De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Jaarboek Oud-Utrecht 1976.

De ware geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium, per onderdeel te lezen.
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen

Aan deze pagina wordt nog gewerkt.

We bespreken uit de Jaarboeken alleen de artikelen die gezien onze studie van belang zijn.




Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
Over de vroegste geschiedenis van de stad Utrecht is door geleerden uit verschillende vakgebieden zoveel geschreven en als hypothese of theorie geponeerd, dat in plaats van een 'communis opinio' een steeds grotere verwarring is ontstaan en een 'status questionis' nauwelijks meer te geven valt. Het vroegmiddeleeuwse Traiectum wordt als de voortzetting van het Romeinse castellum beschouwd en hebben de meeste historici aangenomen, dat er vroeger een rivier was die door het huidige Utrecht stroomde en dat die rivier de Rijn was. Tegenwoordig is er van die rivier niets anders over dan enige stukjes gracht en wat nietige waterlopen. Tot zover is men het in grote trekken met elkaar eens, maar dan beginnen de moeilijkheden. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1975, p.44 e.v.).

De visie van Albert Delahaye.
Over de geschiedenis van Utrecht is veel geschreven, maar ng meer verzonnen. St.Willibrord is voor Utrecht volkomen legendarisch, hij is er nooit geweest omdat Utrecht in zijn tijd vanwege de transgressies, onder water lag. Een Romeinse aanwezigheid is er zeker geweest, maar rond 260 n.Ch. hebben de Romeinen Nederland verlaten vanwege de toenemende wateroverlast en zijn zij naar het zuiden vertrokken op ongeveer de taalgrens. Pas in de 11de eeuw is er weer sprake van enige bewoning in Utrecht.


Het ontstaan van het gerecht Renswoude en Emminkhuizen.

Renswoude vierde in 1971, op grond van de charter van 1321, haar 650-jarig bestaan. Dit is helemaal juist. De plaats met de naam Renswoude is niet ouder dan uit de 14de eeuw.

  • Uitgaande van de periodisering, die ook De Monté ver Loren en Spruit toepassen, begint de Frankisch-Germaanse periode in het algemeen in 481, toen Clovis, de grondlegger van het Frankische rijk, de troon besteeg. De Monté ver Loren noemt als één van de gouwen, waaruit het Nedersticht ontstaan is, de pagus Flethite, die ter weerszijden van de Eem lag en zich uitstrekte tot de wilde venen en heidevelden, die het Eemdal in het oosten en het westen afsloten. Blijkens een oorkonde van 8 juni 777 lag in deze gouw Leusden met vier foreesten, waarvan er twee met zekerheid zijn te lokaliseren, nl. „Hengistscoto", d.i. Henschoten bij Woudenberg en „Fornhese", d.i. Vernheeze bij Amersfoort. Deze oorkonde uit 777 die is uitgegeven in het paleis van Numaga, gaat echter niet over Nederland, maar over Frankrijk. Van het paleis Numags dat Nijmegen zou zijn is archeologische geen steen gevonden. Het heeft er niet bestaan. Dit paleis van Karelm de Grote lag in Noyon, de plaats waar hij ook gekroond is..

  • Volgens een oorkonde van 7 of 10 november 855, waarbij Folckerus aan het klooster te Werden a/d Ruhr verschillende goederen, waaronder enige in de gouw Flehite, schenkt, waren eveneens „in pago, que dicitur Flethetti" gelegen, de „villa Hlara", d.i. Laar bij Rhenen, de „villa Hreni" zelf, de „villa, que dicitur Rimbrahti", d.i. Remmerden, de „villa Tiuli", d.i. de buurschap Tule of Tuil in het oostelijk deel van de parochie Doorn, vervolgens „Hnodi", d.i. de Nude tussen Rhenen en Wageningen en tenslotte de „silva Hrenhem". Wat dit laatste gebied betreft, staat er letterlijk: „In silva Hrenhem pastus porcorum XXX triginta". Lees meer over Rhenen.
    Zowel S. Muller Fz. in zijn oorkondenboek als De Monté ver Loren vermoeden, dat het hier het latere Renswoude betreft. Van Iterson interpreteert de zinsnede wat voorzichtiger met „het recht om 30 zwijnen hun voedsel te laten zoeken in het Rhenense bos". Hij meent, dat het latere Renswoude een te beperkt is en het Rhenense bos veel uitgestrekter is geweest. De hier genoemde plaatsen bestond in 777 of 855 niet eens. Lees meer over Folckerus en de oorkonde uit 855 en alle daarin genoemde plaatsen.

