De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Arnoud-Jan Bijsterveld.




Lees meer over onnozele opmerkingen van Bijsterveld.

Arnoud-Jan Bijsterveld studeerde middeleeuwse geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (1986-1987) en de Universiteit van Amsterdam (1987-1988). In 1993 promoveerde hij cum laude aan de Vrije Universiteit te Amsterdam op een proefschrift getiteld "Laverend tussen Kerk en wereld. De pastoors in Noord-Brabant 1400-1570".
Bijsterveld was werkzaam als onderzoeker en docent aan verscheidene universiteiten en onderzoeksinstituten in binnen- en buitenland. Sinds 1999 is hij bijzonder hoogleraar Cultuur in Brabant aan Tilburg University, waar hij zich bezighoudt met onderwijs, onderzoek en valorisatie op het gebied van de regionale geschiedenis, erfgoed en volkscultuur.

Arnoud-Jan Bijstervelds werkstuk dat hij maakte als geschiedenisstudent verscheen in 1983 in Brabants Heem. De reden waarom het hier is opgenomen is tweeledig: 1. Het wordt nog steeds aangehaald als een wetenschappelijke referentie voor het 'weerlegd' zijn van de opvattingen van Albert Delahaye; 2. De schrijver, Arnoud-Jan Bijsterveld, heeft na een kwart-eeuw nog steeds niets rechtgezet en volgt nog immer dezelfde uitvluchten-strategie, waarover hiernaast meer.

Bijsterveld heeft sinds zijn studententijd weinig bijgeleerd over de vroegste geschiedenis van Noord-Brabant en hanteert nog steeds dezelfde onjuiste uitgangspunten voor zijn beweringen. Hoewel? Zijn bekering is dank zij St.Willibrord en zijn vermeende kerken ingezet. Zijn geboorteplaats Waalre zal debet zijn aan zijn standvastig vasthouden aan de mythe dat St.Willibrord er een kerkje bouwde. Een opvatting die hij zelf al heeft weerlegd in het Eindhovens Dagblad van 6 november 2000 (zie hiernaast).


Bijlage 1 uit het artikel van 1989.

In deze bijlage somt Bijsterveld de volgende bezittingen op (met oudste jaartal):
Alphen 1175.
Bakel 721 (Camps) 1260.
Bladel 1293
Cuijk 1293
Deurne 1100
Diessen 1100
Drumpt 914 (Camps)
Eersel 1242
Gemert 1242
Oss 1272
Reppel 855 (Wampach)
Valkenswaard 1242
Vlierden 1509
Waarle (mogelijk 912) 1100.


Op 2 jaartallen van Camps en 1 van Wampach na zijn alle eerste vermeldingen uit het tweede millennium. Het gaat hier dus niet over bezittingen van St.Willibrord of Echternach uit de 8ste eeuw! Lees meer over Camps.

In het jaar 721 ontving St. Willibrord drie hoeven land in Bacalos ten gunste van de kerk aldaar, die was toegewijd aan de Twee Apostelen en St. Lambertus. Deze kerk zou gebouwd zijn door of namens Lambertus en de moord op Lambertus in 709 en nadien aan hem toegewijd. Dit patronaat was voor Bakel in 721 onmogelijk, daar Lambertus op dat moment buiten zijn eigen bisdom Luik nog nauwelijks bekend was. Vanaf 704 zou Willibord 'pastoor' van Bakel geweest zijn en zou de kerk zijn patronaat gekregen hebben. Toevallig heeft Bakel nu ook een St.Lambertus-kerk - ziet u ‘t vicieuze cirkeltje al liggen? - en was een nieuwe “historische zekerheid” geboren dat Baclaos Bakel was.

