Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Romeinen langs Rijn en Noordzee.



De 'Romeinen lang Rijn en Noordzee' is een zeer interessant boek. Het geeft opnieuw een inkijk in de geschiedenis van Romeins Nederland. Volgens de schrijvers biedt het een volledig overzicht van de Romeinse geschiedenis in Nederland. Kunnen we dan de conclusie trekken dat dit alles is dat men heeft? Dat er niet meer is?

Dan ben ik toch benieuwd welke schat aan details en 'nog veel meer' in dit boek zijn terug te vinden.

Als je dit boek echt eens kritisch leest val je van de ene verbazing in de andere. Er worden talloze nieuwe standpunten ingenomen, waarbij het een gemis is dat verwijzingen in noten ontbreken. Het is dan ook niet te controleren hoe de schrijvers aan hun informatie komen. Zou dat met die 'nieuwe visualisaties' bedoeld worden? Visualisatie betekent bij de schrijvende pers 'de verbeelding voorstelbaar aanschouwelijk maken', ofwel een nieuwe fantasie of droombeeld.

In Nederland zijn bovengrondse resten van Romeinse gebouwen bewaard gebleven (p.129) is een ware opmerking. Wat er onder de grond zit weten we ook niet precies. Daar is juist veel discussie over. Wel opvallend hierbij is dat wat er onder de grond zit soms erg diep zit, zoals grafresten op wel 6 meter diep. Archeologie heet in Nederland niet voor niets 'opgraven'. Dat het soms zo diep onder de grond zit bevestigt de transgressies (zie daar) zonneklaar.
Die transgressies worden door Van der Heijden ook erkent als hij de heftige en zware overstromingen noemt (p.19) die tussen 185 en 282 plaats vonden en die een (mede-)oorzaak was van het vertrek van de bevolking naar het zuiden.




Zie tekst hiernaast.
Klik op de afbeelding voor een vergroting.


De begaanbaarheid van het landschap in Nederland anno 100. Het felrood van niet-toegankelijke gebieden domineert: dat geldt voor zowat heel WestNederland en grote delen van Noord-Nederland. Als we inzoomen op de limes, dan blijkt meteen waarom die in het westen langs de Rijn is gelegd: dit was de enige begaanbare corridor tussen het oosten en het reepje bewoonbare kust. (p.61).
Waar blijft de traditie dan met de Cannanefaten?

De begaanbaarheid van het landschap veranderde de eerste eeuwen van de jaartelling nauwelijks; op sommige plekken verergerde de situatie zelfs nog, zoals in het westelijke rivierengebied in de derde en vierde eeuw. (p.60). Men kan dan ook hier geen omvangrijke Romeinse geschiedenis plaatsen, laat staan de Bataven, Canninefaten of Friezen laten wonen.


De kaart van de Risicogebieden hoogwater toont aan dat juist de Betuwe het meest bedreigde gebied is. Dat is niet alleen nu het geval, maar was ook zeker in de Romeinse tijd zo. En juist daar zou het omvangrijke volk van de Bataven gewoond hebben? Maar dat woonde daar niet, wat Stijn Heeren (zie daar) ook al aantoonde.
Het boek 'Romeinen langs Rijn en Noordzee' is een uitgave van de AWN en geschreven door Paul van der Heijden met medewerking van Evert van Ginkel (©2020). Het is een openhartig boek waarin over een aantal Nederlandse tradities behoorlijk wordt getwijfeld. De eerlijkheid die hieruit spreekt betekent feitelijk een keerpunt in een aantal traditionele opvattingen die niet langer houdbaar blijken te zijn. Of ze ook losgelaten worden zal de toekomst moeten leren.

De visie van Albert Delahaye.
De aanwezigheid van de Bataven in Nederland wordt door geen enkel schriftelijk of archeologisch bewijs ondersteund. Het is een deductie uit een aantal aangenomen opvattingen, waarbij de belangrijkste is dat de Betuwe het Eiland van de Bataven zou zijn geweest. Daarbij wordt verwezen naar de tekst van Tacitus in HistoriŽn IV.12.3 (zie daar) en die ene zin van Einhard in de Vita Karoli Magni (zie daar). Echter, over beide zaken werd al langer getwijfeld en zijn momenteel ruimschoots weerlegd. Tacitus schrijft dat de Bataven op de taalgrens woonden. Wie hiervan het midden van Nederland wil maken, moet bewijzen dat daar ooit de taalgrens lag. Is die taalgrens dan in de loop van de eeuwen naar het zuiden gezakt? Dat de Betuwe als een eiland moet worden gezien, is ook behoorlijk twijfelachtig. Dat het daar regelmatig een natte bedoening was is wel bekend, maar een eiland? De naam Betuwe (betere grond) komt in de 11e eeuw op als tegenhanger van Veluwe (vale - schrale grond). Het -uwe- wijst op de grond, het grondbezit -wat van u is. In de Betuwe ook Batua genoemd in teksten, zouden ruim 120 plaatsen of landerijen gelegen moeten hebben die in het bezit waren van de abdij van Lorsch (Laurisham). Waar lagen die in de Betuwe? Ze zijn er nooit gevonden of aangewezen op een enkele (Gendt? Gannita?) na. Het is dan ook duidelijk dat de Bataven niet in de Nederlandse Betuwe (zie daar) woonden. Geen wonder dat er van hen daar nooit iets gevonden is, al worden vondsten wel steevast 'Bataafs' genoemd.


Wat lezen we in dit boek waar de traditonele opvattingen worden losgelaten?

