Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De Annalen van Egmond ofwel het Cartularium van Egmond.

Er moeten grote en meerdere vraagtekens gezet worden bij de idee dat St.Willibrord bisschop van Utrecht geweest zou zijn. Archeologisch is aangetoond dat Utrecht in de 8e eeuw nog niet eens bestond. Er is niets gevonden uit de tijd van St.Willibrord, ook geen (resten van een) kerk zoals steeds beweerd wordt.
De oudste schriftelijke bronnen over de geschiedenis van Utrecht vermelden St.Willibrord niet eens!
Pas aan het einde van de 12e eeuw wordt door de abdij van Echternach beweerd dat St.Willibrord apostel van de Friezen was, waarna de abdij zogenaamde kerkelijke goederen ging claimen in Noord-Brabant en Holland. Let op: Echternach heeft nooit claims gelegd in Utrecht of Friesland.



Egmond Binnen.

Apostel van de Friezen was inderdaad juist, maar het waren de Friezen uit het oude Frisia in Vlaanderen en niet die uit het in de 11e eeuw ontstane Friesland. Met de ontginningen vanaf de 10e eeuw zijn veel 'Vlamingen' naar het noorden getrokken om de vrijgekomen gronden te ontginnen. Zij namen behalve enkele tradities ook veel plaatsnamen mee, die een opvallende overeenkomst hebben met plaatsen in Frans-Vlaanderen, zoals Lewarde, Dokhem, Abbehem, Arakum, Beingthum, Bethune, Bours, Harica, Collum, Lottinghen, Echingen (Schingen), Estaires (Staveren), Westrehem (Westhem), Winquel (Winkel), Sangatte (Zandgat), Surques (Zurich) enz. Het verklaart ook de vreemde namen die men in Friesland vindt, zoals Sexbierum (geen sterke drank waarvan men lyrisch wordt), Ypecolsga, Valem, Plaam, Doyum en Zurich (niet de stad in Zwitserland) om er enkele te noemen.

Over het algemeen zijn de plaatsnamen uit de oorkonden van Toumehem met gemak in Frankrijk en Vlaanderen aan te wijzen, wat terecht enige verbazing kan wekken omdat wij weten dat het Cartidarium van Egmond minstens een tweede kopie is, een afschrift van een afschrift. Plaatsnamen, en zeker vreemde namen, die in de eigen streek niet voorkomen, zijn de meest kwetsbare woorden in afschriften, vooral als blijkt of men veronderstellen kan dat een plaatsnaam uit de eigen kennis van de kopiist hem bewust of onbewust tot een lichte of zwaardere verschrijving kan hebben gebracht. De gevallen, waar een verschrijving kan worden verondersteld, zijn hier zeldzaam. Met andere woorden: de plaatsnamen waren voor een kopiist zó vreemd dat hij er niets anders van kon maken. Geen wonder! want het zijn over het algemeen Romaanse namen, die reeds op dit gegeven niet in Nederland thuishoren en waarvan in Nederland geen gelijkklinkende namen bestonden. Het zou bijvoorbeeld tot de 20e eeuw duren alvorens een moderne “kopiist” van Strouanne Stroe durfde te maken!



GENT EN EGMOND
De toepassing van de oorkonden van Trajectum in de omgeving van Tournehem bewijst dat het geen "Utrechtste" oorkonde zijn. De dokumentatie van het bisdom Trajectum is door een merkwaardig toeval terecht gekomen in de abdij van Egmond en werd daar samengebracht in het Cartularium van Egmond, een codex uit de 12e eeuw, waarin ook andere werken staan zoals enige kronieken.
De akten zijn niet van Utrecht afkomstig, dat integendeel op zijn beurt een afschrift gekregen heeft van het Cartularium. Aan de hand van een paar, overigens zwakke aanduidingen werd aangenomen dat de verzameling bijeengebracht zou zijn door Radboud, de laatste bisschop van Trajectum/Tournehem, om de rechten van het bisdom te verdedigen.
Het bisdom is in het begin van de 10e eeuw verloren gegaan, nadat de Noormannen in 911 een grondgebied van Normandië kregen en daar een hertogdom stichtten. De graaf van Vlaanderen kreeg Morinië en een deel van Artois in bezit. Hij maakte van Gent een politiek en kultureel centrum en begunstigde de abdij aldaar op alle mogelijke manieren. Andere abdijen, onder andere die van Wormhoudt en die van St. Bertijn te St. Omaars, heeft hij leeggeplunderd om Gent te verrijken. Hij heeft zich ook intensief bezig gehouden met een herverkaveling van de kerkelijke bezittingen, want in dezelfde tijd ziet men tal van dorpen en kerken van eigenaar of beheerder veranderen, welk proces trouwens al op gang was ten tijde van de overheersing van de streek door de Noormannen. Een en ander viel samen met de nieuwe indeling van de bisdommen Terwaan en Boulogne.
In deze ontwikkeling was geen plaats meer voor het oude missie-bisdom Trajectum, dat de laatste tijd toch al weinig levensvatbaarheid had en dat hiërarchisch gezien er zo 'n beetje bij hing; beurtelings leunde het tegen Reims of Keulen aan. Na zijn vlucht voor de Noormannen in 857 is bisschop Hunger omstreeks 863 weer terug in het bisdom. Tussen 870 en 895 wordt Odilbald enkele malen als bisschop van Trajectum genoemd. Dan blijkt ook dat het bisdom ressorteerde onder het aartsbisdom Keulen, wat in het geheel niet op Utrecht wijst, daar het noorden van Frankrijk onder het Duitse rijk viel en de kerkelijke indeling de wereldlijke volgde. Aangenomen mag ook worden dat de graaf van Vlaanderen vreemde invloeden heeft willen weren en dat hij schoon schip heeft gemaakt met personen, die de schijn op zich hadden geladen te slaafs met de Noormannen samengewerkt te hebben. Na 911 immers is de uittocht van de Noormannen uit Frans Vlaanderen en Morinië begonnen, die naar Normandië trokken.

