De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Opvattingen der historici in de 15e, 16e en 17e eeuw.

11de eeuw
12de eeuw
13de eeuw
14de eeuw
Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
18de eeuw
19de eeuw
20ste eeuw

Hier wordt nog aan gewerkt!



Vaderlandsche Historie van Isaak Tirion uit 1752.

Historische methode en bronnenkritiek
Hoe is het mogelijk dat de geschiedenis zo verkeerd is begrepen?
Bij de duiding van de bronnen van de abdij van Egmond uit de twaalfde en dertiende eeuw stond het idee voorop dat de 'Hollandse graven' altijd in Holland waren geweest, ook al zijn er geen andere documenten van vóór de twaalfde eeuw die hun aanwezigheid aldaar bevestigen en ook al komen alle andere documenten die hun bestaan bevestigen uit Gent of van nog verder weg. Waren de geloofwaardige schrijvers begonnen met de oorkonden in plaats van met de rijmelarij van Melis Stoke en hadden ze die van de oudste af aan behandeld, dan waren ze tot een geheel andere conclusie gekomen. Toen in de negentiende eeuw inderdaad oorkonden als uitgangspunt werden genomen bleek al snel dat er zich daar ook nogal wat vervalsingen onder bevonden, zodat de grondslag van de geschiedschrijving wel heel onzeker werd, wat uiteindelijk leidde tot tamelijk hysterische reacties in de twintigste eeuw, wat voor Nederland goed te volgen is in de Inleiding bij de Egmondse bronnen.
Er stelt zich een ander, methodisch, probleem. Geschiedschrijvers beginnen – tamelijk onvermijdelijk – in het heden en werken naar het verleden. Daarbij worden – terugkijkend – verbanden even onvermijdelijk gemakkelijk omgekeerd : het heden biedt een blik op het verleden. De juiste historische methode is alle gegevens te verzamelen zonder alvast conclusies te trekken, en vervolgens van de oudste gegevens naar de nieuwere te werken. Zolang er gezocht wordt van heden naar verleden zijn er "veronderstellingen" nodig, anders is er niets om naar te zoeken. Maar als het eerste onderzoek gedaan is moet er in omgekeerde richting worden gewerkt, en pas dan begint het "wetenschappelijke" werk.



Die Chronijk van Hollandt Zeelandt
ende Vriesland

van Cornelius Aurelius.

De Nederlandse geschiedschrijving begint in de vijftiende eeuw niet met feiten of het verzamelen daarvan. Het zijn rijmelende hofschrijvers als Melis Stoke en Jacob van Maerlant die de vroegste geschiedschrijving tot ver in de negentiende eeuw beschrijven. Het gaat meer om het verhaal en de aanmatigingen dan om de historische feiten. Het zijn vervolgens overwegend onafhankelijke bibliofielen en kritische boekhandelaars in de zeventiende en achttiende eeuw die oorspronkelijke bronnen belangrijker gaan vinden dan latere beweringen en die bewijsplaatsen beginnen te eisen voor die beweringen.

Het is aan het begin van de veertiende eeuw, nog voor de humanistische geschiedschrijving begint, dat de voorvaderlijke geschiedenis van de graven van Holland van het gebied ten noorden van Artesië naar de grens tussen Kennemerland en West-Friesland wordt overgebracht. In de oudste Egmondse bronnen worden tal van plaatsen genoemd die in Holland niet zijn aan te wijzen terwijl de Hollandse plaatsnamen die worden genoemd latere invoegingen zijn. Waar de traditie vandaan komt staat letterlijk in de Egmondse bronnen : «in loco qui Hallem nuncupatur» (de plaats die Hallem wordt genoemd), dat is, todat iemand het beter weet, het huidige Hallines, enkele kilometers ten zuidwesten van St.-Omaars (Frans St.-Omer), waar zich het St.-Bertijnsklooster bevond (12).

