De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

De toponymisten A.C.F.Koch en R.E.Künzel.

Deze pagina wordt steeds bijgewerkt!

Het Lexicon van Nederlandse Toponiemen van Künzel, Blok & Verhoef" 'verbeterd' door het Lexicon van Blok van Nederlandse toponiemen tot 1200 geeft een overzicht van plaatsnamen. Van de 1864 gegeven plaatsnamen in dat Lexicon blijven er ruim 800 over waarvoor Blok geen locatie weet te vinden: ligging onbekend. Procentueel gaat het dan ook hier al om 43%. Daarmee komt het Lexicon van Blok aardig overeen met het woordenboek van Gysseling. Kijkt men iets nauwkeuriger dan blijkt het merendeel van Bloks vermeldingen uit het tweede millennium te stammen en daar gaat de discussie feitelijk niet over. Er blijven slechts 435 vermeldingen over uit het eerste millennium, waarvan slechts 48 uit de eerste 7 eeuwen, waaronder het bekende rijtje van de Peutinger-kaart. Over welke deskundigheid gaat het dan nog? Veel plaatsen - ik verwijs daarvoor naar de boeken van Albert Delahaye- worden ook in het Lexicon van Blok niet vermeld. Kan men daaruit de conclusie trekken dat Blok, evenals Gysseling, daarmee aangeeft dat die niet in Nederland liggen?
Verder zijn veel toponiemen van Blok vergezocht, soms zelfs lachwekkend. De etymologie bij Blok ten aanzien van Ossendrecht is te simpel voor woorden. Hij verklaart het met "waterloop" met "ossen" wat onvervalst infantiel is. Het zijn vast oude koeien die Blok hier uit de sloot haalt.

Over de deskundigheid van Blok en Gysseling mag men inderdaad grote twijfels hebben.

Maar wat blijkt? Blok en Gysseling varen weer blind op de Duitse toponymisten die het ook niet weten en bisschop Harduinus van Noyon in Nijmegen plaatsen.






De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!


In de annotaties wordt steeds verwezen naar opvattingen van Johannes a Leydis, Scriverius, Klaas Kolijn, Cornelus Aurelius e.a. In hun tijd bestond er nog geen grote twijfel aan de tradities. De Bataven hadden in de Betuwe gewoond en Willibrord verbleef in Utrecht. Ook aan het Paleis van Karel de Grote met de naam Noviomagus, stond in Nijmegen. De archeologie heeft deze zekerheden sinds vorige eeuw wel zo ernstig ondergraven (sic!), dat er geen enkele twijfel meer over bestaat dat deze 'tradities' achterhaald zijn.
Het is feitelijk onbegrijpelijk dat al die 'toponymisten' die hier genoemd worden nog nooit van het Oude Frisia in Vlaanderen hebben gehoord. Hoe kun je verantwoord namen verklaren als je niet eens weet over welke streek het gaat? Het Romeinse Flevum en Almere lagen in Frans-Vlaanderen!

In de toponymie, de plaatsnaamkunde, worden oude plaatsnamen op tegenwoordige plaatsen 'geplakt'. Het is inderdaad vaak een kwestie van 'plakken', immers meer dan de overeenkomst van enkele letters is het vaak niet.