In Bakel houdt men er de volgende geschiedenis op na: 'Bakel is bijna het oudste dorp van Nederland maar in ieder geval het oudste dorp van Zuid-Oost Nederland. In 2014 was het officieel 1.300 jaar oud. De eerste vermelding stamt uit 714 na Chr., maar Bakel bestond dus al eerder. Hoeveel eerder is niet bekend. De oudste schriftelijke vermelding stamt uit het jaar 714, als er voor de Frankische hofmeier Pippijn II een oorkonde wordt opgemaakt in diens woning in Bakel ("Bagoloso" in die tijd). Dit vroeg-middeleeuwse koninklijke verblijf is archeologisch nog niet gelokaliseerd. Een oorkonde uit 721 spreekt over de bezittingen van de Frankische edelman Herelaef, wiens moeder bezittingen te Bakel (Baclaos) had. Herelaef schonk in dat jaar aan Willibrordus onder meer een kerk te Bakel. Deze kerk kwam door toedoen van Willibrordus in het bezit van de Abdij van Echternach, welke tot 1795 invloed zou blijven houden in Bakel. De authenticiteit van de oorspronkelijke documenten, waarvan het origineel in het algemeen al in de 11e eeuw verloren was gegaan, is twijfelachtig. Ze berusten op het Liber Aureus dat door belanghebbende monniken is geschreven. Lees meer over het Liber Aureus, het gouden 'dievenboekje' van Echternach. Vóór 721 werd in Bakel hoogstwaarschijnlijk een houten kerkje gebouwd. In de elfde of twaalfde eeuw werd het vervangen door een gebouw van steen, maar de tegenwoordige kerk en toren dateren uit de zestiende eeuw. De parochiekerk van Bakel was de moederkerk voor de inwoners van Deurne, Gemert en Milheeze".

In het vastellen van de hele gesschiedenis gaat het erom of Bagaloso en/of Baclaos wel Bakel is. Volgens enkele historici was Baclaos eerder voor zowel Bakel als Oss gehouden. Volgens Delahaye was het Bailleul op 14 km ten oosten van Hazebroek, immers het moest in het missiegebied van Willibrordus liggen (dus in Frisia) en in het gebied van de Frankische hofmeier Pippijn II. In Bakel is daar archeologisch nooit iets van gevonden. Dat zuid Nederland al door de Merovingische Peppijn veroverd was, is eveneens een onbewezen aanname. Lees meer over de Friezen, maar ook over Spamer. Bakel kan niet identiek zijn met Baclaos uit 721, daar de Brabantse plaats pas zes eeuwen later is gesticht. Zij heeft nimmer een Merovingische residentie gehad, en krijgt pas in 1267 en niet eerder een relatie met Echternach.
Arnoud-Jan Bijsterveld (*Waalre, 8 mrt.1962), meende in 1981 al verstand te hebben van middeleeuwse geschiedenis en het lezen en interpreteren van oude teksten. Dat hij daarbij hopeloos in de fout ging mag blijken uit het feit dat hij Tournehem in België legt en meende dat Delahaye met Wattrelos wel Waterloo in hetzelfde België zou bedoelen. Blijkbaar ging zijn gezichtsveld vanuit Brabant niet verder dan net over de grens. In Brabants Heem (1983) herhaalde hij een aantal van die stellingen (zie bij stellingen van Bijsterveld), maar in 1989 had hij plots een geheel andere opvatting. Vergelijk eens wat Bijsterveld in 1983 schrijft met wat hij in 1989 meende (zie hieronder). In die zes jaar zijn z'n ogen blijkbaar geopend en heeft hij de complexe materie eindelijk begrepen.

In het Eindhoven Dagblad van 4 aug.1981 stond het hierboven bedoelde lijvige artikel van Bijsterveld, dat handelde over de Vroege Middeleeuwen in Nederland, gezien de kop. Maar daar ging het niet over. Het was een directe aanval op Albert Delahaye die denigrerend 'het kleine archivarisje' werd genoemd, maar die de geschiedenis van de vroege middeleeuwen in Nederland eens flink opgeschud had. Na eerst enkele complimenten te geven, trok Bijsterveld fel van leer en kwalificeerde de werkwijze van Delahaye als verre van wetenschappelijk. Zou hij ooit het Bronnenboek van Nijmegen gelezen hebben? Is dat wèl wetenschappelijk?