In het 'Woord vooraf' wordt vermeld dat "Het oude idee dat de limes alleen maar diende als defensieve linie om barbaren tegen te houden, kan voorgoed naar de prullenbak". De consequenties die deze opvatting heeft, vind je echter in dit boek niet terug. Er wordt steeds gesproken over de limes als verdedigingsgrens met forten en muren en het functioneren van de limes. De limes in Duitsland, de limes in het landschap, de limes met militaire versterkingen, de limes en de kustverdediging en het einde van de limes door invallen van Barbaarse volkeren. De limes wordt zelfs voorgedragen als cultureel erfgoed (p.126) en men is druk bezig die limes te visualiseren aangezien er Nederland boven de grond niets van is terug te vinden wat men dan 'nauwelijks zichtbaar' noemt. Helemaal onzichtbaar zal men bedoelen, vandaar die visualisatie!

Nu wil Van der Heijden de limes verder relativeren met de opmerking 'hoe de Romeinen hun eigen grens noemden weten we niet'. Maar hoe de Romeinen hun eigen grens noemden weten we wel. Die noemden zij "rhenus" waarbij deze naam voor een grensrivier later de eigennaam werd van talloze rivieren in Europa, zoals de 'Reno', de 'RhŰne' en de 'Rhein' die inderdaad een grens vormden. Zie verder bij Renus.Rivieren waren immers natuurlijke hindernissen, waar men niet zomaar overheen kwam, wat ook in WO2 nog bleek. Etymologisch betekent 'rhei', 'hreni', 'hrein' scheiden wat precies is wat een grensrivier doet. Ook de schelde/scaldis/escaut/ heeft dezelfde etymologische herkomst. Een 'rein' is een verhoogde zoom -denk aan oeverwal- als grens dienend. Grieks 'krinein' =scheiden, Panta rhei = alles stroomt. Dat deze grens in Nederland de naam kreeg van Rijn met een lange -ij-, toont al aan dat het een naam is uit het tweede millennium. De lange -ij- bestaat in Nederland pas sinds de 16e eeuw.
Dat de in Latijnse teksten genoemde Renus niet overeenkomt met de Rijn blijkt wel uit standpunten van historici als A.W.Byvanck, W.A. van Es en J.E.Bogaers, die er successievelijke Maas of Waal van maakten.
Van de Heijden noemt als noordelijke tak van de Renus 'waarschijnlijk' de (Utrechtse) Vecht. Daarmee laat ook hij de opvatting van Stolte en anderen los dat het de IJssel zou zijn, waarmee het kanaal van Drusus daar eveneens moet vervallen.


"De Peutingerkaart"
Van der Heijden blijft van mening dat de Peutingerkaart een van de belangrijkste geografische bronnen uit de oudheid is (p.14). Dat het een falsum is gezien de vele fouten, komt ook bij hem niet op. En aan die vele fouten voegt hij nog eens twee toe.
1. Hij wijkt van de traditionele opvattingen af als hij de Fluvius Batavus (op de Peutingerkaart staat Patabus met een P-) de Maas noemt. Batavus met B- zal beter bij Bataven passen. Maar die ontbreken toch? Zie hieronder 'Het Bataafse raadsel". De Waal ontbreekt volgens hem.
2. Een tweede afwijking van de traditie is dat hij het badhuis dat alle historici aan Pretorii Agrippine toewijzen aan Forum Hadriani koppelt. Overigens staat op de Peutingerkaart foro adriani. Hadriani met H- is een speculatie om het aan keizer Hadrianus te kunnen koppelen. Hij noemt het een kopieerfout en voegt zo nieuw bewijs toe aan de vele andere fouten op de Peutingerkaart.
Als dit vignet van het badhuis aan Forum Hadriani wordt gekoppeld geeft dat aan dat het een belangrijkere plaats was dan Noviomagi dat slechts het vignet van een dubbele poort heeft. Daarmee komt Van der Heijdens stokpaardje dat Nijmegen de belangrijkste en oudste stad is te vervallen. Immers volgens J.E.Bogaers kreeg Nijmegen vermoedelijk op zijn vroegst pas in de tweede helft van de tweede eeuw na Christus marktrechten en stadsrechten (Jaarboek Numaga 2002, p.5).

"Het Bataafse raadsel"
Het meest opvallendste in dit boek van Van der Heijden is dat hij nu erkent dat er geen spoor is gevonden van de Bataven in de Betuwe of de Eburonen in Limburg. Hij noemt het "Het Bataafse raadsel" en schrijft letterlijk (p.28): "Tientallen jaren onderzoek naar de oorsprong van de Bataven heeft veel nieuwe kennis opgeleverd, maar er komen ook steeds meer nieuwe vragen bij. Zo is het nog steeds vrijwel onmogelijk gebleken om de komst van de 'nieuwe Nederlanders', de Chatten, ook archeologisch aan te tonen: geen spoor van een nieuw volk met ander aardewerk en andere gewoonten. Ook geen spoor van vermoorde of verjaagde Eburonen trouwens". Met de hier genoemde 'nieuwe Nederlanders', de Chatten, worden uiteraard de Bataven bedoeld die traditioneel daarvan afstamden. Durft Van der Heijden hier de Bataven niet meer rechtstreeks te noemen? Waaruit die nieuwe kennis over de Bataven bestaat is overigens nog steeds een vraag. Voor tekstuele bewijzen over de Bataven verwijs ik naar het boek "De Bataven. Verhalen van een verdwenen volk", die de Bataven overigens ook kwijt zijn en waarin ook geen enkel bewijs te vinden is van het verblijf van Bataven in de Betuwe.


Het bijschrift bij deze foto op p. 60 (zie hierboven) vermeldt zo moet de Betuwe er in de Romeinse tijd hebben uitgezien. In Nederland kennen we dit soort wetlands al lang niet meer, daarvoor moeten we bijvoorbeeld naar Wit-Rusland. Het water heeft vrij spel. Het is een van de visualisaties die Van der Heijden zal bedoelen, maar meteen wel een doorslaggevende. Het komt er in elk geval op neer dat deze wetlands volledig onbewoonbaar waren. De Bataven hebben hier dus echt niet gewoond. Vandaar dat er geen spoor van te vinden is.

