De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

De Dietse Oorsprong van het Chanson de Roland.

De ware geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium, per onderdeel te lezen.
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!



Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.




Kaart van het Karolingisch rijk ten tijde van de dood van Roland/Roeland.
Klik op de kaart voor een vergroting.


De geleidelijke verfransing van:
'Het Chanson de Roland'.

“De Franse maatschappij moet zich bewust zijn dat één van haar culturele fundamenten West-Germaans-Diets was”. Het is een beetje aanmatigend om het boekwerkje “De Germaanse omgeving van Karel de Grote, het chanson de Roland en de geleidelijke verfransing” van Luc Vanbrabant in één zin samen te vatten, maar daar komt het wel op neer. Luc stelt dat de geschiedenis van de Germaanse volkeren, die leefden van de Seine tot de Schelde, te weinig aandacht krijgt. De streek was veel belangrijker voor Europa dan in bijna alle geschiedenisboeken te lezen is.
Kurt Wayenberg (23 feb. 2024).

Waarom zou je het Roelandslied bestuderen, vroeg J.L. de Prince zich af? Zoveel geleerden en zelfs Prof. Dr. J. van Mierlo s.j. hebben het probleem van de oorsprong onderzocht, maar vonden geen oplossing. De vraag die De Prince bezig hield, was: Waarom vonden zij geen oplossing? Het antwoord is even simpel als verhelderend: "Omdat de critici hun navorsingen beperkten tot Frankrijk, soms tot Duitsland en zij er nooit aan dachten Vlaanderen bij hun onderzoek te betrekken". In Vlaanderen had gezocht moeten worden, want "het is in Vlaanderen en in het Diets dat de vermaarde Roelandsage ontstond".

Het Chanson de Roland' gaat nu door voor het eerste en mooiste meesterwerk der Franse letterkunde. Het handschrift dat in 1832 in Oxford ontdekt werd en in het Anglo-normandisch gesteld was, is slechts de vertaling en de bewerking van het heldendicht dat Turhold, monnik van Turoltum, Turhold, nu Torhout, schreef.

Dit thema van het Roelandslied is een historisch feit, door Einhard, sekretaris van Karel de Grote, in zijn Vita Karoli opgetekend.
In 778 trekt Karel de Grote over de Pyreneeën, naar Spanje geroepen door de Moren die zich als verdeeld voordoen. De Moren zijn echter verzoend. Karel de Grote maakt Pamplona met de grond gelijk en, naar zijn land teruggeroepen door een opstand in Aqultanië en een inval van de Saksen, maakt hij rechtsomkeert. Op 15 augustus 778 wordt de achterhoede van de legertros van Karel de Grote in de pas bij Roncevalles, aan de Spaanse flank van de Pyreneeën, door Baskische bergbewoners verrast. Deze laatsten moorden Karels soldaten uit, plunderen hun maalgoed (=bagage: het woord maalgoed is een typisch Diets relict) en verspreiden zich in het gebergte. Onder de aanzienlijke slachtoffers is ook Roeland "Brltannici limltis praefectus" of prefect van de Mark tegen de Britten, anders gezegd: de mark aan de kust tussen de Scheldemonding en tot voorbij Bononia (Bonen) op een kleine afstand van de Samara (de Somme). Deze mark lag tegenover het East-Seaxes van het Britse eiland. Het is bekend dat Karel de Grote dergelijke marken oprichtte bij de grenzen van de mogelijke invallers. In Bretagne, nu in Frankrijk, bestond er noolt een dergellJke mark. Karel de Grote heeft nooit moeite gehad om dit handjevol Kelten te ondwerpen; in de rest van zijn uitgestrekt rijk beschikte hij daartoe over voldoende krijgslieden. Indien er, eeuwen later, "les marches de Bretagne" - in het meervoud - kwamen, was het omdat de Bretons zich tegen de verovering van de latere koningen van Frankrijk verzetten.

De foto hiernaast is van het gedenkmonument van de slag bij Roncevalles, met daarop bevestigd het zwaar en de twee Goedendags van 'Roland'.

