De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Het Romeinse castrum bij Velsen.



Locaties van Velsen 1 (fase 3) en Velsen 2 ten opzichte van elkaar aan de linker oever van het Oer-IJ (blauw), in rood de fortterreinen en in geel het werkgebied of annex. Ter hoogte van Velsen 2 zijn er twee mogelijke oeverpatronen (naar J.-M.A.W. Morel).


Meest noordelijke Romeins legerkamp op Europese vasteland ontdekt in Nederlandse gemeente Velsen.
In Nederland hebben archeologen een groot Romeins legerkamp ontdekt. Onderzoekers zijn ervan overtuigd dat het om het meest noordelijke Romeinse fort op het Europese continent gaat. Onder leiding van keizers Caligula en Claudius bereidden de Romeinen een uitbreiding van hun rijk voor. Bovendien zouden duizenden krijgers vanuit Velsen het rijk hebben beschermd tegen oprukkende Germanen.
Oprukkende Germanen? Waar kwamen die vandaan? Van keizer Caligula is bekend dat hij in de buurt van Boulogne-sur-Mer in Frans-Vlaanderen was. Zijn aanwezigheid in Nederland is een volstrekte mythe. In de omgeving van Velsen, een gemeente in de Nederlandse provincie Noord-Holland, ontdekten kinderen in 1945 scherven van Romeinse oorsprong in een Duitse antitankgracht. Later werden er nog overblijfselen gevonden van kleinere Romeinse forten en fragmenten van helmen, dolken en andere objecten.
Eerdere studies maakten al duidelijk dat het gebied rond Velsen erg belangrijk was voor de Romeinen. Maar uit het nieuw archeologisch onderzoek naar oude opgravingen blijkt nu dat er in de gemeente een veel groter legerkamp was dan eerder werd aangenomen. Arjen Bosman, de archeoloog die de opdracht kreeg om het onderzoek uit te voeren, bracht dat nieuws naar buiten.

Noordelijkste legerkamp in Europa
Bosmans liet zich in de Nederlandse media opgetogen uit over de nieuwe inzichten. Nieuwe inzichten? Dus de oude deugden niet? Het "castrum" zoals een Romeins legerkamp in het Latijn genoemd werd, zou immers het meest noordelijke Romeinse legerfort geweest zijn in de geschiedenis van continentaal Europa. Kampen van dergelijke omvang werden enkel opgezet indien er meerdere legioenen tegelijkertijd op pad gingen. Bovendien bouwden Romeinen een legerkamp enkel op strategisch cruciale plaatsen.

In 2014 gaf Bosman al eens uitleg over de Romeinse aanwezigheid in Velsen: En dat zou de reden geweest zijn waarom keizer Caligula de opdracht gaf voor "castrum flevum" , zoals Velsen in het Latijn klinkt. De locatie van Castrum Flevum waar men in Nederland ooit meerdere locaties voor bedacht, lag aan Het Flevum in Frans-Vlaanderen. Lees meer over Flevum De Romeinen vestigden zich in het gebied tussen 39 en 47 na Christus en kwamen met een keurig afgelijnd doel: ten eerste wilden ze de opmars van de Chauken tegengaan. Dat was een van de vele Germaanse stammen die de opmars van het Romeinse Rijk mee aan banden wilde leggen. De Chauken worden traditioneel in Groningen en Oost-Friesland (D) geplaatst. Hoe kwamen zijn in Velsen? De Chauken/Chauci was een een Germaanse stam in het noorden van Frankrijk, in nauw verband met de Frisones en de Saksen genoemd. Het waren de bewoners van Chocques op 5 km west van Béthune.

Ten tweede ambieerden de Romeinen een uitbreiding van hun rijk en een controle op het gebied boven rivier de Rijn, waarlangs de Limes liep. Dat was de noordelijke grens van het Romeinse Rijk. De grens die hier de Limes wordt genoemd was de grens vanaf Boulogne-sur-Mer via Bavay naar Keulen en kwam overeen met de taalgrens. De taalgrens heeft nooit langs de Rijn gelopen, niet in Nederland, maar ook niet in Duitsland. Lees meer over de taalgrens.

Terwijl de leiders de invasie van Brittannia (het huidige Engeland, red.) voorbereidden, moest een duizendtal strijdklare soldaten toezien op de rust op de grenzen van het gebied dat onder Romeins bewind viel. De invasie in Brittannia vond sinds Julius Caesar plaats van de plek waar de oversteek het kortst is en waar je 'de overkant ziet'.

Verblijf van korte duur Caligula slaagde echter nooit in zijn opzet. Hij werd vermoord in 41 na Christus. Keizer Claudius nam zijn taken over en drie jaar later rekenden de Romeinen Brittannia tot hun rijk. Maar lang heeft hun verhaal in het grote kamp niet geduurd: in 47 na Christus verlieten de Romeinse troepen het kamp in Velsen.
Keizer Claudius was er volgens Bosman immers van overtuigd geraakt dat Flevum zijn strategische positie had verloren door het dichtslibben van de riviermonding waaraan het kamp gelegen was. Of de Germanen daar voor iets tussenzaten, is tot op heden nooit bewezen. Er is wel meer in dit verhaal nooit bewezen, maar altijd maar aangenomen op grond van onjuiste veronderstellingen.