«Hoe de documentatie van Traiectum in Gent terecht kwam, valt gemakkelijk te verklaren. De graaf van Vlaanderen heeft de abdijen krachtig gesteund en verrijkt, eerstens om hem te helpen bij zijn politiek van het weren van vreemde invloeden, tweedens om ook op kerkelijk gebied orde te scheppen in de chaos, veroorzaakt door de Noormannen. Zo heeft hij de St.Bertijns-abdij te St.-Omaars gedwongen om haar monastieke beslotenheid van een zuiver beschouwend leven te verlaten en de zielzorg in het omliggend gebied aan te nemen. In dit verband is het veelzeggend, dat deze abdij dan optreedt in verschillende parochies die voorheen tot het bisdom Traiectum behoorden; en dat deze parochies juist in het noorden liggen, het huidige West-Vlaanderen. Tegen deze achtergronden is het helemaal niet vreemd dat de documentatie van Traiectum in Gent terecht kwam, waar zij na enige tijd niet meer werd begrepen en in de 12e eeuw – die beruchte 12e eeuw die we steeds weer tegenkomen als het begin van de Babylonische spraakverwarring – de mening ontstond dat die documentatie van Utrecht was. Zo kwam zij in Egmond terecht, waar zij desondanks als niet van toepassing op Nederland voorlopig in de kast werd gelegd.» (13). De eerste Vlaamse graven brengen uit Noord-Franse kloosters documenten over naar Gent. Van daar verwaait in de twaalfde eeuw een deel naar Egmond, en de Egmondse monniken beginnen – in wedijver met de Utrechtse bisschop – met dat materiaal oude 'Hollandse' rechten en een oude 'Hollandse' geschiedenis samen te stellen.

Voor de humanisten vulde de gravengeschiedenis een deel op van het gat tussen de nationale Batavieren-mythe en de eigentijdse geschiedenis waarbij er strijd ontstaat over de vraag aan wie die graven nu toebehoren : Holland of Friesland. Ook staat de Statenpartij tegenover de Oranje-partij waarbij elk probeert om aan de gravengeschiedenis dynastieke danwel juist republikeinse argumenten te ontlenen.

In de zeventiende eeuw wordt de traditionele gravengeschiedenis eerst van buitenaf in twijfel getrokken door de Zeeuwse jonkheer Jacob Eyndius (Jacob van den Eynde, 1575-1614) (14), gevolgd door enigszins kritische republikeinse geesten als Petrus Scriverius (Piet Schrijver, 1576-1660), Jan Uytenhage de Mist (1636-1668) en Simon van Leeuwen (1626-1682) die niet alleen opruiming hielden onder de voor-kritische Hollandse 'nevelhelden' zoals 'Heer Lem' (van Heer Willem) die de stichter zou zijn geweest van Haarlem en Bato als Bataafse leider, of Friso als stamvader van de Friezen, zie ook : De geschiedschrijving van het graafschap Holland.

De vraag of men zich uitsluitend op oorkonden dient te baseren – voor de vroege gravengeschiedenis zijn er alleen de vier vervalste 'koningsoordkonden' – wordt ontkennend beantwoord door de traditionalisten, die de 'overlevering' mee wilden laten wegen, en die niet alleen droge historische 'feiten' willen, maar vooral ook een 'verhaal' dat met trots kan worden doorverteld en dat de 'nationale saamhorigheid' rond de feodale danwel groot-burgerlijke aristocatie diende te wettigen en bevorderen.

In een tijd waarin er toch al steeds meer geloof wordt gehecht aan de 'historische kern' van volksverhalen en legenden wordt dit ten gunste van de traditionalisten beslecht en ten koste van kritisch historisch onderzoek dat echter zelden afwezig was.

Hier gaan we op zoek naar de primaire en secundaire bronnen, met de Egmondse bronnen daar ergens tussenin. Om de primaire bronnen te vinden zijn de secundaire nodig, dus alles kan niet onmiddellijk in de juiste volgorde worden geplaatst. Medewerking is welkom, tegenspraak eveneens

Écht veel haast kan er niet bij zijn, want de kwestie loopt al duizend jaar.

