De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Jaarboek Oud-Utrecht 2009.

Deze pagina wordt steeds bijgewerkt!

Jaarboek Oud-Utrecht uit 2009. Terug van weggeweest. De thuiskomst van Utrechtse relieken na de Reformatie. Door Anique C. de Kruijf.

Zoals de titel al aangeeft zijn de relieken die men in Nederland heeft, allemaal van ná de Reformatie. De vraag is of er bewijzen zijn om een oudere herkomst aan te kunnen tonen.

Wat uit dit artikel (en enkele andere artikelen over Oud-Utrecht) duidelijk blijkt is dat geen enkele kerk in Utrecht terug te herleiden is tot de tijd van St.Willibrord of de persoon zelf. De cultus rondom St.Willibrord is pas ontstaan ná 1300. Er is ook geen enkele kerk van het 'Kerkenkruis' naar St.Willibrord vernoemd, noch vanouds elders in Utrecht of in Friesland, waar hij toch 'aartsbisschop van de Friezen' was. Het feit dat de Dom in 1304 aan St.Maarten werd toegewijd, bevestigt dat de cultus rond St.Willibrord toen nog niet bestond. Het St.Willibrordaltaar in de Dom is ook verre van het hoofdaltaar, maar staat als nr.16 in een zijbeuk, welk altaar hij nog moest delen met St.Stephanus. Lees ook meer over de kerken in Holland en de kerken in Brabant.



Jaarboek Oud-Utrecht.
Het jaarboek bevat wetenschappelijke artikelen over de geschiedenis van de stad en de provincie Utrecht. Het verschijnt eens per jaar en bevat doorgaans zes tot acht langere artikelen, die onderwerpen van de middeleeuwen tot de twintigste eeuw beslaan. Omvangrijke artikelen krijgen een apart hoofdstuk. Terug naar Oud-Utrecht.
Bouwhistorische kroniek.
Sinds 1926 voert de gemeente Utrecht systematisch archeologisch en bouwhistorisch onderzoek uit. Dit onderzoek is noodzakelijk om de vroegste geschiedenis van de stad te kunnen reconstrueren. De oudste onderzoeken waren vaak summier beschreven, maar blijken toch opvallend ook later niet weersproken te worden, dan op een enkel (niet doorslaggevend) detail.


Wat lezen we in dit artikel? Letterlijke citaten zwart gedrukt. Opmerking in rood.

Waarschijnlijk zijn in Willibrords tijd voor het eerst relieken in Utrecht terecht gekomen. Willibrord stichtte twee kerken in Utrecht: eerst de Oudmunster, later herbouwde hij een kerkruïne die al aanwezig was en wijdde het nieuwe kerkje aan Sint Maarten. Dat Willibrord deze kerken in Utrecht gesticht zou hebben wordt wel altijd aangenomen, maar een konkreet bewijs ontbreekt volledig. Willibrord zocht in 695 steun voor zijn missiewerk bij paus Sergius I in Rome. Deze benoemde hem tot 'aartsbisschop der Friezen'. Willibrord werd inderdaad bisschop van de Fresones, alleen die woonden niet in Friesland, maar in het klassiek Frisia in Vlaanderen aan de kust van Het Kanaal. Tijdens zijn bezoek aan Rome vroeg Willibrord de paus om enkele relieken van apostelen en martelaren, om daarmee de nieuwe kerken in aanzien te verhogen. Sergius I droeg relieken en andere kerkelijke zaken over aan Willibrord. Het is onbekend om welke relieken het precies ging, maar het lijkt wel aannemelijk dat de eerste bisschop van Utrecht de twee daar door hem gestichte kerken doteerde met de heilige overblijfselen. Vanwege zijn grote betekenis voor Utrecht heeft de stad altijd geprobeerd relieken van Willibrord te verwerven. Dit was niet gemakkelijk want Willibrord werd begraven in de door hem gestichte abdij in Echternach. Maar in de late middeleeuwen werd de reliekschat van Utrecht uitgebreid met relieken van haar eerste bisschop. De onderstreepte woorden geven al de nodige twijfel aan. Utrecht kreeg pas in 1301 de eerste relieken van St.Willibrord vanuit Echternach "omdat men er nog geen heeft", zoals het in schriftelijk verzoek staat. Die relieken blijken volledig onbetrouwbaar. Dat de abdij van Echternach door St.Willibrord gesticht zou zijn is een mythe. De abdij is niet ouder dan de 10de eeuw. Dat is 3 eeuwen ná St.Willibrord. Lees meer over de abdij van Echternach. De kerk van Utrecht was tot die tijd afhankelijk geweest van 'import-relieken'. De kerk van Utrecht is altijd afhankelijk geweest van 'import-relieken'. In Nederland zijn geen predikers geweest in het eerste millennium, laat staan heiligen. Bonifatius met zijn metgezellen worden dan wel genoemd, ook in dit artikel, maar die werden vermoord aan de Borne in de pagus Duinkerke. En dat was niet Dokkum.