Dat deze 'wetlands' in Nederland niet meer te vinden zijn is geheel onjuist, aangezien we deze nog kennen in de Biesbosch, in de Wieden en Weerribben, Bargerveen, de Oostvaardersplassen, Naardermeer en Vechtplassen en in grote delen van Holland en Friesland. Zie de informatie op https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2009/06/nederland-rijk-aan-wetlands. Nederland is zelfs rijk aan wetlands en heeft op Duitsland na de meeste hectare aan wetlands in heel Europa.

Uit deze informatie over wetlands blijkt dat Van der Heijden niet op de hoogte is van de feiten en een verhaal vertelt dat ver bezijden de waarheid is. En dat is nu precies het probleem bij historici: ze roepen iets zonder de feiten te controleren. En wat ze geroepen hebben gaat vervolgens de historische wereld in als wetenschap, immers zij zullen het wel weten, want zij hebben er voor gestudeerd! De gemiddelde leek weet er te weinig van om het gefundeerd tegen te kunnen spreken, dus wordt het vanzelf een zekerheid.

Een voorbeeld over de onmogelijkheid van de traditionele opvattingen vinden we op p.61 (zie de afbeelding van Nederland hiernaast die daar afgebeeld wordt). Daaruit blijkt dat rond het jaar 100 het rode gedeelte ontoegankelijk te zijn ofwel totaal onbewoonbaar. Waar verbleven dan die grote en omvangrijke volkeren waarvoor de Romeinen hun grensbewaking instelden? Hier ondergraaft de werkelijkheid de traditionele opvattingen in alle facetten.

Ook de traditie over de Eburonen wordt met dit citaat op p.28 weersproken. En als de Eburonen niet te vinden zijn, verdwijnt ook de vermeende veldslag van Julius Caesar tegen hen. De aanwezigheid van Ceasar in Nederland en Nijmegen wordt overigens ook al losgelaten. 'In Nijmegen zijn Caesars legers hoogstwaarschijnlijk nooit geweest' (p.13) en 'Er bestaat nog altijd onzekerheid of Caesar tijdens de Galliche Oorlogen een voetstap heeft gezet op het grondgebied van Nederland. Of zijn legers ook de Nederrijn hebben gezien is twijfelachtig' (p.15). Het 'hoogstwaarschijnlijk' , 'nog altijd onzekerheid' en 'twijfelachtig' zijn veel gebruikte verhullende bewoordingen onder archeologen en historici om te erkennen dat men gewoon geen enkel bewijs heeft voor die aangenomen opvatting.
Met deze erkeningen vervallen meteen ook een aantal andere traditonele opvattingen die juist op de aanwezigheid van de Bataven in de Betuwe of Eburonen in Limburg waren gebaseerd. Daarvoor kan ik verwijzen naar de boeken van Tom Buijtendorp en anderen die dit toch altijd als uitgangspunt hebben genomen.


Op p.28 vermeldt Van der Heijden dat leden van de Chatten uit midden Duitsland zich mochten vestigen in Zuid-Nederland. Wat onder Zuid-Nederland wordt verstaan, wordt niet toegelicht. Is dat Brabant en Limburg? Dus niet de Betuwe? Dan volgen twee opmerkelijke zinnen: "Volgens de meest aannemelijke theorie vermengde deze groep zich met hun hier nog aanwezige verre familieleden, de Eburonen. Dat mixvolkje zou bekend worden onder de naam Bataven".
Hierover zijn enkele opmerkingen te maken: de eerste zin bevat drie voorbehoudens: 1. Volgens wie? 2. Aannemelijk is een aanname zonder bewijs. 3. Het is een theorie ofwel een denkbeeld zonder vorm van werkelijkheid.
Dat de Bataven een mixvolkje met de Eburonen waren is een totaal nieuwe opvatting van Van der Heijden. En dat de Eburonen verre familieleden van de Bataven waren, zou ik toch graag toegelicht zien. Hoe komt hij die informatie? Helaas geeft Van der Heijden hier geen noot of verdere uitleg. Wel weten we wat Van der Heijden blijkbaar onder Zuid-Nederland verstaat. Immers de Eburonen waarmee de Bataven zich vermengden worden door hem en de traditie in Zuid-Limburg (Eburoonse muntschat in Amby en Graetheide) en Belgisch Limburg geplaatst, in elk geval ten zuiden van Roermond volgens Van der Heijden (p.28). De Bataven worden hier dus opvallend niet aan de Betuwe gekoppeld. Dat kon ook niet, want daar is van hen geen spoor gevonden zoals Van der Heijden schreef.
Vraag blijft dan wel hoe die 'Eburoonse munschatten' in Noord-Frankrijk terecht zijn gekomen en daar StatŤres Morins heten. Zie het artikel over de muntschat van Amby.

Eenzelfde opmerking maakt Van der Heijden over de Sugambren die zich in het achterland van Xanten vestigden en zich mengden met de resterende bevolking en Cugernen gingen heten. Maar daar tussen Lippe en Ruhr verbleven de Sugambren toch al, tenminste volgens de traditionele opvattingen? En de Cugernen worden volgens diezelfde traditie aan de Maas rondom Cuijk geplaatst, dus niet in het achterland van Xanten.

Van der Heijden merkt nog op dat het bij die migraties niet ging om complete volkeren, maar om groepjes van individuen of families die zich dan mengden met de lokale bevolking. En dan namen ze zeker samen een nieuwe naam aan? Het is een bekend verschijnsel bij de traditonele historici dat er met volkeren geschoven wordt, slecht om de locaties passend te maken bij hun theorie.