Na het 'ontdekken' van de klassieke Romeinse schrijvers in het begin van de vijftiende eeuw, verschenen deze in de tweede helft van die eeuw al in druk, waardoor de verspreiding van die oude mythen een omvangrijke belangstelling kreeg. De eerste 'Hollandse' historici bogen zich over de vraag waar al de volkeren gewoond hadden, die in de klassieke Romeinse bronnen genoemd werden.
Enkele denkbeelden uit die tijd, zijn nadien 'bijgeslepen' tot de huidige opvattingen. In 1752 publiceerde Isaak Tirion nog de 'Vaderlandsche Historie, uit geloofwaardige schrijvers en echte gedenkstukken samengesteld'. Hiernaast een detail uit dit boek, waarin sprake is van twijfel door gebruik van woorden als 'vindt men verhaald' en 't gemeen gevoelen' en wonderverhalen 'die weinig schijn van waarheid hebben' en 'men er van vindt'. De letters (a) t/m (d) geven de verwijzingen naar de bron aan, i.c. Johannes à Leydis.
Toch spreekt hij waarschuwend over 'blote gissingen' als niet duidelijk is waarop die geschiedenis is gebaseerd. Van de onzekerheid en duisterheid der aloude geschiedenissen onzes vaderland zijn wij zo zeer als iemand overtuigd. Doch 't heeft al mede zijn nuttigheid, dat men zeker en klaar weete, wat er al onzekers en duister zij. Hij formuleert enkele zaken toch opvallend duidelijk zoals:
  • 'Ons land' beschrijft hij als ene woeste wildernis, een laag moeras, onbeschut van dijken en bloot leggende voor overstromingen van de zee en rivieren. Dit bevestigt hij met dat men dit zeker genoeg weet, waarmee het raak geformuleerd is.
  • Opvallend is ook als hij het over de Batavieren heeft, die hij een hoop verjaagde zwervers noemt. De Franken beschrijft hij als 'zeeschuimers of behendige landrovers', die de Friezen onder voorwendsel van de ware Godsdienst geheerlijk hebben overheerst.
  • Men had toen ook al weet van de eerdere Romeinse aanwezigheid, die beschreven werd dat de bevolking door dit krijgsvolk bedwongen en door veelerlei knevelarijen en geweldenarijen tot ene opstand getergd werd. Vandaar het verzet tegen de onderdrukkende Romeinen, zowel door de Batavieren, de Friezen en later de Franken.

    Vanaf de 12e eeuw, waren al enkele opvattingen aangenomen, die de latere geschiedenis zouden gaan bepalen. Zo was al door de opvattingen van Echternach, al vanaf begin 13e eeuw aangenomen dat St.Willibrord bisschop van Utrecht was. De historici in de 15de, 16de en 17e eeuw borduurden daarop voort en plaatsten de volkeren door de klassieke Romeinse schrijvers genoemd te ver naar het noorden, met de Renus als ultieme wegwijzer.
    Een van de historieschrijvers die een grote invloed heeft gehad op de latere schrijvers uit de 16e en 17e eeuw was de Egmondse monnik Johannes à Leydis.