St. Radboud is tussen ca. 900 en 917 de laatste bisschop van Trajectum/Tournehem geweest. Tussen 914 en 917 schreef paus Johannes X aan de aartsbisschop van Keulen, dat hij de twist tussen bisschop Radboud en graaf Meginhard had bijgelegd. In een brief staan geen nadere details. Niet onmogelijk is dat de kwestie verband heeft gehouden met de opheffing van het bisdom. Na 917 komt het bisdom Trajectum niet meer in de bronnen voor. Een goede vijftig jaren later verschijnt het nieuwe bisdom Utrecht, nieuw in hiërarchieke zin maar ook nieuw als grondgebied, daar het geheel gevormd werd uit de nieuwe alluviale gronden van ná de transgressies. De oudere gronden van het huidige Nederland waren al lang tevoren door de bisdommen Keulen, Munster, Luik en Kamerijk ingenomen en verdeeld, een stratigrafisch detail dat het ontstaan van het bisdom Utrecht ten stelligste tegen het midden van de 10e eeuw plaatst. De breuk tussen het oude en het nieuwe bisdom is zeer duidelijk. Die breuk bedraagt overigens meer dan 50 jaren, want het nieuwe bisdom Utrecht nam pas in de 12e eeuw aarzelend de traditie over, die het aangepraat had gekregen door de abdij van Echternach, dat Utrecht de zetel was geweest van St. Willibrord.

De oorkondenverzameling van het oude bisdom Trajectum is van Gent uit terecht gekomen in de abdij van Egmond, die een stichting vanuit Gent was. Dit was geen grote stap doch in feite slechts de uitleen van een boek van één kloostercel naar een andere. Dit is zonder enige opzet gebeurd en helemaal niet met de intentie om Egmond de dokumentatie te bezorgen van het bisdom Utrecht. Misschien kan het wel een zekere voorzorg betekend hebben. Toen namelijk de abdij van Echternach in de loop van de 12e eeuw begon de verdwenen kerken en goederen van St.Willibrord terug te zoeken, had zij ook Egmond op het lijstje staan van de gepretenteerde kerken. Bij het sluiten van een overeenkomst tussen de graaf van Holland en de abdij van Echternach in 1156, waarbij deze inplaats van haar prententie op 25 kerken in Holland genoegen nam met enig grondbezit op Schouwen (wat aantoont dat Holland die eisen nauwelijks serieus genomen heeft), is de abt van Egmond in Echternach aanwezig geweest, waaruit blijkt dat de abdij ook partij in het geschil was. De codex met de oorkonden van Trajectum is in Egmond als een groot vraagteken blijven liggen. Immers: de monniken van Egmond hebben op geen enkele manier te verstaan gegeven of laten blijken, dat zij de oude dokumentatie van Utrecht hadden. Integendeel: in hun Annalen hebben zij geen gegevens eruit overgenomen of op Nederland toegepast, zelfs niet het kapitale feit dat St.Willibrord de eerste bisschop van Nederland zou zijn geweest. Dit is door anderen gedaan, nadat het bisdom Utrecht een afschrift gekregen had van de oude akten.
Lees meer over de oorkonde van 1063, de Kerken in Holland, St.Adelbert, Echternach en Utrecht.

Alle begin van de grote spraakverwarring moeten we zoeken bij onze oudste historieschrijvers en vooral die uit de 16e en 17e eeuw. Tevoren waren al enkele schrifturen bekend, zoals van Melis Stoke, van Johannes à Leydis en van de naschrijvers Johannes de Beka en Wilhelmus Heda, die aan de oorsprong stonden van de grote spraakverwarringen.

De visie van Albert Delahaye.
De abdij van Egmond is in de 12e eeuw gesticht, en niet omstreeks 950 wat altijd ten onrechte is aangenomen.
De dokumentatie van het bisdom van St. Willibrord staat praktisch geheel in één codex, het befaamde Cartularium van Egmond, dat in de 12e eeuw in de abdij van Egmond via Gent terecht kwam. Van tevoren is het in Nederland niet bekend geweest, wat dan ook duidelijk maakt waarom vóór de 12e eeuw in Nederland met geen woord is gerept over Willibrord en diens bisdom.
Utrecht kreeg pas in de dertiende eeuw vanuit de abdij van Egmond een kopie van het Cartularium, dat afkomstig was uit Gent en daarvoor uit de St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars, vlakbij Tournehem. De honderden toponiemen uit dit Cartularium kunnen in Nederland -op een enkele foutieve na- niet aangewezen worden. In de omgeving van Tournehem en St.-Omaars, het kernland van de Angelsaksische missionering, zijn ze allemaal terug te vinden.
Er is altijd van uitgegaan dat de abdij van Egmond gesticht is in 950 (ook Albert Delahaye hield aanvankelijk vast aan dat jaartal), echter na bestudering van alle gegevens blijkt de abdij uit de 12e eeuw te stammen. Lees meer over de abdij van Egmond.


De Annalen van Egmond.
De Annales Egmondenses uitgegeven en vertaald door Marijk Gumbert-Hepp en Johan Peter Gumbert, is uitgegeven door J.W.J.Burgers (2007). Het is een interessante en lezenswaardige uitgave die vooral het begin van het ontstaan van veel mythen verduidelijkt. Interessanter dan de inhoud is de geschiedenis van dit handschrift, ofwel het ontstaan en de herkomst van de Egmondse Annalen en de toepassing ervan in de 'Hollandse' tradities.
De Annalen van Egmond (Latijn: Annales Egmundenses) (ontstaan ca. 1110-1205) bestaan niet uit één aaneen gesloten handschrift, maar is samengesteld in meerdere perioden en uit meerdere bronnen. Het werk is het oudste 'Hollandse' geschiedwerk en vormt de hoofdbron voor de vroege geschiedenis van het graafschap Holland. De Annalen van Egmond werden vanouds in de Sint-Adelbertabdij in Egmond-Binnen bewaard. Rond 1270 zijn de Annalen ten behoeve van Floris V omgewerkt tot het Egmondse Chronicon, dat ruimer verspreid werd en tot in de achttiende eeuw een grote rol in de vaderlandse geschiedschrijving heeft gespeeld. De Chronicon Egmundanum is dan weliswaar een bewerking van de Annalen, maar men mag het niet als 'enkel een bewerking' afdoen: het heeft een eigen aard en bedoeling, en verdient niet alleen daarom respect, maar ook omwille van de rol die het tussen 1270 en 1859 in de Nederlandse historiografie gespeeld heeft. En hierbij is het dus oppassen, immers alle latere werken die geschreven zijn naar het Chronicon Egmundanum of dat als voorbeeld gebruikt hebben (naschrijverij!), gaan uit van de eenmaal onjuist geïnterpreteerde gegevens. Voorbeelden zijn de boeken van Johannis à Leydis en die van Johannes de Beke en Wilhelmus Heda. Het is dan soms interessanter wat zij NIET vermelden, dan wat ze wel beschreven hebben.