Over de Bataven merkt Van der Heijden nog op dat 'de meesten er niet over peinsden om in een stad te gaan wonen, ook al hadden de Romeinen speciaal voor hen een nieuwe hoofdstad gebouwd, Oppidum Batavorum, het huidige Nijmegen'.
Je vraagt je in gemoede af hoe Van der Heijden aan deze opvattingen komt. Geen wonder dat van de Bataven geen spoor is gevonden (zie hierboven) en het Oppidum Batavorum onvindbaar bleef in Nijmegen volgens archeoloog W.Willems (zie daar).
Hierover zijn enkele dringende vragen te stellen:
  • Sinds wanneer bouwden de Romeinen een stad voor hun vijand? De Opstand van de Bataven was net voorbij. In heel het Romeinse rijk zie je dat nergens, alleen in Nijmegen (volgens de Nijmeegse historici). De Joodse Oorlog in dezelfde periode (66-70) eindigde met een totale verwoesting van Jeruzalem en het afslachten van de bevolking. Overlevenden werden verkocht als slaven. Het laatste verzet was in Massada, wat nog steeds herdacht wordt. Keizer Domitianus liet later in Rome een triomfboog oprichten ter ere van het neerslaan van de Joodse opstand. Maar niet in Nijmegen! Daar bouwden de Romeinen zelfs een nieuwe stad voor de opstandelingen! Wie dat gelooft is wel erg naïef. Of wil men in Nijmegen er iets anders mee 'bewijzen'?
  • Welk volk bouwt een hoofdstad (of laat die bouwen) buiten zijn eigen gebied? Nijmegen ligt niet in de Betuwe, maar er tegenover.
  • Waar lag het Oppidum Batavorum? W.Willems kon het niet vinden in Nijmegen.
  • Waar woonden de Bataven dan? Ze peinsden er niet over om in een stad te gaan wonen en in de Betuwe is van hen ook geen spoor gevonden.
  • Waarom noemen andere historici Ulpia Novimagus als de nieuwe hoofdstad van de Bataven? Gaven de Bataven een Romeinse naam aan hun stad?
  • Konden de Bataven dan Latijn lezen, schrijven en spreken? Dan waren het toch niet zulke 'barbaren'.
    Zo maakt Van der Heijden er inderdaad 'een Bataafs raadsel' van. Hoe dat allemaal precies in elkaar steekt moet de lezer blijkbaar zelf maar uitzoeken.

  • Recente publicaties:
    Veel bevindingen in dit boek staan op gespannen voet met de tot dan toe gehanteerde opvattingen, die ooit vanzelf 'tradities' waren geworden. Helaas is niet altijd terug te vinden waarop die nieuwe bevindingen gebaseerd zijn wegens het ontbreken van noten. Ook in de literatuur opgave is niet uit te maken op welke bronnen de nieuwe opvattingen gebasserd zijn. Het is dan ook niet na te gaan of die nieuwe opvattingen gebaseerd zijn op de mening van de auters of op hard wetenschappelijk bewijs. Nu wordt regelmatig wel genoemd dat 'uit onderzoek gebleken is', maar niet op welk onderzoek en wat er precies uit dat onderzoek] bleek. Er staan veel recent verschenen boeken tussen, die wellicht aan de grondslag liggen van die nieuwe opvattingen. Voor enkele van die nieuwe boeken verwijs ik naar recente publicaties.
    Toch staan er nog enkele opvallende publicaties tussen. Zo wordt bij enkele plaatsen specifieke literatuur vermeld. Bij Elst wordt J.E.Bogaers (1955) genoemd, bij Amerongen W.Braat (1961), bij Maurik en Zwammerdam J.K.Haalebos (1976), bij Rijswijk W.van Es (1984). Blijkbaar er is sinds genoemde jaartal niets aan 'bevindingen' bij gekomen, laat staan aan bewijzen.
    Ook andere bevindingen die in dit boek erkend worden, bevestigen de opvattingen van Albert Delahaye. Opmerkingen mijnerzijds in rood.
    1. De Romeinse aanwezigheid in Nederland duurde ruim vijf eeuwen (p.116). Elders wordt in dit boek dan wel Caesar genoemd, maar die was nooit in Nederland (p.15). De eerste legers waren die van Augutus in 19 v.Chr. (p.15). Vanaf 19 v. Chr. tot het einde van het Romeinse Rijk in 406 (p.120) is niet echt vijf eeuwen. Van der Heijden laat die aanwezigheid beginnen in 19 v. Chr. Maar dat is onbewezen aanname. Zie daarvoor Nijmegen en keizer Augustus. In Nijmegen begon die aanwezigheid pas rond 71 n.Chr. en eindigde in het tweede millennium (rond 175). In westelijk Nederland was die aanwezigheid vanaf ca.40 n.Chr. en eindigde in elk geval rond 270 n.Chr. In Nijmegen zou er nog een aanwezigheid zijn geweest in de 4e eeuw, maar bewezen is dat slechts met munten. In Heerlen en Maastricht kom je ook niet aan vijf eeuwen Romeinse aanwezigheid, hooguit vier.

    2. In Nederland zijn geen bovengrondse resten van Romeinse gebouwen bewaard gebleven (p.129). En wat we vinden ligt soms 5,5 meter onder de grond (p.123). En dan worden de transgressies toch nog ontkent?