Het is nog niet uitgemaakt wanneer de vereenzelviging van Felison en Velisana met Velsen voor het eerst plaatsvond. Het moet echter laat zijn gebeurd. In 1792, teruggrijpend op een oudere naamverklaring, lag de verklaring van de naam Velsen uit Felle Soen –een moeizame verzoening tussen graaf Dirk I ‘van Holland’ en Karel de Kale, koning van Frankrijk – al te wachten om in verband te worden gebracht met de Felison-tekst uit Echternach. De Echternach-tekst wordt dan echter nog niet genoemd. Ook Willem Bilderdijk vermeldt in 1832 nóch een vroeg-middeleeuws Velsen nóch Felison nóch Velisana nóch Adrichem. In 1874 werd de vereenzelviging in ieder geval al wél gemaakt in de Monumenta Germaniae en kort daarvoor waarschijnlijk ook in het Oorkondenboek van H.G.A. Obreen uit 1866-1873. W.J. Hofdijk schrijft namelijk rond 1860 al : «de oude bewoners, van Saxische herkomst, Feltseton of heî-erf noemden, en waarvan het bewoonde en met hoeven bezette gedeelte thands den daaruit verbasterden naam van F e l i s u n of V e l s e n e [in noot : Thands V e l z e n] draagt. Of ge te midden dier hoeven aan de beek van St. Engelmond ook eene kerk zult aantreffen? Reeds eene parochiale; en dat zal u niet verbazen, wanneer ik u zeg, dat in het begin der vorige eeuw een der yverigste geloofsverkondigers hier tijdelyk zijn zetel gevestigd had: dat was wederom Bonifatius, die er drie jaren lang verbleef, om te dichter in de nabyheid der nog onbekeerde heidenen te zijn. Karel Marteel schonk er vervolgends de kerk aan Willebrord, die ze der abdy van Echternach besprak ; verschillende landerijen behooren hier bovendien aan St. Maarten [bedoeld : het bisdom Utrecht] in eigendom».
Bij Johannes de Beke (c.1440) wordt Velsen als vestigingsplaats van Willibrord of Bonifatius in elk geval niet genoemd. Wel schrijft hij over Gherijt (ook Gherijd=Gerard) van Velsen, Herman van Woerden en Ghisebert (=Gijsbert) van Aemstel als moordenaars van graaf Floris V van Holland.
Voor Romeins Velsen bestaan geen feitelijke bewijzen, dan slechts aangenomen opvattingen. Wat bewijs je met enkele munten? Wat met enkele 'tentharingen'?

Romeins Velsen
In Velsen zijn -volgens de traditionele opvattingen- meerdere vindplaatsen uit de Romeinse tijd aangetroffen. Er zouden twee forten hebben bestaan, waarvan de oudste vrijwel volledig is opgegraven, wat twee proefschriften heeft opgeleverd. Van het andere fort is via het door NWO gefinancierde Odyssee programma een schat aan nieuwe gegevens en inzichten beschikbaar gekomen. De inheemse of Friese component is voor de regio Velsen 'iets lastiger in een overzicht te verwerken', ofwel NIET aan te tonen. De perioden van het bestaan van beide forten zou gelegen hebben tussen 39 en 47 na Chr. en 600 meter van elkaar gelegen hebben. De vraag is dan waarom de Romeinen binnen 8 jaar een nieuw fort bouwden op 600 meter verder in een gebied dat onderhevig was aan meerdere overstromingen?

Wat is precies gevonden in Velsen?
Behoudens wat los materiaal zijn er greppels aangetroffen. Van die greppels maken de opgravers meteen Romeinse grachten om er ook meteen een castra van te maken. Die greppels zijn één meter diep. Eén meter? Maar hoe breed? Daar stap je toch meteen overheen? Die castra was bedoeld om de vijand buiten te houden. Welke vijand? De Friezen? Maar die woonden in Frans-Vlaanderen. Waren het niet gewoon slootjes om het overtollig water af te voeren, zoals kampeerders ook rond hun tent graven bij veel regenval?
Lees hieronder wat Byvanck en Van Es schrijven over dreiging van de vijand vanuit het noorden. Die dreiging was er totaal niet volgens beiden.

De opgravingen in Velsen is een typisch voorbeeld hoe de archeologie naar de geschreven bronnen wordt toegepraat. Er zijn geen harde bewijzen. Alle vondsten worden naar de Romeinen en hun verblijf te plaatse toegeschreven. Hoe kun je van een danig aangetast houten voorwerp aantonen dat het van een Romein is geweest en dat die Romein dat in begin eerste eeuw in Velsen heeft achtergelaten? Net zoals de gevonden 'Romeinse' schepen in Zwammerdam en Woerden ook Romeins verklaard zijn, maar dergelijke schepen nergens anders gevonden worden. De Romeinse scheepswrakken die elders gevonden zijn (bijv.bij Griekenland) zien er totaal anders uit.