We geven hier een overzicht van de besproken relieken van de kernheiligen. Het zijn letterlijke citaten uit de tekst.Lees meer over heiligenverering in de Nederlanden.

  1. De relieken van St.Willibrord bestaan uit fragmentjes van een rib, het pallium, de sandaal, het doodskleed en het kazuifel van Willibrord. De jaartallen die worden genoemd zijn 1301, 1409, 1566/69/72, 1609, 1627, 1637 en 1666. Na 1666 raakten de relieken enigszins (?) in vergetelheid. Bij een inventarisatie rond 1930 werden ze 'herontdekt'. Bij de huidige inventarisatie werden in het hoofdaltaar van de Gertrudiskathedraal nog drie van deze vijf relieken aangetroffen: de rib, het pallium en de sandaal. Deze drie relieken zijn dus sinds het midden van de zeventiende eeuw in het beheer van de Gertrudisparochie gebleven. De stukjes lijkwade en kazuifel werden echter niet meer teruggevonden. Wat er in de tussenliggende perioden met de relieken is gebeurd is behalve twijfelachtig, ook volkomen ongeloofwaardig. Zie de opmerking hierboven over het jaar 1301. Waarom werden de relieken pas in 1301 aan Echternach gevraagd? De cultus rond St.Willibrord bleek kort daarvoor nog niet te bestaan. Lees meer over relieken van St.Willibrord die Utrecht vanuit Echternach kreeg. Uit technisch onderzoek blijkt bovendien dat het deel van de sandaal van de heilige waarover men in Utrecht beschikt, niet uit de 8ste maar uit de 12de eeuw stamt.

  2. De relieken van St.Bonifatius, bestaan uit een stuk kaak, de stola en bloed (?). Bloed? Dat hebben die Friezen die hem vermoorden zeker afgetapt, nadat zij zijn kop eraf hadden geslagen. In Dokkum meent men nog een deel van de schedel te bezitten. Lees daarover bij Roderick zoekt Licht. Het oudste jaar dat genoemd wordt is 1393, vervolgens 1520. Helaas kunnen de relieken van Bonifatius in de periode 1580-1610 niet op de voet gevolgd worden. Maar ook niet tussen 1393 en 1520 en 1580. Wellicht komen we ze weer tegen in een bron uit 1611. (Hoe of waar dan?) In 1683 verhuisde een derde deel van de relieken naar Leuven. In 1687 kwam een papieren wikkel met 'botgruis' van 'Boifaes kakebeen', maar ook een kistje met 'wat kaak' vanuit Gouda in Utrecht terecht. Hoe het in Gouda terecht kwam is niet bekend (moet nog onderzocht worden). Bovendien bevat de Utrechtse schat kledingrelieken van Bonifatius met opschrift: 'Ex vestibus sacerdotalibus S(ancti) Bonifacij vere'. Of we hier te maken hebben met textiel relieken uit de Oudmunster, die via Keulen en Leuven weer terugkwamen in Utrecht is niet met zekerheid te zeggen,Ook dit verhaal zit vol hiaten en twijfels. Voor de relieken van Bonifatius verwijzen we naar het onderzoek van H.Halbertsma uit 1960-1961. Ook blijkt de koorkap van Bonifatius die in het Catharijneconvent in Utrecht wordt bewaard, uit de 13de eeuw te stammen.