Roeland wordt in Franrijk comte de la marche de Bretagne genoemd; was het lled Romaans van oorsprong, dan zou de auteur hem "marquis" genoemd hebben en niet "graaf van de mark" . Het naamwoord Marquis bestond reeds onder Lodewijk de Vrome. Kon het Roelandslied ontstaan, zoals Franse schrijvers beweren, langs de pelgrimswegen naar Santiago de Compostela? Dat is onmogelijk. Het graf van Sint Iago (H.Jacobus) werd in Galicië in Spanje in 813 ontdekt en zijn relieken werden ln 899 naar Compostela overgebracht door Alfonso de Kuise; er kwam een basiliek die in 899 ingewijd werd. Een Vikingvloot verwoestte Compostela tussen 966 en 970 ; opnleuw werd dle stad door de Arabier Almanzor in 977 verwoest. De eerste pelgrimstocht verschijnt in de geschiedenis pas in 1172.
Daartegenover vindt men in 1035 een huisleraar Turold, die zijn leerling Willem, de latere Veroveraar, over Roeland vertelt. Het gedicht ontstond dus niet langs de pelgrlmsroute, noch te Roncevalles waar Baskisch wordt gesproken. In Bretagne van Frankrijk kon het evenmin ontstaan: daar spreekt men Keltisch en dat volk zou zeker niets ter ere van zijn onderdrukker hebben geschreven.

Waar vond Turold de namen voor zijn personages? Turold, monnik en priester put niet uit de heilgenkalender. Hjj geeft de voorkeur aan plaatsnamen voor zijn minder fraaie personages Marganice was in de eerste eeuwen van onze jaartelling de naam van de stroom Bidosa nabij de Pyreneeën. Marsiliën is de Dietse naam van de stad Marseille: zo noemden de Nederlanders nog die stad in de achttiende eeuw. Er was een verrader nodig in het epos : hij heet Ganelo. De naamval bestond in het Romaans - waaruit het Frans - toen nog en Ganelo werd GeneIoN met N. of liever Chanelaus, in de oorspronkelijke tekst. Chanelaus was een elland dat de kern van de stad Antwerpen werd, nu waarschijnlijk het Kiel. Sint Amand predikte het Evangelie op Chanelaus en moest er voor zijn leven vluchten. De Vita Amandi verhaalt de onwil van de bevolking van Chanelaus om de christenleer te aanvaarden; ze bleef heel lang heiden. (Over Chanelaus: zie opmerking Delahaye)

Een ander personage heet Blancadrain, in het Diets Blank endi rein. Zo heeft Pfaffe Konrad. die omstreeks 1170, misschien 1130, het Roelandslied in het Duits vertaalde, het ook begrepen. Hij zette het gedicht eerst in het Latijn over (zegt hij), daarna in het Duits en maakte van Blancandrain Blans-candiz, uit het Latijn "candidus". zuiver.

Wat betekent Pinabel in het Romaans? Volstrekt niets. Was de auteur een Romaans sprekende geweest, dan zou hij PinaBLe geschreven hebben. Een abeel kennen wij in Vlaanderen. Plinius verhaalt hoe onze voorouders de Franken. een pin sneden uit een verbliksemde boom, liefst uit een eik, een gaatje boorden in een abeel, bij voorkeur aan een kruisstraat - vanwaar Kruisabeel - en die pin, liefst na valavond in het gaatje van de abeel duwden. Soms ook staken zij er een briefje, nagels en haar bij, om van de god Tor een gunst of genezing te ontvangen. In zijn studie over het Roelandslied heeft Le Gentil, professor aan de Sorbonne, erop gewezen dat God wist hoe het tweegevecht tussen Pinabeel en Thierry zou eindigen. Pinabeel, het heidens symbool. zou door Thierry. de christen ridder, verslagen worden.

Thierry betekent in het Romaans ook weer niets. In het Diets luidt die naam Diederik; bij de doop was en is het nog Theodoric. van theos=god in het Grieks en rik of machtig in het Diets. God, de God der Christenen heeft het heidens symbool overwonnen.

In de tekst van Oxford wordt aan Pinabel de plaatsnaam "van Sorence" toegevoegd. In de middeleeuwen bestond er een leen Pinabeel in Strazeele, in het huidig Département du Nord. nu in Frankrijk. Sinds Strazeele bij Frankrijk kwam, werd de "Pinabeel" Ie peuplier. Die geslachtsnaam Pinabeel bestond nog te Stazeele in 1447, 1454 en in 1457 te Veurne.
Het gebruik bomen te bepinnen bestaat nog op veel plaatsen en onder andere omstreeks 1900 te Brugge. Spelden in een boom steken. vooral als er een Mariabeeld aan de boom hangt, is een middel om alle ziekten eraan te spijkeren en er zo van verlost te worden (Kan. Lescouhier). In de Rooms-Katolieke liturgie worden met Pasen vijf wierookkorrels kruisgewijs in de paaskaars gestoken: een overblijsel uit de heidense tijd.

