Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Mythen rondom St.Willibrord in Utrecht en St.Bonifatius in Dokkum. Deel 1.

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

Bij de afbeeldingen links op de dia's:
    Wat historici zelf schrijven!
  1. Julius Caesar is nooit in België geweest. "Ik zoek al 50 jaar naar kampen van Caesar, maar heb ze nooit gevonden", aldus prof.Hugo Thoen). Dan al helemaal niet in Nederland. Romeins Nederland heeft nauwelijks iets voorgesteld. (dr.W.A.van Es van de ROB.).
  2. De gedachte dat de Bataven in de Betuwe verbleven, vindt thans geen bijval meer (dr.W.A.van Es van de ROB.).
    ▶ Opgravingen naar het Oppidum Batavorum in Nijmegen: "We hebben het niet gevonden". "Als er al Bataven in Nijmegen of omgeving zijn geweest, dan hoorden zij bij het Romeinse leger ter plaatse" (dr.W.Willems).
    ▶ De Betuwe was te klein om zoveel Bataafse legionairs te leveren (S.Heeren in 'The Limesfall').
  3. Willibrord kwam aan land in Gravelines in het land van de Friezen of zoals Willibrord zelf schreef: in Francia. De parochiekerk en de stad Gravelines dragen zijn patronaat. De Mythe van Katwijk stamt uit de 17de eeuw.
  4. Nijmegen Keizerstad? Ja. van Keizer Karel de Vijfde. De Palts Noviomagus waar Karel de Grote gewoond zou hebben, was Noyon, de plaats waar hij ook gekroond werd. "Tussen de 3e en 13e eeuw is in Nijmegen geen bewoning aantoonbaar" (G.Lemmens in "Het Valkhof").
  5. In Wijk bij Duurstede is geen enkel archeologisch bewijs gevonden voor de determinatie Dorestadum (dr.W.A.van Es). Van de Noormannen ontbreekt elk spoor of bewijs in Nederland.
  6. De kloosters hebben te vaak een kwalijke rol gespeeld bij het vervalsen van oorkonden. (Jean Mabillon).
«naar het overzicht volgende»

Het begon allemaal in Nijmegen dat zich niet zomaar zijn Kareltje liet afpakken. Toen de Fundamentele verwarring op tafel kwam, was er geen redden meer aan. Slechts na een kort, maar gedegen onderzoek bleek er geen enkel bewijs te zijn voor de aanwezigheid in Nederland van Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen. Ze zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
En toen verscheen als P. het Bronnenboek van Nijmegen, waarin de historische paus P.Leupen Nijmegen een bisschopszetel bezorgde met bisschop Harduinus die van Noyon bleek te zijn. Het is een van de vijf historische blunders in het Bronnenboek, waarin nog honderden andere fouten, onvolkomenheden en misvattingen staan. Dat is dus het werk van Universitair geschoolden. Die wisten blijkbaar niet dat Nijmegen nooit een bisschopszetel heeft gehad. Maar ja, als je het verschil tussen Nijmegen en Maastricht niet kent, wat blijkt uit deze verstuurde Kerstkaart uit 1998, dan sta je nergens meer versteld over in de historische wereld.

Het Bronnenboek nooit gelezen? Bestel de Bisschop van Nijmegen waarin alle fouten haarfijn worden uitgelegd.


De spreuk hierboven van Thomas a Kempis heeft Albert Delahaye opgenomen in zijn boek "De Bisschop van Nijmegen", aangezien uit het Bronnenboek van Nijmegen blijkt dat de auteurs verschillende teksten niet helemaal begrepen en die anders uitgelegd hebben.
Deze spreuk kan aangevuld worden met een tekst van Cicero, waarbij het in de hisorische wetenschap nogal eens mis gaat : "Quis nescit, primam esse historiae legem, ne quid falsi dicere audeat, deinde ne quid veri non audeat". - ('De oratore' 2, 15.)
"De eerste wet der geschiedenis is: niets onwaars te zeggen en niets waars te verzwijgen".