Tekening van Cornelis Pronk, ca. 1725, met de restanten van de abdijkerk van Egmond. Het timpaan bevindt zich zichtbaar nog boven de poort, maar sinds de 19e eeuw in het Rijksmuseum in Amsterdam.

Over het ontstaan van de Egmondse Annalen wordt over verschillende 'handen' gesproken. We hebben hierbij 'het geluk' het 'originele' exemplaar te bezitten, schrijft Burger. Hoe hij dat weet blijft een vraag. De meeste annalen en dergelijke aantekeningen uit de vroege middeleeuwen zijn producten van een klooster of een kapittel, bestemd voor huisgebruik en daarbuiten niet bekend. In de latere middeleeuwen komen de historische compilaties uit voort, die een particulier (vaak een geestelijke of rechtsgeleerde die immers wat potjes-Latijn kenden) als hobby heeft samengesteld. Er heeft waarschijnlijk nooit meer dan het ene, originele exemplaar bestaan. Dat heeft het ietwat paradoxaal aandoende gevolg, dat verreweg de meeste historische teksten verloren zijn zonder ook maar de minste sporen na te laten - maar àls wij zo'n tekst nog hebben, hebben we ook vaak het originele (immers: het enige) exemplaar (is de gedachte). Als een werk evenwel een wijdere verspreiding heeft gekregen, is de kans dat er tenminste één exemplaar van is bewaard, groter, maar de kans dat dat het origineel is, veel kleiner.

In deze uitgave van Gumbert/Burgers worden verschillende auteurs ('handen') genoemd; de handen A, C, en F zijn door Opperman zo genoemd; Allinus is door Burgers geïdentificeerd; 'E1 - E4 zijn Egmondse handen; L zijn (verschillende) latere Egmondse handen. Het zijn dus wel allemaal monniken geweest van wie de verschillende 'handen' zijn en die eventuele wijzigingen en gebeurtenissen (door wie opgedragen of voorgesteld?) hebben tussen- of toegevoegd aan het oorspronkelijke handschrift. En hier begint dus de grote verwarring. Wat is origineel, wat zijn latere tussengevoegde opvattingen? En door wie en waarom werden die tussengevoegd?

De dateringen van de verschillende handen is interessant en opvallend: Hand A ca.1100 (let op het ca.!), hand E ca.1100-1120, hand F ca.1200 en de Allinus 1248-1248. Aan hand A wordt de tekst van het Cartularium Radbod toegeschreven, aan hand E-1 worden de tekst van Einhart, Vita Karoli Magni en een tekst 'Prosapia...' toegeschreven. ., later o.a. gebruikt door Johannes de Beka. Hand C betreft de periode van 877-1111 en zou ca.1120 zijn toegevoegd aan A. Al deze dateringen zijn dan wel aangenomen, ze geven wel aan dat de Annalen en Chronicon niet ouder zijn dan de 12e eeuw. Het zegt ook niets over waar deze 'handen' verbleven (Egmond? Gent? Utrecht?) Over hand C wordt opgemerkt dat deze 'een knutselwerk' afleverde en een nieuw beginpunt koos: 685, de opvolging van hofmeier Pepijn 'van Herstal' (p.XIX).
Met betrekking tot het 'Cartularium van Radbod' vragen de auteurs zich af, waarom dit boek (als het Utrechts werk is, of misschien nog ergens anders naar een Utrechts voorbeeld is geschreven) naar Egmond is verhuisd, of (gesteld dat het toch Egmonds werk zou zijn) waarom men het in Egmond zo belangrijk vond het te bezitten dat men het zelf heeft laten afschrijven (p.XV). En juist om deze vragen draait het hele probleem rondom het Cartularium van Radbod: was het wel van Utrecht? Was het wel van Egmond? Of kwam het toch uit Gent? En is het gemaakt in Frans-Vlaanderen?

Tien Eeuwen Egmond.
In het boek 'Tien eeuwen Egmond' (uitgave 1950) over ontstaan, bloei en ondergang van de abdij van Egmond, is een bundel opstellen verzameld onder redactie van DOM Andreas Beekman (O.S.B.) bij gelegenheid van het tiende eeuwfeest van de (vermeende) stichting van de abdij in 950. Met Adelbert doet ook St.Willibrord zijn intrede in Holland. Hoewel Adelbert wel een medegezel van St.Willibrord wordt genoemd, was hij dat niet. Dat zijn later ontstane mythen. De relatie van Adelbert met het klooster van Egmond wordt door meerdere historici 'volkomen legendarisch' genoemd. Lees meer over St.Adelbert.
Dit boek is ruim voorzien van de tradities rond St.Adelbert (zie medaillon hiernaast) die bijna volledig uit mythen en legenden bestaat. Toch komen verschillende auteurs tot verrassende uitspraken. Zo bleek Egmond ten tijde van Adelbert nog geen kerk te bezitten. De vraag is dan ook aan welke kerk deze heilge diaken verbonden was? (p.14) Prof.dr.L.J.Rogier, auteur van het opstel over 'de ondergang der kloosters' kwam in zijn eigen publicatie al eerder tot de volgende conclusie: "vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van
Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden"
.