In het heldengedicht draagt het zwaard van Roeland de naam Deurendal : "Hij trekt Deurendal, zijn goed blank zwaard ... hij verbrijzelt de helm waarin karbonkels schitteren, hakt door de kap en het haar, splijt de ogen en het gelaat en het witte pantserhemd met de fijne maliënkolder en het gehele lichaam tot het kruis. Doorheen het met goud belegd zadel bereikt het zwaard het paard, splijt de ruggegraat zonder gewrichten te zoeken, en slaat ze, ruiter en paard, neer ... "
Het zwaard splijt "deur end al" zoals nu nog in West-Vlaanderen wordt gezegd: "Hij is een deurendal o ontziet niets en gaat door alles heen". Dat zwaard kon slechts door een Vlaming "Deur end al" worden genoemd.

Het is daarom een zekerheid dat de auteur van het Roelandslied een Vlaming was en schreef voor Vlamingen. Maar daar wijzen ook de eigennamen en plaatsnamen op, maar ook de vermelding van St.Amandus, die een prediker was in Vlaanderen.

Hertog Naimme speelt een eerlijke rol in het epos. Wij vinden die naam Naimme in een akte van Dirk van de Elzas, markgraaf van Vlaanderen. met betrekking tot de gemeente Woesten. Die akte werd te Ieper opgemaakt op Sint Laureinsdag in 1161. Het bestaan van het geslacht Naimme in Vlaanderen is dan ook bewezen. Het behoorde alleszins tot de hoogste adel. Uit dankbaarheid waor bewezen diensten schonk Karel de Grote de Naimme van 778 een markgraafschap dat naar hem genoemd werd : Naimme, Namen, verwaalst tot Namur.
Galliot, in zijn Histoire générale de la province de Namur, noemt hem ook, in 1788, dus vóór de ontdekking van het Chanson de Roland. Volgens andere auteurs zou Naimme twee kinderen gehad hebben. Zijn zoon Arnold werd een der acht aartsdiakens van Luik, ten tijde van bisschop Gerbald; zijn tweede zoon, Theodorik huwde Pentecoste, dochter van Raduz d'Exprez, derde graaf van Hoei. Theodorik volgde zijn vader op in het markgraafschap Naimen; hij zou een vermaard kasteel gebouwd hebben aan de rechteroever van de Maas, nabij de abdij Waulsort. Die abdij Waulsort zou later een grote rol spelen in het ontstaan van de heldendichten.

Naimme werd door een remanieur "van Beieren" genoemd. Om dit te verklaren moeten wij in de geschiedenis terug naar de Romeinse tijd. De Bojen hadden hun land in Germanië verlaten, dat naar hen, later, Baioariam of Beieren (zie opmerking Delahaye) werd genoemd. Ze vestigden zich in een streek "Flaminia" en in Gallië, nabij Blavutum-Blaye en Noviodunum-Nevers. In het begin van de vierde eeuw verliet een gedeelte der Bojen de Teste de Buch, Burgdigala, Blavutum en Noviodunum, waarschijnlijk gevolgd door de Ruthenen uit het Rutheni ager (Rouerge) en Rodez. Sanderus vermeldt de Ruthenen in het huidig Zuidvlaanderen. Sporen van hun naam treft men aan in Ruischeure, Ruhouc, Rubrouc, Rutdenburg in 1112 voor Rodenburg, zelfs in Rogny nabij Vervins in het departement Aisne (J. van Overstraeten). D. Antonio de Roore noemt onze kust "Ruthenicum littus". De Bojen uit Blavatum-Blaye gingen de geschiedenis in als Blavoeten.

Evenals de Bojen in Flaminia bouwden zij in Vlaanderen een stad en een haven: Boj-ona, Bononia, Boulogne en Bologna in Italië. Naimme behoorde waarschijnlijk tot dat volk. In Vlaanderen vindt men heelwat toponiemen met Boj en gemeenten als Buischeure, Boiscure. Nabij Bologna in Italië schreef Matteo Boiardo "Orlando innamorato" of "de verliefde Roeland"; Ariosto die het werk van Boiardo afmaakte en "Orlando furioso" schreef,was evenals Boiardo, in dienst van de prinsen van Este. Een gravin van Este was de grootmoeder van Godfried van Bonen-Bouillon, zoon van Staas van Boulogne. In 1208 volgden de Estes de graven van Ferrara op, die, evenals Boudewijn I Ferreus van Vlaanderen, van de Ferreol afstamden.
De hele middeleeuwen door bestond er een druk verkeer tussen Vlaanderen en Bologna in Italië, nadat onze Jan van Eyck de Italianen geleerd had hoe met olieverf te schilderen.