    3. Eeuwenlang vormde referentie aan de oudheid een belangrijk item voor de elite; machthebbers deden veel moeite om afstamming van de Romeinen (of juist tegenstanders zoals Bataven) te bewijzen, om hun eigen gezag daarmee te legitimeren. De historische werkelijkheid was daarbij volstrekt ondergeschikt (p.123). En die ondergeschikte historische werkelijkheid vormt nog steeds de basis van de Vaderlandse geschiedenis.

    4. Zo vinden we sporen van Frankische en Merovingische aanwezigheid terug in de castelIa van Utrecht, De Meern, Arnhem-Meinerswijk, Nijmegen en Cuijk. Hoe intensief die bewoning is geweest, weten we niet precies. Het Nijmeegse Valkhof was mogelijk sinds de vierde eeuw continu bewoond, maar hier wreekt zich een tekort aan archeologische data (p.121). Hoe wil men continuïteir in bewoning bewijzen zonder archeologische vondsten?

    5. Vanaf de derde eeuw raakten de wegen op Nederlands grondgebied grotendeels in onbruik. Hand in hand met de nieuwe strategie van diepteverdediging kwam het zwaartepunt van de infrastructuur te liggen op de al eerder genoemde Via Belgica (Keulen-Maastricht-Boulogne-sur-Mer). Frankische volkeren uit het noorden vestigden zich in het lege gebied ten noorden van de weg, terwijl de oorspronkelijke Gallo-Romeinse bevolking ten zuiden daarvan woonde. Veel wetenschappers nemen aan dat deze situatie heeft geleid tot de huidige taalgrens in BelgiŽ (p.89). Veel wetenschapper? Wie dan allemaal? Maar de taalgrens werd al door Tacitus genoemd in de eerste eeuw en bestond daar al langer als scheiding tussen Gallia en Germania. Dat wordt ook bevestigd door de Romeinen die het gebied ten noorden en oosten van de taalgrens Germania Inferior en Germania Superioir noemden. Het was het taalgebied van de Germanen.

    6. Over de zogenoemde Zuidroute weten we nog heel weinig (p.88). De interpretatie van de genoemde plaatsen aan deze 'Zuidroute' is nog niet helemaal bevredigend (p.89). Nederland schermt dus met een halve waarheid. Overigens is de term 'zuidroute' onjuist, aangezien van de Peutingerkaart geen windrichtingen zijn af te leiden.

    7. De latere keizers Caligula (37-41) en Claudius (41-54) stichtten nieuwe forten langs de Rijn, wellicht om de Rijn te beschermen tegen eventuele barbaarse invallen, hoewel de Romeinen op dat moment weinig te duchten hadden van de volkeren in het noorden. Er woonden nauwelijks mensen. (p.16). Dat er weinig bevolking was ten noorden van de Rijn werd ook al opgemerkt door A.W.Byvanck in 1943.

    8. De Rijn vormde behalve grensrivier ook een bewaakte handelsroute. De Rijn vormde nu behalve grensrivier ook een bewaakte handelsroute tussen BrittanniŽ en het Rijndal. Voorzichtig kunnen we nu spreken van een gemarkeerde en verdedigbare grens, een Iimes (p.16). Als er nauwelijks mensen woonden -zie vorige opmerking- was de Rijn ook geen beschermde grens tegen invallende volkeren.

    9. Over het tempo en de oorzaken van die ontvolking bestaan verschillende theorieŽn. Het lijkt erop dat dit proces al vroeg op gang kwam, mogelijk al vanaf 230, en dus niet alleen te wijten was aan de Frankische invallen rond 260. Ook zijn er aanwijzingen voor natuurlijke oorzaken, zoals de vernatting van de limeszone. Jaarringenonderzoek toont aan dat er in 232 en 282 heftige overstromingen plaatsvonden. Die vernatting moet al eerder zijn ingezet: van alle zware overstromingen die in het eerste millennium optraden, viel maar liefst een derde tussen 185 en 282. (p.19).

    10. Maar afgezien van de Bataafse Opstand in 69 hebben de Iimesforten tot circa 260 zelden of nooit in de frontlinie van een oorlog gelegen. (p.32). En dan blijf de vraag op de Bataafse Opstand zich wel in Nederland heeft voorgedaan. Dat is slechts gebaseerd op het aanname dat de Bataven in de Betuwe woonden, waar -zie hiervoor- van hen echter geen spoor gevonden is.

    11. In de afgelopen twee eeuwen is naarstig gezocht naar de plek van de Varusslag, waarbij enkele tientallen verschillende locaties met elkaar concurreerden. Uiteindelijk werd Kalkriese (circa 15 kilometer ten noorden van OsnabrŁck), ondersteund door talloze vondsten op een uitgestrekt slagveld, als meest waarschijnlijke locatie van deze slag gezien. Er verrees een prachtig, indrukwekkend museum. Maar de laatste jaren rijst er in wetenschappelijke kringen toch weer twijfel of dit wel de belangrijkste plaats delict is, of dat zich hier een minder belangrijk treffen tussen Romeinen en Germanen had afgespeeld. (p.38).Klik hier voor meer informatie over de Varusslag.

    12. De continuÔteit van bewoning in de overgang van Romeinse tijd naar de Merovingische tijd is hier veel duidelijker aanwijsbaar dan in Nederland. Hier is Duitsland. Met andere woorden: in Nederland is de overgang van de Romeinse tijd naar de Merovingische tijd niet duidelijk aanwijsbaar. Is deze wel aanwijsbaar en waar dan? Heeft die Merovingische periode in Nederland wel bestaan?