    Maar reeds vanaf het begin hebben de Hollandse humanisten vooral de Duitse historieschrijvers nageschreven. En deze Duitse historieschrijvers hadden de klassieke fout gemaakt, door Germania van Tacitus (de origine et situn germanorum) dat in 1455 ontdekt werd, op Duitsland van toepassing te achten, waardoor veel wat daarin beschreven werd klakkeloos naar Duitsland werd getransporteerd.
    Veel andere geestelijke historieschrijvers hebben er nadien feitelijk een potje van gemaakt, zoals de monnik Cornelius Aurelius (Kees van Gouda: 1460-1531). In zijn grote compilatiewerk Cronycke van Hollandt Zeelandt ende Vrieslant (1517), beter bekend als de Divisiekroniek, schrijft hij de nodige fabels met als argumentatie 'also ic in sommige oude croniken gevonden hebbe'. Welke kronieken dat waren laat hij achterwege. Latere historie-schrijvers hebben zich ettelijke malen te veel of geheel op Aurelius' werk gebaseerd, niet zelden aangevuld met eigen interpretaties. Blijkbaar ging men ervan uit dat een monnik gehouden was aan het gebod 'gij zult geen valse getuigenis afleggen', dus dat het allemaal zeker de waarheid was wat hij schreef.

    Het ontstaan van prenten als hiernaast (dit is Dirk 1 Westfrieze graaf van Holland), geven precies aan wanneer de mythen en legende tot ware geschiedenis van Holland werd gemaakt. Deze prenten werden vooral gemaakt in de 16de en 17de eeuw om boeken te voorzien van figuratieve afbeeldingen. Men wilde graag zien U die voorvaderen er misschien wel uitgezien hadden. De graven van Holland werden ten tonele gevoerd om Holland vooral een aansprekende geschiedenis te geven, ook al kwam die geschiedenis uit Vlaanderen.

    Vanaf het begin is er ook steeds de nodige kritiek en discussie geweest over het werk van Aurelius en anderen. Herman Kampinga (1887-1968) heeft in zijn boek "De opvattingen over onze oudere Vaderlandsche Geschiedenis, bij de Hollandsche historici der XVIe en XVIIe eeuw" dat uitvoerig beschreven. Steeds blijkt dat de 'zekerheden' helemaal niet zo zeker waren. Er is ook in de huidige literatuur nogal vaak sprake van 'waarschijnlijk', wat niets anders betekent dan dat het naar de schijn waar zou zijn geweest, anders gezegd: of het waar is, is maar schijn, met de nadruk op schijn. Lees meer over dit boek van Kampinga, waarop hij promoveerde. Het is navrant te lezen wat Kampinga schrijft over onze historieschrijvers uit het verleden. Blijkbaar hebben historici als Hugenholtz, Stolte, Blok en Bogaers dit nooit gelezen of nooit geweten. Immers dan zouden zij nooit die velle kritiek op Albert Delahaye hebben gehad, die de fabelschrijvers uit het verleden, net als Kampinga constateerde, ook ontmaskerde. Vooral voor Hugenholtz is dat een schromelijke tekortkoming die zich immers gespecialiseerd had in Johannes à Leydis.

    De visie van Albert Delahaye.
    De historische kennis van de zogenoemde vakmensen uit de 20ste eeuw, bestaat uit naschrijverij van de 16e en de 17e eeuwse fabelschrijvers, zelden uit eigen onderzoek. Veel teksten die Albert Delahaye op tafel legde kenden ze niet en hadden ze nog nooit gezien. En dan gaan ze een archivaris die deze teksten opspoorde, vertellen hoe die gelezen moeten worden? Dan blijkt duidelijk dat de klassieke schrijvers (te beginnen met Tacitus) Frisia en het land van de Bataven in Gallia/Francia (=Frans-Vlaanderen) plaatsten en helemaal niet in Nederland.