Nabij Sluis bestond er vroeger een dorp, Trabeten, waarvan niemand de naam kan verklaren. Dat dorp werd door de zee verzwolgen. Het is wellicht een vestiging geweest van een volksstam uit Traberta of Aquarum Trabellicarum - de stad Dax in Zuid-Gallië en dus ook nog Bojen. In Blavatum-Blaye toonde men in de eerste jaren van de Twaalfde eeuw, het graf van Roeland. Het was wellicht nog bekend dat de Bojen zich langs onze kust hadden gevestigd en wilde men er de pelgrims uit Vlaanderen naartoe lokken. In de zestiende eeuw werd in Blavatum nog het zwaard (?) van Roeland bewaard. De Real Casa van Roncesvalles bezat de wapenknots van Roeland: een bronzen bal met een ketting aan een stevige houten stok bevestigd. Voor ons is die knots een "goedendag" die alleen door ons volk in de Middeleeuwen gebruikt werd. De "goedendag" bestond niet in 778; het volstaat dat te Roncevalles bekend was dat Roeland uit Vlaanderen kwam.

In 1967 hebben de Fransen te Roncesvalles een gedenkteken voor Roeland opgericht (zie de foto hierboven links),waarop twee goedendags elkaar kruisen; zelfs nu blijken de Franse geleerden nog niet te weten dat die "goedendag" alleen door Vlamingen gebruikt werd. Hoeveel plaatsnamen Deurendal en Roncesvalles of Roncevael bestaan er nog in Vlaanderen ? J.Bédier vermeld dat "in de familie van Roeland werden die verhalen beter bewaard". Karel de Flou citeert er tientallen in zijn "Toponymie" en in "Verslagen en Mededelingen van de stedelijke oudheidkundige commissie van Wervik" 1972, kan men niet minder dan 383 achterlenen van de Roncevaelse lezen.

De visie van Albert Delahaye.
J.L.de Prince uit Watou, de auteur van deze studie over de Dietse Oorsprong van het Roelandslied, schreef in het exemplaar van het boek dat hij aan Albert Delahaye schonk: "Aan de heer A.Delahaye, van hrate en met bewondering voor zijn prachtig werk, J.de Prince, 10-1-81". (Hij ontving via Jacques Fermaut een boek van Delahaye).
De studie van De Prince sluit precies aan bij de opvattingen van Delahaye. Slechts enkele details dienen nog herschreven te worden, zoals Germanië dat bij De Prince nog teveel Duitsland is, terwijl het aan de taalgrens in Vlaanderen lag. Ook het genoemde Chanalaus was miet Antwerpen, maar Calais aan Het Kanaal, The Channel, ook Chanalaus geheten. Verder is ook het genoemde Bojen, Baioriam, niet Beieren, maar de streek van Bavay, het Romeinse Baca Conervio zoals het op de Peutingerkaart vermeld staat. Het Duitse Beieren viel immers buiten het Romeinse Rijk. Het genoemde An(t)werpen was de aanwerp aan de kust, het op het water gewonnen aangeworpen land bij Calais.


De Prince geeft van diverse namen van plaatsen en personen een nadere toelichting, waaruit blijkt dat het Roelandlied in Vlaanderen geschreven is, voor Vlamingen.
Hier volgt een greep uit de nota's die op steekkaarten aangebracht werden:
  • ADALGAR : liet op het graf van zijn voorganger Rembert van Torhout een kapel oprichten ter ere van Sint Michiel.
  • ALEXIS (Heilige) : "La vie de saint Alexis", het eerste meesterwerk in het Romaaans, omstreeks 1040 geschreven, dus na het Dietse Roelandslied.
  • ALMACE : laise 155 "Turpijn de bisschop, trekt zijn zwaard Almace" uit het Diets Alm
  • ANSGAR : Geboren te Fouilloy bij Corbie in 801, als zoon van Wala, neef van Karel de Grote, en van een Saksische moeder. In de abdij van Corbie opgevoed. Vertrok in 826 naar Dania, de Marck van Denen (niet Denemarken). Kocht Skandinavische, Slavische en Oosterse jongelingen af om ze tot priester op te leiden in het klooster te Torhout. Werd te Diedenhofen (nu Thionville) tot bisschop gewijd door Drogo, zoon van Karel de Grote en diens konkubine Regina.
  • ANTWERPEN (niet Antwerpen, maar de Aenwerp) de Franken hadden er, ten tijde van St.-Amandus, een vesting gebouwd. Amandus bouwde een kerk binnen die vesting, aan de apostelen Petrus en Paulus toegewijd. Voor zichzelf had hij een klein eiland Chanelaus ontdekt.
  • BALDWIN : Volgens de kroniek van de pseudo-Turpin zou Ganelon de zuster (Gisela) van Karel de Grote gehuwd hebben. Stiefvader van Roeland, zou hij bij Gisela een zoon, Boudewijn (=Baldwin), verwekt hebben. Het is duidelijk dat de opsteller van die kroniek graaf Boudewijn I van Vlaanderen bedoeld. Op miniaturen en de wandtapijten die in het Museum voor Kunst en Geschiedenis te Brussel te zien zijn en die dateren uit het derde kwart van de vijftiende eeuw. Zij zijn op de kroniek van de pseudo-Turpin geïnspireerd.
  • BAVIERE et toute la Flandre, in vers 2328 : het is vanzelfsprekend dat het hier over Vlaanderen gaat, waar ook de Batua lag.
  • BIDASOA : een stroom tussen het huidige Frankrijk en Spanje, die ten tijde van Caesar Margaris, Margarice of Marganis heette. Waarvan de Margaris in het epos afgeleid is.
  • BIEKORF : is een beeld der kloosterlijke gemeenschap. Een motief in de kerkelijke heraldiek. Zegel van Torhout uit 1237. Biekorf is een puur Vlaams woord.
  • Turhold, monnik van Torhout, is de auteur van het Roelandslied. Hij bevond zich in het Diets hospitium te Fidentia, dat van toen af, naar DOM Linus van Torhout, Borgo san Donnino genoemd werd.
  • De abdij sainte Foy te Conques, in Ruthenae ager (Rouerge) stelde valse oorkonden op, waarin de naam Rotlandus reeds voorkwam; de oorkonden werden in 959 gedateerd om te doen geloven dat ze vóór de reis naar Fidentia werden opgesteld.
  • Turoldus stelde zijn epos op omstreeks 980 ; de leerlingen van de abdij Torhout maakten toen hun oefeningen over het Roelandslied, die nu gekend zijn als "het Fragment van Den Haag".
  • Hugo Capet werd in 987 tot hertog van Francia gekozen en in 991 slaagde hij erin zijn tegenstander Karel, definitief gevangen te zetten. Zijn zoon Robert werd in 996 tot koning gekroond. Intussen heerste er een feodale anarchie die eigenlijk niet door het Franse koningschap werd overwonnen, maar vooral door de orde van Cluny die de grondslag voor een nieuwe orde legde en met het Roelands-epos de feodale adel tot een Christelijke ridderschap omvormde; ook met haar luisterrijke liturgie die de adellijke familieleden van de kanniken en de kloosterstichters bij de gebedsverbroedering in de dodendienst betrok.
  • Cluny maakte een ruim gebruik van het Roelandslied om tot de strijd tegen de Islam op te roepen, zoals Clairvaux het zal gebruiken tegen de Katharen.
  • Uit Aquitanië, Gascogne, Bourgondië en Normandië trokken in 1053 en 1063 vrijwilligers tegen de Islam op in Spanje. Echter niemand kwam uit Francia.

    Conclusion avec Joseph Bédier, que sans la geste Thioise, "il n'y aurait pas de littérature française". Le lecteur français aussi en est convaicu à présent. zoals Bédier schreef.

    Zetten wij alle bewijzen op een rijtje, dan blijft er van het Frans niet veel meer over: Pinabeel, Theoderik, Deurendal, Blankendrein, Naimme, Chanelaus, de goedendag van Roeland, Tor-vagant, Giselmar, Taillefer, Justin en Val Furia, de AOT, Dom Linus die in het Chanson d'Aspremont, l'Enfant Vivien e.a. overgenomen werd, Ganelon in Tristan en Isolde, zijn onweerlegbare bewijzen voor de Dietse oorsprong van het Roelandslied.







  • Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.