De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Opvattingen der geschiedschrijvers in de 11de en 12de eeuw.







De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is de Betuwe ook niet het land van de Bataven en is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!
De eerste vraag is: "Zijn er wel 'Hollandse' schrijvers uit de 11de en 12de eeuw?' De eerste Hollandse schrijver was Melis Stoke uit de 13de en begin 14de eeuw (c.1235-1305). Stoke schreef vanaf 1290 in het Middelnederlands een kroniek op rijm over het graafschap Holland. Een van zijn werken, een van de eerste boeken in het 'Nederlands', heet Rijmkroniek. Daarin staat het verhaal over de moord op Floris V. Stoke baseerde zich op geschreven bronnen (welke is onzeker?), maar vooral op getuigenverklaringen en eigen waarnemingen. Onder hedendaagse historici staat hij echter niet bekend om zijn historische betrouwbaarheid, wat met name gaat om de oudste geschiedenis, waarvan sinds die tijd meerdere bronnen verschenen zijn.
Naast Stoke kan ook Jacob van Maerlant genoemd worden, een Vlaamse dichter (Brugge, ca. 1230 of 1235 tot ca. 1288 of 1300), dus feitelijk ook pas uit de dertiende eeuw. Met zijn meer dan 230.000 verzen was hij ook een van de productiefste middeleeuwse auteurs en werd dan ook de "vader der Dietse dichtren algader" genoemd. Hij schreef in de volkstaal, het Diets. Zijn belangrijkste werken komen uit Franse en Latijnse bronnen. Rond 1285 werkte Maerlant aan zijn grootste werk, de Spieghel historiael, dat de naamgever werd van het geschiedenistijdschrift in Nederland. Net als zijn andere werk, droeg hij ook dit op aan iemand van adel: de Hollandse graaf Floris V. Spieghel historiael was een grootse onderneming: het besschreef de wereldgeschiedenis die begon bij de schepping en had moeten eindigen in Maerlants eigen tijd. Maar toen Jacob ruim 90.000 verzen klaar had, werd hij ziek en moest hij de pen neerleggen. Later is het werk door anderen afgemaakt. Lees meer over Jacob van Maerlant.
Frits Van Oostrom heeft over Maerlant het boek 'Maerlants Wereld' geschreven dat een heuse bestseller werd. Feitelijk kan Jacob van Maerlant de eerste 'Nederlandse' schrijver genoemd worden. Voor oudere of meer schrijvers moeten we naar Vlaanderen, zoals Willem van Rubroek die ook in de13de eeuw schreef over zijn reis naar Azië.

De visie van Albert Delahaye.
Het gebeurt zelden in de historische wetenschap, vooral bij zo'n oude materie als de onderhavige, dat men de kans krijgt om op een nieuwe stelling een dubbelkontrole uit te oefenen. Is die mogelijkheid aanwezig, dan mag zij zeker niet verwaarloosd worden. Een belangrijke konstatering is geweest, dat de historische tradities van Nederland pas in de 12e eeuw voor het eerst verschijnen. Het is derhalve dienstig om na te gaan wat de oudste Nederlandse geschiedschrijvers over Nederland vóór de 12e eeuw meedelen. Bij het nalezen van hun kronieken valt zowel op waarover ze wel schrijven, maar vooral wat zij niet schrijven. Tot de vier oudste schrijvers kunnen we Alpertus van Metz; de Annalen van Egmond; Melis Stoke en de Clerc uten Laghen Landen biden zee rekenen. Bij de laatste arriveren wij al ver in de 14e eeuw. Dan zijn de dwalingen van Nederland in de grote lijn gevestigd en heeft het niet veel zin meer nog verder na te gaan, hoe en wanneer de latere schrijvers de mystifikaties tot in alle konsekwenties uitgesponnen hebben.
Alpertus van Metz en de Annalen van Egmond, noemen nergens de tradities van Utrecht, van Dorestadum, van Nijmegen of van de Bataven. Dit is vooral bij de Annalen van Egmond een onbegrijpelijke zaak, omdat aangenomen moet worden dat de later gehanteerde bronnen in Egmond aanwezig waren. Echter: niet vergeten moet worden dat de Annalen van Egmond uit Gent kwamen. Bij de latere schrijvers beginnen de mythen door te dringen, druppelsgewijs met halve of geheel onjuiste feiten. Melis Stoke is de eerste die St. Willibrord als bisschop van Utrecht noemt, al plaatst hij zijn missiegebied aan de Schelde (sic). Geen wonder dat hij de eerste was, omdat tussen hem en de vorige schrijvers de traditie door Echternach is ingevoerd. Van de indrukwekkende serie berichten over de Noormannen vermelden Melis en de Clerc hoogstens één feit over Tiel. Een en ander maakt duidelijk, dat hun stof niet gevormd werd door een ter plaatse bestaande dokumentatie of een levende traditie, maar dat deze van buitenaf is aangevoerd. In sommige gevallen is de invoering van een bepaalde traditie door hun eerste tekst daarover vrij nauwkeurig in de tijd te plaatsen. De Clerc uten Laghen Landen schrijft over Holland, dat het een algemeen broekland (moerasland) was, en uit de armen van de zee en de Rijn 'gesalicht' (ontstaan) is.
De eerste schrijvers over de Nederlandse geschiedenis hebben het onweerlegbaar getuigenis neergeschreven dat de na hen opgekomen tradities een en al mythe zijn. Dit had iedere historicus kunnen zien, tenminste als hij die schrijvers eens niet met de nek maar met open ogen aangekeken had.



