De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Was Leusden het Lisiduna uit de oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 777?



Vanaf medio 1982 werden op verschillende punten werkzaamheden uitgevoerd in verband met de aanleg van Rijksweg A28 ten zuiden van Amersfoort, in de buurt van Oud-Leusden.
Oud-Leusden wordt geïdentificeerd met de villa Lisiduna, genoemd in een schenkingsoorkonde van Karel de Grote uit het jaar 777 n. Chr. In de hoop sporen van deze nederzetting uit de vroege Middeleeuwen te ontdekken werd besloten in dat gedeelte van het wegtracé, dat Oud- Leusden het dichtst nadert, een verkenning uit te voeren. Het was de bedoeling om deze verkenning, indien de resultaten ervan positief zouden uitvallen, te laten volgen door uitgebreider archeologisch onderzoek. Met Rijkswaterstaat was overeengekomen, dat hiervoor gelegenheid zou worden gegeven, voordat met de definitieve aanleg van de rijksweg een begin zou worden gemaakt.

Voordat deze opgravingen plaats vonden was er dus geen enkel archeologisch bewijs dat te Leusden een nederzetting uit het jaar 777 zou hebben bestaan. Maar ook deze opgraving toont dat bewijs niet aan: zie de opgravingsverslagen hieronder en hiernaast.

Interessant is waar de naam Leusden vandaan komt. Komt het van de vermoede plaats Lisiduna? Interessant is wat de grote naamkundigen D.P.Blok en M.Gysseling daarover schrijven.
Behalve dat beiden het Lisiduna uit 777 noemen, vermeldt Blok: Lisidinon uit 1028 cop. ca. 1530: ecclesias sitas in loci[s] ... Loisden uit 1050, falsum cop. 2e helft 14e e.: has ecclesias ... Lusdin in 1132 cop. 1286: apud Loesdene in 1341. Gysseling schrijft Blok na, of andersom.
Vraag is of er in Leusden in 1028 al een kerk bestond? Die is in elk geval nooit gevonden, slechts op papier.
Lees meer over 1028 en 1050.

In de loop der jaren verschenen er meerdere berichten over Oud-Leusden, o.a. in Berichten van de R.O.B. (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek) en Westerheem. We hebben ze hieronder verzameld:

Mededelingen van de R.O.B. in berichten: Jaargang 9, 1959:
Oud-Leusden, gem. Amersfoort (U.) 153/461. In Museum Flehite te Amersfoort bevinden zich zwaarden, afkomstig uit Oud-Leusden. Afkomstig van een grafveld?
Met vraagteken? Hier werd dus getwijfeld in 1959.

Westerheem 1962-1963:
BOONE, W. J. DE, Moeilijkheden met oude vondstberichten (Oud-Leusden), Westerheem 10, 1961, p.12-13.
Wat lezen we in dat artikel van Boone?
Herhaaldelijk vindt men in oudere werken en artikelen bepaalde namen gebruikt bij het beschrijven van gevonden archaeologica die meer geschikt zijn om ons op een dwaalspoor te brengen dan om ons te helpen.

Een zeer illustratief voorbeeld trof ik aan bij de bewerking van het materiaal dat in 1878 gevonden werd bij opzettelijke opgravingen op de Leusderheide bij Oud-Leusden (U.).
Deze vondsten werden beschreven, zij het zeer summier, in de notulen van de vereniging Flehite, terwijl ook W. Pleyte een twintig jaar later er melding van maakte in zijn groot werk Nederlandsche Oudheden, Westfriesland p. 7; de voorwerpen zelf afkomstig van dit „onderzoek" bleven bewaard in Museum Flehite te Amersfoort.
Het merkwaardige nu; is dat op een bepaald ogenblik Pleyte meedeelt: „stukjes van een Frankisch, potje, Merovingisch, werd (sic) in een van de heuvels als secondaire begraving gevonden".
In de notulen van de opgraving op 28 augustus wordt met geen enkel woord gerept over Frankisch of Merovingisch, wel daarentegen is er sprake van dat op geringe diepte aan de kruin „een urn die voor Saksisch werd aangezien" gevonden werd. Andere urnen of resten van urnen komen niet in aanmerking, zodat men wel moet concluderen dat in dit geval óf de amateurs in Amersfoort een verkeerde determinatie hebben gegeven, óf dat Pleyte hier niet alleen in de grammaticale constructie van zijn zin een fout heeft gemaakt.
— De zaak wordt echter nog ingewikkelder.
Er blijkt in de collectie van het Museum Flehite geen Frankische, Merovingische of Saksische urn aanwezig te zijn afkomstig uit Oud-Leusden en gevonden in 1878. Wèl daarentegen wordt daar een fragment bewaard van een bekerachtig soort aardewerk dat in 1878 gevonden werd in heuvel 2 te Oud-Leusden, dezelfde heuvel, waarin volgens de notulen de Saksische urn zou gevonden zijn!
Nu weten wij uit de correspondentie van W. Pleyte met C. A.Nairac, dat Pleyte een tijdlang de bekers inderdaad „Gele Saksen" heeft genoemd, zodat het te begrijpen is, dat een bekerachtig stuk aardewerk door Nairac, die bij de opgravingen in Leusden de functie had van amateur-deskundige, als „Saksisch" werd geïdentificeerd. Hiermee is tenslotte de zaak rond: het „merovingse" potje van Pleyte is blijkbaar identiek met het „Saksische" urntje uit de notulen en beide benamingen zijn qualificaties voor het incomplete bekerachtige stuk aardewerk, dat op willekeurige wijze van een rand werd voorzien in werkelijkheid én op de afbeelding bij Pleyte, Nederlandsche Oudheden, Platenatlas, West-Friesland PI. II: 2. Een duidelijker voorbeeld van de moeilijkheden bij het gebruik van oude vondstberichten kan men nauwelijks verwachten.

Het voorbeeld van Boone is illustratief voor historisch onderzoek. Gaat men op zoek naar verwijzingen of de bron, dan blijkt er in de bron van die verwijzing soms iets heel anders te staan dan wat nadien beweerd werd. Het is een veel voorkomend probleem in de historische wetenschap: noten en verwijzingen. In de historische literatuur spreken we dan ook (te) vaak van het voetnotensyndroom.

ROB-jaarverslag 1978:
Leusden.
In verband met de aanleg van de nieuwe rijksweg tussen Amersfoort en Utrecht vonden verscheidene verkenningen en besprekingen plaats. Op 22 sept. voerde de provinciale archeoloog een verkenning uit in het gebied dat door de weg zal worden doorsneden. Op 27 sept. had hij een bespreking met de heer Van der Neut, van Rijkswaterstaat, over de mogelijkheden tot archeogisch onderzoek in de omgeving van het kerkje van Oud-Leusden. Deze plaats wordt al in de 8e eeuw na Chr. in de schriftelijke bronnen genoemd, zodat de aanwezigheid van bewoningssporen uit die periode zeer waarschijnlijk is. Het overleg over deze zaak duurt nog voort. Op 28 dec. had de provinciale archeoloog een gesprek met de heer Vester, eveneens van Rijkswaterstaat, over het meer westelijk gelegen gedeelte van het wegtrace. Samen met hem verkende hij een gedeelte ervan. Archeologische vindplaatsen zijn hier overigens niet bekend.

Dat de plaats in schriftelijke bronnen wordt genoemd is een aanname. Er bestaat echter maar één bron van. ROB-jaarverslag 1982:
Leusden
Vanaf medio 1982 worden op verschillende punten werkzaamheden uitgevoerd in verband met de aanleg van Rijksweg A 28 ten zuiden van Amersfoort, in de buurt van Oud-Leusden. Oud-Leusden wordt geidentificeerd met de villa Lisiduna, genoemd in een oorkonde uit de 8e eeuw na Chr. In de hoop sporen van deze Vroeg-Middeleeuwse nederzetting te ontdekken, werd besloten in dat gedeelte van het wegtrace, dat Oud-Leusden het dichtst nadert, een verkenning uit te voeren.
Op een terrein ten oosten van de Vlooswijkseweg werd door Rijkswaterstaat op zes plaatsen de ongeveer 1 m dikke laag bovengrond afgegraven, zodat zes rechthoekige proefputjes van ca 6x3 m ontstonden. Aan het eind van 1982 kon echter al worden vastgesteld, dat het resultaat van de verkenning inderdaad positief was: er werden grondsporen waargenomen en vondsten gedaan uit de Vroege tot en met de Late Middeleeuwen. Zelfs kwamen er enkele scherven Romeins aardewerk te voorschijn. Op grond daarvan werd besloten het terrein in 1983 meer gedetailleerd te onderzoeken.
Aan de noordzijde van het werkterrein werd een enkel grondspoor aangetroffen, mogelijk daterend uit de IJzertijd. In de uitgegraven grond werden scherven gevonden van aardewerk uit het Neolithicum, Bronstijd(?), IJzertijd en Late Middeleeuwen.
Ziet U hier het 'gat' van ruim 9 eeuwen tussen IJzertijd en Late Middeleeuwen?

Op die 'medewerking' met Rijkswaterstraat is best wat af te dingen. Tussen 1978 en 1982/1983 zit wel vier à vijf jaar 'afwachten'.

Leusden
1. Met Rijkswaterstaat waren er intensieve contacten over de gang van zaken rond de aanleq van rijksweq A 28 bij Oud-Leusden. Zie verder het hoofdstuk 'Onderzoek' in dit verslag.
2. In december verrichtte de provinciaal archeolooq enkele opmetinqen op het terrein van de nu verdwenen kerk van Oud-Leusden. Doel was te komen tot een betere afgrenzing van dit beschermde monument.

Dit 'beschermde monument' is uiteindelijk onder de A28 verdwenen.

ROB-jaarverslag 1983:
Oud-Leusden, gem. Leusden
Nederzettingen uit de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen, W.J. van Tent, A.Buisman, G. van Haaff: 22 maart - 5 augustus

De eerste opgravingsputten werden aangelegd aan de oostzijde van het terrein. Zij leverden bijzonder weinig op, omdat de bodem tot op grote diepte doorwoeld bleek te zijn in verband met na-Middeleeuwse zandwinnings- en/of ontginningsactiviteiten. Slechts hier en daar konden nog sporen worden waargenomen. Zij dateren bijna alle uit de Late Middeleeuwen (vanaf ca de 13e eeuw n.Chr.) Het lijkt er dus op, dat op deze plaats - vrij ver verwijderd van de eigenlijke kern van Oud-Leusden - alleen in de zeer Late Middeleeuwen enige bewoning is geweest. Gezien de verstoorde toestand van dit gedeelte van het terrein kan echter niets met zekerheid worden gezegd. Verrassend was tenslotte de vondst van een waterput, die mogelijk uit een veel vroegere periode stamt, en wel uit de Romeinse Tijd.