De visie van Albert Delahaye.
Hoe meer Romeins men in Nederland vindt, des te sterker is de opvatting dat er niets gevonden wordt uit de periode tussen de 3e en 10e eeuw. Indien dat wèl gevonden wordt, zou het breeduit in de pers genoemd worden.
De vondst van dit Romeinse fort (of deze forten?) geeft de volgende vragen: "Waarom staan deze forten niet op de Peutingerkaart?" Het is een zoveelste aanwijzing dat de Peutingerkaart niet over Nederland gaat. Liepen er wegen naar toe? Wie verbleven in het achterland?
De belangrijkste conclusie is dat de vondst van deze forten de traditionele Romeinse geschiedenis over de 'Limes' danig overhoop gooit. Veel aangenomen opvattingen over die Limes als verdedigingsgrens gaan niet meer op.

Deze Romeinse vondsten in Velsen geven tevens precies aan dat het Felison uit de tijd van Karel Martel en St.Willibrord (8ste eeuw) niet Velsen geweest is. Als relicten uit de 8ste eeuw gevonden zouden zijn, had men dat toch breeduit in de media vermeld? Is dan alles weggespoeld door de Allerheiligenvloed van 1170? Felison, dat Feuchy was en niet Velsen, lag volgens een akte van Karel Martel uit 719 in de pagus Kinnehim, heden Cuinchy genoemd, op 7 km zuidoost van Béthune. Uit niets blijkt, dat het hier om Kennemerland gaat, een naam die op z’n vroegst in de 12e eeuw ontstaan. Nadat één fantast had gesteld, dat St. Willibrord een kerk in Velsen heeft gesticht, vond een tweede de fabel uit dat Kennemerland al in diens Leven was genoemd. Het zijn vooral de professoren D.P.Blok en M.Gysseling geweest die de mythe van Velsen hebben vormgegeven in hun Toponymische Woordenboeken. Zij geven geen enkel bewijs voor hun interpretaties.


Wat schrijft D.P.Blok over Velsen?
Velzen (Noordholland ) Blok schrijft net als Gysseling Velsen met een -z- .
De eerste vermelding is van na 786 cop. 16e e. (ad begin 8e e.): tertius (seil. locus) ... appellatur Felisa (uit de vita van Liudger, Greg c. 2 SS 15, 1) kopie eind 11e e. Martini iuxta Felisun (met een verwijzing naar Gysseling: DiplBelg) eerste helft 11e eeuw. en een oudere bron: nomina ecclesiarum de Fresia Velison. Voor Heiloo wordt verwezen naar Echtemach (Fontes Egmundensis). na enkele vermeldingen uit de 2e helft 12e e.: Velsereburg; kopie begin 13e e.: Velsereburch, waarschijnlijk eind 11e eeuw naar een bron uit 2e helft van de 10de eeuw en een kopie uit ca. 1420: in villa Vellesan nominata sex mansas (en nog enkele verwijzingen naar Wampach, Meilink en Koch), wordt als naamsverklaring gegeven dat het niet mogelijk is vast te stellen wanneer dit falsum (Blok geeft van enkele akten aan - uit 719-739, 1064 en 1125- dat het een falsum betreft) vervaardigd is, het kan echter op een oude tekst teruggaan; de naamsvorm FeIlson, die immers ook in bij Gysseling voorkomt, is een oude afleiding van een waternaam
Wat schrijft M.Gysseling over Velsen?

Wat schrijft Byvanck over Velzen? Byvanck schrijft ook Velzen, met -z-.
Het is bekend dat het Romeinse bestuur ten noorden van Katwijk geen geregelde bewoning heeft geduld. Deze landstreken vallen voor ons overzicht dus vrijwel geheel uit. De vondsten in het duinlandschap aan den mond van den Rijn ten noorden van Noordwijkerhout en Lisse ontbreken geheel tot Velzen, waar bij het graven van het Noordzeekanaal gouden munten van Justinus I en Justinianus te voorschijn zijn gekomen. Uit Wijk aan Zee kent men Romeinsche munten. Te Nooddorp, te Alkmaar en op een stuk land aan den weg van Alkmaar naar Sint-Pancras zijn scherven van Romeinsch aardewerk ontdekt. Mogelijk hebben de voorwerpen, die in het begin van de 16de eeuw aanwezig waren in een zaal van de abdij van Egmond; meer betekenis. Naar ons wordt medegedeeld, was daar een inscriptie, waarop Septimius Severus, Caracalla en Geta waren vermeld, en verder baksteenen met stempels van Legio XXX en van het leger in Neder-Germanië. Het is inderdaad niet ondenkbaar, dat daar in de huurt, waar eens een mond van den Rijn moet zijn geweest, in het begin van de derde eeuw een Romeinsch fort is gebouwd; maar zekerheid daaromtrent hebben wij allerminst.

Men zoekt het in de buurt van Boulogne-sur-Mer of bij Katwijk (p.145). Deze vuurtoren hoef je bij Boulogne-sur-Mer niet te zoeken. Die ia daar nog steeds bekend als de "Phare de Caligula" of "Tour d'Ordre" of "Tour d'Ordre" en heeft er 14 eeuwen gestaan. Ook schrijft Byvanck dat er van een dreiging voor de Romeinen vanuit het noorden en noordoosten geen sprake is geweest. Die dreiging was er niet. Dat sluit ook de grote Volksverhuizing uit. (p.206).