Aansluitend bij de spreuk van Thomas a Kempis dient een verhandeling gegeven te worden over het lezen en interpreteren van de klassieke teksten, met name wat betreft de plaatsnamen. Zie daarvoor ook hoofdstuk 9. Waarop dient men bij het lezen van de klassieke Latijnse en handgeschreven teksten steeds alert te zijn:
  • 1. wat staat er precies, welke letters zijn het? 2. hoe wordt het vertaald? en 3. wat wordt ermee bedoeld? Maar ook 4. wat is de algemene aangenomen opvatting geworden? en 5. klopt die algemene opvatting wel met wat in de tekst staat? Als voorbeeld geven we hier het "Hic Flumen Nascitur" wat op de Peutingerkaart staat. Zelfs 'deskundige' historici weten niet wat ermee bedoeld wordt en gissen dan maar iets als 'de monding van de Rijn?
  • Er bestaan verschillende opvattingen tussen lezing van de tekst, soms slechts van één letter: staat er Ceueclum of Cevelum?
  • De wijziging tussen geschreven en gedrukte tekst is soms frappant: het klooster van "Berg aan de Sura" werd in het Cartularium van Egmond "Berg aan de Rura" (een lettertje verschil, waarvan historici van dat Berg dan St.Odiliënberg maakten, dat inderdaad aan de Roer ligt. Soms was zo'n wijziging het gevolg van men wist niet beter.
  • Vervalsingen: Theofried van Echternach stelt zijn Gouden Boek samen voor de noodlijdende abdij van Echternach, om bezittingen te verwerven, soms zei een bepaald woord of een bepaalde plaats de afschrijver niets. Dat werd aangepast aan de opvatting van die tijd. Een zo'n verandering heeft grote gevolgen voor de geschiedenis gehad. Bij deze al of niet opzettelijke veranderingen heeft Moeder de H.Kerk de eerste viool gespeeld, zoals de Benedictijner monnik en grote Franse historicus Jean Mabillon al constateerde.
  • Bijschrijvingen van een tweede hand, zoals op 7 november door een tweede hand bijgeschreven "Willibrordi episkopi, ecclesiae patrone". Het stond dus niet in de oorspronkelijke tekst van het gebedenboek uit de 13de eeuw. Immers Willibrord was overleden op 6 november 739. Of een bijschrijving boven de tekst, wat vervolgens een vastgestelde opvatting werd, zoals het klooster Hohorst bij Amersfoort. In de gedrukte tekst van Joannes de Beka en Wilhelmus Heda over het klooster Hohorst is duidelijk te zien dat bij de tekst "super montem sanctum" naderhand 'Op den Heiligenberg' en 'Hohorst' in een kriebelig handschrift erbij geschreven is. Wat vervolgens wel de gangbare opvatting werd, ook al is van dat klooster archeologisch niets gevonden is.
  • Men moet blijven letten op verschillen tussen uitgaven, zoals tussen het Cartularium (Annalen) van Egmond en Cartularium van Radboud. Juist de verschillen zijn voor historici van grote belang. Men dient juist die verschilen te onderzoeken en kan dit niet afdoen met 'de schrijver zal zich hier vergist hebben'.
  • Tevens dient men oplettend te blijven tussen verschillen van afschriften (ofwel kopieëen), zoals verschillende afschriten dan genoemd worden als uitgave A1, A2, A3 t/m B en C enz. Ook hier dient men alle afschriften te onderzoeken en niet de kopie als onjuist bestempelen. Als er geen origineel bestaat, wat te vaak voorkomt, is de zogenaamde kopie het origineel, zoals bij de Peutingerkaart

    De boekdrukkunst sinds de 15de eeuw, betekende de opkomst en het vastleggen van de eerste historische opvattingen, zoals Willem van Berchen (die in ca.1480 als eerste Karel de Grote in Nijmegen plaatst) en Cornelis Aurelius (die in 1517 de Bataven in Zuid-Holland plaatst). Met name in de 17de eeuw is veel 'vaderlandse' geschiedenis voor het eerst vastgelegd en later te gemakkelijk als de ware geschiedenis opgevat. Grote 'voortrekker' hierin was de Fransman Josephus Justus Scaliger de in de 16de eeuw een chronologische beschrijving van de westerse geschiedenis opstelde. De Nederlandse geleerde Hugo de Groot was een van zijn leerlingen. De tijdsindeling van Scaliger staat momenteel aardig ter discussie, net als De Groots Bataafse Mythe om de identiteit van de dappere Hollanders in hun verzet tegen Spanje op te hemelen, waar veel ellende in de mythen van Nederland mee begon.

    Terug naar het hoofdstuk over Willibrord en Bonifatius.
  • Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.