  3. De relieken van Eoban en Adalard. Deze worden voor het eerst genoemd in 1587 en werden in 1596 geïnventariseerd door een Utrechtse afvaardiging van kanunniken. Zij haalden de relieken uit de zakjes en plaatsten ze, na inventarisatie, in negen genummerde kistjes. Die kistjes komen ook weer ter sprake bij Frederik en Odulphus.Dit alles gebeurde in aanwezigheid van de apostolisch vicaris: Sasbout Vosmeer. In het eerste kistje werden de relieken van Adalard geplaatst: een scheen been, veertien stukjes ruggewervel, een schedel waarvan de onderkaak en een tand ontbraken, wat relieken van vingers en voeten en een paar fragmenten van zijn ribben. Hierbij werden twee cedulae (beschrijvingen) geborgen. Het tweede kistje werd gevuld met een stuk onderarm, twee scheenbenen, een schouderblad, dertien ruggewervels en een zakje met gruis van Eoban. In de overige kistjes bevonden zich relieken van andere gezellen van Bonifatius en van de Utrechtse bisschoppen Gregorius, Frederik en Odulphus. De kistjes moeten tussen 1627 en 1637 (feitelijke ná 1627) terecht zijn gekomen bij Pompeius van Montzima, de thesaurier (=schatbewaarder) van Oudmunster. Ze werden namelijk niet genoemd in het inventarisatie-verslag dat in 1627 ten huize van Pompeius werd opgemaakt. In 1685 werden de kistjes door pastoor Petrus Codde ondergebracht bij juffrouw Maria Wijkersloot. Zij moest beloven de kistjes met geheimhouding en grote zorgvuldigheid te bewaren en zij (of haar erfgenamen) de kistjes terug te geven aan de Gertrudiskathedraal. Daar zijn ze nooit gevonden en wordt Maria Wijkersloot 'een schimmige persoon' genoemd. Over haar is niets bekend. Ondanks het 'ontbreken' van de negen kistjes met relieken, zijn er overblijfselen van Adalard en Eoban in de Gertrudiskathedraal gevonden. In het uit Gouda afkomstige kistje, wordt een stukje rib van Adalard in witte zijde bewaard en in een kartonnen doosje, zijn twee andere ribfragmentjes in een rolletje van gedecoreerde roze zijde verpakt gevonden. Aangezien het hier gaat om ribben van Adalard en een wervel van Eoban (botmateriaal dat met zekerheid aanwezig was in de kistjes waarin de heiligen in 1596 te rusten werden gelegd), mag voorzichtig geconcludeerd worden dat Codde enkele fragmenten achterhield alvorens hij de kistjes afstond aan Maria Wijkersloot. Je moet wel over een heel sterk geloof beschikken wil je in deze middeleeuwse legende blijven geloven. Geloof is nu eenmaal niet te bestrijden met feiten.

  4. De relieken van de Domheiligen Agnes, Pontiaan, Benignus en Urbanus. De overblijfselen van Agnes van Rome en Pontiaan van Spoleto hebben sinds de verwerving in de tiende eeuw altijd een belangrijk onderdeel van de Domschat uitgemaakt. Aan de waarde die men hechtte aan de Agnesrelieken werd in 1406 uiting gegeven; er werd een kostbare reliekschrijn besteld. Voor Pontiaans relieken bestelde men in 1502 een schrijn. Geen van beide schrijnen is bewaard gebleven. De relieken zouden door de Geuzen in brand zijn gestoken (ca.1572). De zwartgeblakerde resten kwamen op de een of andere manier in het bezit van Thomas van Buurlo, een welvarende inwoner van Zutphen. Deze schonk de relieken, samen met onder andere een stuk van de wurgdoek van de heilige Cunera, op 24 februari 1602 aan het jezuietencollege te Emmerik. Hoe, wanneer en door wie de Emmerikse verzameling naar Utrecht is overgebracht, is onduidelijk. In de bestudeerde post-reformatorische bronnen wordt geen melding gemaakt van de relieken van Benignus en Urbanus. Van geen van deze relieken is bekend wat hun oorspronkelijke bewaarplaats is geweest en wie verantwoordelijk was voor hun behoud. Over die verwerving in de tiende eeuw zijn geen oudere bronnen bekend dan pas uit 1530. Utrecht zou eerder relieken van deze heiligen gehad hebben dan van St.Willibrord. De verering tot St.Willibrord bleek toen nog niet aanwezig. De rest van dit verhaal spreekt voor zich: volkomen ongeloofwaardig. En op dit (on-)geloof zijn de tradities van Utrecht gebaseerd.