Romeinse munt met Adelaar.

Wat schrijft Van Es over Velsen?
In 28 blijkt er op Friese bodem een Romeins fort te liggen, castellum Flevum, dat wel met de militaire nederzetting Velsen I geïdentificeerd wordt. Deze zou volgens de laatste inzichten echter eerst onder Tiberius (14-37) gesticht zijn. Bij Velsen I gaat het om een havenaanleg, die naar alle waarschijnlijkheid door een nabijgelegen castellum beschermd werd. Het steunpunt bij Velsen is ook vroeger al met Castellum Flevum vereenzelvigd. Er zijn ondertussen nog tal van problemen. Overigens niet wat de aanvangsdatering betreft: het begin van Velsen I wordt eensgezind op omstreeks 15 na Chr. gesteld. Daarmee valt de stichting van dit militaire station in de tijd van de laatste expeditie naar het noorden die ons in de Romeinse bronnen met zoveel woorden wordt overgeleverd: de veroveringstocht van Germanicus tussen 14 en 16 n. Chr. Velsen I moet één van die vooruitgeschoven posten geweest zijn die in vijandelijk gebied werden aangelegd. Van de hier genoemde eensgezindheid is in werkelijkheid nooit sparke geweest. Zie alleen al op welke 13 verschillende locaties men Castellum Flevum heeft gedacht. Is er in Veelsen ooit vastgesteld dat er een Castellum heeft bestaan?

Bovendien lijken de muntvondsten uil Velsen II erop te wijzen dat de activiteiten daar reeds in 47 sterk zijn afgenomen. Het einde van Velsen I zou, uitgaande van de munten, zelfs al veel eerder gekomen zijn: in 28 n. Chr. Als Velsen inderdaad Castellum Flevum is, zou die einddatum aardig kloppen. Tijdens de opstand onder Olennius in 28 is het fort van die naam immers door de Friezen belegerd. Het werd weliswaar ontzet, maar na de 'overwinning' die dat ontzet bewerkstelligde, bleven de lijken van de gesneuvelden onbegraven op het slagveld achter. Een -tijdelijke- ontruiming van het castellum is dus zeker denkbaar. Daarmee zijn echter alle moeilijkheden niet uit de weg geruimd. Er zou dan een gat vallen tussen Velsen I en Velsen II. Het laatste is namelijk - en daarover is iedereen het weer eens - omstreeks 40 n. Chr. gesticht; een aannemelijke stichtingsdatum, die in verband kan worden gebracht met de expeditie van Gabinius uit 41 tegen de Chauken. Bovendien verzetten de aardewerkvondsten zich tegen een vroegtijdig opgeven van Velsen I. Op grond van de scherven wordt aangenomen dat dit terrein, evenals Velsen II, tot ongeveer 55 n. Chr. in gebruik gebleven is, en wel zonder onderbreking vanaf het begin in de dagen van Germanicus. Het conflict tussen het aardewerk en de munten is echter misschien toch meer schijn dan werkelijkheid. De continuïteit in het gebruik van Velsen I lijkt nog niet werkelijk bewezen en zou op zichzelf trouwens een tijdelijke afname van de activiteiten na een intensief gebruik in het begin niet uitsluiten. Voor Velsen houden wij het er voorlopig op dat daar het eerste, in ca. 15 na Chr. gestichte steunpunt na de schrik van de Friese opstand werd opgegeven, althans nauwelijks meer in gebruik was. Omstreeks 40, toen de verovering van Germania nieuwe impulsen kreeg, werd er een nieuw steunpunt aangelegd -Velsen II-, waarbij het oude havengebied van Velsen I weer in gebruik genomen werd.

