| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
| Atlassen, en zeker historische atlassen, bestaan uit getekende kaarten, getekend naar opvattingen van historici. Meestal zijn ze gebaseerd op plaatsnamen waar een geschiedenis aan toegeschreven wordt en die geschiedenis in een breed gebied rond die plaatsnaam getekend wordt. Zo wordt aan de Franken bijna geheel Nederland toegeschreven, op grond van slechts enkele plaatsnamen, zoals Nijmegen en Utrecht, waarvan geen enkel bewijs gevonden is of daar ooit Franken gewoond hebben. |
![]()
|
De visie van Albert Delahaye.
DE VROEGSTE HISTORIE VAN DE LAGE LANDEN Tussen de negende en dertiende eeuw groeiden in de Lage Landen Frankische gouwgraafschappen uit tot soevereine vorstendommen. Sindsdien domineerden de hertogen van Brabant en Gelre en de graven van Vlaanderen, Holland en Loon het middeleeuwse politieke landschap. In de Historische atlas van de Lage Landen brengt Sieg Monten vier eeuwen Nederlandse en Belgische geschiedenis in kaart. De eerste graven en hertogen in de Lage Landen, de opkomst van de Franse koningen en de teloorgang van de Rooms-Duitse keizers komen aan bod. Monten plaatst hun doen en laten binnen de context van de Deense en de Hongaarse invallen, de eerste kruistochten en de Investituurstrijd en staat stil bij gebeurtenissen in de Friese Landen, de Waalse Ardennen en het Keulse Rijnland. Aan de hand van 27 speciaal voor dit boek vervaardigde kaarten illustreert de auteur hoe politieke en militaire gebeurtenissen en natuurlijke veranderingen, zoals stormvloeden, de middeleeuwse landsgrenzen van de Lage Landen wijzigden. Sieg Monten (1972) studeerde geschiedenis aan de Katholieke Universiteit van Leuven. Hij werkt in het volwassenen-onderwijs in Brussel. Aan de hand van deze historische atlas wordt de geschiedenis van de Lage Landen tussen 814 en 1256. Over deze periode zijn geen landkaarten bekend zijn, maar ontstonden de Frankische gouwgraafschappen en de vorstendommen onder de Franse koning en de koningen en keizers van het Heilig Roomse Rijk. De kaarten zijn nieuw, informatief en innovatief. Aangevuld met stambomen, illustraties en beschrijvingen worden vier eeuwen uit de geschiedenis van België en Nederland in kaart gebracht. Maar is dat ook zo? Zijn het nieuwe kaarten? Zijn ze informatief? Zijn ze innovatief, vernieuwend? Feitelijk kunnen deze vragen al beantwoord worden door wat Sieg Monten zelf schrijft: Voor het schrijven van dit boek deed ik geen groots opgezet onderzoek en greep ik niet terug op primaire bronnen, zoals oorkonden, vitae of andere bronnen uit de archieven. Daarom zijn er weinig voetnoten. Ik maak uitsluitend gebruik van bestaande publicaties. Het boek bestaat dan ook volledig uit naschrijverij. Monten volgt de traditionele opvattingen, dus weinig vernieuwend, wat ook al blijkt uit de bibliografie (p.361-366). Het zijn de traditionele historische boeken die hij hier noemt, zoals van D.P.Blok, H.P.H.Jansen, M.Mostert en L.v.d.Tuuk. Opmerkelijk is dat er een boek van de Studiekring Eerste Millennium wordt genoemd, over de kustvorming in de Lage Landen. Zorgt dit boek voor de nodige innovatie? Om de hierboven gestelde vragen te beantwoorden, bekijken we de kaarten (zie afbeeldingen hieronder van de eerste 3 kaarten op p.15, 18 en 32). De kaarten lijken dan wel nieuw getekend, maar er staat globaal veel oude (en dus onjuiste) informatie op. Toch staat er wel meer informatie op de kaarten dan men traditioneel ziet. En die informatie volgen we in deze beschrijving nauwgezet.