  5. De relieken van Frederik en Odulphus. Frederik was bisschop van Utrecht van 816-835. Hij werd vermoord en daarom als martelaar vereerd. Zijn vriend Odulphus, pastoor van Oirschot, werd heilig verklaard vanwege zijn onbesproken levenswandel. Beiden werden in of nabij de Oudmunster begraven.
    In 1300 werd een deel van Odulphus' schedel uit zijn graf gelicht om in een kostbare zilveren kopreliekhouder te worden geplaatst. In 1362 werd het graf van bisschop Frederik geopend. Voor zijn schedel werd eveneens een zilveren borstbeeld besteld bij Elyas Scerpswert (†1387), een in Utrecht werkzame goudsmid. De relieken zouden hebben bestaan uit overblijfselen van Frederik en Odulphus. Welke overblijfselen dan precies in de zilveren borstbeelden bewaard zijn, blijft een vraag, in elk geval vaag.In 1596 werden negen houten kistjes gevuld met Salvatorrelieken, waaronder zich ook de kistjes met overblijfselen van Frederik en Odulphus bevonden. Een kistje met zwart leer bekleed herbergde een scheenbeen, twee andere relieken uit de onderbenen, elf kleine intacte beentjes, 22 wervels, twee fragmenten van schouderbladen, twee sleutelbeenderen, een complete rib en enkele losse stukjes rib, fragmenten van handen en voeten, grotere en kleinere stukjes onderkaak en een zakje stof uit het graf van Frederik. Praktisch de hele man werd compleet bewaard! Een ander kistje bevatte enkele grotere en kleinere beentjes, het hoofd (waarvan een stuk van de kruin en een stuk van de onderkaak ontbraken), de albe waarin hij begraven was (waarvan een mouw miste) en ook hier een zakje met stof uit het grafvan Odulphus. Beide bustes hadden aan de onderzijde een inscriptie waaruit de context en inhoud kon worden afgeleid. Omstreeks 1580 werd het bestaan van de borstbeelden, net als veel andere kerksieraden van het kapittel van Oudmunster niet alleen bedreigd door de vernielzucht van de Geuzen maar evenzeer als gevolg van geruchten over de beoogde afbraak van het kerkgebouw. Uit voorzorg hadden de kanunniken de reliekhouders ondergebracht bij sommigen van hen thuis. De twee relieken (twee 'napiens') kwamen in bezit van kanunnik Arnold van Esch, die kocht en kreeg ook objecten die aan collega's in bewaring waren gegeven. Wie heeft toen deze gekochte en gekregen relieken op waarheid onderzocht? Op een inventarislijst uit 1615 staat een reliek vermeld. In 1673 bracht apostolisch vicaris Johannes van Neercassel de waardevolle Utrechtse voorwerpen naar Keulen (dat toen nog de zetel van het aartsbisdom was, waar Utrecht blijkbaar onder ressorteerde). Ziet U hier weer dat gat tussen 1362 en 1580 en 1673? Wat is in de tussenliggende perioden met de relieken gebeurd? Zie ook het verhaal hierboven over de relieken van Eoban en Adelard, waar beiden ook worden genoemd. Ook dit verhaal begint pas in de 16e eeuw. Via Emmerik kwamen de relieken terug in Utrecht en wel in de woning van Pompeius Montzima. Na zijn overlijden in 1637 kwamen de relieken in bezit van Gerrit van den Steen en werden (wanneer precies is niet bekend) teruggeven aan het kapittel van Oudmunster. In 1670 werd een verslag opgetekend, maar de personen die dit verslag optekenden hadden blijkbaar weinig verstand van zaken: het borstbeeld van Frederik werd gedegradeerd tot 't hooft van een bisschop met de muts', dat van Odulphus werd niet als zodanig herkend en omschreven als't Hooft van S. Franciscus'. Hieruit blijkt zonneklaar dat relieken werden "aangepast" aan de tijd waarin bepaalde 'heiligen' populair waren. In 1776 is de reliekhouder van Oduphus omgesmolten om de bouw van de Leidse kerk te bekostigen. Die van Frederik bleef behouden en werd via Frans bezit in 1899 gekocht door het Rijksmuseum. Maar van geen van deze relieken kan met zekerheid worden aangetoond dat zij langs de hierboven geschetste route van de 'bekende' Frederik- en Odulphusrelieken hier zijn terechtgekomen. Ook deze eindconclusie van De Kruijf is wel duidelijk. Het hele verhaal toont de nodige hiaten en onbewezen veronderstellingen.