Langs de Kromme Rijn ontstond vanaf ongeveer in 47 n.Chr. een aaneengesloten verdedigingslinie, het Nederlandse deel van de Romeinse limes, waarvan castra en castelIa - bij ons alleen de laatste - het hoofdbestanddeel uitmaakten. De keus van de genoemde Rijntak moet een gevolg geweest zijn van de landschappelijke situatie. De boorden van de noordelijkste Rijnarm boden onvoldoende plaats voor de vestiging van een doorlopende fortenreeks. Zij waren te smal en vooral voor landbouw en veeteelt was onvoldoende ruimte beschikbaar. De oevers van de Oude Rijn daarentegen bezaten voor agrarisch gebruik betere mogelijkheden. Daar kon althans een deel van het voor de troepen benodigde voedsel in de onmiddellijke omgeving gewonnen worden. Zo kwam het dat de basis van de militaire driehoek uit de vorige periode tussen Valkenburg en Vechten bij de inrichting van de limes op zijn plaats bleef. De top - Velsen - werd opgegeven. Het spreekt vanzelf dat met de aanleg van de verdedigingslinie langs de grens enige tijd gemoeid geweest is. Hoeveel precies is niet bekend (p.98).
De voorstelling van de Nederlandse limes als een gesloten reeks van dicht opeen gelegen forten gaat wellicht eerst voor de periode na 70 op. En zelfs dan is de aanweligheid van een castellum op vele plaatsen waar men een militaire nederzetting vermoeden mag, nog niet werkelijk bewezen. Onze kennis omtrent het Nederlandse stuk van de limes vertoont nog enorme hiaten. (p.99).
Het is heel waarschijnlijk dat de stammen uit het noorden van Nederland de rijksgrens aan de Beneden-Rijn bedreigd hebben. Tussen 240 en 250 is het Nederlandse deel van de rijksgrens voor het eerst doorbroken. Over deze eerste inval zijn geen nadere details bekend. (p.46-47).
Wat op p.99 geschreven staat is in tegenspraak is met wat op p.98 staat. Let vooral op de twijfel en onzekerheid van de beweringen van Van Es: zie de ondersteepte woorden in de letterlijke citaten uit de tekst van zijn boek "De Romeinen in Nederland" (1981). Een dreiging van Germaanse stammen in de jaren van het bestaan van Velsen I en II, begin eerste eeuw, is er nooit geweest. Het is ondertussen een achterhaalde gedachte dat er ooit een grote volksverhuizing is geweest, zoals ook Byvanck al concludeerde.
In 1951 schreef G.D. van der Heide nog in Die Archeologie des Zuiderzeegebites: 'Castellum Flevum ist bisher nicht entdeckt worden'.
In bROB 15-16 (1965-1966) schrijft W.A.van Es in 'Friesland in Roman Times' het volgende: The tribute of hides, against which the Frisians revolted in 28 A.D., was imposed on them by Drusus.50 He presumably also founded castellum Flevum, the Roman fort situated in Friesland which Tacitus mentions in connection with the incidents that took place there in that year. According to Byvanck a similar fort possibly existed on the Ems. Halbertsma is inclined to place the incidents mentioned by Tacitus in Noord-Holland: Castellum Flevum = Velsen.

Wat schrijft Halbertsma in 1965-1966 over 'The Frisian Kingdom' : Instead, this border is mostly taken to have been found more northward where - to the north of the present-day town of Velsen - a bay pushed inland, and where - to our conviction - the Castellum Flevum was situated, which was besieged by the revolting Frisians in the year 28. Possibly, the coastal area between the two streams was among the regions which were depopulated by high command after the establishing of the Rhine limes in the year 47. And, possibly, it was here that a group of Frisians under the command of their 'reges' Verritus and Malorix - between the years 47 and 58 - had made a futile attempt to settle. But then, we may not overlook the fact that in recent years a series of settlements bearing Frisian characteristics have been discovered just on the opposite side of the Velsen bay, where the inhabitation had suddenly been interrupted shortly after the first half of the first century.

In 1972 schreef W.van Es als directeur van de ROB : Een ander deel van de gassleuf leverde talloze scherven van Romeins aardewerk (onder meer Tiberische terra sigillata) en andere vondsten op, die wijzen op militaire aktiviteit op deze plaats in de periode tussen ca. 20 - 40 n.Chr. Mogelijk gaat het hier om de deels verspoelde overblijfselen van het nog slechts uit de literatuur bekende castellum Flevum. De vondstenlaag was afgedekt door (van boven naar beneden) lagen klei, zand en veen.

Het is wel duidelijk op welke wijze Van Es hier 'geschiedenis' schrijft. Het is pure naschrijverij van verouderde opvattingen gezien het aantal van 594 noten op 270 pagina's tekst en een Bibliografie van liefst 445 titels. Onder gelijkgestemden is er uiteraard altijd "eengezindheid" voor jouw gelijk.


Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen.
Cees Dekker schrijft over Velsen (1983): Er zullen inderdaad vóór de tijdelijke herovering door de Friezen al wel enkele kerken zijn gesticht, die door de invallers verwoest zijn. Naast Utrecht denken we dan meteen aan Dorestad. Tekenend is ook dat Bonifacius na zijn terugkeer in 719 zijn missiewerk niet in het gebied ten zuiden van Utrecht begint, maar zich vestigt in Woerden, vervolgens in de Vechtstreek en vandaar verder trekt naar Velsen in het kustgebied, een plaas die dichter bij de heidenen lag: qui proprior erat gentilibus et paganis. Zuidelijk was, zoals Blok opmerkt, blijkbaar toen het grove werk al wel gedaan (p.282).
Volgens de latere missionaris Liudger predikte Bonifacius zeven jaar in Woerden, vervolgens drie jaar in Attingahem aan de Vecht en daarna drie jaar in Velsen. Afgezien van de opgegeven tijdsduur is de mededeling van Liudger geloofwaardig. Hij kende het gebied rond Utrecht goed, omdat hij was geboren in Zwesen bij het latere Zuilen in de Vechtstreek, het gebied waar zijn grootvader Wursing een belangrijke rol had gespeeld in de tijd van de eerste christianisering en de tijdelijke Friese herovering en waar zijn familie uitgebreide bezittingen had. Wij nemen aan dat Bonifacius in de drie genoemde plaatsen kerken heeft gesticht, temeer daar de kerk van Velsen al kort daarop in een tekst wordt genoemd. Deze oorkonde, waarbij de hofmeier Karel Martel de Velser kerk aan de abdij van Echternach schenkt, is weliswaar een falsum, maar de inhoud ervan stamt waarschijnlijk wel uit de tijd, waaruit ze pretendeert te dateren, d.w.z. nog tijdens het leven van Willibrord. Zo schijnt dan de eerste kerk van de Vechtstreek in Attingahem gezocht te moeten worden en de materiële basis daarvoor kan door de Wursingfamilie zijn gelegd. Niet zo lang na het optreden van Bonifacius vernemen wij van de stichting van een andere kerk, namelijk door Liudger (742/43-809) op diens familiegoed "in loco qui vocatur Werina". Een kerk, die we als de kerk van UUerinon opnieuw tegenkomen in een goederenlijst van de abdij van Werden uit de 10de eeuw met nog twee andere: de kerken van Naruthi en Amuthon. De identifikatie van beide laatste als de kerken van Naarden en Muiden is niet moeilijk, Werina of Werinon daarentegen is met geen enkel in latere teksten voorkomend of nog bestaand toponiem in verband te brengen. Hetzelfde geldt voor Attingahem. Eenvoudig is de veronderstelling dat beide plaatsen in de Zuiderzee zullen zijn verdwenen, al gaat deze suggestie dan uit van een wel erg uitgestrekt familiegoed van Liudger. Stelt men zich met deze gemakkelijke oplossing niet tevreden en gaat men ervan uit dat de namen Attingahem en Werinon in onbruik kunnen zijn geraakt en door andere vervangen, dan zijn er enkele hypothesen denkbaar, waarvan wij de meest plausibele dienen te kiezen. (p.294-295). Dekker beroept zich hier volledig op Blok, die zich weer beroept op Gysseling. Blok heeft dan ook, zij het met reserve, voorgesteld Werinon te identificeren met Loenen en bovendien Attingahem met Nederhorst den Berg.

Ook P.A.Henderikx komt in zijn boek 'De beneden-delta van Rijn en Maas, Landschap en bewoning van de Romeinse tijd tot ca.1000'. (Hollandse Studiën 19, 1987) over Velzen (met -z-?) niet verder dan de vermelding 'Felisun' en 'Uelesan' uit de goederenlijst van de kerk van Utrecht, waar in deze Latijnse lijst uiteraard niet Utrecht staat, maar Trajectum. Het gaat bij de opsomming van al die plaatsen om het eigendom van mensen (slaven) met vrouw en kinderen, die aan de kerk van St.Martinus toebehoren en om alle bossen en alles wat daartoe behoort (zoals -kort samengevat- hoeven, tolgelden en visserij-rechten). In deze goederenlijst van de St.Maartenskerk worden liefst 262 plaatsen genoemd, die voor het merendeel (al zeker 112) in Noord-Holland, Utrecht of Zeeland nooit zijn teruggevonden. Immers daar meenden de historici dat de bezittingen van de kerk van Utrecht zouden hebben gelegen, met de nadruk op het gebied tussen Rijn en Lek tot aan Rijswijk. Uiteraard staat er in de klassieke Latijnse tekst niet Rijn en Lek, maar Renum et Loccham et Risuuic. Henderikx noemt in zijn boek echter maar 152 plaatsen uit de lijsten uit de jaren 850-860, waarbij hij slecht bij 5 plaatsen vermeldt dat ze uit de Goederenijst uit 870 komen. Bij die 152 plaatsen vermeldt hij als bron Gysseling, wat uiteraard klakkeloze naschrijverij is. Bij 58 plaatsen vermeldt hij »onbekend« . Blijft over 52 plaatsen, waarover we kunnen discusiëren. We kunnen dus sowieso al 210 plaatsen afstrepen.

Wat weten we uit de recente opgravingen?

Groot Romeins legerfort geïdentificeerd in Velsen (22 november 2021).
De Romeinen vonden Velsen – of Flevum in Latijn – militair-strategisch veel belangrijker dan tot nog toe werd gedacht. Of de naam Flevum aan dit fort gekoppeld kan worden is een hypothese, maar zal wel als 'waarheid' de geschiedenis ingaan. Het geeft dan meteen aan dat alle vorige opvattingen de prullenbaak in kunnen.
Bij archeologische opgravingen rond Velsen 2, de Romeinse basis die in 39 na Christus is gesticht op de plaats waar nu ongeveer de Velsertunnel ligt, zijn namelijk sporen gevonden van een castra, een groot Romeins legerkamp van vele hectaren groot. Deze castra bouwden de Romeinen alleen tijdens de voornaamste campagnes en op strategisch essentiële plekken. Ze boden plaats aan delen van een of meer legioenen. Castra Flevum is hiermee het meest noordelijke Romeinse legerfort van dit type in continentaal Europa.


Reconstructie van Velsen 1, laatste fase circa 28 na Christus (fantasie-tekening Graham Sumner) .