    13. Een van de topstukken van Museum het Valkhof is deze bronzen portretkop, aangekocht in 1955 en waarschijnlijk gevonden in de buurt van Xanten. Oorspronkelijk dacht men dat het keizer Traianus voorstelde, maar die theorie wordt nog maar door weinigen gedeeld - er zijn te veel verschillen met de bekende portretten van de keizer. (p.47).Het is typische voor de geschiedenis van Nijmegen: van elders geÔmporteerd en onjuist opgevat. Dat gebeurde natuurlijk om de hypothese in stand te houden dat Traianus in Nijmegen is geweest en de stad stadsrechten heeft gegeven, wat beide onjuiste opvattingen zijn (zie bij Nijmegen stadsrechten?) Overigens wordt deze portretkop nog steeds als 'van Traianus' gepresenteerd, al zet men er nu wel een vraagteken bij.

    14. De Romeinen herbouwden Vetera niet, maar bouwden een nieuwe legioenplaats 1,5 kilometer noordelijker, ter hoogte van het huidige Bislicher Insel. Eenzelfde verhuizing naar lagere gebieden zien we in Nijmegen, waar de hooggelegen nederzetting Oppidum Batavorum plaats maakte voor het aan de rivier liggende Ulpia Noviomagus. (p.49). Hoewel Van der Heijden de PK regelmatig noemt, zwijgt hij er hier over. Volgens de PK lag Vetera (Veteribus) op XL mijl van Colo(nia) Traiana. Op dit punt lopen alle historici steeds vast en noemen het dan een overschrijffout, waarmee ze onbedoeld de valsheid van de PK erkennen, die dan talloze 'overschrijffouten' bevat.

    15. Rond het jaar 100 verleende keizer Marcus Ulpius Traianus het stadsrecht aan Xanten, de hoofdstad van het Cugernische district, waardoor het voortaan Colonia Ulpia Traiana ging heten. De term 'colonia' duidt op een speciale status als stad voor veteranen, hoewel het een discussiepunt blijft of dat ook een wettelijke grondslag had. (p.49). Die wettelijke grondslag ontbreekt in Nijmegen ook volkomen. Zie een vorige opmerking en lees vooral wat Bogaers daar over schrijft in 1960-1961.

    16. Net als Xanten, Nijmegen en Voorburg raakte Tongeren in de derde eeuw in verval. In de Laat-Romeinse tijd is de Limes in West-Nederland compleet verdwenen (p.53). Waarmee veel aangenomen geschiedenis eveneens verdwijnt.

    17. Het zwaartepunt van de zeevaart lag waarschijnlijk niet bij de Rijnmonding bij Katwijk aan Zee, maar veel zuidelijker (p.56). Wat te denken van de oversteekplaats naar Britannia bij Boulogne-sur-Mer (Gesoriacum).

    18. Aan het eind van de derde eeuw gebeurde een paar kilometer oostwaarts hetzelfde en ontstond de Lek. (p.61). Daarentegen houden andere wetenschappers het op na de 9e eeuw dat de Lek ontstond. Zie bij de Lek.

    19. Nog onduidelijk is de rol van de Waal, die volgens de laatste gegevens pas in de derde eeuw veel meer water voerde en daarmee het belang van de Linge overnam. Dat is vooralsnog lastig te rijmen met de vooraanstaande rol van Nijmegen vanaf het begin van de jaartelling. Wat we ook nog steeds niet precies weten, is hoe Maas, Waal en Rijn met elkaar waren verbonden in de verschillende deelperioden. Over de Gelderse IJssel in de huidige vorm, dat wil zeggen als aftakking van de Rijn, zijn de wetenschappers het inmiddels wel eens: deze ontstond pas in de zesde eeuw (p.61). Voor meer informatie over de rivieren lees hier.

    20. Vreemd genoeg ontbreken in Midden- en Oost-Nederland aanwijzingen voor de Iimesweg vůůr 85, terwijl de meeste limesforten dan al ruim veertig jaar bestaan. De meest voor de hand liggende verklaring is dat goederen ťn troepen zich tot die tijd vooral- zo niet uitsluitend - via de Rijn hebben verplaatst (p.89). Of de forten in Nederland zijn allemaal van na die tijd, zoals bij Zwammerdam en ook Nijmegen is vastgesteld (zie het overszicht hieronder).

    21. Wat vooral opvalt, is dat de limesweg van Vechten tot de kust grotendeels bekend is, terwijl voor Gelderland het tegenovergestelde geldt. Ook over de zogenoemde Zuidroute weten we nog heel weinig, afgezien van het tracť tussen Naaldwijk en Voorburg (p.88). De enig juiste conclusie is dan ook dat de twee routes op de Peutingerkaart niet overeenkomen met Romeins Nederland, wat ook niet anders kan aangezien die kaart een falsum is. Zie verder bij de Peutingerkaart.


    De Romeinse plaatsen langs de Rijn in Nederland.
    In hoofdstuk 3 wordt de Limes in Nederland besproken. De Romeinse plaatsen in Nederland worden hierin op een rijtje gezet. Wij houden in het overzicht hieronder de volgorde aan waarin ze in dit hoofdstuk worden besproken. We nemen die informatie hieronden in het kort over. PK=Peutingerkaart. Voor zover wij op dit moment weten betreft het Nederlandse gedeelte van de Neder-Germaanse limes ťťn legioenplaats en zo'n vijftien zekere of vermoedelijke castelIa.
    Het is uiteraard zeer verhelderend welke bewijzen (kolom 5) van de Romeinse plaats in dit boek worden genoemd. Letterlijke opmerkingen uit dit boek zijn in de laatste kolom overgenomen. Opmerkingen mijnerzijds in rood.