Verder westelijk bleek het terrein gelukkig minder verstoord te zijn. Hier werden vele sporen aangetroffen, in hoofdzaak daterend uit twee periodes: de Romeinse Tijd en de latere Middeleeuwen. Tot eerstgenoemde periode behoort een vierkant verlopend, tamelijk smal (stand-?)greppeltje, met een opening in het noordwesten.Zie voor de uileg daarvan de tekst onder 5b hiernaast. Op enige afstand werd dit gebouw(?)-spoor omgeven door een eveneens vierkant verlopende, ca 2 m brede gracht, met een onderbreking ook weer in het noordwesten. Het binnenste vierkant mat buitenwerks 4 à 5 m, het buitenste 13 à 14 m. Het geheel doet denken aan de resten van een omgracht gebouwtje: misschien een verdedigbaar wachttorentje? Vooral in de vulling van de gracht werden veel scherven gevonden, voornamelijk van inheems aardewerk ('Uslarien'), maar ook enkele van Romeinse import. Zij geven een datering rond 200 n.Chr.

Met uitzondering van een enkele kuil (en de bovengenoemde, mogelijk ook Romeinse waterput) zijn verder geen Romeinse bewoningssporen aangetroffen. Toch is waarschijnlijk, dat ergens in de buurt in deze periode een nederzetting heeft gelegen. Hierop wijzen ook de Romeinse scherven, die nu en dan los werden gevonden, en een Romeinse munt, een sterk versleten sestertius uit de 2e eeuw n.Chr. (determinatie Koninklijk Penning Kabinet), afkomstig van de rand van het terrein (gevonden door de heer Schakel, Amersfoort).

Voor zover na te gaan dateren vrijwel alle andere sporen uit de latere Middeleeuwen, waarschijnlijk ongeveer van de 11e-14e eeuw na Chr. Ziet U ook hier weer een 'gat' tussen 'waarschijnlijke' Romeinse tijd en 11de eeuw? Zij omvatten de plattegronden van minstens vijf grote houten boerderijen, merendeels met enigszins gebogen wanden (zogenaamde 'bootvormige' plattegronden), en van velerlei schuren en schuurtjes. In een aantal gevallen hebben de boerderijen kennelijk op omgreppelde erven gestaan. Het 'omgreppelen' van gebouwen werd dus ook gedaan door de plaatselijke bevolking, waaruit dus geen Romeinse oorsprong afgeleid kan worden. Was er sprake van wateroverlast? Elke kampeerder legt bij wateroverlast greppeltjes aan rond zijn tent.Het lijkt er ook op, dat dwars door de nederzetting een weg heeft gelopen. Opvallend is verder het grote aantal waterputten: aan het eind van de campagne 1983 waren er ongeveer 25 opgegraven, hoofdzakelijk tonputten. Waterputten? Terwijl het een moerassig gebied was (met meerdere broek-namen) en doorsneden werd door talrijke beken, waar Amersfoort zijn ontstaan aan dankt.

De vondsten uit deze periode bestaan ook weer voornamelijk uit aardewerkscherven. Er is slechts een andere belangrijke vondstcategorie: ijzerslakken. Kennelijk zijn, zeker in de Laat-Middeleeuwse nederzetting, de ijzerwinning (uit natuurlijke ijzeroerbanken) en misschien ook de ijzerbewerking belangrijke middelen van bestaan geweest.
Op grond van het aardewerk kan worden vastgesteld, dat Oud-Leusden in de loop van de 14e eeuw sterk aan belang inboette. Misschien begon het verval zelfs al in de 13e eeuw. In de 15e eeuw zal er nauwelijks meer bewoning zijn geweest (15e eeuw steengoed ontbreekt bijvoorbeeld bijna geheel). Men mag aannemen, dat dit samenhangt met de opkomst van Amersfoort als hoofdplaats van het gebied.

Doel van de opgraving was resten te vinden van de Vroeg-Middeleeuwse nederzetting Lisiduna (zie Jaarverslag 1982, p.124). Dit doel is, althans in 1983, niet bereikt. De waargenomen sporen, hoe interessant en soms ook verrassend op zich, dateren ervoor of erna. Wel werden verspreid over het opgravingsterrein scherven uit de Vroege Middeleeuwen (ca 6e-9e eeuw n.Chr.) gevonden. Dit wijst erop, dat de resten van Lisiduna wel in de nabijheid moeten liggen. Hopelijk zal de campagne 1984 hierover meer duidelijkheid brengen.
Op grond van scherven uit een periode van 3 eeuwen, meent men bewijs te hebben omtrent Lisiduna?
Artikelen over het onderzoek verschenen in de Amersfoortse Courant van 23 april 1983, de Leusder Krant van 19 juli 1983 en de Volkskrant van 23 juli 1983.

ROB-jaarverslag 1984: zie het kader rechts.
Oud Leusden, gem.Leusden (wegtrace A 28).

ROB-Jaarverslag 1984:
Leusden
1. Oud-Leusden (zie ook Jaarverslag ROB 1982, 124; 1983, 58-59 en 118). De grote opgraving in het trace van Rijksweg A 28 werd in 1984 voortgezet.

2. Eveneens in het trace van Rijksweg A 28, maar enige kilometers ten westen van Oud-Leusden, werden vuurstenen werktuigen uit het Paleolithicum gevonden. Het onderzoek leverde verdere gegevens op over de menselijke activiteiten in dit gebied in het Paleolithicum. Onder meer werd vastgesteld, dat de vondsten afkomstig waren uit door het ijs van de voorlaatste IJstijd opgestuwde grindlagen.

3. In april kon een aantal Mesolithische werktuigjes, die jaren geleden ten noorden van Stoutenburg waren gevonden, door het Museum Flehite, te Amersfoort, worden aangekocht. De provinciaal archeoloog diende bij deze aankoop van advies.

4. Door de heren De Boer en Van den Braber, beiden van Gemeentewerken Amersfoort, werd de vondst gemeld van een fragment van een Neolithische strijdhamer.


Westerheem 1984:
Woensdag 8 mei, 20.15 uur, Museum Flehite, Amersfoort: Lezing van drs. Pim van Tent over de resultaten van het onderzoek te Oud-Leusden in de periode 1982/1984.
Twijfel en onzekerheid van de opgravingen werden terloops genoemd, maar worden nadien niet herinnerd. Zo worden mythen vanzelf 'zekerheden'.

ROB-jaarverslag 1985:
Leusden
1. In juni voerde de provinciaal archeoloog, samen met de heer Schakel, Amersfoort, een verkenning uit bij de aanleg van het golfbanencomplex aan de Appelweg. Daarbij werd enig vuursteenmateriaal aangetroffen, dat sporen van menselijke bewerking vertoont, waarvan een datering niet mogelijk is.

2. In 1984 zijn door de heer Schakel vuursteenvondsten gedaan op een akker ten westen van de Heiligenberg. Hij meldde deze in 1985. De vondsten omvatten onder meer enkele krabbers en zijn te dateren in het Mesolithicum/ Neolithicum.

3. Het grootschalige onderzoek in het trace van Rijksweg A28 bij Oud-Leusden liep eind maart ten einde. Zie verder de Hoofdstukken 'Wetenschappelijk onderzoek - incidenteel onderzoek1 in de Jaarverslagen ROB 1983-1985 en de Hoofdstukken 'Werkzaamheden in verband met de Monumentenzorg' in de Verslagen 1982-1984.
4. Op verschillende plaatsen in het trace van Rijksweg A28 werden door de heer Schakel in de jaren 1982-1985 vondsten gedaan. Zij werden in 1985 gemeld. Het zijn:
a. een vuurstenen werktuig, lengte circa 9,7 cm, breedte circa 4,1 cm, dikte circa 1,7 cm, waarschijnlijk van Paleolithische ouderdom (vindplaats: ongeveer op de grens van de gemeentes Amersfoort en Leusden);
b. 2 wandscherven van een Veluwse klokbeker, Neolithisch (vindplaats: circa 150 m ten noordoosten van a.);
c. 2 vuurstenen krabbers, waarschijnlijk Neolithisch, en een wandscherf van bekeraardewerk, Neolithisch (vindplaats: tussen Appelweg en Doornseweg).

ROB-jaarverslag 1986:
Leusden
1. In maart meldde J.C.A.Hulst, van de ROB, de vondst van een aardewerkscherf uit de Bronstijd bij werkzaamheden aan Rijksweg A28, ter hoogte van de Kolonel van Rooyenweg.
2. Dit jaar meldde J.de Vlieger, te Driebergen, een belangrijke vondst, gedaan in 1985 te Oud-Leusden, vlakbij het terrein, waar in 1982-1985 de grote opgravingen hebben plaatsgevonden. Het betreft een scherf van zogenaamde raadjes-sigillata, te dateren in de (tweede helft van de) 4e eeuw na Chr. Deze vondst versterkt het vermoeden, dat Oud-Leusden ook in de laat-Romeinse tijd bewoond is geweest.

Dit vermoeden is dus gebaseerd op één scherf? Veel gekker moet het toch niet worden.
Steeds als er vondsten worden gedaan uit de Brons- of IJzertijd of zelfs uit de Romeinse tijd, blijkt er niets gevonden te worden uit de 8ste eeuw, welke vondsten er immers boven moeten zitten. Elke vondst uit eerdere perioden bevestigt de onjuistheid van opvatting dat Lisiduna er in die buurt gelegen zou hebben.

Westerheem 1986:
W. J. van Tent. De opgravingen bij Oud-Leusden,
- G. van Haaff. Oud-Leusden: rekonstruktie van een 12de eeuwse boerderij. - Overdrukken uit: Flehite 17, 1985, blz. 10-19.
Oud-Leusden is inderdaad oud; nog veel ouder dan het 8ste-eeuwse Lisiduna. Infantiele bewering van Ten Haaff. Bij het beschreven onderzoek kwamen achtereenvolgens aan het licht: Bronstijd (2100-700 v. Chr.); IJzertijd (700 v. Chr. - 0); Romeinse tijd (0-400 n. Chr.); Volksverhuizingstijd (400-500 n. Chr.); Vroege Middeleeuwen (Merovingische periode 500-750 n. Chr.; Karolingische periode, 750-900 n. Chr.) en Latere Middeleeuwen (900-1500 n. Chr.).
In de 13de eeuw ging Amersfoort Oud-leusden overvleugelen; alleen de 12de eeuwse toren herinnert nog aan het verleden.