Van castellum naar castra
De vondst van dit Romeinse legerfort markeert een doorbraak. Tot nu toe is namelijk altijd aangenomen dat de Romeinen deze castra in Nederland alleen rond de Romeinse grens – de Limes – bouwden. Door de in de grond verborgen sporen van grachten, een wal en een toren of poort, was al bekend dat in Velsen kleinere forten – Castellum Flevum genaamd – werden gebouwd. Uit het onderzoek dat in opdracht van NWO en de provincie Noord-Holland werd uitgevoerd door Arjen Bosman, blijkt echter dat het fort bij Velsen 2 niet 1 of 2 hectare, maar minstens 11 hectare groot is. In een castellum verbleef een paar honderd man; een castra herbergde duizenden soldaten. Het zou zelfs nog groter kunnen zijn aangezien alleen in het westen een begrenzing in de vorm van grachten is gevonden en in het oosten het Oer-IJ lag.

Romeins legioen in Velsen?
Een fort van 11 hectare is niet groot genoeg voor een compleet legioen van 5.000 tot 6.000 man. In Velsen 2 zal waarschijnlijk wel een groot deel van een legioen hebben gelegen, stelt Bosman in zijn onderzoek. Dit rechtvaardigt de benaming castra. De Romeinen bouwden dergelijke grote bases alleen wanneer ze met meerdere legioenen tegelijk op campagne waren of op zeer belangrijke strategische locaties.
Rob van Eerden, beleidsadviseur Archeologie bij de provincie Noord-Holland: “Velsen is bij verschillende campagnes gebruikt tussen 15 en 47 na Christus. Het lag op een unieke plek: aan het water van een belangrijke rivier, de meest noordelijke Rijntak, het Oer-IJ. Velsen lag vlakbij de monding en dicht naast de noord-zuid-landroute over de Oude Duinen. Het werd bovendien gesitueerd bij het meest belangrijke heiligdom van de Friezen, opgegraven in Velserbroek. Met een vestiging in Velsen hadden de Romeinen niet alleen strategisch, maar ook politiek de regio in de greep.

Over Velsen 1 en 2.
Al sinds de oorlogsjaren worden er archeologische waarnemingen en opgravingen gedaan die verband houden met de Romeinse forten die hebben gelegen op de plaats waar nu de Velsertunnel en de Wijkertunnel liggen; Velsen 1 en Velsen 2. Hierover zijn al diverse publicaties verschenen. Deze week verscheen onder redactie van stichting Oer-IJ het boek ‘2.000 jaar strijd in het Oer-IJ landschap' over de conflicten en het wapengekletter in het driehoek Velsen, Alkmaar, Zaanstad. Binnenkort verschijnt in de publicatiereeks van archeologiemuseum Huis van Hilde de eindrapportage van het tweede fort: Velsen 2 waarin de ontdekking van Castra Flevum uitvoerig wordt behandeld.

Het blijft vreemd dat archeolische relicten 25 jaar in depot liggen en nu plots herondekt zijn, terwijl er geen vondstenlijsten van bekend zijn.
Houten schat uit Romeins fort bij Velsen na 25 jaar in kaart gebracht.
Vijfentwintig jaar lag een schat - houten voorwerpen uit een Romeins legerkamp in Velsen - bijna onopgemerkt in depots van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Dankzij een nieuw onderzoek is de unieke collectie nu beschreven en toegankelijk.

Voor archeologen staat Velsen voor een van de belangrijkste en langdurigste opgravingen die sinds de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben plaatsgevonden. Want vlak naast de monding van de tunnel en onder de rook van wat toen nog de Hoogovens heette, hebben archeologen van de Universiteit van Amsterdam en vrijwilligers van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland tussen 1972 en 1994 een compleet Romeins fort en de daarbij behorende haveninstallatie blootgelegd: Velsen I.

Van de vele duizenden vondsten die deze opgraving heeft opgeleverd, bestond een belangrijk deel uit hout. Naast hout afkomstig van de op het terrein aanwezige bebouwing of van de steigers en andere havenwerken trof men ook vele honderden houten gebruiksvoorwerpen aan. Dat er op deze plek zoveel relatief goed bewaarde houten voorwerpen, zijn teruggevonden heeft alles te maken met de bodemgesteldheid op deze plek. Hout blijft namelijk alleen lang goed wanneer het in een (vochtige) zuurstofarme omgeving wordt bewaard. En hier bij Velsen lag het eeuwenlang opgeslagen onder een dikke laag sediment (klei). Dus toch transgressies?