In 1970 is het eerste deel verschenen van het ‘Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299’ lopende van het eind van de 7de eeuw tot 1222, bewerkt door A.C.F. Koch. Dit monumentale werk is het eerste Nederlandse Oorkondenboek dat geheel beantwoordt aan de eisen die de wetenschap aan een dergelijk werk stelt en een grote aanwinst voor iedereen die zich met het vroegste verleden van Holland bezighoudt. Het overtreft alle tot nu toe gepubliceerde ‘gewestelijke’ Oorkondenboeken, en het is dan ook te hopen dat het een maatstaf zal zijn voor de Oorkondenboeken die verder op stapel staan (Gelre en Noordbrabant). Aldus volgens R.E.Künzel.
Nu schrijft Künzel wel het volgende in een recensie over het boek van Koch: "Wie zich met middeleeuwse namen bezighoudt zal, wil hij zijn materiaal kunnen interpreteren, moeten weten waar, wanneer en hoe de bronnen waarmee hij werkt ontstaan zijn. Goede edities van de bronnen zijn daarom een onmisbare steun. Het nu verschenen eerste deel van het nieuwe Oorkondenboek van Holland en Zeeland van A.C.F. Koch is zo'n editie, kritisch in de interpretatie van het materiaal en betrouwbaar bij de weergave daarvan". Het is helemaal juist wat Künzel hier schrijft. Echter zij houden zich niet aan het 'waar en wanneer bronnen ontstaan zijn'. Het toepassen van Franse bronnen op Nederland vraagt op zijn minst om een toelichting, maar juist die toelichting, die het juist interessant maakt, missen we helaas te vaak. Zoals: heeft de koning van West-Francië zeggenschap in Oost-Francië? Hoe zit dat dan? Of ligt de genoemde plaats wèl in zijn rijk en niet in Nederland? In de 'vertalingen' van de plaatsnamen treffen we steeds de traditionele opvattingen aan, die blijkens de annotaties teruggaan op de 'oude historieschrijvers' uit de 14de eeuw en daarna. In hoeverre blijft dat geloofwaardig?

Het blijkt steeds weer dat de toponymisten slechts de traditionele opvattingen hanteren. Bij hen is Walacra Walcheren en Middelburch is het Nederlandse Middelburg. Van Walacria en een Middelburg met zelfs een Westkapelle in België hebben ze blijkbaar nooit gehoord. De zeer kritische opmerkingen van O.Opperman werden door Koch dan volgens Künzel 'ongedaan gemaakt' en zij stellen: ‘Zolang niet het bewijs van het tegendeel geleverd is, houd ik daarom de oorkonde voor echt’. Hun ongelijk wordt wel aangetoond door Albert Delahaye, maar ook met de oorkonden over het leven van St.Adelbert in Egmond.

De visie van Albert Delahaye.
Er moet toch sprake zijn van een groot misverstand als Delahaye de in Nederland 'onbekende' plaatsen allemaal terugvindt in Frans-Vlaanderen. Er zijn twee onweerlegbare bewijzen van de juiste streek van deze plaatsen en het gelijk van Delahaye: de taalgrens en 'waar men de overkant ziet'. Romaanse plaatsnamen die door de toponymisten als 'onbekend in Nederland' beoordeeld werden, vindt Delahaye allemaal in Frans-Vlaanderen. Dan is er toch sprake van een grote misvatting? Die misvatting werd aanvankelijk glashard ontkend, o.a. door Hugenholtz. Tegenwoordig is met wat genuanceerder en krijgt Delahaye steeds meer gelijk, o.a met de Bisschop van Nijmegen, door de MGH (zie hiernaast) in het verleden in Nijmegen geplaatst.



De belangrijkste 'handboeken'.
De belangrijkste 'handboeken' waarop de toponymie van Nederland gebaseerd is, zijn:
  • Gysseling, M. Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) Belgisch Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek 1960.
  • Künzel, R.E., D.P. Blok & J.M. Verhoeff Lexicon van Nederlandse Toponiemen tot 1200 Meertens Instituut Amsterdam 1989.
  • Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum, verzameling van oude oorkonden en akten, waaruit bovenstaanden toponymisten steeds geput hebben.
  • Historici zijn ziende blind.
    In het Tijdschrift 'Naamkunde' nemen de hiernaast genoemd toponymisten elkaar en anderen nogal eens 'de maat'. Vooral Gysseling is daarin heel sterk; Wat hij vindt zo is het! Maar lees je wat hij zelf allemaal beweerd, dan blijkt het ook maar vaak luchtfietserij ofwel zoals hij dat ooit zelf noemde "Creatief werk', met de nadruk op creatief. De Nederlandse historici varen blind op de beweringen van de hiernaast genoemde toponymisten, zonder eigen onderzoek of zelf een keer nuchter na te denken. Immers veel gegevens uit deze 'handboeken' zijn in Nederland onvindbaar en krijgen de kwalificatie 'ONBEKEND'.