Voor de stichting van de abdij van Egmond wordt graaf Dirk 1 omstreeks 925 als stichter gezien. Echter hij stichtte volgens de bronnen een nonnenklooster, dat als eerste 'erewacht' bij de relikwieën van St.Adelbert op dezelfde plaats zou hebben gestaan, waar later de abdij zou verrijzen. Zijn zoon Dirk Il, verving de nonnen door monniken en moet derhalve als feitelijke stichter van de abdij in het jaar 950 worden beschouwd. Dirk II haalde die monniken uit het 'moeder'klooster in Gent.
Dan komen we bij het gegeven of graaf Dirk II al als graaf van Holland beschouwd mag en kan worden. Juist uit die 'beginperiode' is veel onduidelijk en vooral gebaseerd op talloze aannamen. Enkele jaartallen zijn af te leiden uit schriftelijke gegeven. De oorkonden en regesten van de graven van 'Holland' beginnen echter pas met het jaar 967 en zijn gedateerd te Blandinium (=Gent) en handelen over goederenbezit van de St.Pietersabdij. Pas in 1083, onder Dirk V (regeerperiode 1061-1091), wordt voor het eerst Egmond genoemd. De 'regeerperiode' van Graaf Gerulf was tussen ca.885 en ca.889. Hij was de vader van Dirk I regeerde van ca.916 tot 939, Dirk II regeerde van ca.970 tot-988. Of hij werkelijk de zoon was van Dirk I is aan twijfel onderhevig, vanwege het grote leeftijdsverschil tussen beiden. Enkele historici menen dat er tussen Dirk I en Dirk II nog een andere graaf geweest moet zijn, vaak Dirk I-bis genoemd. Zo worden wel vaker 'gaten' in de geschiedenis gedicht. Dirk II groeide op in de leefgemeenschap van de St.Pietersabdij in Gent. Maar in het jaar 950 zou hij volgens deze gegevens nog niet geboren zijn. In 939 kan hij zijn vader, die toen sneuvelde, dan ook niet opgevolgd zijn.

Afbeelding: Het timpaan van Egmond is een reliëf dat afkomstig is van de Sint-Adelbertabdij in Egmond. Het bevindt zich sinds de 19e eeuw in het Rijksmuseum in Amsterdam.

In de jaren1903, 1920, 1941 en 1947/48 is archeologisch onderzoek gedaan op het terrein van de abdij van Egmond (hoofdstuk 12 in 'Tien Eeuwen Egmond'). Naast Romeins en Pingsdorper aardewerk zijn er meerdere cultuursporen waargenomen, die volgens de opgravers op zijn vroegst teruggaan tot in de 9e/10e eeuw. Hoe vaag kun je zijn? Ziet u ook hier weer het gat tussen Romeins en 10e eeuw? De opgravers menen dat het in hoogste mate waarschijnlijk is dat er vóór de stenen abdijkerk met zijn minstens drie bouwperioden nog een bescheidener, eveneens Christelijk bedehuis is geweest. Hoe weet men dat het bedehuis Christelijk was? Dat de gedachte hierbij onwillekeurig uitgaat naar het houten, door Dirk I gestichte oratorium, is wel vanzelf sprekend. De onmiddellijke overblijfselen daarvan zijn echter blijkens het boven gereleveerde tot nu toe niet gevonden. Zij bevinden zich niet onder de stenen abdijkerk, ook niet onder de oudste bouwsporen daarvan (p153 in 'Tien Eeuwen Egmond'). De gedachte gaat juist niet willekeurig uit naar een aangenomen geschedenis, maar juist geheel doelbewust.



Nieuwe studies van historicus Jurjen (G.N.M.) Vis (1958-2019) over Egmond.
In het begin van de tiende eeuw stichtte graaf Dirk I van Holland, een nonnenklooster te Hallem (het huidige Egmond-Binnen). Op grond van een visioen van een non werd een kapel gebouwd voor de relieken van Sint Adelbert, die tot dat moment in een kleine kapel in de duinen hadden gerust.
Bij de translatie van Adelbert op 15 juni 922 naar de kloosterkerk welde in zijn graf een wonderbare bron op. Veel blinden en bezetenen genazen door zich met het water te wassen of ervan te drinken, aldus de Vita Adalberti (ca. 985). Ook in de kloosterkerk, waar de nonnen voortaan de eredienst van de heilige verrichtten, vonden dergelijke genezingen plaats.
In 950-960 werd een stenen kerk neergezet en werden de nonnen door monniken vervangen. Lange tijd oefende de Adelbertsput grotere aantrekkingskracht op pelgrims uit dan de relieken in de abdij zelf. De monniken, die de pelgrims liever in hun abdij zagen komen, probeerden greep te krijgen op de pelgrimage en bouwden in 1113 een kapel boven de put. In de Miracula Nova Sancti Adalberti (ca. 1120-1143) wordt de put niet genoemd. Ook in het Officie van Sint Adalbert (ca. 1150) wordt alleen aandacht geschonken aan de relieken. In een van de gezangen laat de auteur van het Officie Adelbert zeggen: 'Het stamt [...] uit een goddelijk raadsbesluit dat de relieken van mijn lichaam niet langer verborgen blijven.' De boodschap lijkt duidelijk: wie de put bezoekt en niet de relieken, handelt in strijd met Gods wil. De Egmondse abten waren op geld beluste voogden.


Jurjen Vis vertelt hier een wonderbaarlijk verhaal met een aantal waarheden, maar gaat wat St.Adelbertus betreft helaas toch de fout in. Zie de 17 feiten over St.Adelbert.

Het Cartularium van Egmond
Dit Cartularium bevat een serie oorkonden, waarin schenkingen over goederen en rechten staan. Het gros van de plaatsnamen in het Cartularium staat in de lijst van ca. 870. Bisschop Hunger van Tournehem was in 857 voor de Noormannen gevlucht. Hij keerde na verloop van tijd in zijn bisdom terug en zette zich aan het werk om weer orde op zaken te stellen. Daartoe riep hij groepen mensen op om te getuigen wat het bisdom in bezit had gehad. Het relaas van zijn onderzoek heeft een lange opsomming van plaatsen opgeleverd. De namen uit zijn lijst en uit de oorkonden liggen alle in Frans Vlaanderen.

De plaatsnamen uit de oorkonden van het bisdom Trajectum - Tournehem. De 262 plaatsnamen uit het Cartularium, de meeste puur romaans, die sowieso al niet in Nederland gelegen kunnen hebben, zijn namen van plaatsen, die dus volgend de Nederlandse 'traditie' tussen 690 en 870 rond Utrecht gelegen moeten hebben. Een periode waarin in het laagland van Nederland niet eens het bestaan van één plaats archeologisch bewezen is. Laten we het maar onverbloemd en cru zeggen, zodat het goed tot eenieder doordringt: de nederlandse medievisten staan wat te kletsen over St. Willibrord in Utrecht, terwijl alle kerken, goederen en rechten van diens bisdom in Frans Vlaanderen liggen. Het schandalige van dit alles is dat zij het sinds 1965 weten, en dat zij welbewust en kwaadaardig voortgaan het Nederlands publiek te misleiden, simpelweg omdat zij hun blunderingen niet kunnen toegeven.
Zij weten dat het Cartularium van Egmond 262 namen van plaatsen bevat, die nooit in Nederland gevonden zijn en derhalve daar niet hebben bestaan. Zij weten dat Trajectum en Dorestadum tussen 260 frans-vlaamse plaatsen staan, en derhalve Utrecht en Wijk bij Duurstede niet kunnen zijn geweest. Zij kennen het bestaan van 262 bewijzen, dat het bisdom van St. Willibrord geheel iets anders was, en in een geheel andere streek lag dan het bisdom Utrecht. Maar zij weten ook dat het gewone publiek geen notie heeft van de 262 frans-vlaamse plaatsen in de dokumentatie over St. Willibrord. Vandaar is te verklaren waarom zo angstvallig vermeden werd een diskussie over St. Willibrord of diens bisdom te beginnen, want dan gaat het deksel van het Cartularium van Egmond af. Ooit zal dit toch eens gebeuren. Daarom moest Delahaye op alle mogelijke onfrisse manieren belachelijk en monddood worden gemaakt. Laten ze niet beweren dat zij dit allemaal niet wisten, want als zij dit zouden beweren, dan zouden ze onbenullen in bronnen-onderzoek zijn. Het Cartularium van Egmond, de bron bij uitstek over bet bisdom van Willibrord, kennen zij als hun broekzak. Door de bronnen niet te erkennen plegen ze wetenschappelijke fraude en hebben als integere historici afgedaan, omdat zij met één naam uit een bron staan te roepen en er 261 uit diezelfde bron als niet ter zake doende overslaan. Bovendien zijn zij schaamteloos door het publiek de onwaarheid op de mouw te spelden dat Delahaye dingen overslaat, terwijl zij dat zelf zo'n 260 maal doen.

St. Willibrord was aartsbisschop van de Friezen. Deze namenlijst toont aan waar in zijn tijd de Friezen woonden, namelijk in Frans Vlaanderen, wat Tacitus en de andere klassieke schrijvers al 20 eeuwen geleden duidelijk hadden gezegd. We begrijpen nu ook, dat alle veldslagen van de Friezen in Frans Vlaanderen plaats vonden, wat trouwens logisch is daar Pepijn en Karel Martel hen in hun eigen streek aanvielen, en het pure waanzin is geweest te veronderstellen dat de hollandse Friezen zich keer op keer in Frans Vlaanderen gingen opstellen om diens aanval af te wachten. Het is derhalve afgelopen met de fabel, dat de Friezen al in de romeinse periode in het nederlandse Friesland zaten. Even onverbiddelijk volgt daaruit, dat na het opruimen van de kern der historische mythen van Nederland de grote schoonmaak moet beginnen met alles wat daarvan werd afgeleid. Het is duidelilk dat dit zowel de romeinse periode als de vroege middeleeuwen betreft.


Hoe de codex in Egmond kwam.
Al weten we niet precies hoe deze codex in Egmond terecht is gekomen, dan kan aan de hand van andere gegevens toch een redelijke veronderstelling worden gedaan.

De abdij van Egmond is in de 12e eeuw gesticht, en niet omstreeks 950 wat altijd ten onrechte is aangenomen. Zij werd bevolkt met een abt en monniken uit Gent. Het Vita S.Adelberti verhaalt dat bisschop Andreas van Utrecht (Andries van Kuik, 1128 - 1139) en Petronelle gravin van Holland aan de abt van Gent verzochten om monniken af te staan voor een klooster te Egmond. Deze zond Walter, proost van de Gentse nederzetting te Lens! (16 km noord-oost van Atrecht), die door de bisschop tot abt werd gewijd. Op 7 oktober 1143 is de nieuwe abdijkerk van Egmond door bisschop Harthert van Utrecht ingewijd. Nergens staat geschreven dat abt Walter het Cartularium in zijn bagage heeft meegebracht, doch een lijn is al duidelijk. De tweede is, dat het opduiken van de codex in Nederland haarfijn samenvalt met de stichting van een Gents klooster te Egmond. In Egmond was ook een Evangeliarium aanwezig dat volgens een legendarisch verhaal tegen het einde van de 10e eeuw door Dirk I van Holland aan de abdij van Egmond zou zijn geschonken, die evenwel nog niet bestond, zodat het verhaal niet waar kan zijn. De herkomst van deze codex is duidelijker, omdat hij een afbeelding bevat der abdijkerk van St. Riquier bij Abbeville, waardoor vast staat dat de codex daar geschreven is. Overigens blijft het niet bij die ene afbeelding. De codex is geheel uit de school van St. Riquier.

En dan komt het allermerkwaardigste.
Al had de abdij van Egmond de dokumentatie van het bisdom van St. Willibrord in huis, toch heeft zij met geen woord gezegd of zelfs maar laten verstaan dat die dokumentatie op Friesland en Utrecht betrekking had.

In de Annalen van Egmond, die in de 12e eeuw beginnen - weer datzelfde keerpunt! - maar later met allerlei toevoegingen werden aangevuld, staat geen woord over Willibrord of het oude bisdom Trajectum.

Die kwestie begon pas, toen Utrecht in de 13e eeuw een afschrift van het Cartularium van Egmond in bezit kreeg, dit aanvulde met een paar levensgrote vervalsingen, juist bestemd om de band te leggen tussen het bisdom van Willibrord en Utrecht, en het geheel presenteerde als de ware en authentieke dokumentatie van Utrecht. Alle historici zijn erin gevlogen; Opperman had het half door. En toen Albert Delahaye deze rekonstruktie gaf, was de verbijstering zo groot dat zijn stelling als onmogelijk werd verworpen. Ten onrechte, want de valse akten, die gefabriekt werden om de link tussen Willibrord en Utrecht te leggen, zijn op een kilometer afstand als vals te onderkennen, reeds vanwege het simpele feit dat de meest cruciale vervalsingen niet in het Cartularium van Egmond staan.