De oudste 'Nederlandse' schrijvers en geschriften.
Lange tijd werd er van uitgegaan dat de oudste Nederlandse tekst het 11e-eeuwse hebban olla vogala nestas bigunnan was. Er zijn nu echter ouders geschriften bekend die dateren uit de 10e eeuw, zelfs uit de 8ste eeuw. Sommige onderzoekers leggen dat begin bij de 8e-eeuwse Utrechtse doopgelofte, hoewel niet duidelijk is of het hier om Oudnederlands gaat.
De Wachtendonkse psalmen stammen uit de 10e eeuw, de Leidse Willeram uit 1100. Literaire teksten van later zijn overwegend van Vlaamse en Brabantse origine. 13e-eeuwse teksten zijn vaak Vlaams, zoals het bekende Karel ende Elegast, Beatrijs, Ferguut en Vanden Vos Reynaerde. De eerste met naam bekende schrijver is Hendrik van Veldeke, die in het Limburgse Maasland actief was. Van Veldeke schreef een heiligenleven van Sint-Servaas, ca. 1170, de EneÔde (ca. 1175) die uiteindelijk teruggaat op de klassieke Aeneis. De oudst bekende Brabantse literatuur dateert vanaf 1260 en omvat onder meer enkele fragmenten uit een bewerking van het Nibelungenlied en de Brugse minneliederen.
De waanzinnige 14de eeuw.
Een echte verschuiving naar literaire dominantie van het Brabants volgde in de 14e eeuw, met Jan van Boendale en de mysticus Jan van Ruusbroec. Ook de vier abele spelen, ernstige seculiere toneelstukken, werden in het Brabants geschreven. Voor de meer 'Hollandse' geschiedenis komen we dan uit bij de Clerc uten Lage Landen bij den zee waarvan de naam onbekend is, slechts dat hij 'Clerc' (schrijver) was. Het begrip 'de Lage landen bij de zee' wordt al rond 1400 voor Holland aangewend in de 'Kronijk van den clerc uten laghen landen bi der zee', wat bij uitstek van toepassing op was de delta van Schelde, Maas en Rijn, waarbij de naam in de meervoudsvorm werd gebruikt.
Lees meer over het Diets, de taal van Frans-Vlaanderen Dat was ook de taal die St.Willibrord sprak, maar ook Karel de Grote, wat in zijn tijd Frankisch werd genoemd. Het Diets is de grondtaal van meerdere talen, zoals het Fries, Engels, maar ook het Duits. Jacob van Maerlant werd de "vader der Dietse dichtren algader" genoemd.


Wat weten we over klassieke teksten?

Over veel eeuwen kennen we geen oude geschiedenis door een gebrek aan geschriften. Niet dat die er niet geweest kunnen zijn, maar oudere werken verdwenen in de open haard als men van mening was dat de inhoud niet juist was of men die vreemde teksten toch niet kon lezen. Het is een verschijnsel dat zelfs in de 20ste eeuw nog voorkwam, wat Albert Delahaye heeft ervaren voor zijn benoeming in Nijmegen. Voor het 'ordenen' (beter kan gesproken worden over opruimen) van het oud archief in Nijmegen werden werklieden van gemeentewerken 'aan het werk gezet' die die alles rücksichtslos opstookte 'omdat niemand dit toch nog lezen kan'.
Pas in de 15de eeuw verschijnen wat we nu 'de klassieken' noemen, de werken van Romeinse schrijvers die tot die tijd 'ergens' in bibliotheken lagen te verstoffen en toen 'herontdekt' werden en door de boekdrukkunst in grote oplage verspreid werden. Die Klassieken zijn aanvankelijk vooral gebruikt door de chauvinistische schrrijvers, om de eigen bevolking en het eigen land van een aansprekende geschiedenis te voorzien. Neem als voorbeeld 'Germania' van Tacitus dat rücksichtslos op Duitsland werd toegepast, ook klopte het niet met de inhoud. Het is nog steeds een raadsel of deze 'klassieken' in de tijd van Karel de Grote blijkbaar onbekend waren. Hij liet immers allerlei bestaande geschriften en boeken verzamelen, maar veel 'klassieken' werden in zijn geschriften, o.a. van Einhard of Alcuinus, niet genoemd. Zo onbreekt de Peutingerkaart in alle bibliotheken om in de 16de eeuw plots op te duiken in een oude kloosterbibliotheek. En de voorgeschiedenis ervan? Daarover wordt volop gespeculeerd, wat leidt tot allerlei fantasievolle en fabelachtige verhalen, maar zonder bewijs blijft het een mysterieus en duister product.




Terug naar de beginpagina van de traditionele opvattingen.






Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.