Enkele quotes uit dat artikel:

Is dat de wetenschappelijke taktiek? Eerst iemand de hemel inprijzen en vervolgens compleet afbranden? Blijkbaar kon Bijsterveld dat als 19 jarige student al prima beoordelen. Of praatte hij zijn leermeester Leupen slechts na? Zo werkt dat blijkbaar in historisch Nederland: vooral niet je leermeester afvallen, immers doe je dat wel, dan blijk je alles verkeerd te hebben geleerd. Zelf nadenken is er niet bij!

Bijsterveld meende toch wel dat Delahaye een kritische geschiedvorser was. Blijkbaar te kritisch. Immers Delahaye slikte niet alles als zoete koek, maar ging zelf op onderzoek uit naar de bewijzen. En die bleken er niet te zijn.

Bijsterveld meende ook dat de professoren Post en Rogier serieuze reacties hadden gegeven op de publicaties van Delahaye en die dus van tafel hadden geveegd. Ook hier laat hij zien deze reacties niet gelezen te hebben. De opvattingen van prof.Post worden in Het Bronnenboek niet meer genoemd, ofwel worden niet langer serieus genomen. Lees meer bij prof.Post. En prof. Rogier, initiatiefnemer van de oprichting van de historische vereniging met de naam Numaga, gaf Delahaye gelijk over St.Willibrord en andere predikers. Volgens prof.Rogier is vóór het jaar 1559 van enige officiële verering van Willibrord, Bonifatius, Lebuinus, Liudger en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden. Hij geeft Delahaye hier toch gewoon twee keer vierkant gelijk, die immers hetzelfde beweerde. Op de website van de oudheidkundige vereniging Numaga, komt men Karel de Grote niet meer tegen, dan in de ene opmerking van prof. Rogier uit 1954: "Numaga is de vereniging voor de geschiedbeoefening van Nijmegen en omgeving. Zij werd in 1954 opgericht door een bont gezelschap van historici en amateurs onder de bezielende leiding van prof. L.J. Rogier. Numaga - de naam van Nijmegen in de Frankische tijd toen Karel de Grote hier zijn paleis bouwde - stimuleert de beoefening van de geschiedenis van Nijmegen en omgeving. De vereniging wil het behoud van het cultuurbezit en het cultuur eigene van Nijmegen en omgeving bevorderen en wil kennis daarover aankweken en verspreiden". Het betreft hier dus woorden uit 1954, geen overtuiging die nog steeds gehanteerd wordt. Karel de Grote is passé voor Nijmegen.

Op welke plaatsen vandaag de dag nog gewerkt wordt aan een serieus antwoord op Delahaye blijft een vraag. Serieuse antwoorden heeft Delahaye tot heden nooit mogen ontvangen. Blijkbaar valt het niet mee om kort en bondig een serieus antwoord te geven. Is de materie ook voor historici te complex?

Volgens Bijsterveld zijn "de bewijzen die Delahaye geeft voor zijn stellingen zwak, hangen aan elkaar van veronderstellingen, zijn gebaseerd op gegoochel met namen en letters en vooral met de landkaart." Welke landkaart hier bedoeld wordt vermeldt Bijsterveld niet. Hij zal wel de (valse) Peutingerkaart (zie daar) bedoelen. Op grond van 'unieke' etymologie komt hij tot de meest vreemde conclusies omtrent namen en plaatsen en de ligging daarvan. Als hij dan nog verkeerde spellingen van oude namen gebruikt al of niet uit verouderde bronnenuitgave, is het einde helemaal zoek en zijn de resultaten nauwelijks serieus te neme". Bijsterveld poneert dit zonder ook maar één voorbeeld te geven.
Dat ene voorbeeld geef ik hem dan wel: Kroniekschrijver Flodoard deelt in het jaar 925 het volgende mede: "De Noormannen komen uit Rouen en Péronne en plunderen eerst Beauvais, daarna Amiens en Arras. Toen verschenen ze voor het paleis van Noviomagus dat ze ook plunderden." Nu mag Bijsterveld uitmaken of met Noviomagus Nijmegen of Noyn (dat in dezelfde streek ligt) bedoeld is. Is de conclusie van Delahaye die voor Noyon kiest zwak?

