof.Duby werd ook vanuit Nederland bestookt om vooral zijn vakbroeders niet af te vallen.

    De verklaring van prof.D.P.Blok spreekt hierin boekdelen: hij verklaarde geen tijd te hebben zich echt in de opvattingen van Delahaye te verdiepen, maar bleef wel vasthouden aan zijn eigen mening. Tenslotte zei hij dat hij Delahaye niet wilde geloven en dat hij weigerde verder over deze studie te praten of te schrijven.
    Prof.Bogaers verklaarde daarentegen, dat het niet zo eenvoudig is om de opvattingen van Albert Delahaye te weerleggen. Het vraagt immers om een complex en vaktechnisch boekwerk. En dat heeft hij niet voorhanden. Het enige verweer van Bogaers blijkt dan 'de traditie' te zijn. Men wilde (of kon) geen weerwoord bieden en ging niet in discussie over toch wel indringende vragen van de amateurs. Een voorbeeld daarvan is de houding van prof.dr.Dolly Verhoeven van de Radboud Universiteit in Nijmegen over het Verhaal van Gelderland. Vooral elke discussie afhouden en verder alles doodzwijgen om vooral de traditie te 'redden'. Er bestaan een heleboel uitspraken van de professionele historici die we als onnozel kunnen kwalificeren. We hebben ze voor U verzameld.

    Artikelen die het tegendeel beweren worden door historici zelden aangehaald en als ze al genoemd worden, voorzien van een giftige noot, meestal voorzien van een opmerking in de trant van 'onzorgvuldig' en 'onvolledig' of 'onbekwaam'. Maar het betoog van Delahaye ook maar op één wezenlijk punt weerleggen blijft uit. Alle argumenten worden genegeerd en er komt zelf geen enkele tegenargument om de visie van Delahaye te weerleggen, wat volgens diezelfde profs gemakkelijk zou zijn. Ze geven hiermee slechts hun onmacht aan.

    Hoppenbrouwers en de zijnen zijn zeer inconsequent door enerzijds de amateurs te verwijten dat zij geen fundamentele bijdragen aan de geschiedenis-wetenschap leveren en anderzijds het grote eigen werk voor zichzelf te reserveren. Veel van wat de professionele wetenschap onderzocht heeft -op kosten van de belastingbetaler- is verborgen achter betaalmuren. De fundamentele bijdragen van een amateur wordt verzwegen door het leger van officiële wetenschappers, die klaar staan om te roepen dat het allemaal onzin is, vóór zij de zaak zelf eens zijn gaan onderzoeken. Waarom reageren zij zo? Kunnen zij het niet verkroppen dat een buitenstaander iets vindt waar zij tevergeefs naar gezocht hebben? Hun reactie mag verklaarbaar en menselijk zijn, maar ze is zeker ook onwetenschappelijk en verwerpelijk. Voor de ware wetenschapper gaat het immers om de kwaliteit van het werk en niet om de opleiding die de onderzoeker gevolgd heeft.

    Allen die redeneren zoals Hoppenbrouwers, dienen hun isolement te doorbreken. Zij moeten zich ook verdiepen in de prestaties van de amateur-historici, zeker als die hen tegenspreken. Dit zal hen behoeden voor het maken van domme en beledigende opmerkingen en strekken tot voordeel van beide partijen.

  • Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor alle teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.