Wat in dit boek als eerste opvalt is dat het begint in 814, het jaar van het overlijden van Karel de Grote. Van de geschiedenis vóór 814 wordt geen kaart gegeven, terwijl deze geschiedenis aan de grondslag ligt van de latere bezittingen van de Franken en de verdelingen van Verdun in 843 en Meerssen in 870. Het uitgangspunt van de geschiedenis van Nederland is of het Noviomagus van Karel de Grote Nijmegen was of Noyon? En dat het Noyon was is ondertussen wel een bewezen en vaststaand feit. De landstreken Neustrië en Austrasië zijn dan beide gelegen in Frankrijk wat op de hiernaast gegeven kaart (van p.18) al onjuist wordt afgebeeld. Op de hierboven middelste kaart wordt Austrasië al onjuist afgebeeld. Deze landstreek reikte niet tot in België, maar lag geheel in Frankrijk. Lees meer over Neustrië en Austrasië. De onjuiste plaatsing van deze landstreken heeft tot de verdere misvattingen geleid. Veel, zo niet alle, historische atlassen gaan hier al in de fout. Neustrië lag tussen de Loire en de Seine waarin de volgende plaatsen lagen: Angers, Le Mans, Tours, Blois, Sens, Parijs, Noyon. Austrasië lag ten noorden van de Seine en omvatte de plaatsen: Amiens, Soissons, Rouen, Therouanne, Cambrai, Reims en Metz. België ten noorden van de taalgrens hoorde er beslist niet bij en Noord-Brabant of andere delen van Nederland of Duitsland al helemaal niet. De onjuiste opvattingen over Neustrië en Austrasië zijn geheel terug te voeren op het Paleis van Karel de Grote in Noviomagus, dat niet Nijmegen was, maar Noyon. Feitelijk bevat deze kaart al de nodige fouten en onjuistheden, die in de daarop volgende kaarten worden doorgevoerd. Wat wel juist wordt aangegeven zijn de verlandingen aan de kust van Frans-Vlaanderen, maar de invallen van de Denen zijn volkomen misplaatst. Allereerst waren het geen Denen, maar bewoners van Dania. En de mark Dania kwam overeen met Normandië en was dus allerminst Denemarken (ziet U de verwarring?) In de klassieke teksten, maar die heeft Monten niet geraadpleegd, is nergens sprake van Dennen, maar van Nortmanni ofwel Noormannen. Hun invallen beperkten zich tot Frankrijk. Van invallen van de Noormannen in Nederland is archeologisch ook geen enkel spoor gevonden. Lees meer over de Noormannen. De jaartallen die bij Dorestad genoemd worden, betreffen invallen en plunderingen in Gallia, opgetekend in Franse Kronieken, o.a. van de abdij van St.Bertin in St.Omaars. Maar die kronieken heeft Monten niet gebruikt, zoals hij zelf schrijft. En dan ga je onherroepelijk in de fout. Lees meer over Dorestad. Lees meer over de verdeling van Verdun. Wat weten we als we de klassieke teksten volgen? Maar de teksten heeft Monten niet geraadpleegd, zoals hij zelf schrijft. De kaart op pagina 15: hierboven links. Dit is een zeer interessante kaart en gaat over de verschillende taalgebieden. De vraag is: "Waarop is deze kaart gebaseerd?" Jammer dan de benodigde informatie ontbreekt, zelfs geen verwijzing naar de bibliografie, want aan 'noten' doet Monten niet, zoals hij schrijft. Het is al moeilijk vast te stellen hoeveel mensen ergens woonden, onmogelijk om te bepalen welke taal zij spraken. Het is dan wel aardig dat DE TAALGRENS erop staat, al is de loop ervan op deze kaart twijfelachtig. Nogmaals: "Waarop zijn deze grenzen gebaseerd?" Het zou een nuttige discussie kunnen opleveren. We kunnen slechts verwijzen naar de informatie over de taalgrens en het Diets (of Theutoons) dat op deze kaart helaas niet genoemd wordt. Enkele namen van de hier genoemde talen zijn pas van vele eeuwen later, zoals 'Waals', 'Lorreins', 'Champenois'. Veel van de gegeven etymologische voorbeelden (ik/ich, dorp/dorf, dat/das) stammen ook pas uit de 15de eeuw en later, waarbij dat voor het eerst onderzocht en vastgesteld is. En wat is het verschil tussen Oud-Saksische en Noordzee-Saksisch? Erkent Monten hiermee dat de Saksen vanuit Frans-Vlaanderen gedeporteerd zijn naar Duitsland? Het zou helemaal juist zijn! En wat is Oudfries of Oud-Nederlands? Knap dat Monten het gebied waar men Oud-Nederlands sprak zo precies kan aangeven op deze kaart. Feitelijk is het natte vingerwerk' gebaseerd op gissingen. Een van de oudste teksten die als 'Nederlands' beschouwd worden is de Utrechtse doopbelofte waarvan de taal 8ste eeuws lijkt (? hoe weet men dat?). De status van de tekst is discutabel: sommigen beschouwen het als Oudsaksisch en de kopiist was waarschijnlijk een 'Duitser' (al bestond Duitsland bij lange na nog niet!). Het is een dialoog van een priester en een persoon die gedoopt wordt (in die tijd een volwassene). In de tekst worden drie Germaanse, heidense goden genoemd: Donar, Wodan en Saxnoot. Maurits Gysseling heeft de tekst gekenmerkt als Oud-Nederlands. Ongetwijfeld is de tekst geschreven in een mix van verschillende West-Germaanse dialecten, met kenmerken die kunnen behoren tot Oudduits, Oudsaksisch, Oudfries, Oud-Nederlands (Oudfrankisch) en Oudengels. Dit heeft geleid tot een discussie over waar de tekst vandaan komt, niet in de laatste plaats omdat door zijn ouderdom de tekst als een belangrijk monument kan worden gezien voor welke van de genoemde talen dan ook. Omdat van het Oud-Nederlands bijzonder weinig (feitelijk niets) bewaard is gebleven, geldt dit zeker voor het Nederlands. Het is echter waarschijnlijker dat voor de kopiisten van de tekst dit taalonderscheid niet zo belangrijk was, omdat in die tijd de talen zeer dicht bij elkaar lagen. Het is ook de vraag wanneer de 'doopbeloften' die dus niet uit Utrecht kwam, op schrift is gesteld. Dat het in de 8ste eeuw was is een hypothese, ofwel een nog te bewijzen opvatting. Het probleem van dit kaartje (en de andere kaartjes in dit boek) is dat deze kaartjes die feitelijk nergens op gebaseerd zijn, bij anderen als bron van hun opvattingen gebruikt gaat worden. Zo kwamen de mythen tot stand en zo blijven ze voortbestaan. De kaart op pagina 18: hierboven in het midden.
|
| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |