Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Was Traianus in Nijmegen en kreeg de stad stadsrecht van hem?

Traianus was stadhouder van Germania Superior, waarvan de historici ten onrechte Nederland en Noord-Duitsland gemaakt hebben. "Superior" duidt op de bovenloop van de Renus, derhalve op het zuiden van Duitsland. Traianus heeft nimmer bemoeienis gehad met Romeins Nederland, zelfs niet met BelgiŽ of het noorden van Frankrijk. De steen met het opschrift Ulpia Noviomagus, die in Museum Kam te Nijmegen als de geboorte-steen van Nijmegen wordt getoond, is een kopie van een in Beieren gevonden inscriptie. Hij is symbolisch: de Nijmeegse geschiedenis kent meerdere verschillende van soortgelijke kopieŽn.
Dat Nijmegen enige Romeinse militaire bezettingen heeft gehad is geen punt, dat levert geen enkel probleem op. De vraag is 'wanneer begon die Romeinse aanwezigheid' en welke naam droeg deze nederzetting? De burgerlijke nederzetting, ten westen van de huidige stad en op de oever van de Waal gelegen, was een bescheiden stadje, dat zonder meer niet de naam van Noviomagus gedragen heeft, en zeker niet van zodanig belang is geweest, dat Traianus het verrijkt heeft met Ulpia, de naam van zijn familie. Echter tussen de jaren 101 en 107 toen Traianus Nijmegen de titel van stad gegeven zou hebben, was hij bezig met veldtochten in DaciŽ. Traianus heeft zich nooit bezig gehouden in west- en noord-Europa.

A.W.Byvanck merkte in Numaga 1955/5 (p.57 e.v.) in het artikel "Nijmegen en keizer Traianus?" (let op het ?) al het volgende op: "Het gaat om de stichting van Ulpia Noviomagus te Nijmegen en van Colonia Traiana te Xanten. Het is merkwaardigerwijze niet bekend, dat Traianus zich met het vestigen van municipia of coloniae heeft bezig gehouden." Dat is toch duidelijke taal? Nijmegen kan het Ulpia Noviomagus en dus de zogenaamde stadsrechten uit 105 gevoeglijk vergeten. Lees ook wat J.Bogaers (zie daar) hierover zelf schreef. Die stadsrechtverlening is nergens anders op gebaseerd, dan op de fantasie van Bogaers!



Het standbeeld van Traianus, dat als een uitroepteken naast het Valkhof in Nijmegen staat, moet er net als het standbeeld van Karel de Grote ook zeker blijven staan. Het zijn tot in lengte van jaren twee duidelijke symbolen van de dwalingen in de historische geografie van Nijmegen. Het beeld is komische en past in het grote raamwerk van nationale mythen en illusies. Er staan meerdere van dergelijke beelden in Nederland die geplaatst zijn door niet ter zake deskundigen om een fabel in stand te kunnen houden, zoals het standbeeld van St.Willibrord in Utrecht (zie daar).

De centrale vraag is: Heeft Nijmegen stadsrecht gekregen van keizer Traianus? En kreeg het toen de naam Ulpia Noviomagus? Lees meer...

Conclusie: daar is geen enkel bewijs voor. Het is gebaseerd op veronderstellingen en aannamen.


A.W. Byvanck (zie daar) schreef daar in 1943 al het volgende over: "Naar men aanneemt, is Traianus de eerste geweest, die aan een nederzetting in de buurt van een legerplaats stadsrechten heeft gegeven. Waarschijnlijk heeft de burgerlijke nederzetting bij het legioenskamp te Nijmegen ook stadsrecht gekregen, nadat het daar gelegerde legioen zijn vesting had verlaten. Het is evenwel niet volkomen zeker, dat de genoemde steden zich inderdaad uit de canabae der legioenen hebben ontwikkeld".
Liefst vier (4) voorbehoudens ten aanzien van het zogenaamde stadsrecht van Nijmegen.

Ondertitel bij de onthulling van het Trajanusstandbeeld in Nijmegen op 6 sept.1956 (zie afbeelding hiernaast): "Wij ontberen historisch inzicht".

En wat schrijft J.Bogaers daar zelf over in bROB 10-11 (1960-1961)? Enkele citaten uit dit artikel over 'Civitas en stad': Deze plaats kan van de betreffende keizer stadsrecht ontvangen hebben, dus colonia of municipium zijn geworden, maar het is ook mogelijk dat de keizerlijke bijnaam enkel gefungeerd heeft als erenaam van een peregrine nederzetting. (p.280). Ulpia Noviomagus is als hoofdplaats van de civitas Batavorum - in de tijd van Traianus althans - hoogstens een peregrine stad geweest, d.i. volgens het Romeinse staatsrecht geen echte stad, maar enkel een belangrijke vicus (p.289). Wanneer Nijmegen echter onder Traianus municipaal stadsrecht zou hebben ontvangen, heeft het als zodanig een wel zeer uitzonderlijke positie ingenomen. In het Europese deel van het Romeinse imperium zou het dan, voor zover we weten, het enige municipium zijn geweest dat aan Traianus zijn ontstaan te danken heeft (p.292). Ook wanneer zich in Batavodurum-Noviomagus na 70 veel cives Romani of Latini iuris gevestigd zouden hebben, kan men bezwaarlijk het voorbeeld van Thubursicum (Numidarum) aanvoeren ter vergroting van de mogelijkheid dat Nijmegen -bij wijze van hoogst zeldzame uitzondering onder Traianus tot municipium is verheven. Zonder verdere gegevens lijkt het mij voorlopig onaannemelijk dat zulks het geval is geweest. . Met in noot 172 nog de toevoeging: "Het is echter op zichzelf al nauwelijks mogelijk dat Nijmegen in de tijd van Traianus of later Latijns stadsrecht heeft ontvangen. Dat Noviomagus tijdens de regering van Traianus colonia zou zijn geworden, hetzij civium Romanorum, hetzij Latini iuris1ô, is, wanneer men er van overtuigd is dat M(unicipium) Bat(avorum) op de altaarsteen van Kapel-Avezaat op Romeins Nijmegen betrekking heeft, onmogelijk. Een ontwikkeling van colonia c(ivium) R(omanorum) naar municipium c.R. is wel uitgesloten (p.293). Over de de gedenksteen gevonden in Kapel-Avezaat merkt |Bogaers nog het volgende op: Ofschoon het op zichzelf mogelijk is dat met (dit) Municipium Batavorum, (deze) Stad der Bataven, een andere plaats bedoeld is dan Romeins Nijmegen, ligt het wel voor de hand in verband met het voorafgaande allereerst te denken aan de hoofdplaats van de civitas Batavorum, het als origo van diverse inscripties bekende (Ulpia) Noviomagus.
Tot voor kort was men vrij algemeen van mening dat Noviomagus in het begin van de 2de eeuw wel tot colonia zou zijn verheven, vooral op grond van de bijnaam Ulpia en de stichting van Colonia Ulpia Traiana (bij Xanten). Het is echter op zichzelf al heel weinig geloofwaardig dat in dezelfde tijd, onder het bewind van Traianus, op een afstand van slechts ca. 45 km van elkaar twee coloniae zouden zijn gesticht. Dit was dan wel een zeer uitzonderlijke gang van zaken geweest. (p.294). Uit het feit dat de Legio x Gemina ca. 104 uit Nijmegen is weggegaan, mag men op zichzelf zeker niet de conclusie trekken dat daarom de dicht bij de castra gelegen burgerlijke nederzetting wel tot stad zal zijn verheven (p.297). De conclusie van Bogaers is wel duidelijk: Na deze uitvoerige uiteenzetting betreffende de voorhanden zijnde gegevens en de conclusies die daaruit getrokken mogen worden, kan ik er ten aanzien van de status van Romeins Nijmegen slechts van overtuigd zijn dat Ulpia Noviomagus in de tijd van Traianus geen Latijns of Romeins stadsrecht heeft gekregen, dus geen municipium of colonia is geworden. (p.302).

Dit alles lijkt mij toch duidelijke taal. Het stadsrecht van Nijmegen is gebaseerd op veel aannames en veronderstellingen.
Hierbij moet wel opgemerkt worden dat Bogaers er helemaal van uitgaat dat Batavodurum en Noviomagus beide Nijmegen geweest zijn, wat slechts is gebaseerd op de onbewezen opvatting dat de Bataven tussen Rijn en Maas woonden. Maar zoals Van der Heijden opmerkte is van hen daar geen spoor gevonden. Zie hier.
Hoeveel zekerheid biedt dit artikel van Bogaers? Een kleine telling leert dat hij liefst 56x het woord 'waarschijnlijk' gebruikt, 30x 'wellicht', 31x 'mogelijk', 19x 'vermoedelijk', 18x wordt iets 'aangenomen' en liefst 66x 'moet' er iets, zoals in 'het moet wel betrekking hebben op'.

Wat is er sinds 1943, 1959/1960/1961 (J.Bogaers) en 1981 (W. van Es, zie hierna) bijgekomen aan bewijzen? De denkbeelden uit 1943 zijn vanzelf zekerheden geworden aangezien niemand ze tegensprak. Men noemt dat in de historische wetenschap 'argumentum ex silencio' ofwel 'zonder tegenspraak zou het waar zou kunnen zijn'. Dit verschijnsel zien we te vaak in de historische wetenschap waarbij men elkaar het liefst ook niet tegenspreekt om niet als 'ondeskundige charletan' uitgemaakt te worden wat Albert Delahaye heeft ervaren. Het 'schoenmaker blijf bij je leest' van Stolte (zie daar) spreekt dat wel uit.

Welke argumenten heeft men in Nijmegen?
In 1956 heeft de gemeente Nijmegen de naam van het Keizer Lodewijkplein veranderd in Keizer Traianusplein. Dit uiteraard om de aandacht op de vermeende stadsrechten van Nijmegen te vestigen die men toen gekregen zou hebben. Meerdere inwoners van Nijmegen protesteerden tegen deze naamswijziging. Hoewel de gemeenteraard niet voetstoots accoord ging is de naamswijziging toch doorgevoerd. Men zag liever de Traianus liefhebberij wat getemperd. Immers deze keizer is allerminst vriendelijk geweest tegenover de Christenen. Nijmegen was een zeer katholieke stad, waardoor het toch gevoelig lag een plein naar deze Christenvervolger te vernoemen. Een advies dat niet opgevolgd is was om "eerst maar eens een gedegen onderzoek naar deze keizer te doen om vermeerdering van de Nijmeegse raadsels te voorkomen". Schrijver dezes doelde kennelijk op het artikel over de vraag of het keizerlijk paleis van Karel de Grote wel te Nijmegen gestaan heeft, dat enkele maanden eerder in de pers verschenen was. Er bleken toch al enkele raadsels te bestaan in de historie van Nijmegen. Opvallend is ook dat de katholieke monseigneur en pauselijke kamerheer prof.R.R.Post (zie daar) zich deze naamswijziging niet heftig verzet heeft. Het zal wel aan zijn verzet tegen de publicaties van Albert Delahaye gelegen hebben. Daar was hij al te druk mee, zodat aandacht voor deze Christenvervolger erbij inschoot.
Ook hier gaven de publicaties van Albert Delahaye aanleiding de vermeende geschiedenis van Nijmegen wat op te vijzelen. Dat was in 1955 net tevoren ook gedaan rondom het bestaan van de stad dat van 700-jarig bestaan via het 1800-jarig bestaan plots het 1850-jarig bestaan werd. In 1962 zou er nog een standbeeld van Karel de Grote volgen, dat niet op het Valkhof kwam te staan (dat durfde men toch niet aan), maar weggestopt werd op het Traianusplein, schier onbereikbaar door het steeds drukker rondrazende verkeer op dit verkeersplein.

Deze drie zaken dient men in relatie tot elkaar te bekijken. De geschiedenis van Nijmegen heeft dankzij Albert Delahaye enkele opvallende maar totaal onjuiste aanpassingen gekregen.


Wat schrijven de historici over Traianus en Nijmegen?
W.A. van Es (zie daar) schrijft in 'De Romeinen in Nederland' (1980) daar het volgende over: In deze periode (70-161) zijn details niet bekend en het blijft bij vermoedens. Ons land wordt door de contemporaire geschiedschrijvers doodgezwegen (p.42). Romeins Nederland is nimmer de eer van een colonia waardig geacht (p.131). Vorm en uiterlijk van Batavodurum alias Oppidum Batavorum zijn eveneens nog geheel onbekend. Zelfs over de ligging is nog wel discussie mogelijk (p.132). Het wegtrekken van legio X in ca. 105 vormt de volgende cesuur in de ontwikkeling van Romeins Nijmegen. Trajanus had het legioen elders nodig en het gebied van Nijmegen wordt gedemilitariseerd. Batavodurum kreeg handels privileges, het zogenaamde ius nundinarum of marktrecht. Het kreeg waarschijnlijk nu ook zijn nieuwe naam Noviomagus met het vererende toevoegsel Ulpia, dat van de familienaam van de keizer was afgeleid. De castra werd omstreeks dezelfde tijd (ca. 170?) definitief opgegeven. Omstreeks 270 vielen de Franken aan en Noviomagus verdween van de aardbodem (p.136). Forum Hadriani en Noviomagus waren vermoedelijk eerder de zorgenkinderen dan de troetelkinderen van het Romeinse gouvernement (p.137).
Werkelijk zeer grote steden waren in de oudheid zeldzaam. Rome had in de keizertijd een miljoen of meer inwoners; het was echter ook in dit opzicht een uitzondering. Het rijk telde nog wel enkele andere volkrijke steden, maar die lagen niet in Nederland (p.137).

Het is ook het vermelden waard wat Tom Buijtendorp als deskundige in zijn boek over het jaar 117 over Traianus schrijft. Zie het jaar 117. Een ding is wel duidelijk als men dit boek leest, zelfs grondig bestudeert: voor de altijd aangenomen opvattingen wordt geen enkel concreet bewijs geleverd. Het boek maakt pijnlijk duidelijk dat veel van de traditionele opvattingen gebaseerd zijn op aangenomen veronderstellingen. "Helaas hebben ze niet als bewijs hun naam in de muur gekrast", schrijft Buijtendorp als excuus. Geen naam ergens in gekrast. Maar de Romeine krasten toch overal hun namen in en op? De 'graffitti' is feitelijk door hen uitgevonden. Er blijkt dus helemaal geen enkel schriftelijk bewijs te zijn voor de aanwezigheid van Traianus in Nijmegen.

Was deze keizer in ons land en stichtte hij een stad die zijn naam droeg? Het antwoord daarop is lang zoeken in dit boek, maar een feitelijk bewijs daarvoor, zoals al genoemd, wordt niet gegeven. Het zijn aannamen ofwel onbewezen opvattingen van Tom Buijtendorp (en alle traditionalisten). Ooit in een ver verleden heeft iemand deze hypothese eens gesteld (Reuvens?) en nadien is dat als een waarheid opgevat en door alle historici als een zekerheid aangenomen. De term van Van Buchum 'argumentum ex silencio' is hier zeker van toepassing. Dat betekent niet meer of minder dat bij gebrek aan tegenspraak het argument waar zou kunnen zijn. De Nederlandse vertaling van argumentum ex silencio is: wie zwijgt stemt toe, ofwel zonder tegenspraak wordt het voortaan als vaststaande waarheid gehanteerd. Men is alleen 'vergeten' een bewijs voor die opvattingen te zoeken. En als ook Buijtendorp met zijn vele uitweidingen en het napluizen van al die genoemde bronnen die bewijzen niet kan vinden, dan zijn die er ook niet!

Dan kun je nog zo'n mooi verhaal ophangen, met veronderstellingen en veel mogelijkheden en nog meer waarschijnlijkheden, maar als harde bewijzen uitblijven vervalt het hele betoog. Gelukkig voor de lezer weet Buijtendorp dat zelf en is wel zo eerlijk dat hij dat ook zelf toegeeft. Opmerkingen als 'hoewel niet zeker' of 'voor zover bekend' of 'algemeen wordt aangenomen' of 'het is daarmee niet gezegd dat' of al met al is het niet meer dan een theoretische mogelijkheid zijn wel duidelijk genoeg. Waar blijf je dan met je verhaal? Ik heb me ook regelmatig afgevraagd "wat bewijs je daar nu mee?" Om een voorbeeld te geven: Wat bewijs je met munten? Wat met een gedenksteen of een inscriptie? Is de erop vermelde plaatsnaam per definitie de naam van de vindplaats? Een in Nijmegen gevonden gedenksteen van een Morinier uit Terwaan toont het tegendeel al aan, net als gedenkstenen van Bataven die in Rome en het hele Romeinse Rijk gevonden zijn! Het beste voorbeeld is de gedenksteen van een Bataaf gevonden in PfŁnz waarvan Nijmegen een gipsen afgietsel bezit en waarmee men meent te kunnen bewijzen dat het over Nijmegen gaat.


De veldtochten van Traianus tussen 101 en 107 vonden allemaal plaats in DaciŽ (nu RoemeniŽ).


Afbeelding uit 'Les dossiers de l'Archťologie, nr.17 Juillet-Août 1976, p.21.

Wat weten we nu feitelijk echt?
Op nevenstaand kaartje zijn de verblijfplaatsen van keizer Traianus te zien. Daar zit geen enkel deel van west- of noord-Europa bij. Traianus is nooit in Nijmegen of Nederland geweest.
  • De vraag of Traianus ooit in Nijmegen is geweest (wat men er voor waar aanneemt) wordt door A.W.Byvack beantwoord. Traianus was keizer van 98 tot 117 n.Chr. "Traianus was te Keulen, toen hij het bericht ontving van zijn troonsbestijging. Naar men moet aannemen, was het de bedoeling van Tacitus de vreedzame politiek van Traianus tegenover de Germanen te steunen. Van de Rijn is Traianus naar de Donau gegaan. In het begin van 99 is Traianus aangekomen te Rome, waar hij de jaren 99 en 100 heeft doorgebracht. De eerste oorlog tegen de DaciŽrs is gevoerd in de jaren 101 en 102, de tweede, die met de volledige ondergang van Decebalus eindigde, in 106 en 107". Er wordt nergens vermeldt dat Traianus in NIjmegen is geweest en al zeker niet in het jaar 105. Hij was toen beslist in DaciŽ. (Bron: A.W.Byvanck: "Nijmegen en keizer Traianus?" Numaga 1955/5 (p.57 e.v.) Tussen de jaren 101 en 107 was keizer Traianus in DaciŽ en niet in Nijmegen. Toen de Romeinen rond het jaar 105 Nijmegen verlieten kreeg Nijmegen geen stadsrechten ter compensatie van het vertrek van het Romeinse leger. Deze redenering van 'compensatie' is afkomstig van prof.dr.J.E.Bogaers en kan als een infantiele gedachtenkronkel beschouwd worden. Compensatie? Dat kenden de Romeinen niet en zeker niet ten aanzien van overwonnen volkeren. Compensatie voor verlies aan inkomsten? En werd dat dan gecompenseerd met het verkrijgen van 'marktrecht'? Marktrecht? Voor wie, voor wat en waarom als de Romeinen juist vertrokken?

    Het gedeelte van een zuil van Tiberius, gevonden in Nijmegen, is ook geen bewijs van zijn aanwezigheid daar. De steensoort van de zuil geeft al aan dat die zuil van elders afkomstig is. Deze zuil zal zeker door de Romeinen zijn meegesjouwd en tijdens hun verblijf in Nijmegen terecht zijn gekomen. Dat deze daar is achtergelaten geeft het overhaaste vertrek van de Romeinen al aan. Interessant detail: "Waar is de rest van die zuil?"

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.