Ten aanzien van de Annalen en het Cartularium van Egmond hebben er altijd grote meningsverschillen bestaan tussen geleerden. De opvattingen van Otto Oppermann werd als eigenzinnig en omstreden gezien, vooral met betrekking tot het ontstaan ervan. Melink, Gumbert, Rentenaar en Koch hadden andere opvattingen, maar waren het ook niet altijd met elkaar eens. Opperman kwalificeerde grote stukken als vervalsingen. De kritiek had niet moeten luiden dat hij 'hyperkritisch' was (had hij dan meer door de vingers moeten zien?), maar dat hij maar half door had wat er aan de hand was. De aanwijzing voor de herkomst van het Cartularium en de Annalen was voor hem niet geheel duidelijk. Toch had hij dat kunnen ontdekken aangezien de oudste delen over de Karolingen en hun opvolgers in Frankrijk en Italië gaan en Utrecht er pas vanaf 900 summier in voorkomt. Utrecht? Trajectum, maar dat bleek dus niet Utrecht te zijn, maar Tournehem in Frans-Vlaanderen.

Ook uit onderstaand verhaal blijkt dat de aantoonbare en bewijsbare gegevens van de abdij van Egmond niet verder teruggaan dan de 12de eeuw!

De oudste beeldhouwwerken in Noord-Nederland.
In Nederland zijn vanoudst een viertal beeldhouwwerken (we noemen er hier twee) bewaard gebleven welke de oudste zijn die bewaard bleven in de Noordelijke provinciën van ons land.
Het eerste is afkomstig uit de aan Sint-Johannes den Dooper gewijde kerk te Utrecht, gewoonlijk de St. Janskerk genoemd. Die kerk werd omstreeks 1050 gebouwd door bisschop Bernulfus. In 1148 werd door brand geteisterd, maar spoedig hersteld, en zij staat nog op het Janskerkhof, met een koor, dat in 1520 werd gebouwd.

Het tweede beeldhouwwerk (waar het ons om te doen is) is de boogtrommel, die geplaatst was boven de deur der St. Adalbertskerk van de Benedictijner abdij te Egmond-binnen, en wordt thans bewaard in de zaal van het Nederlandsch Museum, bestemd voor de overblijfselen van de oudste kerkelijke bouwkunst, waar het weder boven een deur is geplaatst. Het is ook van rooden zandsteen, en heeft den vorm van een halven cirkel, in 't midden hoog M. 0.885 en breed M. 1.75. De apostel Sint Petrus is er op afgebeeld tot het midden, een nimbus om het hoofd, rechtuitziende, met baard en knevel, in het om den hals vierkant uitgesneden, rijk versierd priestergewaad, houdend in de rechterhand de sleutels van hemel en aarde, in de linkerhand den bischopsstaf. Ter weerszijden van het hoofd staan ingegrifd twee woorden : (h)agios petrus.
Rechts en links van hem de half figuren van een man en van een vrouw in biddende houding. Deze figuren hebben veel geleden, gelijk het gelaat van Sint Pieter, de linkerhand, waaraan de duim ontbreekt, de steel der sleutels en de stok van den staf. Het beeldhouwwerk is in zeer laag reliëf. Op de uitspringende booglijst staat in tamelijk groote letters met de gewone weglatingen van klinkers en samentrekking van medeklinkers, een opschrift in versmaat, door Mr.H.van Wijn, in het eerste deel van zijn Huiszittend leven, ontcijferd als volgt:

JANITOR. O. C E LI.
TI B I. PRONUM. M ENT E. FIDELI.
I N T R O M IT T E. G R E G E M.
S V P. PLACANS. SIBI. REGEM.

Vier rijmverzen, zooals gewoonlijk voor zulke omschriften werden gebezigd. Van Wijn vertaalde ze: O Deurwachter des Hemels, doe deze, met geloovig harte voor u knielende schare binnenkomen, en verzoen met haar den koning der hemelingen.

Op de benedenlijst staat:
H I C. T H i D E R l C- O R A T.
OP VS. HOC. P KT R O NI L L A. D K C O R A T.

Dit beteekent: Hier bidt Thideric (of Dirk). Dit werk versiert Petronilla.
Zijn die Dirk en Petronella de stichters der kerk? Het opschrift zegt dat niet, ofschoon gewoonlijk bij dergelijke opschriften de stichters worden bedoeld. Ter nadere verklaring dienen wij eerst de geschiedenis van deze kerk op te halen, en daarna te onderzoeken welke Dirk en Petronella hier zijn bedoeld.
Authentieke bronnen voor de geschiedenis der Egmonder Abdij ontbreken gelukkig niet, en verscheidene geleerden hebben gedurende de vorige eeuw die bronnen grootendeels uitgegeven, toegelicht en vergeleken. In het Rijksarchief wordt bewaard de oorspronkelijke oorkonde van Graaf theoderic of Dirk V dd. 26 [uli 1083, waarbij hij de giften zijner voorvaders aan de Abdij bekrachtigt. In dit stuk wordt gezegd dat Graaf Dirk I met zijne echtgenoote Geva te Kgmond een houten kerk bouwde en een vrouwenklooster vestigde; en dat Graaf Dirk II (die op 6 Mei 988 stierf !) met zijn echtgenoote Hildegarde in plaats van de houten een steenen kerk bouwde en de nonnen verving door monniken. In deze oorkonde worden ook vermeld de giften van Dirk V en van zijne vrouw, maar van bouwen of verbouwen der kerk is geen sprake.