Hier worden dan wel alle perioden met jaartallen genoemd, maar uit de vondsten blijkt dit niet. Uit de Merovingische en Karolingische perioden wordt niet gevonden en ook niet (dat zou in hoofdletters) gemeld. De hier genoemde toren stamt echter niet uit de 12de, maar uit de 14de eeuw.

ROB-jaarverslag 1991:
Op 14 september (open monumenlendag) werd door de heer Kok een paneel onlhuld bij Oud-Leusden. De provinciaal archeoloog was daarbij aanwezig.

Westerheem 1995:
De expositie „Graven langs de grens", als toppunt van non-informatie. Bij een vitrine met een terra sigillata-kom kon men „kom" lezen, bij een andere vitrine met een kogelpot „kogelpot", enzovoorts. Bij de vondsten uit het grafveld van Oud-Leusden (of was het Rhenen?) waren braaf de nummers aangegeven, maar zelfs over ligging of ouderdom werd niets medegedeeld.

Wat hier opgemerk wordt, gebeurt vaker bij tentoonstellingen. Heeft men iets te verbergen? Of weet men het feitelijk niet?

ROB berichten 1996-1997:
Die Wirren des 4. Jahrhunderts entlang des limes, bei denen wiederum Franken die Hauptrolle spielten, was aber diesmal die Sammelbezeichnung für einheimische Stamme wie Chamaven und Salier bildet, haben sich sicher auf die Besiedlung der nordlichen Landstriche ausgewirkt, doch ist innerhalb unseres Untersuchungsgebiets davon wenig zu merken. Die Verbreitung spater RWG-Keramik, des Gebrauchsgeschirrs der Franken, reichte nicht weiter als Mittel-Drenthe. Umgekehrt fehlt der Driesumerstil (mooi aardewerk) in den mittleren Niederlanden.
Noot: Vielleicht ein Gefäß in Oud-Leusden (Prov. Utrecht), in der Umgebung eines »Wachtpostens« (Van Tent 1988, Abb. 20). Ein ähnliches, allerdings großeres Gefäß stammt aus Wachtum (Ernst Taayke 1995a, 57).

Ondankst dat er is geen enkel bewijs van "Romeins" te vinden is, wordt deze mythe al zelfs tot in het buitenland verspreid en wordt er een niet meer te verwijderen zekerheid.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!
Het dorp Leusden bij Amersfoort kent twee historische problemen. ①. In Leusden houdt men graag de illusie in stand dat het Lisiduna uit 777 hun dorp geweest zou zijn. Ze hebben er daarom dan ook een Lisidunahof, een muziekvereniging Lisiduna en sinds kort een Lisidunalaan.
Wat over Oud-Leusden op Wikipedia staat (wat desgevraagd niet afkomstig is van de Historische Kring Leusden) lees je echter niet in de opgravingsverslagen van de R.O.B. Van die Romeinse wachttoren zou de fundering zijn teruggevonden. In de opgravingsverslagen lees je niets over een fundering. Ook van de genoemde nederzetting uit de 6de eeuw die gevonden zou zijn, is in de opgravingsverslagen niets anders te lezen dan twijfel. Een continuïteit is nog steeds niet bewezen.
②. Het tweede probleem vormt de Heiligenberg, niet de berg op zich, maar de aan die heuvel toegeschreven geschiedenis van het klooster Hohorst en St.Ansfridus. Het zijn vrome middeleeuwse legenden, die geen enkele historische relatie hebben gehad met Leusden.

Het is ook interessant wat Bert Vos schreef in de Leusder Krant van 27 nov.1979.
"Het is een hele schok voor ons, chauvinisten, die altijd gedacht hebben dat wij ons hedendaagse plaatsje onder de zon te danken hadden aan de edelmoedigheid van Karel de Grote die in 777 een groot aantal schenkingen deed aan de kerk van St.Willibord".
"Als het even meezit kunnen we wellicht binnenkort een nieuwe eeuwviering in Leusden organiseren. Als iemand tenmiste kan ontdekken, wanneer Leusden dan wèl is ontstaan".
In Leusden en verre omgeving (ook op Wikipedia: zie hiernaast) leeft de illusie dat het in de bekende oorkonde van het 777 genoemde Lisiduna, wellicht Oud-Leusden geweest zou zijn. 'Wellicht', het is immers altijd maar aangenomen, maar nooit bewezen met feiten. Eerder meenden de historici dat Lisiduna Loosduinen was, ook onjuist, maar etymologisch beter te aanvaarden.
In de bekende oorkonde van 777 uitgegeven door Karel de Grote wordt gesproken van de 'villa Lisiduna', van vier Foreesten (oerbossen), van Flethite, de Hemus en nog enkele plaatsen en rivieren. Het zou dan de oudste schriftelijke vermelding van Leusden zijn, dat daarmee een zeer oude (kerkelijk en bestuurlijk belangrijke) plaats bij Amersfoort zou zijn geweest. Amersfoort zelf bestond in 777 nog niet.
Van die oude kerk in Oud-Leusden rest alleen nog de toren (uit de 14de eeuw) en een kerkhof (uit de 19de eeuw).
Het archeologisch onderzoek van Oud-Leusden werd in de jaren 1982 en 1983 gedaan door de provinciaal archeoloog W.J. (Pim) van Tent en beschreven in de Archeologische kroniek van de provincie Utrecht over de jaren 1980-1984. Hieronder leest u de bevindingen over de opgravingen te Oud-Leusden, zoals ze gepubliceerd zijn.

Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat er NIETS is gevonden waarmee aangetoond kan worden dat Oud-Leusden het Lisiduna uit het jaar 777 was. Uit dat jaar en de jaren ervoor en erna is gewoon NIETS gevonden. In het jaar 777 bestond Leusden niet eens. Er is slechts sprake van enkele cirkelredeneringen op grond van aangenomen opvattingen om bij Oud-Leusden uit te komen.
Wat wel weer blijkt is dat eenmaal aangenomen opvattingen niet te corrigeren zijn, zelfs niet met archeologische bevindingen die de onjuistheid van die aangenomen opvattingen glashelder aantonen.

De visie van Albert Delahaye.
Het is een groot en hardnekkig misverstand in de Nederlandse geschiedenis dat de oorkonde van Karel de Grote, uitgegeven in Numaga, over Nederland zou gaan. De uitgaveplaats Numaga zou Nijmegen zijn en betrof een schenking aan het bisdom van St.Willibrord dat Utrecht was. St.Willibrord zelf was in 739 al overleden. Beide uitgangspunten Nijmegen en Utrecht zijn onjuist. De archeologie spreekt deze opvattingen faliekant tegen. In Nijmegen is nooit iets gevonden van een paleis van Karel de Grote, in Utrecht niets uit de tijd van St.Willibrord. Deze oorkonde gaat over Noord-Frankrijk. Nu lijken sommige plaatsnamen uit die oorkonde wel erg veel op plaatsnamen in Nederland, zoals Lisiduna en Leusden (die zelfs 4 dezelfde letters hebben), maar wie ooit van deplacements historigues heeft gehoord, weet dat zoiets geen enkel steekhoudend argument vormt. Over de oorkonden uit het jaar 777 kunt U alles lezen in het betreffende hoofdstuk. Lees ook meer over Nijmegen en Utrecht. En lees meer over de vier foreesten, over Flethite en over de Hemus.


Het jaar 777.
Het in de oorkonde van 777 genoemde Trajectum, was niet Utrecht, maar Tournehem in Frans-Vlaanderen. Uit alle opgravingsverslagen van Utrecht blijkt dat Utrecht in het jaar 777 niet eens bestond. Lees meer over Oud-Utrecht, maar ook over Willibrord bij Citaten.
Het klooster Hohorst.
Een klooster 'Hohorst' heeft bij Amersfoort of in Leusden nooit bestaan. Het zou op de 'Heiligenberg' gestaan hebben. Echter, de oudste archeologische sporen ter plaatse stammen uit de 13de eeuw, mogelijk pas uit de 14de eeuw. Lees meer over Hohorst.


Wat lezen we in de Archeologische Kroniek uit 1980-1984?

We volgen hier het opgravingsverslag en bespreken de bevindingen puntsgewijs, opmerkingen in rood.
Wat alleeerst opgemerkt moet worden is dat Rijksweg A28 dwars over het opgravingsterrein is aangelegd. Veel onbeantwoorde vragen en onzekerheden over deze opgravingen liggen nu onder de A28 en zijn niet meer te controleren en de vragen blijven voor altijd onbeantwoord.
  1. In een eerste verkenning van december 1982 tot in 1983 werden grondsporen waargenomen en vondsten gedaan uit de vroege en de late Middeleeuwen; zelfs kwamen er enkele scherven uit de Romeinse tijd te voorschijn. Welke grondsporen en vondsten worden bedoeld? Met enkele scherven wil men geschiedenis schrijven. Deze vooringenomen aannamen zijn een eigen leven gaan leiden met 'zie je wel, het bewijs is er'.

  2. Tijdens de opgravingscampagnes tussen 22 maart tot 5 augustus 1983 en 5 maart tot 31 december 1984 (zij zouden in 1985 nog tot eind maart voortduren), kwamen vele sporen aan het licht, niet alleen uit de vroege Middeleeuwen (Lisiduna!), maar ook uit de Bronstijd, de IJzertijd, de Romeinse periode en de late Middeleeuwen. Welke sporen uit de vroege middeleeuwen kwamen aan het licht? Worden die in dit opgravingsverslag genoemd? Zie hieronder bij nr.6 waar geen sporen uit de 8ste eeuw worden genoemd.

  3. De Bronstijd: uit deze periode (traditioneel tussen 2000 en 800 v.Chr., in deze kroniek van 2100-700 v,Chr.) zijn slechts enkele zeer vage resten aangetroffen. Hier was de bodem sterk verstoord door graafactiviteiten in de periode na de Middeleeuwen. Honderd procent zeker is de waarneming overigens niet, maar in de buurt werd wel een pijlspits uit deze periode gevonden. Op zich zou de aanwezigheid van een grafheuvel in dit gebied ook niet iets uitzonderlijks zijn. Hier maakt één pijlpunt nog geen zomer, denkend aan die ene zwaluw. Op plaatsen waar de bodem sterk verstoord is maakt de R.O.B. meteen rechtsomkeer, immers met verstoorde sporen kun je niets aantonen, laat staan bewijzen. Waarom wilde men in weerwil hier toch doorzetten? Wat moest er aangetoond worden? Deze periode kunnen we dus vergeten, wat ook gesteld wordt in het ROB-jaarverslag 1984 waar staat 'de vroegste sporen dateren uit de IJzertijd!'