    Wat weten we uit de plaatsnamen in de klassieke teksten?

    Wie naamkunde studeert zou eens een paar jaar in het onderwijs moeten gaan werken en dan met name in groep 3 van de basisschool, waar kinderen leren lezen en schrijven. Dan krijg je inzicht hoe dat werkt als je voor het eerst gesproken woord fonetisch gaat omzetten in geschreven taal. Dan begrijp je ook dat bij naamkunde de schrijfwijze geheel ondergeschikt is aan de uitspraak en hoe het komt dat bijvoorbeeld van de naam Delahaye, om maar een voorbeeld te noemen, sinds 1400 liefst 163 verschillende schrijfwijzen bestaan.

    Naamkunde is geen exacte wetenschap en speelt zich niet af volgens vooraf opgestelde vaste regels, wat sommige "deskundigen" er ook van mogen vinden. Voor plaatsnamen, de kapstok waaraan de geschiedenis is opgehangen, geldt hetzelfde. Albert Delahaye heeft in die zin ooit eens opgemerkt dat de naamkundigen de mythen hadden moeten ontdekken en niet hij. Het feit dat zij dit niet gedaan hebben, kwalificeert helaas hun 'deskundigheid'.
    De profs dr. D.P. Blok en dr. M. Gysseling zijn jarenlang de felste tegenstanders van de opvattingen van Albert Delahaye geweest. Blijkbaar doorzagen zij als geen ander de consequenties van het aanvaarden van het gelijk van Delahaye. Die felle tegenstand is slechts verklaarbaar omdat hun reputaties op het spel stonden, die helaas voor hen, hebben afgedaan.

    In de historische literatuur wordt nogal eens verwezen naar de woordenboeken van Blok en Gysseling als de juiste toponymie van een plaats "bewezen" moet worden. Hun vermeende deskundigheid staat daarbij steeds garant voor de juistheid. Maar beschikken zij wel over de juiste basiskennis om hun toponiemen te kunnen bewijzen? Een opmerking van Tom Spamer "Wie niet in één oogopslag de evolutie van Catualium naar Heel [ ...] kan doorgronden, die mist feitelijk de basiskennis om met toponiemen theorieën te gaan onderbouwen", ligt in het verlengde hiervan. Als het zo gesteld wordt, zal iedereen die basiskennis zeker missen, die Spamer, Blok en Gysseling blijkbaar wel bezitten. Overigens, als je in één oogopslag van Catualium Heel kunt maken, waarbij welgeteld één letter overeenkomt, dan moet het toch geen enkel probleem zijn om van Epternacum in één oogopslag Eperlecques te maken?

    Het toponymisch woordenboek van Gysseling en het lexicon van Blok ogen erg handig als naslagwerk. Ze geven keurig aan welke bronnen zij gebruikt hebben, wat die vermelden en wat hun determinaties en etymologieën zijn. Maar beide boeken zijn onbruikbaar als het om het vaststellen van de juiste determinaties gaat. Allereerst natuurlijk omdat het meeste er niet in staat. Hun bronnen zijn beperkt, dus in ieder geval al onvolledig. Verder zijn hun determinaties vaak achterhaald of aantoonbaar fout. Je slaat soms van verbazing achterover en vraag jezelf dan af: Hoe bestaat het? Komt men daar mee weg in naamkundig Nederland? Is daar die grote naam en faam van beide heren op geënt? Maar bovenal geven zij bij het merendeel van de genoemde plaatsen zelf al aan dat ze het ook niet weten, dat de ligging van de genoemde plaats voor hen onbekend is. Een overzicht van de plaatsnamen uit het eerste millennium in de belangrijkste provincies geeft de volgende percentages onbekend:
    • Utrecht 42%
    • Zeeland 44%
    • Friesland 49%
    • Limburg 12%
    • Gelderland 34%
    • Groningen 26%
    • Noord-Brabant 14%
    • Noord-Holland 67%
    • Zuid-Holland 55%
    Dat is dus gemiddeld bijna 40% onbekend, ofwel vier op de tien! Daarbij komt nog dat een beperkt aantal bronnen is gebruikt. Veel bronnen die Gysseling niet kende of in het geheel niet kon plaatsen, zijn bij voorbaat vermeden Een voorselectie is uiteraard zeer onwetenschappelijk.