Zonder de handschriften van de Egmonder Abdij was er een dat heette Liber Adalberti en, kort na 1125 geschreven, uittreksels uit schenkingsoorkonden van 't begin der de eeuw tot omstreeks 1122 bevatte. Dit handschrift is niet tot ons gekomen, maar eene copie ervan uit de 15e eeuw, door H.van Wijn gevonden in het Rijksarchief, werd door hem beschreven in zijn Huiszittend Leven, 1807, en gedeeltelijk gedrukt door Dr.R.C.Bakhuizen van den Brink in zijn Hecmundensia (Het Nederlandsche Rijksarchief, 1857.) Dit manuscript zet de geschiedenis van de abdij voort van 1083 tot na den dood van Floris II, op 2 Maart 1122, en de aanvaarding der voogdij door diens vrouw Petronella; het vermeldt de schenkingen van Floris en zijne gemalin, ook de schenkingen der laatste bij den dood van den eerste, maar van bouwen of verbouwen der Abdijkerk is geen sprake.
Vervolgens komt in aanmerking: het Chronicon Hollandiae Vetustissimum Anonymi Monachi Egmondani, uitgegeven door A. Kluit in zijn Historia Critica Comitatus Hollandiae enz. 1777. Dit Chronicon loopt tot 1206. Het handschrift door Kluit gedrukt, is echter uit het midden der 13e eeuw, en behelst vrij wat uitweidingen van den copiïst. Hetzelfde is het geval met de zoogenaamde Annales Egmondenses, door Pertz gedrukt in de Monumenta Germaniae Historica, Script. D. XVI. In de twee laatstgenoemde handschriften staat op het jaar 1113 vermeld, dat te Egmond in November twee kerken werden gewijd, een van de heilige Moeder Gods, de andere van St. Adalbert. Ook het Chartularium Egmondense, door Bergh uitgegeven in zijn Oorkondenboek D. I bl. 355 meldt hetzelfde. Uit den tekst blijkt echter duidelijk, in verband met de aanteekening in het Chartularium op het jaar 1120, dat abt Adalard werd begraven «ante chorum ecclesiae parochialis quam construxerat in honorem beate Marie virginis,« dat de Mariakerk was de parochie- of buurtkerk van Egmond, en uit de woorden van het Chronicon en van de Annales, dat de St. Adalbertuskerk stond «ubi sepultus fuit,« volgt dat hier bedoeld wordt de kapel in het duin, ter plaatse waar St.Adalbert begraven was. Hetzelfde bericht, wat meer gedetailleerd, geven de Annales en het Chartularium nog eens op het jaar 1136. In de copiën van het Chronicon, uitgegeven door Kluit en Pertz, staat echter iets dat voor ons onderzoek belangrijker is, maar blijkbaar van later datum dan het origineel. Onder de klachten van dien schrijver over het wanbeheer, door Gravin Petronella na den dood van Graaf Floris, dus na 1122, gevoerd tengevolge, zooals de auteur welwillend zegt, van inblazingen van verdorven lieden, staat ook deze: «respectu magis avaritiae, quam timoris Domini suggesserunt Comitissae, ut destruetur vetus templum, quasi indecens et nimis augustum.« En zoowel het Chronicon als de Annales melden op het jaar 1139: «Hoc anno perfectum est templum in Ekmunda a Domino Waltero abbate.« Terwijl beiden op het jaar 1143 berichten: Non. Octobris dedicatum est templum (quod dixi) a Domino Harberto Episcopo, presente Theodorico Comité et uxore sua Sophia, et congregato populo infinitae multitudinis tanta praeparatione necessariorum a domino Waltero Abbate provisa, ut, qui praesentes fuerunt, nunquam tali dedicationi affuise hodieque testentur.«

Zou dit inderdaad zijn voldoend bewijs, dat in 1143 een nieuwe Abdijkerk werd gewijd, zoals Van Wijn meent? Er bestaan m. i. eenige bezwaren om hierin met hem mede te gaan. Ten eerste meen ik te moeten opmerken, dat aan de aangehaalde zinsnede voorafgaat de klacht over de aanstelling van Petronella's kapelaan tot abt, en dat op haar volgen de woorden: «Factum est, et tres constituti sunt laici praelati ecclesiae, lupi magis quam pastores.« M. i. is met de destructie van de vetus templum bedoeld de aanstelling van die prelaten. Gelijk de schrijver een weinig verder gebruikt de uitdrukking «destruit templum Dei,« waar hij vertelt van de lieden, die trouwden op kosten «possessionis noslraex Templum Dei en vetus templum zijn hier de-Abdij met hare goederen, destruere verkwisten, indecens et nimus augustum het eenvoudig leven der monniken! Waar een kerkgebouw wordt bedoeld, gebruiken deze schrijvers meest het woord ecclesia. Graaf Floris werd in 1122 begraven in de Abdijkerk, gelijk al zijn voorvaders; kon zijn weduwe die kerk dan spoedig na zijn dood laten afbreken? De fierheid der Gravin zou daartegen in verzet moeten komen, zoo niet de eerbied der vrouw voor de rust van haar gemaal. Kan bij de berichten van 1139 en 1143 niet bedoeld zijn de Mariakerk, door Abt Adelard in 1113 gebouwd?
Het tijdsverloop is geen bezwaar tegen deze onderstelling. Soms werd vrij wat langer, wel 50 jaren aan een kerk gebouwd, en de opstand der West-Friezen, aangevoerd door Floris den zwarte, jonger broeder van Graaf Dirk VI, zou hier zoo'n vertraging licht verklaren. Abt Adelard werd, zoo als wij gezien hebben, in 1120 begraven in de Mariakerk «ante chorum.« Was misschien dat koor nog niet gereed, en bestond de voltooiing door Abt Wouter soms in het bouwen van dat koor? Zoowel de ongeregeldheden, welke te Egmond plaats hadden kort na den dood van Graaf Floris II, als 't stichten van nieuwe altaren zou de wijding in 1143 verklaren.