  4. De IJzertijd: uit deze periode (c.1200 tot doorgaans 12 v.Chr.; hier van 700 - 0) zijn duidelijke sporen van een boerendorp aan het licht gekomen. Van minstens drie van hout gebouwde boerderijen zijn de plattegronden teruggevonden. Waarschijnlijk zijn het er ooit meer geweest, maar de sporen daarvan bij grondwerkzaamheden zijn verdwenen. De vondsten, die bij deze bewoningsfase horen, bestaan uitsluitend uit scherven van vrij grof, met de hand gevormd aardewerk. Een nadere datering dan 'IJzertijd' is op dit moment nog niet mogelijk. Continuiteit met de nederzetting in de volgende periode, de Romeinse tijd, kan echter nu al als onwaarschijnlijk worden aangemerkt. Met zo weinig zekerheid bewijs je dus niets. Ook deze periode kan geschrapt worden zoals ook uit het ROB-jaarverslag 1984 blijkt, waar we lezen: 'alle sporen die bij het dorp zouden horen zijn volledig vernield'. Dan houdt toch alles op?

  5. De Romeinse tijd: (doorgaans van 50 v.Chr. tot 400 na Chr., in deze kroniek vanaf 0 tot 400). Opmerkelijk is dat men de Romeinse tijd laat beginnen met het jaar 0 (nul). Dat houdt dan in dat wat men in Nijmegen beweerd, door de ROB niet gevolgd wordt. Ook de aanwezigheid van Julius Caesar in Nederland wordt hiermee tegengesproken. Over de Romeinse tijd lezen we het volgende:
    1. Sporen van een nederzetting uit de Romeinse tijd werden blootgelegd in het zuidoostelijke gedeelte van II in Afb. 13 (zie afbeelding 13 hiernaast: klik op de afbeelding voor een vergroting. Let er vooral op dat de kerktoren van Oud-Leusden meer dan 100 meter van de opgravingen verwijderd is.). Hier werden de plattegronden aangetroffen van een aantal van hout gebouwde huizen, die over het algemeen kleiner van afmeting waren dan die uit de IJzertijd. Ook kwamen de sporen aan het licht van enige kleine werkplaatsen met een in de grond uitgediepte vloer (z.g. 'hutkomrnen'), en resten van verspreid liggende waterputten. Bij deze laatste ging het in alle gevallen om 'tonputten'. Op enige afstand werd een interessante structuur gevonden uit de Romeinse tijd, die bestaat uit de restanten van twee greppels. Het is niet onmogelijk, dat de paalgaten tot de structuur hebben behoord. Misschien hebben de palen, die er eens stonden, een soort palissade gevormd. Daar hierover nog geen zekerheid bestaat, zullen zij in dit artikel buiten beschouwing worden gelaten. Bij zoveel onzekerheid is het begrijpelijk dat het buiten beschouwing wordt gelaten.

    2. Het binnenste greppeltje moet een standgreppel zijn geweest, de fundering van een houten gebouwtje. Dit gebouwtje was kennelijk nogal belangrijk, want het werd omgeven door een brede beschermende gracht en misschien nog een palissade. Het geheel doet militair aan en de provinciaal archeoloog is daarom van mening dat we hier te maken hebben met de resten van een versterkte wachttoren. In dit stadium van de bestudering is het onmogelijk na te gaan of hij bij de zuidelijker gelegen nederzetting heeft gehoord, daar deze nog niet nader kan worden gedateerd.

      We lezen onder a) het volgende: interessante sructuur; niet onmogelijk, misschien, geen zekerheid, buitenbeschouwing gelaten. Onder b): moet zijn geweest, kennelijk, misschien, doet militair aan, van mening, hier te maken hebben, onmogelijk na te gaan, heeft gehoord, nog niet nader kan worden gedateerd. Hoeveel zekerheid spreekt hieruit? Maar die wachttoren is wel de boeken ingegaan als een 'Romeinse' zekerheid. De vraag waarom de Romeinen een wachttoren zouden hebben gebouwd buiten het reeds verlaten gebied, is nimmer beantwoord. verder lezend bleek van dat 'Romeins' ook geen enkele sprake. Het was door 'bevolkingselementen (zie onder f) - wat dat ook zijn mag- te zijn opgericht. Opgericht? Is dan aangetoond dat er iets boven de grond gestaan heeft? Of was het een grafheuvel?

      Dat de gevonden greppelstructuur een grafheuvel was, is de meest logische opvatting. Dat verklaart men ook op de Horden (Wijk bij Duurstede) waar een crenatiegraf werd aangetroffen, 'omgeven door een ronde of vierkante greppel' met daaromheen paaltjes (paalafdrukken). (Zie p.45 in deze kroniek). Grafheuvels zijn er meer gevonden in de omgeving van Amersfoort, zoals op de Leusderhei. Voor een grafheuvel werd rondom grond afgegraven om het graf mee te bedekken dat zo een heuvel vormde. Zie afbeelding rechts: de doorsnede van een grafheuvel te Roeselare waar duidelijk die 'greppelsstructuur' te zien is. Links ziet men de gedeeltelijk afgegraven grafheuvel bij Elspeet (links) waar duidelijk paaltjes omheen staan. De hier bedoelde 'greppelstructuur' in Oud-Leusden is nadien door afgraverijen verstoord, zoals ook met andere grafheuvels en vindplaatsen is gebeurd, wat in de tekst beschreven is. Zie afbeelding hieronder rechts van de plattegrond van die greppelstructuur uit de Romeinse tijd, waarvan de greppelstructuur, gezien de erbij gegeven maat (1cm=5m.), een doorsnede had van zo'n 15 meter. Een Romeinse wachttoren was doorgaans niet 5m. breed (binnenste greppel), maar hadden slechts een oppervlakte van 3 bij 3 m., dus slechts eenderde daarvan. De niet gearceerde sporen die de greppel doorsnijden zijn middeleeuwse waterputten, welke al aangeven dat de structuur verstoord is geworden. Het enige dat tegen een grafheuvel pleit is de vierkante vorm. Maar die kan ook door bevolkingselementen zijn bedacht, beïnvloed door Romeinse invloed. Dat een graf vierkant is, is overigens eerder regel dan een uitzondering, zeker bij de Romeinen.
      Uit het hele verhaal blijkt dat van een Romeinse wachttoren geen enkele sprake is geweest. Daarvoor was deze greppelstructuur veel te groot. Dat het een inlands graf was, opgericht door bevolkingselementen onder invloed van Romeinse gebruiken, is dan ook een meer logische verklaring.


    3. In de opvulling van de buitenste gracht werd een grote hoeveelheid aardewerkscherven geborgen. Een zeer klein percentage daarvan bestaat uit op de draaischijf gevormd materiaal: import uit het 15 km. zuidelijker gelegen Romeinse rijk. Hoeveel is 'een zeer klein percentage'? Is dat 'een te verwaarlozen percentage'? Gevonden in de opvulling van een gracht? Of was het een greppel? Waar kwam die opvulling vandaan? En die 15 km zuidelijker? Waar lag volgens de opgravers dan die Romeinse grens? Bij Utrecht op 30 km? Bij Wijk bij Duurstede op 22 km? Het aardewerk is te dateren in de late 3e, of de vroege 4e eeuw n.Chr. In de late derde of vroege vierde eeuw hadden de Romeinen Nederland al verlaten. Dat zouden de opgravers toch geweten moeten hebben. De grens van het Romeinde rijk lag toen op de lijn Boulogne-sur-Mer naar Keulen. Dan is het een farce om op ruim 250 km (is 10 dagmarsen) noordelijk van die grens een wachtoren te bouwen. Een wachttoren? Wat moest er bewaakt worden in Leusden, dat zelfs ten noorden van de Rijngrens lag en waar de Romeinen nooit geweest zijn dan in de fantasie van enkele historici. Was het wwel een wachttoren of de omtrek van een boerderijtje of schuur? En die greppel dan? Wel eens gehoord van overstromingen in een laag gebied? En Romeinse scherven dan? Wel eens iets gelezen over 'handel'?
      Deze wachttoren is wel weer de geschiedenisboeken ingegaan als een zekerheid. Zoals E.Taayke erover schrijft in ROB-bericht 1996-1997, al spreekt hij toch ook zijn verwondering en twijfel uit met 'vielleicht' en »wachtpostens« tussen haakjes. (Zie kader links).

    4. Een andere karakteristieke import-scherf werd helaas los aan het oppervlak gevonden, maar wel in de buurt van de wachttoren. Het is een fragment van zogenaamde 'raadjes-sigillata' (terra sigillata, versierd met een radstempel), te dateren in (de tweede helft van) de 4e eeuw n.Chr. Een 'los' gevonden scherf vormt geen enkel argument om wat dan ook te bewijzen. Het toont slechts de verstoorde graafactiviteiten uit het verleden aan.
    5. De overgrote meerderheid van het materiaal uit de vulling is met de hand gevormd 'Germaans' aardewerk, dat wel eens schertsend 'Uslariën' wordt genoemd, naar de archeoloog Von Uslar, die het heeft beschreven. Het is in Utrecht slechts van drie, misschien vier, plaatsen bekend. Het eigenlijke verspeidingsgebied ligt verder naar het oosten. De datering ervan is ruwweg (laat-) 2e - 4e eeuw n. Chr. De term 'Germaans' aardewerk is slechts ontstaan ter onderscheiding van draaischijf-aardewerk. Maar ook de 'Romeinen' maakten handgevormd aardewerk.

    6. Gezien het bovenstaande lijkt het erop, dat de wachttoren rond 300 n.Chr. is opgericht door bevolkingselementen, die misschien uit het oosten of noordoosten afkomstig waren. De al genoemde sigillata-scherf maakt aannemelijk, dat deze bevolkingselementen hier zeker tot in de tweede helft van de 4e eeuw actief zijn geweest. Waarschijnlijk is dat nog langer het geval geweest: en wel tot in de 8e eeuw. Daarop wijzen twee graven uit de periode rond 400 n. Chr. Of deze datering -laat-3e tot broeg 5de eeuw n.Chr. - ook voor de nederzetting geldt kan, zoals reeds gezegd, nog niet worden vastgesteld. Enkele vondsten doen echter vermoeden, dat die eerder is gesticht, misschien al rond 200 n.Chr. De implicaties daarvan kunnen pas worden uitgewerkt, als alle vondsten uit de Romeinse tijd grondig zijn bestudeerd. Dus ook hier worden suggesties gedaan die nog lang niet uitgezocht ofwel bewezen zijn. Het zijn aannamen en daarmee bewijs je niets.