    Nederlandse plaats Romeinse plaatsnaam Staat op de PK? Periode (heeft bestaan van.. tot..). Waarop zijn de bewijzen gebaseerd? Opmerkingen. Letterlijke citaten in zwart, opmerking mijnerzijds in rood.
    Nijmegen. Legioenplaats Noviomagus. Noviomagi. van 19 tot 16 v.Chr. Op basis van muntvondsten en aardewerk. De enige plek in Nederland waar een Romeins legioen een tijdlang een vaste basis had. Na het vertrek van de troepen rond 16 voor Chr. bleef de legerplaats ruim tachtig jaar onbezet. De naam Novimagus heeft nooit betrekking gehad op de legioensplaats op de Hunerberg. De Romeinse geschiedenis van Nijmegen begint dus feitelijk pas in 71 n.Chr. met de komst van het tiende legioen, wat in het Bronnenboek ook aangegeven is. Daar is de oudste tekst over Noviomagi uit het jaar 98.
    Herwen/Bijland. Carvium. Carvio. ?? baggervondsten Hier lag hoogstwaarschijnlijk een castellum. Op de PK staat Carvone en niet Carvio wat Van der Heijden schrijft. Zorgvuldig je bronnen controleren is er ook hier weer niet bij..
    Duiven-Loowaard. ?? nee ca.40 tot 245. baggervondsten Op basis van opgebaggerd materiaal wordt een versterking vermoed. In 2019 is een grondige inventarisatie en analyse gemaakt van alle vondsten uit de afgelopen vijftig jaar. De resultaten van die analyse maken het bestaan van een castellum met vicus wel heel waarschijnlijk.
    Arnhem. Levefanum (?) Ja waarschijnlijk vanaf 15 tot 180. enige grondsporen, dakpannen, inscripies LEGIMPF. Er is veel discussie geweest over de Romeinse naam van het fort. Lange tijd vermoedde men dat dit het uit andere bronnen bekende Castra Herculis zou zijn, maar volgens de laatste stand van kennis gaat het om Levefanum, dat op de Peutingerkaart staat vermeld (en tot voor kort werd gekoppeld aan Rijswijk). De Romeinen moeten flinke last hebben gehad van wateroverlast. In verschillende fasen is het hele terrein meer dan 2 meter opgehoogd. Dat zou ook voor hedendaagse begrippen niet genoeg zijn: nog steeds kan (en mag) het gebied overstromen. Let op het vraagteken. En dan willen sommige historici de transgressies nog ontkennen. Zie daar.Andere historici houden Castra Herculis voor Arnhem..
    Kesteren. ?? ?? ?? twee grafvelden met bijgiften. Militaire grafvelden en een vicus zouden kunnen wijzen op een militaire versterking, misschien wel een castellum, maar daar is nooit iets van gevonden..
    Amerongen- 't Spijk. ?? ?? ?? Romeins bouwpuin, scherven . Men neemt aan dat hout (op 6 meter diepte) van Romeinse oorsprong is. Opmerkelijk is dat 't Spijk op de noordoever van de huidige Rijn ligt, en zou dus buiten het Romeinse Rijk vallen. Maar de Rijn liep in de Romeinse tijd anders, wellicht veel dichter bij de Utrechtse Heuvelrug. In dat geval lag 't Spijk op de zuidoever van de Rijn. Dat klinkt logisch, maar dan nog is het opvallend dat deze plek nog geen 4 kilometer van het Romeinse fort in Maurik ligt. Zo worden in Nederland onmogelijkheden aan opvattingen gekoppeld. Het is een typisch voorbeeld van "wishful thinking" .
    Maurik. Mannaricium. nee. 71-270/350 baggervondsten, munten en mantelspelden, inscripties. De combinatie van militaire vondsten en bouwmateriaal (zoals tufsteen en dakpannen) wijst op een castellum. Er zijn nooit muren op hun oorspronkelijke locatie gevonden en we kunnen dus ook niets met zekerheid zeggen over de grootte van de versterking. Hoogstwaarschijnlijk hebben we hier te maken met het castellum Mannaricium, dat we kennen uit het reisboek van Antoninus. De afstanden langs de Iimesweg kloppen met de huidige afstanden en bovendien komt de naam aardig overeen. Bestudering van de munten en de mantelspelden (fibula's) laat zien dat het fort is aangelegd na de Bataafse Opstand en werd verlaten aan het eind van de derde eeuw. In het tweede kwart van de vierde eeuw is de plek weer even in gebruik genomen, hoewel we niet meer kunnen achterhalen of dat geldt voor het fort of de vicus. Hoe dan ook is de plek rond 350 definitiefverlaten. .
    Rijswijk. ?? ?? ca.47-eind 3e eeuw. bouwpuin (dakpanfragmenten), munten, aardewerk, fibula's. Vanwege al deze vondsten gaan archeologen ervan uit dat hier een castellum heeft gestaan. Strategisch was dit een belangrijke plek. In de Romeinse tijd begon de Lek als zijrivier van de Rijn net door te breken. Over het ontstaan van de Lek zie hier.
    Vechten. Fectio. Nee: zie opmerking. ca.5 n.Chr. tot ca.275. Verschillende inscripties, een (wijn)ton met inscriptie. Op de Pk staat geen Fectio maar Eletione.
    Utrecht. Trajectum. nee ca. 40 tot 4e eeuw muurresten. Utrecht is het enige Nederlandse Iimesfort waarvan nog substantiŽle muurresten bestaan - of liever gezegd, waarvan we het weten. In de eeuwen daarna groeide het fort uit tot de kern van middeleeuws Utrecht. Daarmee is Utrecht een van de weinige plaatsen in Nederland die kunnen bogen op een continuïteit van bewoning van de Romeinse tijd tot nu. Als deze bewering van Van der Heijden juist zou zijn, zou Utrecht ouder zijn dan Nijmegen en de oudste stad zijn en ondergraaft Van der Heijden zijn eigen opvattingen. Nijmegen bestond immers bewijsbaar pas vanaf 71 n.Chr. Zie verder bij Utrecht.
    De Meern. ?? ?? ca.40 tot ca.275. resten van een castellum. De Meern is vooral bekend vanwege de ter plaatse gevonden schepen.
    Woerden. Laurium. Ja. ca.40 tot ca.275. een aantal laat-Romeinse munten AI heel lang vermoedden oudheidkundigen dat Woerden de plaats was waar de Romeinse nederzetting Laurium (ofLaurum) moest worden gezocht. Er zijn nauwelijks grote opgravingen geweest. Dat Woerden Laurium zou zijn is gebaseerd op aannames. Bewijs voor een castellum ontbreekt tot heden volledig. Ook hier valt weer op dat dit Lauri niet in de Betuwe ligt, wat gezien de Peutingerkaart wel zou moeten..
    Bodegraven. ?? ?? ca.40 tot ca.275. militaire vondsten. Erwaren wel militaire vondsten gedaan, maar bewijs voor een fort ontbrak. In Bodegraven verrees wel een kleiner militair steunpunt, maar dus geen volwaardig castellum. Zoals alle fortificaties ging ook dit rond 275 ten onder.
    Zwammerdam. Nigrum Pullum. Ja. ca.80-275. . Vondsten op het terrein duiden wel op enige militaire activiteit in het midden van de eerste eeuw, maar of er toen al een limesfort lag, is twijfelachtig. De bouw lijkt pas na 80 te beginnen, waarschijnlijk als opvolger van het fort in Bodegraven. Rond 175 herbouwden soldaten van Legio XXX het fort in steen. Daarna was Nigrum Pullum nog zeker een eeuw in gebruik. Zwammerdam dankt zijn faam echter niet aan de aanwezigheid van het fort, maar aan de zes schepen die hier begin jaren zeventig zijn gevonden. Op de Pk staat geen Nigrum Pullum maar zoals aangegeven Nigropullo..
    Alphen aan de Rijn. Albaniana(e). Ja. ca.41 tot 270. houten vloeren, vlechtwerk. De ligging van een Romeins fort in Alphen werd allang vermoed, maar pas in 1998-2002 zijn grote delen daarvan opgegraven tijdens de bouw van een nieuw winkelcentrum..
    Leiden. Matilo. Ja. ?? interessante vondsten waaronder een gezichtmasker. Een andere inscriptie, uit de vroege derde eeuw, vermeldt een eenheid die wordt aangeduid als de Bataafse Verkenners. Dat de verkenners Bataafs worden genoemd, heeft waarschijnlijk niets met hun identiteit te maken, maar met de plek waar ze waren gelegerd.Opvallende opvatting van Van der Heijden over die Bataafse verkenners. Kan ook niet anders als je zijn eerdere opmerking hierboven over de Bataven leest. In de tekst wordt het Kanaal van Corbulo genoemd. Zie daarvoor Corbulo.
    Valkenburg. Praetorium Agrippinae. Ja. ca.39-40 tot 275. tienduizenden vondsten. Afgaand op de Latijnse naam lijkt Valkenburg bedoeld te zijn geweest. De opvatting van Van der Heijden dat het vignet van Praetoruim Agrippinae wel van Foro Hadriani geweest zal zijn (p.14) is een afwijking van de traditie. Overigens staat op de PK niet Hadriani maar Adriani. Zou een keizer het goed gevonden hebben dat zijn naam verkeerd gespeld werd? .
    Brittenburg. Lugdunum. Ja, maar niet pal aan de kust. 2e helft 2e eeuw en 1e helft 3e eeuw 16e eeuwse gravures. Lugdunum was eerder Leiden, daarna Katwijk. De gravures tonen ook een heel scala aan Romeinse vondsten: dakpannen, natuurstenen blokken, kruiken, inscripties en munten. De laatste vijftig jaar zijn verschillende pogingen gedaan om de Brittenburg terug te vinden, allemaal zonder succes..