Nog eens: het is niet waarschijnlijk dat Gravin Petronella de hand zou hebben geslagen aan de kerk, waarin alle Graven van Holland, ook haar gemaal, begraven waren, én nergens staat stellig, dat een nieuwe Abdijkerk werd gebouwd. Nu dienen wij te onderzoeken wie de Dirk en de Petronella zijn, wier namen staan op de benedenlijst 'van de boogtrommel onder de twee ter weerszijden van St. Petrus staande figuren. Onder de Dirken uit het Hollandsche Gravenhuis is ruime keus, maar er is slechts één Petronella, de echtgenoote van Graaf Floris 11, bijgenaamd de Vette. Beiden gaven de Abdij verscheidene geschenken, en zij gaf er, volgens gebruik, nog eenige bij zijn dood. Toen hij op 2 Maart 1122 overleden was, trad zij op niet alleen als voogdes over hare minderjarige kinderen, maar ook als Gravin en zij deed dit zonder den Keizer hierin te kennen. Hendrik V was hierover met reden verbolgen, en toen hij in 1123 het kerstfeest te Utrecht had gevierd, trok hij met een leger tegen Petronella op, die nu het trotsche hoofd moest buigen. Groot belang heeft hier de vraag, hoelang Petronella voogdes over haar kinderen was en de Gravelijke regeering waarnam. Van Loon toonde aan dat Graaf Floris II in 1084 moet geboren zijn en dus 38 jaren oud was toen hij stierf, zoodat terecht van hem wordt gezegd, met het oog op het zooveel langer leven van zijne voorgangers, dat hij stierf «in fiore juventutis.« Hij huwde Petronella omstreeks 1113, en zijn oudste zoon kan toen hij stierf hoogstens acht jaren oud zijn geweest. In 1132 wordt deze als Graaf vermeld bij den opstand van de West-Friezen en van zijn jongeren broeder Floris de Zwarte. Waarschijnlijk begon die opstand toen hij de Gravelijke regeering aanvaardde. Petronella's voogdijschap zal dus geduurd hebben ongeveer tien jaren, van 1122 tot 1132. In 1133 stichtte zij het Nonnenklooster Rijnsburg bij Leiden, waar zij in 1144 begraven werd. Het verdient opgemerkt te worden, hoe slecht de Egmonder geschiedschrijvers over haar te spreken zijn.
Dit kan twee oorzaken hebben. Abt Adelard was in 1120 overleden en in 1122 was nog geen anderen abt gekozen. Dit gaf, naar het schijnt, aanleiding tot wanbeheer en allerlei verkeerdheden. Dadelijk na den dood van haar gemaal dwong Petronella de monniken een abt te benoemen, en wel haar kapelaan, die van mindere afkomst was dan de vorige abten. Dit hinderde de kloosterheeren, die bovendien het zeer onaangenaam vonden, dat Petronella door haar kapelaan meesteres was over de abdij, haar goederen en inkomsten. Deze abt, Ascelinus of Anselmus, kon het dan ook niet lang houden; reeds in 1129 trad hij af. Ook zijn er geen giften van haar aan kerk en klooster na Maart 1122 geboekt, en dus waarschijnlijk ook niet geschonken. Zij was, vermoedelijk om de vijandige stemming der monniken, hen minder gunstig gezind geworden. Had zij werkelijk een nieuwe Abdijkerk gesticht, dan zou zij toch wel gezorgd hebben dat dit vermeld werd in het randschrift van de boogtrommel.
Geen ander dan zij kan bedoeld zijn, omdat er geen andere Petronella is geweest. De Dirk naast haar vermeld, kan dus moeilijk een ander zijn dan haar zoon Dirk, zooals Van Wijn in zijn Huiszittend Leven reeds heeft gezegd. Beziet men het figuur, dat hem moet voorstellen, dan verdient opmerking, dat hij geen baard draagt, en dus nog jong is. De boogtrommel zal dus geplaatst zijn korten tijd na den dood van Petronella's gemaal, tusschen 1122 en 1129. En het verstandigst zal wel zijn zich te houden aan het inschrift, dat slechts zegt, dat Dirk bad in deze kerk en Petronella haar versierde. Misschien slaat dit laatste juist op het plaatsen van de boogtrommel, die noodig kan zijn geweest om gebreken van de oorspronkelijke, of omdat Petronella de andere niet fraai genoeg vond en zelve erop vermeld wilde zijn.
De steen maakt den indruk ouder te zijn dan het begin van de twaalfde eeuw, vooral wanneer men let op de een eeuw oudere steen van de Sint-Janskerk. Maar Egmond was geen Utrecht, de bisschopsstad, waar de beeldhouwkunst druk werd beoefend. En de macht der traditie was groot in die dagen, zoodat de Egmonder beeldhouwer zich wel aan haar zal gehouden hebben.
In het Chartularium gaan aan het bericht der wijding van de Mariakerk en van de kapel in het duin, in 1113, eenige woorden vooraf, die niet onwaarschijnlijk de Abdijkerk betreffen. Zij behelzen het bericht der wijding van een «altare in crypta turra australi contigua.« Geldt dit werkelijk de Abdijkerk, dan zouden wij hierin eene aanwijzing hebben omtrent haar gedaante. De zuidertoren onderstelt een noordertoren, en tusschen deze zal de naar het westen gekeerde voorgevel met den hoofdingang hebben gestaan.

Bekend is, dat de Abdij in 1572 werd geplunderd en verwoest door de benden van Sonoy, en dat steenen en lood van haar werden gebruikt bij het bouwen van schansen ter beveiliging van het in 1573 belegerde Alkmaar. Van de kerk bleven de twee torens staan met een gedeelte van den voorgevel. Zóó is zij afgebeeld in de Kronyck ende Historie van het Edele en Machtige Geslachte van den Huyse nan Egmondt, dat waarschijnlijk in 1603 werd uitgegeven en vele keeren werd herdrukt. Daarin staat, dat op 3 en 4 Maart 1596 de spits van den noordelijken toorn inviel en vervolgens de oostelijke zijde van dien toorn tot den grond toe, terwijl de westelijke zijde bleef staan. De Noord-Hollandsche steden verkochten de materialen, maar repareerden den zuidelijken toorn, omdat die diende als baken voor de schippers in zee. H. van Wijn bericht dat in 1798 nog over was «een zeer geteisterde gevel tusschen de torens — dus wat men op de prentjes der vermelde Kronyck ziet afgebeeld, — en dat op 18 December van dat jaar de spits van een der twee torens instortte (dus van den zuidelijken toorn), en de heer S. J. T. Tinne, heer der Egmonden, toen besloot het overschot te slopen. (Bron: KNOB, 1901-1902, p.205)

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.