Beroemde waterput.
Het opgegraven bouwhout bood de archeologen de gelegenheid om uitgebreid dendrochronologisch onderzoek te doen. Dat leverde zowel voor de bouw (in drie fases), als voor de verwoesting van het fort de volgende gegevens op: de bouw van het fort begon in het jaar 14, het werd in het jaar 28 gedeeltelijk verwoest en daarna voor langere tijd verlaten. Rond 39 werd het weer herbouwd om vrij snel daarna definitief te worden opgeheven (gedeeltelijk zelfs afgebroken). Al deze jaartallen corresponderen met gegevens die we uit schriftelijke bronnen kennen. Zo is het jaar 14 het jaar waarop de Romeinse generaal Germanicus hier, aan de monding van een van de belangrijkste takken van de Rijn, zijn vloot verzamelde om vervolgens via de noordelijke zeeroute zijn aanval op de opstandige Germaanse stammen te beginnen. Het jaar 28 is het jaar waarin de Friezen in opstand kwamen, waarbij een deel van het fort verwoest werd. En het jaar 39 valt samen met het bezoek van keizer Caligula aan deze streken. Van alle houten voorwerpen is er in de jaren na de opgraving slechts een beperkt aantal, vooral duidelijk herkenbare objecten, geconserveerd. En uit deze kleine groep zijn er slechts enkele intussen ook gepubliceerd. Een paar stukken hout haalden zelfs de landelijke pers. Dat betrof de houten duigen van wijnvaten die hergebruikt bleken in de bekleding van een grote waterput. Die waterput werd beroemd omdat op de bodem daarvan het lichaam van een (vermoorde?) militair werd aangetroffen inclusief zijn zwaard, schild en met zilver beslagen riem.

1593 houten voorwerpen onderzocht.
Van al het niet direct als 'voorwerp' herkenbare hout heeft de toenmalige restaurator Tineke Spruijt van het Instituut voor Pre- en Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam ten behoeve van de studiecollectie van de Universiteit nog 996 stukken geconserveerd. Het overgrote deel van alle houten voorwerpen verdween echter ongeconserveerd en onbeschreven in een van de depots van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.

Silke Lange, houtspecialist bij het Archeologisch adviesbureau BIAX, heeft de afgelopen twee jaar in opdracht van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed onderzoek uitgevoerd naar de houten voorwerpen - het bouwhout is vrijwel geheel buiten beschouwing gebleven - van de opgravingen van Velsen I. Dat begon met een inventarisatie, die nodig was omdat van de opgegraven houtvondsten geen vondstenlijst was bijgehouden. De onderzoeker ontdekte vervolgens dat een deel van de objecten niet meer was te achterhalen. In haar rapportage schrijft ze dat 'deze objecten in de loop der jaren door uitdroging zo waren aangetast dat zij vermoedelijk zijn weggegooid'. Om hoeveel stukken dat gaat, kon zij niet vaststellen. Hoe weet men zonder vondstenlijst dat al die voorwerpen uit Velsen kwamen?

Uiteindelijk heeft Lange 1593 houten voorwerpen teruggevonden en onderzocht. Ze heeft daarbij niet alleen gekeken naar de functie maar ook naar het soort hout. Al deze voorwerpen zijn nu ook zodanig geconserveerd dat ze voor de toekomst bewaard kunnen blijven.

Uit haar onderzoek blijkt dat de voorwerpen niet alleen van lokaal hout zijn gemaakt. Zo trof zij objecten aan, gemaakt van het hout van buxus en zilverspar, bomen die normaal in mediterrane gebieden groeien. Een deel van deze uit niet-inheems hout gemaakte voorwerpen is waarschijnlijk geïmporteerd en als kant-en-klaarproduct in het fort terechtgekomen. Dat gold bijvoorbeeld voor tonnen, gemaakt van het hout van zilversparren. Dergelijke tonnen, waarvan er ettelijke zijn teruggevonden, dienden als containers voor transport en opslag van wijn. Afgedankte tonnen kregen vaak een tweede leven als beschoeiing van waterputten, of ze werden uit elkaar gehaald en de duigen hergebruikt als basismateriaal voor allerlei voorwerpen.

De aanwezigheid van houtschaven, houten hamers, handvaten van gereedschap voor houtbewerking en enkele halfproducten bewijzen dat hout ook ter plekke werd bewerkt. Dat gold zowel voor inheems als voor geïmporteerd hout. Ander houten gereedschap wijst op de verwerking van textiel in het kamp. Dergelijke vondsten bevestigen wat al eerder werd verondersteld: dat de Romeinse soldaten in het fort in vreedzame perioden naast het gewone werk ook ambachtelijke activiteiten uitvoerden.

Dat er in het fort ook niet-militair personeel was, wordt bevestigd door de vondst van houten zolen van kinder- en vrouwenschoenen.

Over de relatie tot de bewoners in de omgeving valt op basis van de houtvondsten niet veel te concluderen. Wel is duidelijk dat de Romeinen voor bepaalde doeleinden dezelfde houtsoorten gebruikten als de inheemse bevolking. Voorbeelden zijn elzenhout voor schalen en essenhout voor gereedschapsstelen.

Onderdelen van een centuriostaf.
Wat Lange ook ontdekte, was dat er in de Romeinse periode al sprake was van een bepaalde standaardisering in de productie van voorwerpen. Zo trof zij tussen de houten voorwerpen een bepaald soort kammen aan die qua makelij en zelfs wat houtsoort betreft overeenkwamen met kammen die elders bij Romeinse opgravingen zijn gevonden.
Twee heel unieke voorwerpen die houtspecialist Lange heeft kunnen determineren, zijn onderdelen van een centuriostaf. Deze uit druivenhout vervaardigde staf droeg een centurio als teken van zijn militaire macht. Dergelijke staven waren tot nog toe alleen nog maar bekend van afbeeldingen en uit beschrijvingen (onder andere bij Tacitus).





Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.