    De Limes in vogelvlucht p.80-117.
    Wat schrijft Van der Heijden er over? Opmerkingen
    Wachttorens
    Vloot .
    Kops Plateau .
    Cuijk Ceuclum of Cevelum? Daarover bestaat discussie. .
    Rossum .
    Kessel .
    Marskamp Ermelo .
    Romeinse wegen .
    Kanalen .
    Bruggen .
    Aquaducten .
    Nijmegen - Oppidum Batavorum Het Oppidum Batavorum is in Nederland op verschillende plaatsen toegepast, zoals Leiden, Wijk bij Duurstede en zelfs Rhenen. Het werd dus Nijmegen. Maar ook in Nijmegen is er geen enkel bewijs voor gevonden wat wel blijkt uit de opgravingen van W.Willems in 1989. Zie daarvoor bij de Bataven en Nijmegen.
    Nijmegen - canabae legionis In zijn boek 'Romeinse wegen in Nederland' beweert Van der Heijden dat het legioenskamp in Nijmegen tussen 19 en 10 voor Chr. bestond (de castra). Andere historici, zoals H.J.H van Buchem, laten dit kamp pas beginnen in 10 v.Chr. De bewijzen die men ervoor aanvoert zijn echter marginaal en erg discutabel. Zie bij Nijmegen en de tijd van Augustus..
    Nijmegen - Ulpis Noviomagus .
    Voorburg - Forum Hadriani .
    Ten zuiden van de Limes .
    Ten noorden van de limes .
    Romeinse vila's en hoeven .
    Vici, kampdorpen bij de forten .
    Grafmonumenten en grafvelden .
    Velsen: vlootbasis of verkenningspost? .
    Kustforten .
    Ockenburg .
    Aardenburg .
    Romeinse schepen .
    Zwammerdam .
    Religie .
    Tempels en offerplaatsen .
    De limes: een culturele zegen of militaire dwangbuis? .



    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.