    7. De twee genoemde graven uit de periode rond 400 n. Chr. bevatten enkele bijzondere bijgaven, onder meer een mooi versierde bronzen haarspeld. Spelden van dit type worden in verband gebracht met de zogenaamde 'foederaten', Germaanse bondgenoten van de Romeinen, die in de 4e eeuw met de grens bewaking werden belast. In het noordwesten van het Romeinse rijk gaat het daarbij meestal om leden van het volk der Franken. Grensbewaking in de 4de eeuw? Toen lag de grens van het Romeinse rijk op de lijn van Boulogne-sur-Mer naar Keulen, dus globaal op de taalgrens. Algemeen wordt namelijk aangenomen, dat een deel van de Franken - de 'Saliërs' - uit Salland in Overijssel afkomstig was. Gezien het door hen gebruikte aardewerk kunnen de wachttoren-bouwers van Oud-Leusden heel goed uit ongeveer die richting zijn gekomen. Algemeen wordt aangenomen.... , worden in verband gebracht.... Welk bewijs schuilt hierin? De wachttorenbouwers waren dus geen Romeinen, maar bevolkingselementen (genoemd bij f). De identificatie Romeinse wachttoren kan dus geschrapt worden.
    8. De Salische Franken trokken in de loop van de 3e/4e eeuw n. Chr. vanuit noordoost-Nederland naar het zuiden, naar het Romeinse grondgebied, en werden daar in dienst genomen als feederaten. De provinciaal archeoloog (Van Tent, redactie) is van mening, dat Oud-Leusden zo'n nederzetting van achtergebleven Salische Franken is geweest. Een mening is geen enkel bewijs, zeker niet als deze van een archeoloog komt die geen historicus is. Het geheel over de Sallische Franken wordt dus bewezen met één bronzen haarspeld van 17 cm. lengte. Lees het ware verhaal over de (Salische) Franken.

      Wat is het resultaat van de opgravingen uit de Romeinse tijd?
      Naast enkele (hoeveel?) 'huis'(?) 'plattegronden' en twee greppels, werden veel scherven gevonden en één haarspeld. Met 'veel scherven' kun je niets aantonen als je niet weet wie die wanneer verloren heeft. Bijeen verstoorde bodem is dat helemaal onmogelijk. Wat genoemd werd als een 'Romeinse' wachttoren blijkt niet Romeins te zijn en is van de 'wachttoren' geen spoor gevonden dan slechts een interessante structuur van die twee greppels. De Romeinse periode kunnen we net als de vorige twee perioden dan ook gevoeglijk vergeten. Er is geen enkel bewijs van "Romeins". Toch is deze mythe al zelfs tot in het buitenland verspreid (zie ROB bericht 1996-1997 in de linker kolom) en leidt er een eigen niet te verwijderen leven.

  6. De vroege Middeleeuwen: (doorgaans van 400 tot 900, in dee kroniek van 500 tot 900):
    Het lijkt erop, dat Oud-Leusden na het begin van de 5e eeuw enige tijd onbewoond is geweest. Waar de 4e-eeuwse bewoners zijn gebleven is onduidelijk. Misschien hebben zij zich gevoegd bij hun verder zuidelijk levende stamverwanten. De eerstvolgende herkenbare vondsten dateren in ieder geval pas uit de tweede helft van de 6e eeuw n.Chr., dat wil zeggen uit de periode tussen 550 en 600. Daarmee staan wij dan aan het begin van de vroeg-Middeleeuwse bewoningsfase en bovendien aan de wieg van het Lisiduna van de oorkonde van 777 n.Chr.
    Wat hier gesteld wordt is pure speculatie. Er wordt al naar de oorkonde uit 777 toegerdeneerd. Uit de vroege Middeleeuwen werden een grafveld (in Afb. 13, IV, west) en een gedeelte van een nederzetting (in Afb. 13, II) ontdekt. Het grafveld zal eerst worden besproken, vervolgens de nederzetting. Hieronder rects in het kader ter vergelijking de letterlijke tekst uit het Opgravingsverslag in ROB-jaarverslag 1984. Let vooral op de verschillen tussen beide. In dit ROB-jaarverslag wordt de Bronstijd bijvoorbeeld niet genoemd en noemt men de vroegste sporen uit de IJzertijd.
    ROB-jaarverslag 1984:
    Oud Leusden, gem.Leusden (wegtrace A 28).
    Nederzettingen uit IJzertijd, Romeinse Tijd en Vroege en Late Middeleeuwen; grafveld uit Vroege Middeleeuwen W.J.van Tent, G.van Haaff, 5 maart - 31 december.

    Tijdens de campagne 1984 werd, op verzoek van Rijkswaterstaat, eerst dat gedeelte van het trace van Rijksweg A 28 onderzocht, dat gelegen is tussen de Vlooswijkse en de Doornse weg. Pas veel later in het jaar werd het onderzoek weer verlegd naar het terrein ten oosten van de Vlooswijkse weg. Daar werd gegraven aansluitend aan het in 1983 al onderzochte gebied (zie Jaarverslag ROB 1983, p.58-59 en 118).

    De opgravingen in 1984 brachten sporen uit verschillende archeologische periodes aan het licht. Deze zullen in chronologische volgorde worden behandeld.

    De vroegste sporen dateren uit de IJzertijd. Dan vervallen alle eerdere sporen die de verslagen genoemd worden als onbelangrijk. Het betreft (gedeeltes van) tenminste drie plattegronden van rechthoekige houten boerderijen uit deze periode. Zij werden gevonden in het traject tussen Vlooswijkse en Doornse weg. Het dorp, waartoe zij behoorden, moet zich verder naar het noorden hebben uitgestrekt. Daar zijn echter alle oude sporen, zowel binnen als buiten het wegtrace, bij latere afgravingen volledig vernield. Met volledig vernielde sporen kun je dus niets aantonen, net zo min met uitsluitend scherven Zie ook hierna. De vondsten uit de IJzertijd bestaan uitsluitend uit scherven van onversierd, dikwandig, met de hand gevormd aardewerk.

    De in 1983 ontdekte greppelstructuur uit de Romeinse Tijd - mogelijk het restant van een omgracht gebouwtje (zie Jaarverslag ROB 1983, p.58) - was toen enigszins in de lucht blijven hangen, omdat er nauwelijks andere sporen uit dezelfde periode bij waren gevonden. Dit veranderde echter in 1984. In het gedeelte ten oosten van de Vlooswijkse weg, ten zuiden van de greppelstructuur, werden toen resten van niet al te grote houten gebouwtjes, waterputten en hutkommen - hutjes met in de bodem uitgediepte vloer - gevonden. Zij dateren alle uit de Romeinse Tijd en vormen ongetwijfeld een deel van de nederzetting, waartoe het omgrachte gebouwtje heeft behoord. Deze nederzetting moet zich verder zuidelijk - buiten het wegtrace - hebben uitgestrekt. De sporen ervan zullen daar nog in de bodem aannwezig zijn. De vondsten uit deze periode bestaan weer voornamelijk uit aardewerk. Er zijn twee soorten. De ene is handgeyormd 'inheems' aardewerk, beter gemaakt dan dat uit de IJzertijd en met veel versiering. Het is vergelijkbaar met het aardewerk, afkomstig uit de vulling van de in 1983 gevonden greppelstructuur ('Uslarien1). De andere soort, slechts in kleine hoeveelheden gevonden, is op de draaischijf gevormde Romeinse importkeramiek, waaronder enkele scherven terra sigillata.
    Met een mogelijk Romeinse greppelstructuur en importkeramiek toon je geen verblijf van Romeinen aan.
    In tegenstelling tot de opgravingscampagne 1983 leverde die van 1984 duidelijke bewijzen op voor de aanwezigheid van een Vroeg-Middeleeuwse nederzetting. Dit is hoogstwaarschijnlijk het al in de 8e eeuw na Chr. genoemde 'Lisiduna' (zie ook Jaarverslag ROB 1982, p.124). Er werden nederzettingssporen en resten van een grafveld uit deze periode ontdekt.
    Die duidelijke bewijzen blijken toch hoogstwaarschijnlijk te zijn.
    De Vroeg-Middeleeuwse nederzettingssporen bevonden zich vooral aan de oostzijde van de Vlooswijkse weg. Het waren resten van een groot aantal hutkommen en enkele waterputten. Ook paalkuilen werden ontdekt, maar duidelijke gebouwplattegronden konden tot nog toe niet worden gereconstrueerd. De reden hiervan is, dat juist in dit gedeelte van het opgravingsterrein sporen uit verschillende periodes door elkaar liggen. Bovendien zijn door de activiteiten van de bewoners in de latere Middeleeuwen veel oudere resten verdwenen. Een meer gedetailleerde bestudering zal de vorm van de huizen en de structuur van de nederzetting uit deze periode overigens nog wel duidelijker maken.
    Ook hier geldt weer dat de duidelijke gebouwplattegronden niet konden worden gerecinstrueerd. Ze lagen door elkaar en waren verdwenen. War kun je aantonen met iets dat verdwenen is?
    De vondsten uit de nederzettingssporen bestaan hoofdzakelijk uit op de draaischijf gevormde importkeramiek. Scherven van met de hand gevormd aardewerk (bijvoorbeeld kogelpotten) uit dezelfde periode zijn zeldzaam. Hierbij moet overigens worden aangetekend, dat het niet altijd eenvoudig is scherven van deze laatste soort te onderscheiden van die uit de andere bewoningsfasen in Oud-Leusden.
    Met deze scherven kun je niets bewijzen zoalg ze niet te onderscheiden zijn met die uit latere bewonngsfasen.
    Verrassend was de ontdekking, al vrij spoedig na het begin van de campagne 1984, van een Vroeg-Middeleeuws grafveld, dat ongetwijfeld heeft behoord bij de boven besproken nederzetting. Het was gelegen in het trace-gedeelte tussen Doornse en Vlooswijkse weg, op een zandrug, die enkele meters boven de omgeving uitstak. Het omvatte ongeveer 160 skeletbegravingen, die gerangschikt lagen rondom een open ruimte. Misschien heeft in deze ruimte iets gestaan, dat men als 'heilig' beschouwde - zo heilig, dat men de graven er omheen groepeerde. Dat kan een gewijd gebouw zijn geweest, een oude grafheuvel, of een heilige boom. Van een gebouw of een grafheuvel is overigens bij de opgraving geen enkel spoor waargenomen. Een andere mogelijkheid is, dat er in het midden wel degelijk graven hebben gelegen, maar dat deze bij een latere egalisatie van de top van de rug zijn verdwenen. Dat een grafveld bij een nederzetting heeft gehoord is een open deur, maar een grafveld alleen toont geen bewoning aan, zolang de woningen niet vastgesteld zijn. Bovendien blijkt het grafveld tussen 550 en 750 gedateerd te zijn op grond van de conventionele (zie hiernaast voor de uitleg) opvatting.

    In veel gevallen was voor de begraving een kist gebruikt; van het hout ervan was nu natuurlijk niets meer over, maar de wanden tekenden zich meestal af als donkere banen in de lichtere vulling van de grafkuil. Ook de skeletten waren bijna altijd volledig vergaan. Toch was het vaak mogelijk de ligging ervan vast te stellen. Toen het bot nog aanwezig was, hebben zich er namelijk harde korsten op en omheen gevormd, bestaande uit uit de grond neergeslagen stoffen, waarschijnlijk ijzer- en mangaanverbindingen. Deze korsten bleven bewaard, ook toen het bot zelf verdween. Bij de opgraving konden ze voorzichtig worden vrij geprepareerd en konden daarna ligging en vorm van essentiele skeletdelen, bijvoorbeeld van hoofd en benen, worden nagegaan. In enkele gevallen was het mogelijk op deze manier een bijna compleet skelet zichtbaar te maken, zonder dat er een spoortje bot van over was.

    Een aantal graven in Oud-Leusden bevatte - soms kostbare - bijgaven, zoals wapens en gordelbeslag (in mannegraven) en sieraden en kralen (in vrouwegraven). Met behulp van deze bijgaven kan het grafveld ook in grote lijnen worden gedateerd: het moet in gebruik zijn geweest vanaf ongeveer het eind van de 6e tot in de eerste helft van de 8e eeuw na Chr. Een uitzondering vormen twee graven, die in (de eerste helft van ?) de 5e eeuw na Chr. moeten zijn aangelegd. Zij kunnen op dit moment nog niet goed in het totaalbeeld van de bewoning bij Oud-Leusden worden ingepast.
    Als je goed leest wat hier staat zijn de laatste begravingen in de eerste helft van de achtste eeuw geweest. Het duurt dan nog minstens één generatie voordat het jaar 777 bereikt is. Is in die tussentijd van 30 jaar niemand meer overleden? Of hadden de bewoners de streek verlaten en bestond Oud-Leusden toen niet eens meer?
    In veel midden-Nederlandse grafvelden uit de Vroege Middeleeuwen komen behalve skeletgraven ook grote aantallen crematie-bijzettingen voor. In Oud-Leusden is een urn met crematieresten gevonden, overigens in verstoorde positie: hij was duidelijk bij ploegen een eind meegesleurd en zwaar beschadigd. Misschien zijn meer van dergelijke crematie-bijzettingen bij grondwerk op de rug totaal vernield en spoorloos verdwenen. De schrijver gelooft echter niet, dat het er veel zijn gewees. Was het percentage crematie-bijzettingen in Oud-Leusden hoog geweest, dan hadden toch in ieder geval enkele ervan intact moeten worden gevonden. Ook hier weer hetzelfde verhaal: verstoord, beschadigd, vernield en spoorloos. Wat toon je hiermee aan, anders dan dat er niets aan te tonen valt?

    Nederzettingssporen uit de latere Middeleeuwen werden ook in deze campagne in grote getale gevonden, zowel ten westen als ten oosten van de Vlooswijkse weg. Hun karakter verschilt niet veel van dat van de al in 1983 bloot gelegde sporen (zie Jaarverslag ROB 1983, p. 58). Twee boerderij-plattegronden vallen echter op door hun uitzonderlijke breedte: 11 a 12 m (tegen normaal ten hoogste 7 a 8 m). Ze dateren beide uit het midden, of de tweede helft van de 12e eeuw na Chr. Misschien moeten wij aannemen, dat hun bewoners een bijzondere status hebben bezeten.
    Het lijkt erop, dat het later-Middeleeuwse Oud-Leusden uit verschillende kernen heeft bestaan, verbonden door een of meerdere wegen. Over de totale omvang van de nederzetting kunnen geen uitspraken worden gedaan, daar slechts dat gedeelte ervan is onderzocht, dat binnen het trace van Rijksweg A28 viel. De Laat-Middeleeuwse bewoning heeft zich ongetwijfeld verder uitgestrekt, in ieder geval aan de zuid-westzijde en misschien ook aan de noord-oostzijde van het opgravingsterrein. Zoveel is zeker, dat Oud-Leusden een grote en bloeiende nederzetting was. De welvaart zal niet in de laatste plaats te danken zijn geweest aan de baten uit de ijzerwinning. Deze industriele activiteit is in het Jaarverslag over 1983 al genoemd; het belang ervan werd in 1984 bevestigd door nieuwe vondsten van grote aantallen ijzerslakken.
    Waaruit blijkt dat Leusden een grote en bloeiende nederzetting was, als er geen uitspraken over kunnen worden gedaan?

    In het Jaarverslag over 1983 werd gesteld, dat Oud-Leusden in verval raakte "in de loop van de 14e eeuw Misschien zelfs al in de 13e eeuw". De campagne 1984 maakte duidelijk, dat het verval waarschijnlijk al rond 1200 inzette, en dat het niet alleen werd veroorzaakt door de opkomst van Amersfoort, maar ook door het optreden van zandverstuivingen. Door deze laatste werden de landbouwgronden (deels) onbruikbaar, hetgeen een gevoelige klap voor de nederzetting moet hebben betekend. Afgezien van de al genoemde ijzerslakken bestaan de nederzettingsvondsten uit deze periode weer hoofdzakelijk uit aardewerkscherven. Een belangrijk percentage daarvan is afkomstig van inheemse, met de hand gevormde kogelpotten. Geimporteerde aardewerksoorten, meest op de draaischijf gevormd, komen in veel kleinere hoeveelheden voor.
    Behalve deze terechte correctie van 2 eeuwen is de vraag; had Amersfoort dat aan de voet van dezelfde Utrechtse heuvelrug ligt, dan geen last van die zandverstuivingen?

    Het onderzoek werd mogelijk gemaakt door een belangrijke financiële bijdrage van Rijkswaterstaat. Hartelijk dank daarvoor. Hartelijk dank ook aan de medewerkers van de Directie Utrecht van Rijkswaterstaat voor de plezierige samenwerking tijdens de opgraving. Schrijver dezes vermeldt verder graag, dat W.J.van Hoorn, correspondent van de ROB te Amersfoort, maandenlang belangeloos aan het onderzoek heeft meegewerkt. Medewerking werd gedurende een aantal weken ook verleend door studenten van de Stichting Opleiding Leraren, te Utrecht, en leden van de NJBG. Hun allen eveneens van harte dank.

    Van verschillende kanten werd belangstelling voor het onderzoek getoond. Om die te bevredigen werden verscheidene excursies georganiseerd, onder meer voor medewerkers van de Directie Utrecht van Rijkswaterstaat (op 10 mei), studenten van de Evangelische Hogeschool te Amersfoort (op 27 augustus) en leden van de afdeling Naerdincklant van de AWN (op 29 September). Ook van de zijde van de pers was er interesse: artikelen over de opgraving verschenen onder andere in het Algemeen Dagblad (5 mei), de Amersfoortse Courant (25 mei) en het Nederlands Dagblad (15 juni). Tenslotte dient te worden vermeld, dat een wat uitgebreider verslag van de opgravingsresultaten zal verschijnen in het Tijdschrift Flehite, jaargang 1985.artikel van

    Het vroeg-Middeleeuwse grafveld.
    Het lijkt wel of de graven gerangschikt liggen rondom een open ruimte. Misschien heeft iets in deze ruimte iets gestaan, dat men als 'heilig' beschouwde - zo heilig, dat men de graven. er omheen groepeerde. Dat kan een gewijd gebouw zijn geweest, een geheimzinnige oude grafheuvel, of een heilige boom. Van een gebouw of een grafheuvel is overigens bij de opgraving geen enkel spoor waargenomen. Een andere mogelijkheid is, dat er in het midden wel degelijk graven hebben gelegen, maar dat deze bij een latere egalisatie van de top van de rug zijn verdwenen. Het is niet gemakkelijk een keuze uit deze mogelijkheden te maken. De provinciaal archeoloog heeft een lichte voorkeur voor de eerste, omdat de graven toch wel heel duidelijk op de open ruimte betrokken lijken te zijn. Het geheel - zie de onderstreepte woorden- blijven dus speculaties. Een lichte voorkeur is een uiterst zwak argument.

    In totaal werden ongeveer 160 skeletgraven blootgelegd. Net als in EIst waren de voor haast alle begravingen gebruikte kisten en het skeletmateriaal volledig vergaan. Het was echter toch in veel gevallen mogelijk (delen van) de skeletten te reconstrueren. Ontstane korsten bleven bewaard, ook toen het bot zelf verdween. Bij de opgraving konden ze voorzichtig worden vrij geprepareerd en konden daarna ligging en vorm van essentiële skeletdelen worden vastgesteld. In enkele gevallen was het mogelijk op deze manier een bijna compleet skelet zichtbaar te maken. Uiteraard was het niet mogelijk van dergelijke skelet-'afdrukken', hoe volledig ook, na te gaan of het om een vrouwelijke of een mannelijke dode ging. Alleen het karakter van de nu en dan aanwezige bijgaven kon hierover uitsluitsel geven. Bijgaven kwamen in verscheidene graven voor, zij het over het algemeen in mindere mate dan in EIst. Opvallend was, dat er veel meer graven met wapens en soms mooi versierd gordelbeslag waren dan met sieraden, zoals broches, mantelspelden en kralen: dus veel meer (relatief) rijke mannegraven dan vrouwegraven.

    In OudLeusden is een enkele urn met crematieresten gevonden, echter altijd in verstoorde positie: de urnen waren bij grondwerk (ploegen?) geraakt en zwaar beschadigd. Misschien zijn meer van dergelijke crematie-bijzettingen bij grondwerk op de rug totaal vernield en spoorloos verdwenen. Schrijver dezes gelooft echter niet, dat het er veel zijn geweest. Was het percentage crematies even hoog geweest als in de meeste andere grafvelden in deze streken, zoals bij voorbeeld in EIst, dan hadden wij er meer intact moeten aantreffen.
    Aan de hand van de bijgaven kunnen de oudste graven - afgezien van de twee uit de periode rond 400 - gedateerd worden in de tweede helft van de 6e eeuw en de jongste in de eerste helft van de 8e eeuw n.Chr. Het grafveld is dus een kleine twee eeuwen in gebruik geweest, tussen ongeveer 550 en 750. Aangenomen wordt daarbij, dat de bijgaven-loze graven wel in dit chronologische kader zullen passen, maar geheel zeker is dat natuurlijk niet. De einddatum - ca. 750 n. Chr. - komt weer overeen met die van vele andere vroeg-Middeleeuwse grafvelden in noordwest-Europa (zie het hoofdstuk over het grafveld van EIst).

    De vergelijking die gemaakt wordt met Elst mag frappant genoemd worden. Kon men in Oud-Leusden dan niet zelf een datering bepalen? In het hoofdstuk over Elst in dezelfde Archeologische Kroniek lezen we op p.10 en 11: de einddatum is min of meer conventioneel: bij veel grafvelden van het type Elst is waargenomen dat zij tegen het midden van de 8ste eeuw in onbruik raakten. Min of meer.... Tegen het midden is in elk geval eerder dan 750 n.Chr. De reden daarvoor is, dat het, onder invloed van de toenemende Christianisering (bekering tot het Christendom), vanaf die tijd de gewoonte werd de doden bij de kerken te begraven. Dat schijnt ook het geval te zijn geweest in Elst.
    De gewoonte werd? Hoe weet men dat? Was iemand van de huidige generatie archeologen er soms bij? Stond daarvan iets op papier? De doden werden bij de kerken te begraven? Welke kerk was dat in Oud-Leusden? Van een kerk uit de 8ste eeuw is in Oud-Leusden geen spoor gevonden?

    Ziet U ook de cirkelredenering in deze beschrijving? Conventioneel is bepaald dat na het jaar 750 de doden voortaan zonder bijgiften bij de kerken begraven werden. Hoe kan men dan volhouden dat Lisiduna dan Oud-Leusden was waar geen enkele kerk uit de 8ste eeuw gevonden is? Hoe kan men dan blijven beweren dat Lisiduna dat in 777 genoemd wordt, Oud-Leusden was waar de geschiedenis 30 jaar eerder ophield?

    Conventioneel betekent 'volgens gewoonte' of dat 'wat per overeenkomst bepaald is'. Conventioneel wordt ook wel 'conservatief' genoemd. Het woord geeft aan dat men iets overeen gekomen is dat daarna nooit ter discussie is gesteld en zo een vaste opvatting is geworden. (Bron: Woordenboeken Nederlandse taal en Van Dale). Wie is 'men'? Historici uit het verleden? Er zijn in het verleden wel meer zaken ooit in concensus afgesproken en bepaald (men toen niet beter) die reeds lang achterhaald en herzien zijn. "Blijkbaar blijven historici de verouderde kennis maar rondpompen", zoals Jona Lendering dat eens treffend omschreef.

    De datering in Oud-Leusden is dus niet bepaald door technisch onderzoek, maar conventioneel bepaald door de overeengekomen en aangenomen opvatting dat de Nederland rond 750 bekeerd zou zijn!

    Volgens de gewoonte? Door overeenkomst? Is een bewijs voldoende als iets alleen maar volgens een overeengekomen gewoonte is vastgesteld?
    Dat Nederland in 750 bekeerd zou zijn en de doden niet meer begraven werden met grafgiften zijn onbewezen opvattingen. Het zijn aannamen op grond van veronderstellingen dat de bevolking van Nederland dan bekeerd zou zijn door de predikers Willibrord en Bonifatius. Zij zouden er dan voor gezorgd hebben dat de bevolking hun doden voortaan zou begraven zonder grafgiften en vlak bij de kerk.
    Hier wordt klinkklare onzin geschreven.


    Dat er in Nederland halverwege de 8ste eeuw sprake zou zijn van Christianisering is een grote mythe. Willibrord was dan wel 'apostel van de Friezen' genoemd, maar moest vluchten naar Echternach en Bonifatius werd door diezelfde Friezen in 754 vermoord; tenminste volgens de conventionele opvattingen. Volgens monseigneur Muskens heeft Willibrord de Friezen niet bekeerd 'omdat ze niet wilden' (wat hij verklaarde in de 'Telegraaf' van 4 nov.1989 bij gelegenheid van de 1250ste sterfdag van Willibord). En Bonifatius en zijn 52 metgezellen werden vermoord door de Friezen. Waren die dan bekeerd? Begroeven zij hun doden voortaan zonder grafgiften bij de kerk? De Friezen bleven nog lange tijd 'ondankbaar' voor hun 'bekering', immers in Friesland (maar ook in Utrecht) is vóór de 19de eeuw geen enkele kerk aan Willibrord of Bonifatius toegewijd. Daar komt nog bij dat halverwege de 8ste eeuw er in Nederland ook nog geen kerken waren. De ouderdom van kerken in Nederland gaat niet verder terug dan de 11de eeuw. Lees daarover meer bij kerken in Holland en kerken in Brabant. En dan komen we op het heikele punt met de vraag of Willibrord en Bonifatius ooit voet op Nederlandse bodem hebben gezet? Neen dus! Zij waren predikers in het Frankische rijk dat zich niet verder noordelijk uitstrekte dan de taalgrens. Lees meer over St.Willibrord en Utrecht, over St.Bonifatius en Dokkum en over de taalgrens.


    De datering in Oud-Leusden is dus bepaald door de aangenomen gewoonte dat Nederland rond 750 bekeerd zou zijn! Daarvan is totaal geen sprake geweest. Het betekent dan ook dat het jaar 750 niet meer is dan een speculatie op grond van aangenomen veronderstellingen. Alles wat op deze aanname is gedateerd, dus ook in Elst, zal herzien moeten worden. Lees meer over de ware geschiedenis van Elst.

    Voor de duidelijkheid herhalen we het nog maar eens: de dateringen in Oud-Leusden zijn derhalve onjuist en gebaseerd op de cirkelredenering dat de bewoners van Nederland bekeerd waren door Willibrord en Bonifatius en hun doden niet meer hebben begraven met grafgiften, maar op een kerkhof bij de kerk. Dat is dus allemaal conventioneel als vast patroon en naar gewoonte zo vastgesteld. De vraag is "door wie dan wel en op grond waarvan?"

    Houden we nog even vast aan het hierboven beschrevene: dan zegt dat nog niets over de situatie in het jaar 777 waar het toch over ging. Zijn er bewijzen gevonden dat Oud-Leusden in het jaar 777 nog bestond?

    De tekst gaat verder met:
    De begindatum werpt belangwekkende vragen op. Het is namelijk net in die periode - tweede helft 6e eeuw - dat de adel in het noorden van het Frankische rijk geïnteresseerd raakte in deze streken (hoe weet men dat van die interesse?) en die begon te koloniseren (waaruit blijkt dat?). Misschien werkten herinneringen aan de vroegere Frankische aanwezigheid in dit gebied (welke herinneringen van welke aanwezigheid?) nog door! Het is dus heel goed mogelijk, dat de mensen, die in Oud-Leusden begraven lagen, nieuwe Frankische kolonisten zijn geweest, nu gekomen vanuit het zuiden. Hiermee zou de armoede aan sieraden en de betrekkelijke rijkdom aan wapens van het grafveld verklaard kunnen worden. Goede wapens zijn voor kolonisten in een maagdelijk gebied namelijk wel belangrijk, luxueuze sieraden niet.
    Als je het hebt over 'conventioneel' dan is deze tekst die vergeven is van de nodige aannames, een schoolvoorbeeld. Frankische kolonisten? Waren die al wel bekeerd tot het Christendom? Dat is dan in tegenspraak met de latere activiteiten van Karel de Grote die daar (met het zwaard) nog de nodige moeite voor heeft moeten doen, wat overigens hem toen ook niet lukte. Sieraden werden niet meegegeven in een graf, wel goede en belangrijke wapens. Wie zoiets stelt gelooft zijn eigen woorden toch niet? Waren er geen belanghebbenden om die wapens te willen erven?

    Dan komen we bij de kern van het verhaal over Oud-Leusden. Na alle vorige aannamen....zou het ook begrijpelijk zijn waarom Karel de Grote, een telg van de noord-Frankische adel, het gebied in het jaar 777 kon wegschenken: het behoorde gewoon tot het eigen erfgoed van zijn geslacht.

    In deze redenatie zitten behalve ook weer enkele aannamen, ook enkele pertinente onjuistheden. Noord-Frankische adel heeft nooit bestaan. Eigen erfgoed? Van wie had Karel dat dan geërf? Had hij dat dan niet zelf veroverd, zoals de traditie ons wil laten geloven? Echter, Karel de Grote is nooit in Nederland geweest en had hier geen enkel bezit. Wat hij zogenaamd in Nederland weggegeven heeft, was niet in het bezit van hem of van de Franken. Bovendien waren het in Nederland geen bossen, maar onbruikbare moeras gebieden, tenmiste wat de traditie ervan gemaakt heeft, hoewel, er is slechts én gebied in die traditie met 'enige' zekerheid bekend. Lees alles over die foreesten.

    De Nederlandse opvatting is ook nu weer een cirkelredenering op grond van de onjuiste veronderstelling dat de Fresones (Friezen) in de tijd van de Merovingen en Karolingen in Friesland woonden en de Franken hen in Nederland kwamen bevechten. Daarvan is totaal geen sprake geweest. De plaatsen waar de Franken tegen de Friezen streden lagen in Frankrijk, zoals Pepijn die in 687 en 695 tegen de Friezen streed bij Testricum (=Tertry bij Péronne) en bij Duristato (=Audruicq). Volgens de traditie kwamen de Friesland dus even naar Noord-Frankrijk om er tegen de Franken te strijden. In de traditionele geschiedenis is dit altijd een onverklaarbaar feit geweest. Bovendien, waar in Friesland liggen de 305 plaatsnamen die in de bronnen over de Fresones genoemd worden? In Nederland komt men niet verder dan één plaats: Vreeswijk! Uit alle klassieke teksten vanaf de Romeinen blijkt dat de Friezen in het eerste millennium in (Frans-)Vlaanderen woonden. Zij waren de buren van de Moriniërs. Met de geschiedenis van de Friezen is wel meer onjuist, zoals 'de beruchte doop van Redbad' door bisschop Wulfram van Sens, die even vanuit Sens naar Medemblik kwam, om Redbad te dopen (dat gebeurde niet door Willibrord wat te vaak onjuist genoemd wordt, zoals in het boek 'Nederland' van Han van der Horst (Prometheus 2002, p.41) en onlangs nog in de TV-serie Verhaal van Nederland (noot 131). Lees meer over de Friezen.

    Van de aanwezigheid van de Franken in Nederland is overigens nooit iets gebleken, niet tekstueel (lees wat er in het Bronnenboek van Nijmegen over staat of lees wat prof. D.P.Blok erover schrijft in De Franken in Nederland) en evenmin archeologisch (lees wat Annemarieke Willemsen erover schrijft). Prof Blok schrijft letterlijk: De Frankische geschiedschrijvers van vóór de Karolingische tijd schijnen dit gebied niet te kennen, wat een terechte constatering is, die uitgebreid moet worden tot de Karolingische tijd. Er is geen enkele bron die op Nederland toepasbaar is uit de periode van de Franken.
    De enige plaats in Nederland die in Annales Regni Francorum voorkomt en waar de Franken dan geweest zouden kunnen zijn, zou Nijmegen zijn. In de Latijnse tekst staat overigens niet Nijmegen, maar Noviomagus. Dat wordt dan wel traditioneel voor Nijmegen gehouden, maar et was de Franse stad Noyon. Gen enkele plaats in Nederland wordt genoemd waar de Franken dan wel geweest zouden zijn. Waarom denken historici dan dat de Franken meer dan half Nederland veroverd hadden?
    Dat dit Noviomagus niet Nijmegen was, maar Noyon, wordt bewezen met de plaats waar Karel de Grote in 768 tot koning van de Franken werd gekroond en dat was onmiskenbaar in Noyon. Zijn broer Carloman werd te Soissons (op 35 km) ook tot koning van de Franken gekroond en wel op dezelfde dag en exact hetzelfde uur, vanwege de rivaliteit tussen beide broers, zodat geen van beiden kon zeggen de eerste koning geweest te zijn. In Nijmegen is archeologisch ook nooit iets gevonden uit de Karolingische tijd, maar ook niet uit de Merovingisch tijd, wat dodelijk is voor de traditionele opvattingen. Lees meer over Noyon en over Nijmegen.


    De vroeg-Middeleeuwse nederzetting.
    De nederzetting (Afb. 13, II) omvatte een aantal grote houten huizen. De plattegronden daarvan laten zich echter moeilijk in hun geheel reconstrueren, daar juist in dit gedeelte van de opgraving sporen uit vele periodes door elkaar liggen. Bovendien zijn door de activiteiten van de bewoners van het dorp in de latere Middeleeuwen veel oudere resten verdwenen. Wel duidelijk zijn een serie waterputten (weer meest tonputten) en een aantal al genoemde hutkommen. Tijdens de opgraving vertoonden deze hutkommen zich als rechthoekige donkere vlekken in de lichte ondergrond, die later weer zijn opgevuld met nederzet-tingsafval. Van de eenvoudige hutjes, die er boven hebben gestaan, zijn meestal alleen de sporen over van de palen, die het dakje hebben gedragen. De vondsten uit de nederzetting bestaan bijna uitsluitend uit aardewerkscherven. Er zijn twee soorten te onderscheiden: grof, handgevormd aardewerk, en fijnere, op de draaischijf gevormde keramiek, die uit zuidelijker streken werd geimporteerd. Het materiaal is nog niet voldoende bestudeerd om nu al een definitieve datering te kunnen geven. Het lijkt er echter op, dat het begin van de nederzetting in dezelfde periode valt als die van het grafveld, dus in de tweede helft van de 6e eeuw n.Chr. Het einde ervan is niet te bepalen; waarschijnlijk gaat de vroeg-Middeleeuwse nederzetting zonder hiaat over in de laat-Middeleeuwse. Deze continuïteit moet echter nog wel worden bewezen.
    Alles wat hier geschreven wordt over deze vroeg-middeleeuwse nederzetting is nogal twijfelachtig: het laat zich nogal moeilijk (of niet?) reconstrueren, sporen liggen door elkaar of zijn verdwenen (hoe weet men of iets verdwenen is?) en zijn onvoldoende om een definitieve datering te kunnen geven. Het gaat hier dus over de 6de eeuw, dus er is niets bewezen over het Lisiduna uit de 8ste eeuw. Over de continuïteit naar die 8ste eeuw blijkt ook nog niets bewezen te zijn..

    De Latere Middeleeuwen (900-1500).
    Vooral in de 11e en 12e eeuw heeft Oud-Leusden - wij mogen de nederzetting nu toch wel zo (Wat is zo? Oud-Leusden of Lisiduna?) noemen - een groot oppervlak beslagen.
    Let op: het opgravingsverslag springt hier van de 6de eeuw op de 11de en 12de eeuw.
    In alle delen van de opgraving zijn sporen uit deze periode aangetroffen. Deze periode? Dus van na 900? Dan gaat het niet meer over Lisiduna! De huisplattegronden zijn nu vaak vrij gemakkelijk te onderscheiden. Met zekerheid valt dit niet te zeggen. Vrij gemakkelijk, maar toch geen zekerheid? Twee plattegronden vallen op door hun enorme breedte: tegen de 12 m. De ene werd ontdekt in het zuidwesten van II in Afb. 13, de andere ongeveer in het midden van IV. Ze dateren beide uit de tweede helft van de 12e eeuw en ze zijn beide van het drieschepige type. Aangenomen mag worden, dat in deze beide grote huizen de rijkste mensen van het dorp hebben gewoond. Zouden deze rijkste mensen ook begraven zijn in die vierkante grafheuvel? Over de structuur van het dorp kan in dit stadium van de bestudering nog niet veel worden gezegd. Het lijkt er echter op, dat de hoeven gerangschikt lagen aan een door het dorp lopende weg. Het is mogelijk, dat de Vlooswijkseweg en (een gedeelte van) de Oude Doornse Grindweg eveneens tot het Middeleeuwse wegenstelsel hebben behoord. Zekerheid daarover bestaat echter op dit moment nog niet.
    Ook uit de laat-Middeleeuwse nederzetting bestaan de vondsten grotendeels uit aardewerkscherven. Nog steeds zijn er twee soorten; handgevormd en gedraaid. De handvorm bij uitstek in deze periode is de kogelpot. Het op de draaischijf vervaardigde aardewerk, onder meer afkomstig uit de pottenbakkers centra Pingsdorf en Andenne, vormt een veel kleiner percentage. De combintie Kogelpot, Pingsdorf en Andenne wijst duidelijk op de 12de en 13de eeuw. Lees meer over aardewerk. Er is nog een andere grote vondstcategorie: de ijzerslakken, afvalproduct van ijzerwinning. De aanwezigheid van ijzererts kan een van de redenen zijn geweest, die de vestiging van nederzettingen op deze plaats aantrekkelijk maakte. Hierbij moet wel worden aangetekend, dat nu nog niet met zekerheid kan worden gezegd in welke periode men precies met de winning van het ijzer is begonnen. Ondanks de onzekerheid wordt er toch al een conclusie getrokken.

    Het einde.
    Tot in de 12e eeuw moet Oud-Leusden een bloeiende nederzetting zijn geweest en was het ongetwijfeld de belangrijkste plaats in de regio. Dat wordt dus geconcludeerd op grond van twee huisplattegronden en aardewerkscherven. Amersfoort wordt pas in 1028 voor het eerst genoemd en schijnt toen niet meer te zijn geweest dan een gehucht, zonder eigen kerk. Vanaf de 13e eeuw werden de rollen evenwel omgedraaid: Oud-Leusden raakte in verval en werd uiteindelijk door Amersfoort overvleugeld. Het verval van Oud-Leusden is archeologisch af te lezen aan de afname van de vondsthoeveelheden in de 13e en latere eeuwen. De opkomst van Amersfoort blijkt bij voorbeeld uit het feit, dat de plaats in de 13e eeuw een eigen kerk kreeg, die niet onderhorig was aan die van Leusden. Tot dan toe hadden de Amersfoorters in Leusden moeten kerken!
    Waarschijnlijk is de opkomst van Amersfoort niet de enige reden voor de achteruitgang van Oud-Leusden. Uit de profielen blijkt, dat bovenop de 12e eeuwse lagen vaak fijn stuifzand ligt. Vermoedelijk heeft juist de grote uitbreiding van Oud-Leusden in de 11e en 12e eeuw de eigen ondergang in de hand gewerkt. Door ontbossing zal het akkerareaal voortdurend zijn uitgebreid, maar daardoor kon de wind ook steeds meer vat krijgen op het zand. Er zullen zandverstuivingen zijn opgetreden, die het bewerken van de akkers steeds moeilijker en uiteindelijk onmogelijk hebben gemaakt. Waarschijnlijk was dat de eigenlijke genadeslag voor Oud-Leusden.
    Het hier genoemde jaartal 1028 staat in een vervalste oorkonde die niets bewijst over het ontstaan of bestaan van Amersfoort. Lees meer over dat jaar 1028. Ook in deze tekst staan de nodige speculaties. Belangrijk is dat van een continuïteit van Oud Leusden tussen 600 en de 11de eeuw niets bewezen wordt, dus een speculatie is vooral om er Lisiduna van te kunnen maken. Het enige dat genoemd wordt is een conventioneel gedateerd grafveld, dat eindigt tegen het midden van de 8ste eeuw, maar waarvan het chronologisch kader niet geheel zeker is. Een mogelijke nederzetting is gebaseerd op verdwenen resten waarvan een definitieve datering die nog niet gegeven kan worden en continuïteit die echter nog wel bewezen moet worden, zoals het letterlijk in het opgravingsverslag te lezen is.

Conclusie:
De conclusie van deze opgravingen is helder en bevestigt de altijd aangenomen opvattingen allerminst, sterker: spreekt deze zelfs tegen.
Daarom nog maar eens heel duidelijk en in grote letters gesteld:

Nergens wordt aangetoond dat Oud-Leusden in het jaar 777 heeft bestaan en zeker niet een dusdanig belangrijke kerkelijke en bestuurlijke plaats was, dat het in een oorkonde van Karel de Grote genoemd zou worden. Een oorkonde die overigens in Numaga was uitgegeven, dat Noyon in Frankrijk was en niet Nijmegen, waar nooit een palts van Karel de Grote heeft gestaan of bestaan.
Het opgegraven grafveld gaat niet verder dan tegen het midden van de 8ste eeuw. Tegen het midden is dus niet eens het midden, dus zeker niet tot 750, welk jaartal gebaseerd is op de conventionele (=aangenomen) opvatting dat Willibrord en Bonifatius Nederland dan wel gekerstend zouden hebben en overledenen niet meer begraven werden met grafgiften. Van een nederzetting uit de tijd van Lisiduna (in 777) is al helemaal geen sprake. Tussen de Romeinse tijd (waar ook al ernstig aan getwijfeld mag worden) en de 12de eeuw ontbreekt elk spoor van een nederzetting of bewoning.
En dan hebben we het nog niet gehad over de overige plaatsen en de foreesten (bossen) uit deze oorkonde, wat ook niet in Nederland past. Lees daar alles over bij de foreesten.

De eindconclusie is ook geen andere dan:







Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.