  • Uit de charter van 1321 blijkt, dat het goed te Velde een uitgestrekt, maar mogelijk niet geheel aaneengesloten gebied is geweest. Naast de bovengenoemde Oestercampe behoorden er o.a. goeder enbij op de Dikkenberg en in de Marsch en voorts de tienden van Langhelare, Berivelde, Borchstede, Ghelinde en de tienden met het gerecht van Waghenvelde (twee goeden), Daefslare, Ubbelscoten (drie goeden), Apelderler, het goed, waar Peter Neghenstic placht te wonen, Overeme (twee goeden), Nyerborch, Ravenhorst, Dashorst (twee goeden), Vlieder, Winninclaer, Enghelaer, Grote Wolfswinkel, een goed bij Winninclaer, het goed, waar Johan de Vloyer woont, bij Nyerborch en Ymmichusen en „al sulken tynse alse tot desen voertgenoemde hoert". Die goederen, waarvan zowel de tiend als het gerecht genoemd worden, blijken later bij het gerecht Rynswoude te horen. Goederen als Langelaar, Burgstede en De Glind blijken dan in het kerspel Barneveld te liggen en zullen ook tot dat schoutambt zijn gaan behoren. Volgens Van Iterson betreft het hier een gebied, dat nog niet zo lang te voren woest had gelegen en in percelen ter ontginning was uitgegeven aan partikulieren ut singuü (d.w.z. niet voor kollektief gebruik) met voorbehoud van tins, tiend en gerecht. Het artikel vervolgt met allerlei aangenomen opvattingen, zoals de namen van latere goederen die geprojecteerd worden op eeuwen daarvoor. Dat is natuurlijk de omgekeerde wereld in de historische geografie, dus onjuist. Dat het gebied nog niet lang tevoren was uitgegeven voor ontginning en gebruik, geeft al aan dat het nog lange tijd woest gebied was, ofwel geen bezit van adel of partikulieren.

  • Wat het goed Emmikhuizen aangaat, dit wordt reeds genoemd op 17 september 1309, als er een geschil over bestaat tussen heer Jan van Woudenberg en heer Sweder van Abcoude. Ook hier gaat de geschiedenis niet verder terug dan begin 14de eeuw.

  • Resumerend kunnen we stellen, dat Renswoude als zelfstandige eenheid in 1321 nog niet bestond; immers het reeds in kultuur gebrachte gedeelte, bestaande uit 21 boerderijen, was van de graaf van Bentheim en het vermoedelijk nog ongekultiveerde „Ryneraert ende Noorderaert" van „die gemeynte der stadt van Renen". Eerst sinds omstreeks 1352, toen de lage rechtsmacht over beide gebieden, die intussen in handen waren gekomen van de bisschop van Utrecht, in zijn geheel in leen kon worden gegeven, is er sprake van een eenheid. Wanneer we dan uit een belening van 1363 opmaken, dat het gebied „gemeenlycke Rynswoude" genoemd wordt, moeten we m.i. het ontstaan van Renswoude zo halverwege de 14e eeuw zoeken. In het bovenstaande is getracht de tijd aan te geven, waarin het gebied zich als juridische eenheid vormde, d.w.z. als zelfstandige ambachtsheerlijkheid. Van een spektakulaire ekonomische ontwikkeling is nooit sprake geweest of het moet het in kuituur brengen van de grond geweest zijn, maar dat heeft zich geleidelijk afgespeeld tot in de 20e eeuw. Het dorp Renswoude moet pas na 1500 in dit bij uitstek op de landbouw aangewezen gebied ontstaan zijn, omdat er in 1501 nog geen vaste gerechtsplaats was en Renswoude omstreeks 1500 232 inwoners telde, verspreid over 30 huizen/hofsteden. Bedenkend, dat er in 1321 21 hofsteden genoemd worden, zal er rond 1500 nog nauwelijks een burgerhuis gestaan hebben.
    Het is wel duidelijk dat de hele geschiedenis uit de 14de eeuw en later geen enkele relatie heeft met de oorkonden uit de 8ste en 9de eeuw.

    Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

    Citaten van Historici


    wetenschap is twijfel


    ongelooflijk


    onnozelheid


    Heiligenlevens


    Kletspraat


    Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
    11de en 12de eeuw
    13de en 14de eeuw
    Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
    18de eeuw
    19de eeuw
    20ste eeuw




  • Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.