Is het gegoochel met etymologie en plaatsnamen als je Noyon Noviomagus noemt? Alle variaties van de kroningsplaats in verschillende kronieken genoemd, slaan op Noyon : Noviomo, Novionem, Noviomaco, Novioma, Noviomensi Urbe, Noviomo urbe, Noviomi, Noion, Noviomus, Neumaga, Niumaga en Numaga zijn verschillende namen voor dezelfde stad Noyon, de stad waar Karel de Grote tot koning der Franken is gekroond.

Bijgeschaafd?
Maar Arnoud-Jan ziet toch ook wel in dat er iets fout zit als hij schrijft: "De grote verwarring die Delahaye signaleert kan inderdaad waar zijn en Delahaye heeft gelijk als hij zegt dat bepaalde plaatsen in de loop der eeuwen verward zijn geraakt". Maar hij neemt niet aan dat het in zo'n grote schaal is gebeurd als Delahaye beweert. Hij houdt zich liever (en voor een aankomend historicus beter) aan de oude verhaaltjes. Daarvoor verwijst hij naar "De Franken in Nederland" van prof.D.P.Blok. Ja heus waar! Lees meer over dit boek van Blok. Ook hieruit blijkt dat Bijsterveld nog veel moet leren en dat hij dat boek waar hij naar verwijst misschien eens gelezen heeft, maar niet bestudeerd en nog minder begrepen heeft. Toch erkent hij dat de geschiedenis hier en daar inderdaad bijgeschaafd zal moeten worden. Het blijft moeilijk te doorgronden wat Bijsterveld nu feitelijk verantwoord vindt. "Als zou worden aangetoond dat Delahaye op één onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker", sprak Hugenholtz ooit uit.
Die theorie wordt niet op één onderdeel aangetoond, maar op vele honderden onderdelen.

Arnoud-Jan Bijsterveld, geboren in Waalre (ja, je moet je geboortedorp toch ook enige historische betekenis geven, ook al is die vals) die zich historicus mag noemen, meende eens te moeten opmerken dat van het werk van Delahaye geen zier deugd (Eindhovens Dagblad, 4 aug. 1981). Hij meent te weten dat de onderzoekmethoden van Delahaye vaak verre van wetenschappelijk zijn, dat zijn historisch inzicht bedroevend is, dat hij oorkonden domweg verkeerd vertaalt en dat hij goochelt met de schrijfwijze van middeleeuwse plaatsnamen. Bij deze beweringen blijft het dus in dit artikel, want Arnoud-Jan geeft zelf geen enkel voorbeeld waaruit blijkt dat hij gelijk heeft in wat hij beweert. En dan durft Arnoud-Jan over "wetenschappelijk" te spreken. Heeft hij misschien met Leupen getelefoneerd en dat als "wetenschappelijk" beoordeeld? Of is hij door Leupen opgeleid in de oude geschiedenisopvattingen?

En dan in 1989?
In het Noordbrabants Historisch Jaarboek (van 1989) schrijft AJ. Bijsterveld het volgende: “Het is opmerkelijk dat hij (= Willibrordus) niets, ook niet van de “Hollandse” kerken en “Zeeuwse” bezittingen, naliet aan de bisschopskerk van Utrecht, hetgeen toch voor de hand had gelegen gezien de geografische afstand en het feit dat hij hier de eerste bisschop was”. Misschien is het antwoord dat hij inderdaad bisschop was in of vanuit Trajectum, maar dat het niet Utrecht was en dat daar dus ook niet de bisschopskerk gelokaliseerd kan worden. In het betreffende artikel geeft hij dan in noot 1 nog wel aan dat zijn conclusies voorlopig en onvolledig zijn. Hij vermeldt wel dat er 'problemen' bestaan ten aanzien van het 'Nederlandse' Fernbezit van Echternach, zoals die 'waarschijnlijk' op de goederen van de oude benedictijnenabdijen gewoon waren en de abdijen er hun greep op verloren. Vraag is daarbij wel of dat 'Fernbezit' er feitelijk wel vanaf de 8ste eeuw ooit geweest is of dat die claims pas bestonden sinds de 11e/12e eeuw? Lees daarover meer bij Epternacum. Opvallend in dit artikel is dat Bijsterveld het alleen maar over de situatie in het tweede millennium heeft en dat hij bij de opsomming van de St.Willibrordkerken in Brabant (Bijlage 1: zie hiernaast) die van Klein-Zundert (Raamberg) die nog wel de oudste is (uit 1157) niet vermeldt. Lees meer over de Kerken in Brabant. In het hele artikel spreekt Bijsterveld toch regelmatig zijn twijfel uit door het gebruik van woorden als 'waarschijnlijk' (7x), 'wellicht' (7x), 'misschien' (5x) en 'mogelijk' (liefst 31x). Over hoeveel zekerheid hebben we het dan?
In 2000 kwam hij dan toch tot het inzicht dat de Willibrord-kerken in Brabant eeuwen jonger zijn: Wat Willibrord betreft, moeten we ons eerder richten op de twaalfde eeuw dan op de achtste eeuw. Dat is duidelijke taal en weer een bevestiging van het gelijk van Albert Delahaye.