  6. De relieken van St.Maarten, de stads- en Dompatroon van Utrecht (en veel andere kerken, zelfs van een eiland in de Caribische Zee, maar ook daar is St.Maarten nooit geweest, net zo min als in Utrecht.)
    Rond 1300 had het kapittel een zilveren vatting laten aanbrengen om het heft van de hamer. Hierop stond te lezen dat Sint Maarten met de hamer heidense afgodsbeelden had kapotgeslagen. De weg die de hamer na het rampzaligejaar 1578 afgelegd heeft, is schimmig. Midden 17de eeuw was de hamer in bezit gekomen van Abraham van Brienen en is nu bezit van het Oud-Katholiek Museum en is in langdurige bruikleen in het Museum Catharijneconvent te bewonderen. In 1173 bezat het domkapittel onder andere een ruggewervel van de stadspatroon maar men wilde meer relieken van Sint Maarten verwerven. In 1175 richtten de kanunniken zich tot het kapittel in Tours met het verzoek een gedeelte van het gebeente van de daar begraven bisschop aan Utrecht af te staan. Uiteindelijk moest de Utrechtse Dom zich tevreden stellen met secundaire relieken: ze ontvingen wat stukjes stof uit Maartens mantel en wat aarde uit zijn graf.. Over de verwervingsgeschiedenis is niets bekend, maar uit het al genoemde inventarisatieverslag van 1504 kan afgeleid worden dat men in dat jaar inmiddels ook een duim en een gedeelte van Maartens schedel tot de schat mocht rekenen. Deze relieken werden samen bewaard in een zilveren monstans. Een ander belangrijk primair reliek van Sint Maarten verwierf het domkapittel in 1519; uit het Leodegariusklooster in Cognac ontving men een stuk armbot van de heilige. In de schat van de Gertrudiskathedraal zijn veel relieken van de Utrechtse stadspatroon te vinden. Maar bijna geen van deze relieken is met zekerheid te verbinden aan de middeleeuwse Utrechtse overblijfselen van Sint Maarten. De monstrans uit 1504 werd in 1578 omgesmolten. Helaas is de route die de relieken aflegden (nog) niet gereconstrueerd. Opvallend is hier dat men in Utrecht eerder relieken van St.Maarten had, dan van St.Willibrord, tenminste, als we de jaartallen en geschriften mogen geloven. Maar geloven is nog wel iets anders dan weten. Op de heiligheid van St.Maarten is wel het een en ander af te dingen. Een echte heilige had de hele mantel gegeven, niet een halve! De legende van St.Maarten is eveneens twijfelachtig. Toen hij als Romeins legionair begin 4e eeuw in Gallie kwam zou hij aan de stadspoort van Amiens de helft van zijn mantel aan een arme bedelaar gegeven hebben. De legende vermeldt verder dat Martinus in de nacht daarop Christus zou hebben gezien, gekleed in deze mantel. In zijn verdere leven als kluizenaar en monnik heeft hij veel duivelsuitdrijvingen op zijn naam gekregen en zou hij veel heidense tempels, altaren en afbeeldingen (vandaar die hamer als reliek) verneidl hebben. Hij zou bij Poitiers het eerste klooster in Frankrijk gesticht hebben. De grote populariteit van Martinus kan worden afgeleid uit het feit, dat veel auteurs die zijn leven beschreven in de middeleeuwen, veel gelezen werden. Het was ook een interessant verhaal van de Romeinse bezetter die het eigen 'heidense geloof' afviel en zelfs vernielde. In Frankrijk zijn enkele duizenden kerken aan hem gewijd. De St.Maartensbasiliek in Tours, waar hij begraven werd, werd een nationaal heiligdom en reeds onder Chlodovech I was hij de patroon van Frankrijk. De huidige St.Maartensbasiliek is gebouwd tussen 1886 en 1924. De eerste kerk(je) werd hier in de 5e eeuw gesticht (ingewijd in 471) op de plaats van een eerdere kapel. Het werd aanvankelijk bediend door een gemeenschap van monniken onder een abt, die tussen 796 en 804 Alcuinus, de adviseur van Karel de Grote was. In Nederland is hij patroon van de Domkerk en de Martinitoren in Groningen. Zijn feestdag is 11 november: St.Maartensdag, vooral onder kinderen populair.