    De eerste Hollandse schrijvers.
    De geschriften van de eerste Hollandse schrijvers dateren allemaal uit het tweede millennium. De vier oudste zijn Alpertus van Metz, de Annalen van Egmond, Melis Stoke en de Clerc uten Laghen Landen. Bij de laatste arriveren we al ver in de 14e eeuw. Dan zijn de dwalingen van Nederland in grote lijnen al gevestigd en heeft het niet veel zin meer nog verder na te gaan, Hoe en wanneer de latere schrijvers de fundamentele verwarring tot in alle konsekwenties hebben uitgesponnen.
    Het is opvallend dat Alpertus van Metz en de Annalen van Egmond, nergens de tradities aan van Utrecht, van Dorestadum, van Nijmegen of van de Bataven beschrijven. Dit is vooral bij de Annalen van Egmond een onbegrijpelijke zaak, omdat aangenomen moet worden dat de schrijvers van Egmond de later gehanteerde bronnen kenden.
    Bij de latere schrijvers beginnen de mythen door te dringen, druppelsgewijs met half of geheel onjuiste feiten. Een en ander maakt duidelijk, dat hun stof niet gevormd werd door een ter plaatse bestaande dokumentatie of een levende traditie, maar dat deze van buitenaf is aangevoerd. In sommige gevallen is de invoering van een bepaalde traditie door hun eerste tekst daarover vrij nauwkeurig in de tijd te plaatsen. De eerste schrijvers over de Nederlandse geschiedenis hebben het onweerlegbaar getuigenis neergeschreven dat de na hen opgekomen tradities een en al mythe zijn. Dit had iedere historicus kunnen zien, tenminste als hij die schrijvers eens niet met de nek maar met open ogen aangekeken had.
    Melis Stoke en de Clerc.
    De betekenis van Melis Stoke als historieschrijver slaat men over het algemeen niet hoog aan. Hij stelt zich onvoorwaardelijk achter de graven van Holland, is met een groot woord voor Hollandse begrippen een "hofschrijver" die zijn heren naar de mond praat. Hofschrijvers worden door de historici terecht gewantrouwd. Desondanks blijft het onverklaarbaar, dat men zijn zakelijke en vooral zijn topografische gegevens nog nooit heeft onderzocht. Melis Stoke is de eerste, die St. Willibrord als bisschop van Utrecht noemt, als is hij nog niet geheel los van diens missiegebied aan de Schelde. Geen wonder dat hij de eerste was, omdat tussen hem en de vorige schrijvers de traditie door Echternach is ingevoerd. Van de indrukwekkende serie berichten over de Noormannen vermeldt Melis slechts één feit, al noemt hij de Noormannen niet, maar noemt het 'piraten'.

    Men zou nog de kroniek van Johannes de Beka kunnen nemen, die geschreven werd tussen ca. 1340 en 1346 of 1364. Latere handschriften lopen zelfs tot 1393 en 1456 door. Het spreekt vanzelf, dat in deze kroniek enkele mythen al uitgewerkt waren en als zekerheden worden voorgesteld. In de kroniek van de Clerc uten Laghen Landen is de groei van sommige tradities aardig te volgen, maar ook omdat er enige merkwaardige dingen in staan. De Clerc schreef tussen 1349 en 1356; enige historici plaatsen het geschrift zelfs in het begin van de 15e eeuw. Zijn tekst is voor het merendeel ontleend aan Melis Stoke en Johannes de Beka; hij verwoordt deze echter op zijn eigen aantrekkelijke manier.



    Wat weten we van de oude schrijvers?
    Niet alle 'oude schrijvers' hadden dezelfde opvattingen over de oudste geschiedenis. Er waren regelmatig discussie tussen de 'geleerden' die vaak dominee, kanunnik, pastoor of advocaat waren. Het waren in elk geval bestudeerden personen die Latijn geleerd hadden. Immers alle oude bronnen zijn in het Latijn (of soms Grieks) geschreven. Bij het begrijpen van die oude teksten deden zich drie problemen voor: 1.wat staat er precies (het ging om handschriften); 2. hoe vertaal je dat; 3.wat betekent die tekst/dat woord. Lees hier meer over bij vertalen.

    De historieschrijvers uit de vorige eeuwen:

    Als eerste noemen we hier Jacob van Oudenhoven. In zijn boek uit 1654 "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" noemde hij "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift, over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met verontwaardiging, "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". Jacob had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd.




















    De Fundamentele verwarring: Nijmegen of Noyon?




  • Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.