    Het ‘Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299’ door A.C.F.Koch, Deventer 1969.
    In het voorwoord schets Koch de 'voorgeschiedenis' van het tot stand komen van dit Oorkondenboek. Het is met de nodige hobbels en zorgen tot stand gekomen.
    Opmerkelijk is het aantal keren dat er aanvullingen met tot dan toe onbekende oorkonden heeft plaats gevonden. Hoe zorgvuldig is men dan vanaf het begin wel geweest?
    De lange geschiedenis van het Oorkondenboek van Holland en Zeeland neemt een aanvang bij het vierdelige 'Groot charterboek der graven van Holland, van Zeeland en heeren van Vriesland', samengesteld door de geleerde kunstschilder Frans van Mieris jr. (1689-1763). Een kunstschilder kan niet verweten worden geen notie van naamkunde te hebben. In zijn tijd (de 18de eeuw) waren de mythen rondom de traditionele geschiedenis er al zo heftig ingeprent, dat men vanaf het begin geen enkele notie van de onjuistheid van die mythen had. Ook latere historici hebben de mythen niet doorzien. En op die mythen is het hele Oorkondeboek gebaseerd.

    Deel I, verschenen in 1753, behelst de tekst van een 820 documenten, meestal oorkonden, van vóór het einde van het zogenaamde Hollandse huis der graven van Holland in 1299. Een annotatie bij de daar gedrukte teksten ontbreekt bijna geheel. In plaats hiervan biedt Van Mieris Nederlandse vertalingen van de meeste Latijnse en Franse documenten. En juist met die 'vertalingen' is het wat de plaatsnamen betreft vanaf het begin faliekant fout gegaan. Het Oorkondeboek begint met een tekst uit het jaar 726 waarbij Willibrord aan het klooster te Echternach goederen schenkt. Het klooster te Echternach bestond nog niet in 726. De echtheid van deze oorkonden werd ook al betwist, evenals veel van die oudere oorkonden. De vervaardiger zou in 1190 Diederik van Echternach geweest zijn (p.2-4 in de uitgave van Koch). Zo zijn er meerdere oorkonden die aan de nodige twijfel onderhevig zijn geweest of nog zijn. Zie daarvoor het Oorkondenboek op de website van het Huygens Instituut.

    We noemen hier ter illustratie van bovenstaand enkele oudere oorkonden: nr.3: origineel noch afschrift voorhanden; nr.4: schijnbaar origineel (tussen begin 12de en 13de eeuw?) niet voorhanden; nr.5: origineel niet voorhanden (afschriften uit 1170-1195); nr.6: origineel niet voorhanden (afschriften uit 1170-1195); nr.7: origineel niet voorhanden (afschriften 3e decennium 9e eeuw en uit 1170-1195): nr.8: vergelijk hiervóór nr.7; voor nr.9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 geldt hetzelfde als voor nr.7: origineel niet voorhanden, afschriften uit de 12de eeuw. Met oorkonde 18 zijn we al in het jaar 855 aanbeland.
    Met nr.26 zijn we al in de 10de eeuw, waarbij Karel III in 916 het bezit herstelt van klooster van Prüm van de abdij van Susteren. Let speciaal op: de abdij van Susteren zou het Souastra uit de oude akten zijn geweest en volgens de traditionele opvattingen gesticht zijn door Willibrord. Blijkbaar was de abdij van Susteren dus niet het bezit van Utrecht, maar van Prüm. Echternach heeft Susteren ook nooit geclaimd als voormalig bezit van St.Willibrord waar zij recht op zou hebben. Lees meer over de werkwijze van Echternach en de noodzaak van Echternach om in bezit van 'verloren' goederen te komen.


    Anders van opzet, maar door zijn omvang en inhoud toch te beschouwen als een aanvulling op Van Mieris' Charterboek, is de 'Codex diplomaticus' die de Leidse hoogleraar Adriaan Kluit (1735-1807) verbond aan zijn 'Historia critica comitatus Hollandiae et Zeelandiae'. In deze Codex diplomaticus heeft Kluit niet minder dan 422 oorkonden en andere Hollandse en Zeeuwse documenten, waaronder 391 ouder dan het jaar 1300, uitgegeven en gecommentarieerd naar wetenschappelijke maatstaven die ook nu nog onverdeelde bewondering afdwingen.

    Het Provinciaal Utrechtsch Genootschap gaf aan A. Elink Sterk jr. de opdracht op de nog in manuscript van Van Miers aanwezige vervolgdelen op het Groot Charterboek een register samen te stellen. Dat verscheen in 1859. Het zou de rijksarchivaris R. C. Bakhuizen van den Brink zijn, die in 1857, in het Historisch Genootschap te Utrecht, wees op het gebrek aan nauwkeurigheid en volledigheid van Van Mieris'werk.
    De eerste afdeling van het Charterboek was toegewezen aan mr. L.Ph.C. van den Bergh (1805-1887), adjunct van de rijksarchivaris en na de dood van Bakhuizen in 1865 zelf rijksarchivaris. Deze ging met voortvarendheid te werk. Van den Berghs Oorkondenboek is door de kritiek niet genadig ontvangen. Belangrijk is de bespreking die Robert Fruin in 1875 aan het boek wijdde. De bezwaren van Van Mieris' Charterboek kleven voor een belangrijk deel ook aan het nieuwe Oorkondenboek. Hier staat tegenover, dat dit laatste niet minder dan 1801 nummers telt.
    Toch waren ook nu vele Hollandse en Zeeuwse oorkonden van vóór 1300 ongedrukt gebleven. De geleerde koopman James de Fremery (1826-1899) bezorgde in 1894 en 1899 in de 'Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde' 32 oorkonden uit de dertiende eeuw. Postuum, in 1901, verscheen zijn 'Supplement [bij het] Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot het einde van het Hollandsche huis' inhoudende 338 integraal of partieel gedrukte oorkondeteksten.

    Reeds in 1912 overwoog het bestuur van het Historisch Genootschap te Utrecht de publicatie van een tweede supplement op Van den Berghs Oorkondenboek. De historicus dr.Henri G. A. Obreen (1878-1937) was tot de ontdekking gekomen, dat in België nog menige Zeeuwse oorkonde aanwezig was. Voorlopig en met tussenpozen werden de door hem daar gevonden stukken gedrukt in de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap (1913, 1922, 1926, 1928 en 1929). In 1930 bracht de Groninger hoogleraar dr. I. H. Gosses in het Historisch Genootschap te Utrecht opnieuw het denkbeeld te berde van een tweede supplement op Van den Berghs Oorkondenboek. Tevens verklaarde Gosses, dat zulk een onderneming, gelet op haar voorgeschiedenis, een aangelegenheid was van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. In deze Akademie stelde hij voor, in dit nieuwe supplement toch ook de oorkonden uit De Fremerys Supplement op te nemen, en Obreen te verzoeken de samenstelling ervan te verzorgen. In 1933 bleek echter, dat de regering bij haar bezuinigingen, de subsidies voor de Akademie voor 1934 zozeer had verminderd, dat deze voorlopig geen geld voor publicaties beschikbaar kon stellen.

    Het plan voor een nieuwe Van den Bergh, op het eind van 1933 geopperd door Gosses, vond een goed onthaal bij de uitgever Wouter Nijhoff en bij Obreen. De werkkracht van Obreen was groot; groter nog was de voortvarendheid van Nijhoff. Twee jaar reeds na het besluit van de Akademie om een nieuw 'Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot het einde van het Hollandsche huis (1299)' te brengen, in januari 1936, lagen de eerste oorkondeteksten bij de uitgever. Op 2 juni 1937 was de eerste aflevering van zes vel met 188 oorkonden (tot het jaar 1168) gereed. De verschijning ervan heeft Obreen niet beleefd. Hij overleed op 22 augustus bij de correctie van de eerste proef van vel 8 (1187 en volgende jaren).
    Ook al was de tekst-annotatie in het nieuwe Oorkondenboek veel uitvoeriger dan die in de edities van Van den Bergh en De Fremery of die in het tussen 1920 en 1925 verschenen eerste deel van het Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, toch moesten de gebruikers van de eerste en enige aflevering van Obreen's Oorkondenboek weldra ervaren dat, waarschijnlijk door de haast waarmee was gewerkt en door Obreen's gebrek aan ervaring in de omgang met oorkonden ouder dan de dertiende eeuw, menige wens onvervuld en menige vraag onbeantwoord was gebleven. Dr. C. D. J. Brandt werd bereid gevonden het werk van Obreen voort te zetten, maar reeds spoedig maakte de oorlog een voortzetting van deze onderneming onmogelijk. Gosses overleed in 1940. Zijn opvolger als toezichthoudend lid van de Akademie, prof.dr. J. Huizinga, heeft met het werk practisch geen bemoeienis gehad.

    Het materiaal voor het Oorkondenboek lag opgeborgen onder de Utrechtse Domtoren. In 1950 benoemde de Koninklijke Akademie van Wetenschappen een Commissie voor de uitgave van het Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Hierin hadden zitting de hoogleraren dr.R.R.Post als voorzitter († 1968), dr.C.D.J.Brandt († 1966), dr.D.Th.Enklaar († 1962), dr.J.F.Niermeyer († 1965) en dr.B.H.Slicher van Bath, voorzitter sedert 1968. De Commissie werd in 1966 aangevuld met prof.dr.C.van de Kieft, secretaris, en in 1968 met dr.D.P.Blok en dr. M. P. van Buijtenen. Besloten werd, het werk van Obreen niet voort te zetten, doch een geheel nieuw Oorkondenboek op stapel te zetten. In 1952 werd A.C.F. Koch aangewezen als de bewerker van dit Oorkondenboek. In 1963 werd drs. J.G.Kruisheer aangesteld als zijn medewerker. Van 1951 af heeft de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (Z-W.O.) jaarlijks subsidies toegekend.

    Hierna volgt een hele lijst van liefst 84 beheerders van de instellingen, archieven en bibliotheken, die de bewerker van het Oorkondenboek behulpzaam zijn geweest bij de raadpleging van charters en handschriften. Waardevolle adviezen en hulp zijn ontvangen van verschillende oudheidkundigen en historici zoals D.P.Blok, C.Dekker, M.Gysseling, H.Halbertsma, E. Verhulst, C.van de Kieft, J.F.Niermeyer, J.G.Kruisheer en G.van Herwijnen, die elders op deze website genoemd worden en stevig hebben bijgedragen aan het vaststellen van de traditionele opvattingen.

    Het is feitelijk onbegrijpelijk dat geen van de hele lijst 'deskundigen' ooit gewezen heeft op het feit dat men met het Oude Frisia in de verkeerde streek aan het zoeken was. Van Frisia in Frans-Vlaanderen had men blijkbaar nog nooit gehoord. Ook de deplacements historiques bleek bij hen onbekend. Hoe kun je verantwoord namen verklaren als je niet eens weet over welke streek het gaat? Het Romeinse Flevum en Almere lagen in Frans-Vlaanderen!




    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.