  7. De relieken van bisschop Bernold van Utrecht (1027-1054). Bernold (Bernoldus, later beter bekend als Bernulphus) werd bijgezet in de Utrechtse Pieterskerk, die hij zelf had laten bouwen en die in 1048 ingewijd werd. Over zijn begrafenis bestaat ook een andere versie, namelijk dat Bernold aanvankelijk begraven lag op het kerkhof van het kapittel, maar later (hoeveel later?) is zijn lichaam overgebracht naar een graf in het laagkoor, gelegen voor het koor boven de crypte. Zijn graf werd op 27 november 1656 geopend. Men trof Bernolds lichaam in vol bisschoppelijk ornaat. Een wonder! Was die kleding in de voorbije 600 jaar dan niet vergaan? In zijn rode zandstenen sarcofaag stuitte men verder op een zilveren kelk en pateen, een gouden ring en een vermolmde bisschopsstaf. De vraag is wanneer de kelk, pateen en ring in het graf zijn gedeponeerd, in 1054? Of bij de herbegraving (translatio) in 1148 of 1279 (na een brand)? Of in 1370 bij de verbouwing van de gewelven en vensters? Of rond 1470 toen de cultus van Bernold op gang kwam? Of zijn ze pas 'gevonden' bij het openen van het graf in 1656?(zie noot). De ring had een doorsnee van 2,5 cm, wat toch vrij fors genoemd mag worden. Lees het verhaal over de Vikingring.? Zou men deze kostbaarheden van Bernold reeds 6 jaar na de inwijding van de nieuwe kerk in zijn graf gedeponeerd hebben? De voet van de kelk en de pateen zijn ernstig beschadigd. Die zijn beslist niet nieuw geweest, maar hebben al de nodige schades opgelopen! Zie afbeelding hieronder: klik op de afbeelding voor een vergroting. Een week na de opening van het graf besloot het kapittel de primaire relieken van bisschop Bernold terug te plaatsen in de sarcofaag. Kelk, pateen, ring en brokjes van de staf werden in het kapittelarchief bewaard. In 1581 kreeg kanunnik Arnold van Esch enkele kostbaarheden (Dat waren dan geen relieken van Bernold, immers zijn graf werd pas in 1656 geopend. Waar kwamen deze relieken -alleen textilia?- vandaan?) onder zijn hoede, die na zijn overlijden (in1610) toevielen aan zijn neef Theodorus van Esch, kanunnik van hetzelfde kapittel. Deze borg alle voorwerpen in twee kisten op en bracht die onder bij zijn zus, Ida van Esch op haar landgoed in Lexmond. ln 1622 werden de kisten opgehaald door kanunnik Gerrit van den Steen. Begin 1666 stond Van der Steen de goederen onder zijn bescherming af aan zijn goede vriend, de Utrechtse pastoor Abraham van Brienen, bij wie sindsdien de textilia werden bewaard. In april 1683 mocht Johannes van Amerongen, pastoor van de Utrechtse Jacobusparochie en biechtvader van de zieke Joanna Tibbel, het 'kelkje van Bernold' (zie afbeelding van kelk, pateen -kelkdekseltje, hostieschaaltje- en ring: klik op de afbeelding voor een vergroting) drie dagen lenen. Joanna had al sinds het begin van het jaar last van een ernstige chronische hoest. Verschillende bekende artsen hadden tevergeefs geprobeerd haar te genezen. Maar Joanna had gehoord over wonderbaarlijke genezingen door het drinken uit het kelkje van Bernold en gaf als wens te kennen zelf uit het zilveren reliek te mogen drinken. Deze wens ging op 24 april 1683 in vervulling. Nog geen kwartier nadat zij daaruit had gedronken was de hoest, waar zij al vijftien weken door gekweld werd, geheel verdwenen. Dat er daarna niets meer met de wondere krachten van deze kelk is gebeurd, en meer mensen wonderbaarlijk genazen, mag een wonder heten. De relieken bleven tot 1811 in bezit van het kapittel van Sint-Pieter. In 1813 werden deze opgeeist door de Fransen (Napoleon) en kwamen in 1822 in bezit van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden en tussen 1883 en 1902 in bezit van het Rijksmuseum. Toen Museum Catharijneconvent in 1979 van start ging, kreeg het de kelk, pateen en de ring van bisschop Bernold in langdurige bruikleen van het Rijksmuseum. De resten van de staf waren inmiddels verloren gegaan. Dat de textilia zouden hebben toebehoord aan bisschop Bernold kan feitelijk voor geen van de stukken (welke wel en welke niet?) het geval zijn geweest, aangezien ze allemaal uit latere tijd stammen. De albe van Bernold is in wezen twaalfde-eeuws en was een geschenk van keizer Frederik Barbarossa. De herkomst van de stola en manipel is vooralsnog niet achterhaald, maar ook deze objecten stammen uit de twaalfde eeuw. De rood-witte cingels zijn vervaardigd in de vijftiende eeuw. Hiermee vervallen alle aangenomen 'gelovige zekerheden' in evenzovele legenden en mythen, die vooral (als eerste?) door Johannes de Beke werden opgeschreven. De textilia belandden in het Catharijneconvent, maar rond 1975 gingen de stola en manipel verloren. In noot 110 wordt al excuus voor deze slordigheid aangegeven: in 1975 stond het museum bol van de verhuizingen, verplaatsingen en samenvoegingen. In deze chaotische periode zijn de fragmenten per ongeluk waarschijnlijk weggegooid. Maar ze zijn in elk geval niet van bisschop Bernold geweest, dus de 'schade' valt mee.
    Ook dit verhaal zit vol onduidelijk- en onzekerheden. In hoeverre zijn deze relieken betrouwbaar?

    Noot: deze opmerking lijkt achterdochtig, maar de ervaring met graven van heiligen zoals die van St.Willibrord, leert ons dat een flinke dosis achterdocht niet al te voorbarig is. Er werd met graven en relieken heel wat gesjoemeld, allemaal ter ere van God en de heilige Kerk waarbij vooral de gelovige pelgrims de kerken en zeker de noodlijdende kloosters de broodnodige inkomsten moesten verschaffen. Lees meer over de corpus van St.Willibrord.

    Enkele wetenswaardigheden over de Utrechtse kerken:
    1. In 1304 werd de Domkerk door Gerrit van Nassau, thesaurier van de kerk te Utrecht, in tegenwoordigheid van vele Domheeren en Dekens ingewijd en aan St. Maarten als patroon opgedragen, aan welken heilige zij dan ook haar naam heeft ontleend. (Bron: KNOB 1906, p.108).
    2. In de St.Pieterskerk zijn in 1965 tijdens de restauratie onder de vloer vier zandstenen reliëfs teruggevonden. Zij stellen de Kruisiging en Pilatus voor (zie afbeelding rechts: zie ook afb.203-206 in de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van Utrecht, p.213), en een engel op het geopende graf van Christus en drie naderende vrouwen. De reliëfs werden waarschijnlijk rond 1150 in de Maasstreek vervaardigd en vertonen verwantschap met beeldhouwwerk in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Maastricht. (Bron: https://pieterskerk-utrecht.nl/informatie/historie/) Deze reliës waren onder de vloer verstopt vanwege de dreigende en naderde beeldenstorm in 1580. Als deze reliëfs waarschijnlijk uit 1150 komen, is de Pieterskerk dan wel uit 1048 of toch ook uit 1150?
    3. In de Pieterskerk was in de late middeleeuwen een cultus ontstaan bij het graf van de heilig verklaarde bisschop Bernold. Vanaf ongeveer 1470 begon men Bernold te beschouwen als patroonheilige van jonge kinderen met groeiproblemen en van vrouwen die geen kinderen konden krijgen. Er werden wonderdadige krachten aan zijn tombe toegeschreven. Met betrekking tot de kinderen die 'achterlijk in wasdom' waren, ontstond het gebruik ze te wegen bij het graf. Aan het begin van de zestiende eeuw werden daarbij zilveren ringetjes verkocht. Of de ringetjes als een soort pelgrimsinsigne gedragen werden door de aan Bernold voorgeleide kinderen, of de ringetjes na inwilliging van het afgesmeekte werden geofferd bij het graf of misschien wel als aanrakingsreliek beschouwd werden, is niet bekend (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 2009, p.43).
    4. Prof.R.Post (zie daar) heeft er op gewezen, dat Bernoldus aanvankelijk niet tot de heiligen werd gerekend en dus ook geen bijzondere verering kan hebben genoten. Een officiële canonisatie door de paus heeft ook nooit plaats gevonden. In de middeleeuwse annalen en kronieken, zoals de Annales Egmundani, wordt Bernoldus, in tegenstelling tot de andere nationale coryfeeën als Willibrord, Bonifatius en Ansfried, steevast opgevoerd zonder het epitheton 'sanctus'. Evenmin blijkt uit de bestudeerde liturgische bronnen, zoals 15e-eeuwse missalen en getijdenboeken, iets van enige kerkelijke viering van Bernoldus' sterfdag (19 juli). In de manuscriptversies van het Martyrologium Usuardi komt Bernoldus niet voor, evenmin als in de gedrukte versie van 1568. Pas in een in 1625 te Venetië uitgegeven heiligencatalogus verschijnt zijn naam (aldus Arnold van Buchel in 1642). Meer over bisschop Bernulphus kun je lezen op Bernulphus of op het Meertens instituut (Bron hiervan).
    5. Een 8ste-eeuwse datering voor de Heilig-Kruiskapel op het Domplein te Utrecht niet is te handhaven. Alle dateringsmethoden waarmee de Heilig-Kruiskapel gedateerd kan worden, wijzen op een periode na het midden van de 8ste eeuw. Gezien de 14C bepaling, de stratigrafie van het muurwerk en de daarmee samenhangende maaiveldhoogten is een datering in de 10de eeuw, met een voorkeur voor het eind daarvan, het meest aannemelijk. Er kan dan ook worden geconstateerd dat de 10de-eeuwse datering die A.E. van Giffen in de jaren dertig voor de Heilig-Kruiskapel vaststelde volgens de nu bekende gegevens nog steeds juist is (Bron: KNOB 1994, nr.4/5, p.65).
    6. Zie ook Jaarboek Oud-Utrecht 2018 waarin de Utrechtse Buurkerk opnieuw onderwerp is van onderzoek en minder oud is dan altijd is aangenomen.

  8. De relieken weergekeerd. Door het combineren van de informatie uit verschillende bronnen is het mogelijk de routes van verscheidene relieken te reconstrueren. Maar er blijft veel onduidelijk, omdat de berichtgeving in bronnen vaak niet compleet is. Als een vermelding van de vorm, het uiterlijk of de herkomst van een reliek achterwege blijft, is er geen vaste grond om een reliek in de tekst van een historische bron te vereenzelvigen met een reliek dat werd aangetroffen in de altaren van de Gertrudiskathedraal. Slechts voor enkele relieken kan een dergelijke gelijkstelling met zekerheid worden vastgesteld, bijvoorbeeld voor de relieken van Willibrord en de duim en schedel van Sint Maarten. Dit zijn nu precies twee voorbeelden waarvoor die zekerheid allerminst geldt. Ondanks het gegeven dat er op het niveau van de afzonderlijke relieken weinig stellige route-reconstructies gemaakt kunnen worden, zijn er genoeg indicaties dat veel van de geredde Utrechtse relieken hun weg naar Utrecht terugvonden: ze zijn terug van weggeweest!
    Alle omzwervingen van de relieken houden evenzovele onzekerheden in. De 'bezitters' of 'redders' van de relieken (er worden een achttal genoemd) hadden een groot (eigen-)belang om aan de werkelijkheid ervan niet het minst te twijfelen. De in de tekst genoemde Jean Bolland heeft in zijn "Acta Sanctorum" wel aangetoond dat veel heiligen niet bestaan hebben. Maar de historische waarheid was voor de middeleeuwer ook niet belangrijk: het ging om de geloofswaarde en de voorbeeldfunctie dat die heilige ons bracht. Toch heeft ook 'Rome' de laatste jaren meerdere hypocrieve (historisch nooit bestaande) 'heiligen' geschrapt.



De Fundamentele verwarring tussen Noviomagus is Nijmegen of Noviomagus is Noyon, ligt aan de grondslag van de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem? Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Immers als Nijmegen fout is, is de Betuwe ook niet het land van de Bataven en is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!




Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.