De visie van Albert Delahaye.
Net als Harry Camps (zie daar) heeft Bijsterveld geen ogenblik aan de “belachelijke” mogelijkheid gedacht, dat Taxandria wel eens niet Brabant geweest kon zijn. Dit vaststaande” feit, dat Echternach de historici heeft opgesolferd, nemen zij gratis en zonder de minste bewijsvoering aan, en aangezien dit fundament van alle Echternach falsifikaties over Brabant vals is, kan Camps met zijn 60 Franse bladzijden in zijn Oorkondeboek inpakken. Deze man heeft Tacitus evenmin gelezen. De bronnen zeggen immers met klare woorden dat Taxandria en Batua naast elkander lagen, en ook dat klopte weer in zijn opvatting. Jammer genoeg had hij de Batua ook op de verkeerde plaats liggen.
Desondanks vond het tijdschrift “ Brabants Heem” het onlangs nog geboden een ellenlang artikel in drie afleveringen te publiceren van een zekere Bijsterveld, student in Nijmegen en handlanger van Leupen, wat algemeen bekend is. Let op de windrichting! Zie het Bronnenboek van Nijmegen. Was hij een van de studenten die, naast Rolf Hacking, Frans Theuws, Bert Thissen en Maarten van de Wouw, het Bronnenboek samengestelde?

Kent Bijsterveld het boek 'De Bisschop van Nijmegen' wel? Daarin toont Delahaye het onomstotelijk stevig geblunder van Leupen c.s. aan de kaak. Of verzwijgt Bijsterveld dit? Over fragmenten-happerij gesproken, dat Bijsterveld Delahaye verwijt. Ook het verwijt dat Delahaye de meest recente publikaties niet vernoemd is een dooddoener. Daaruit blijkt slechts dat je zijn boeken niet gelezen hebt. En andersom. Vinden we bij hem wel alle publikaties van Delahaye in zijn literatuurlijst? En vinden we bij Bijsterveld de publicaties van Utrechte archeologen die er niets uit de tijd van St.Willibrord hebben gevonden? Het blijft toch opmerkelijk dat St.Willibrord niets, ook niet van de "Hollandse" en "Zeeuwse" bezittingen, naliet aan de bisschopskerk van Utrecht, hetgeen toch voor de hand had gelegen gezien de geografische afstand en het feit dat hij hier de eerste bisschop was. Al zijn bezittingen zouden naar de abdij van Echternach gegaan zijn! Deze contradictie heeft Bijsterveld blijkbaar nooit aan het denken gezet. Is het ook niet opvallend dat al deze Brabantse bezittingen in zuidelijk Brabant lagen, tegen de grens met België, van waaruit deze St.Willibrorduskerken gesticht zijn. Maar ook dat de oudste St.Willibordkerk in Nederland, die van Klein-Zundert, die nooit door Echternach geclaimd is.

Bijsterveld en Brabant Heem.
Op arrogante toon, wat hij blijkbaar in Nijmegen heeft geleerd, waar men brallen met bronnenonderzoek verwart, herkauwt Bijsterveld de vervalsingen van Echternach zonder te bemerken dat die door de teksten van Echternach zelf als vervalsingen worden aangetoond, om die 25 kerken van St. Willibrord in het oosten van Brabant te “bewijzen”. De redaktie van “Brabants Heem” heeft geweigerd mijn weerwoord te plaatsen, toen zij eindelijk na maanden piekeren de smoes had gevonden, dat ik "op alle punten” van Bijsterveld moest antwoorden. Dat had ik overigens al in “Vraagstukken...” van 1965/66 gedaan, toen Bijsterveld nog een kleuter was, maar dit boek heeft hij niet gezien omdat het in Nijmegen en Brabant verboden lektuur is.

De beslissing van “Brabants Heem” is op de eerste plaats een blijk van onfatsoen, op de tweede plaats een demonstratie van onkunde in historische zaken, want na de Taxandria-blunder is elk verder woord over Bijsterveld overbodig. Hij komt ook weer met de tergende laster "dat ik geen bronnen geef”, wat na het doodzwijgen van “Vraagstukken...” met zijn meer dan 1900 noten kwaadaardig is. Toch blijft deze laster rondcirkelen, al heb ik hem verschillende malen weerlegd en strooit “Brabants Heem” hem nogmaals over de provincie uit, zeer goed wetend dat het een onware aantijging is. Toen een lid van de vereniging het met een ingezonden stuk voor mij wilde opnemen, werd hij afgewimpeld met de nog grandiozer smoes “dat wij liever enige voorzichtigheid willen betrachten bij een dergelijk probleem”. En dit is ronduit schaamteloos: mij eerst onderuit halen en dan uit “voorzichtigheid” weigeren mijn antwoord te plaatsen. Is deze manoeuvre de dank voor mijn werk in de Brabantse archieven? In mijn boeken worden alle oorkonden van Eperlecques - en niet van Echternach, waarde “Brabants Heem” - behandeld, waar de ganse serie van Camps’ vergissingen tot in detail wordt geëtaleerd. “ Brabants Heem” heeft reeds een afschrift van de belangrijkste passages en dit is de ware reden waarom de redaktie mijn artikel niet wilde plaatsen. Het is haar zo zwaar op de maag gevallen, dat haar lezers en de leden van de vereniging dit niet mogen vernemen.


Over transgressies.
Vooral degenen die Delahaye's werk nooit bestudeerd hebben en Willibrord graag in Utrecht willen houden, denken dat de vroegmiddeleeuwse mariene transgressies in dat werk een zeer belangrijke rol spelen, en dat het ontkennen of bagatelliseren ervan de weegschaal in hun voordeel zou kunnen laten doorslaan. Een mooi voorbeeld van deze opvatting is die van A.J.A. Bijsterveld: Het idee dat grote delen van Noord-Nederland tot ongeveer 800 onder water stonden en onbewoonbaar waren heeft bij archeologen en bodemkundigen al lang afgedaan. En dit argument kan toch onmogelijk opgaan voor de hoger gelagen streken, waar we Nijmegen, Maastricht en de Texandrische bezittingen van Willibrord vinden?

Waar de heer Bijsterveld opmerkt dat hoog gelegen plaatsen, zoals de grond waarop de oude kern van Nijmegen ligt, onmogelijk overstroomd geweest kunnen zijn, lijkt waarschijnlijk niet tegengesproken te kunnen worden. Echter Bijsterveld vergeet hier twee niet onbelangrijke zaken: 1. De oude bewoningskern van Nijmegen lag niet hoog op het Valkhof, maar laag aan de rivier (ken je geschiedenis). 2. Wat een teveel aan water in de rivieren kan aanrichten hebben we nog in 1994 en 1995 gezien. Als het peil van de Maas toen hoger was geweest, zoals tijdens de genoemde Duinkerke-transgressies, dan was Maastricht in die jaren zeker helemaal ondergelopen. Waterwerken verhinderden dat. In Keulen, dat ongeveer even hoog ligt, heeft men toen ook grote overlast van het water gehad. Ook Nijmegen heeft en had regelmatig overlast van overstromingen.

Zie de foto's hieronder van de overstroming van de Waal in Nijmegen in 1995 die een miljoenenschade opleverde. Bedenk ook dat er vele waterstaatkundige werken in Nederland zijn en de boel ondanks dat, toch onder water kwam te staan.





Overstroming van de Waal in 1855 (links) en in Nijmegen in 1916 (rechts).




Wateroverlast in Valkenburg (Zuid-Limburg) 1995. En wat te denken van de wateroverlast in Limburg en België in de zomer van 2021?



En dan plotseling toch....?

Prof.dr. A.J.A. Bijsterveld, Willibrordus-kerken zijn eeuwen jonger. Eindhovens Dagblad 6 november 2000.
Ongeveer twintig delegaties van Willibrordparochies uit het bisdom Den Bosch vertegenwoordigden zaterdagmiddag hun Parochie tijdens de Willibrordusmanifestatie in de gelijknamige kerk in Waalre. De interesse van publiek liet wat te wensen over. En dit ondanks de uiterst interessante lezingen door de van oorsprong Waalrese historicus Prof.dr. A. Bijsterveld en architect H. Strijbos uit Eersel over de historie rond Willibrordus en de gelijknamige kerken.
Opmerkelijk was de rede van prof.Bijsterveld waarin hij stelde dat de toehoorders zich, wat Willibrord betreft, eerder moeten richten op de twaalfde eeuw dan op de achtste eeuw. "ledere parochie houdt zich graag aan de vroegste stichtingsdatum van hun kerk maar of deze datum wel rond de achtste eeuw ligt is discutabel", aldus de professor. Of Willibrordus daadwerkelijk de eerste geloofsverkondiger van deze streken was, betwijfelt Bijsterveld sterk. "Deze daad werd hem waarschijnlijk toegeschreven in de jaren dertig, toen het Rijke Roomse Leven nog volop intact was. Bij aankomst van Willibrord in Nederland was de Kempenstreek al gekerstend. Hij kwam eerder structuur aanbrengen en een parochie-netwerk opzetten. Daarom was hij meer een organisator dan missionaris".
Blijkbaar is Bijsterveld al een beetje door St.Willibrord bekeerd, want als student in Nijmegen was hij nog volgeling van de veronderstelde geschiedenis van het
Bronnenboek.
Bijsterveld verwees verder naar de expositie die in de Waalrese kerk is te zien. Tientallen historische boeken over deze apostel van het Zuiden, bekers, munten en schrijnrelieken worden achter het altaar getoond.
De Eerselse architect H. Strijbos beaamde in feite de stelling van Bijsterveld. "Vanuit zijn geboorteland Ierland kende Willibrord stenen kerken. In onze streken werd er destijds enkel met hout, leem en wilgentenen gebouwd. Later werden de kerken in baksteen omgebouwd. Maar de baksteen is pas van na de elfde eeuw. Een authentieke Willibrorduskerk bestaat eigenlijk niet meer", aldus de architect.
De middag werd afgesloten met een bezoek aan het 'oude' Williborduskerkje.

De plaats Waderlo (in parallelle teksten ook Wattreloe en Watriloe) in Taxandria (Texandria) was in Nederland aanvankelijk Waarle, welke interpretatie onhoudbaar bleek. Zeker omdat men nooit heeft kunnen aantonen met enige plaatselijke tekst of archeologische vondst, dat Waalre al bestond in de 7e eeuw. In 1983 meende een fantasierijke historicus (prof.dr.A-J.Bijsterveld in navolging van H.Halbertsma: naschrijverij!?!) dat Delahaye hiermee Waterloo bij Brussel bedoelde. Met zo'n blunder vindt ook deze professor dokter, net als eerder Napoleon, hier zijn "Waterloo". Bijsterveld laat hier duidelijk merken dat hij de boeken van Delahaye niet eens gelezen heeft, die dat immers nooit beweerd heeft, en bovendien laat hij merken geen verstand te hebben van plaatsnaamkunde. Laat hij zich dan ook niet bemoeien met historische geografie en zich onthouden van commentaar op Albert Delahaye, die hij uiteindelijk wel gelijk moest geven met de oudste dateringen van de Willibrordkerken in Brabant: 12de eeuw! en zeker niet de 8ste eeuw.



Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf.