| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
|
De wetenschap verdedigt de traditie met dezelfde misverstanden waardoor deze ooit ontstaan zijn. Als de Nederlandse historici ook maar één overtuigend bewijs zouden hebben om de traditionele opvatting te bevestigen, dan hadden zij dat reeds lang op tafel gelegd. Dat bewijs is er niet. Wat vermelden de eerste 'Nederlandse' geschiedschrijvers?
Het ontstaan van de mythen in historisch Nederland. Jaartallen met betrekking tot het ontstaan van de mythen. De opkomst van de Nederlandse steden. De belangrijkste opponenten van de opvattingen van Delahaye, allen bestudeerde historici, krijgen een eigen hoofdstuk. Juist om aan te geven wat hun argumenten en hun denkwijzen zijn geweest, waarmee zij het ongelijk van Delahaye wilden aantonen. Het zijn:
*W.A. van Es *F.Hugenholtz *J.E.Bogaers *D.P.Blok *P.H.D.Leupen *R.R.Post *B.H.Stolte *H.Halbertsma *M.Gysseling *W.Willems *H.P.H.Camps *A-J.A.Bijsterveld *A.P.G.Spamer *A. van Hooff *L.v.d.Tuuk Hebben al deze historici het dan fout? Inderdaad ja! Allemaal. Waarom? Omdat hun 'wetenschap' bestond uit naschrijverij en niet uit eigen kritisch onderzoek. Als men terug was gegaan naar de bronnen, naar de eerste schrijvers, dan had men wellicht eigen fouten ingezien en vanuit een blanco begin opnieuw de geschiedenis bestudeerd. Dan was men beslist tot andere conclusie gekomen, wat zo hier en daar al wordt erkend. Voorbeeld: aanvankelijk beweert Arnoud-Jan Bijsterveld dat Delahaye het volkomen mis had met de St.Willibrorduskerken in Brabant. Later erkende hij dat die kerken niet ouder zijn dan de 12e eeuw en bleek Delahaye dus gelijk te hebben. De geschiedschrijvers zoals Willem Heda (ca.1460-1525), Lambertus Hortensius (1500-1574), Arnoud van Buchel (1565-1641), Cornelis Booth (1605-1678), Valentijn Jan Blondeel (ca. I720-na 1774), Hubert Matthijs Adriaan Jan van Asch van Wijck (1774-1843), Jan Jacob de Geer van Oudegein (1820-1911), Samuel Muller (1848-1922), Gerard Gilles Calkoen (1857-1935), Gerard van Hoorn (1881-1969), Jan Hendrik Holwerda (1873-1951) en Albert Egges van Giffen (1884-1973) hebben met hun verhalen de geschiedenis bepaald. In het rijtje historieschrijvers missen we Cornelius Aurelius, terwijl hij toch een grote invloed heeft gehad op het ontstaan van meerdere tradities rond 't Sticht Utrecht en vooral de Bataven-mythe danken we aan hem. |
Het is interessant te lezen wanneer en hoe de 'Nederlandse' tradities tot stand kwamen. Tradities omdat er geen eenduidige opvatting bestaat over de verschillende onderdelen. De grondlegger van een gereconstrueerd verleden was de humanist Hadrianus Junius - en dat betekende onvermijdelijk idealisering. Omstreeks 1570 voltooide hij zijn Batavia, een lijvige studie waarin hij aan de hand van oudere bronnen, vooral Tacitus, meende te kunnen bewijzen dat de Hollanders rechtstreeks afstamden van de Bataven. De opdracht om dit werk te maken kreeg hij van de Staten van Holland. In het kader van de Opstand tegen Spanje had men dringend behoefte aan wetenschappelijk bewijs voor een oorspronkelijke onafhankelijkheid en vrijheidszin. Daarin voorzag Junius uitvoerig met zijn betoog over een autonoom volk dat zich al in oeroude tijden tussen en boven de grote rivieren gevestigd had en een lange traditie van zelfbestuur kende. Maar al in zijn voorwoord voelde hij de noodzaak om verklaringen te geven voor het vrijwel ontbreken van herinneringen daaraan in het collectieve geheugen van de Hollanders. (Bron: Herman Pley, moet nog steeds kunnen, op zoek naar de Nederlandse Identiteit (2016). Herman Pley geeft hier en elders in dit boek feilloos aan dat de Nederlandse traditie op een zucht naar identiteit en een verlangen naar heldhaftigheid is gebouwd. Toch bestond er in de 16de en 17de eeuw al de nodige twijfel aan de tot dan toe aangenomen opvattingen, zoals Jacob van Oudenhoven in 1654 duidelijk verwoordde over het gebrek aan schriftuur. Het wordt wel eens voorgesteld alsof Albert Delahaye volslagen nieuwe en ongehoorde ontdekkingen deed en dat hij als eerste twijfels had over de vroegste geschiedenis van Nederland. De verontwaardiging die zijn stellingen oproept, maakt slechts duidelijk dat de hedendaagse historici de bronnen niet kennen en in hun opleiding belangrijke zaken hebben gemist. Uit de oudere historische literatuur blijkt dat alle door Delahaye behandelde onderdelen voorlopers hadden. De Bataven in de Betuwe, de interpretatie van de Peutingerkaart, de lokalisatie van Dorestad in Nederland, de zetel van St.Willibrord in Utrecht, zijn in het verleden door historici al in twijfel getrokken. Zelfs het bestaan van een Paleis van Karel de Grote in Nijmegen heeft niet altijd en voor iedereen die zekerheid gehad, die zo grif wordt aangenomen. Dat Albert Delahaye iets nieuws en ongehoords ter tafel brengt is dan ook een volstrekte onjuistheid. Het is allemaal al eerder geschreven. Zijn enige verdienste (al wil hij dat zelf geen verdienste noemen) is dat hij een aantal reeds vroeger uitgesproken punten van twijfel weer opgepakt heeft en heeft weten te combineren tot één logisch en samenhangend geheel, juist omdat die samenhang het belangrijkste is waarmee de onjuistheid van de tradities kan worden aangetoond. Als het Karolingisch Paleis uit Nijmegen verdwijnt, gaat de hele geschiedenis die daar onlosmakelijk mee verbonden is, mee.
Schoolboekjes.Het woord 'traditie' is een misleidend woord. Het suggereert het reeds lang bestaan van een geheel van feiten die op waarheid zouden berusten. "We hebben een traditie sinds de Romeinen in handen", en "dat Karel de Grote een palts in Nijmegen had, hoeven we toch niet te bewijzen? Dat weet toch iedereen?" waren steeds de stellige beweringen van prof. dr.F.W.N. Hugenholtz. Het bleek nog nooit met klare feiten bewezen te zijn. Als hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis aan de historische faculteit van de Universiteit van Amsterdam en Utrecht, was Hugenholtz steeds een van de felste tegenstanders van Albert Delahaye. De werkelijkheid is echter anders. De meeste historische 'tradities' bestaan slechts kort, enkele pas sinds het midden van de 20ste eeuw. Dank zij (sic?) het onderwijs is die schoolboekjeswijsheid er bij de jeugd zo ingehamerd dat discussies nutteloos blijken. Maar niet alleen onder de schooljeugd, ook onder professionele historici zijn discussies nutteloos, wat wel blijkt uit de woorden van historica prof.dr.Dolly Verhoeven van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Men blijkt geen weet van de feiten te hebben. Men baseert zich nog steeds op de oude schoolboekjes en op zogenaamde tradities, maar heeft het niet over de vele fouten en onvolkomenheden. De tradities die ons heden worden voorgespiegeld berusten slechts op 'een algemeen aanvaard beeld' van de geschiedenis. Een beeld waar de historici het min of meer over eens zijn en wat vooral ontstaan is uit de zucht naar identiteit en een verlangen naar heldhaftigheid. Daarbij gaat men voorbij aan zaken waarvan men toen nog geen weet had of feiten die de traditionele opvattingen tegenspraken. Veel zaken die men in de traditionele geschiedenis ooit voor waar had aangenomen, kunnen zich gewoonweg niet voorgedaan hebben in ons land, dat bestond uit een groot veen-, moeras- en waddengebied. Ook chronologisch kloppen veel feiten niet met dat 'algemeen aanvaarde beeld'. Historici verbloemen dit door duidelijke feiten te verzwijgen of, wat erger is, te verdraaien. Lees als voorbeeld wat men in het Verhaal van Gelderland over de visie van Albert Delahaye schrijft. Er is in de huidige literatuur nogal vaak sprake van 'waarschijnlijk', wat niet meer betekent dan dat het waar schijnt te zijn, anders gezegd: of het waar is, is maar schijn, met de nadruk op schijn. Volgens Van Dale betekent 'waar-schijn-lijk' dat in het in het tweede lid genoemde niet is wat in het eerste lid genoemd is'. Het in het derde lid genoemd 'lijk' geeft daarvan de bevestiging: het lijkt slechts zo te zijn. Veel historici en archeologen hebben steeds hun twijfel uitgesproken over de geschiedenis en opvattingen van eerdere historici weerlegd. Zo schreven prof.dr.W.Jappe Alberts en dr. H.P.H.Jansen in het boek 'Welvaart in Wording' (1964) onder meer: "Over de graad van betrouwbaarheid van de reconstructies van J.H.Holwerda, Dorestad en de vroegste middeleeuwen (Uitgegeven Leiden 1929) heerst onzekerheid".(p.27). Toch worden de opvattingen van Holwerda nog steeds gevolgd als uitgangspunt over Dorestad. De opgravingen van dr.W.A.van Es in de jaren 70 hebben die opvattingen allerminst bevestigd. Lees meer over Dorestad. Zo zijn er talloze voorbeelden te geven van historici en archeologen die elkaar weerspreken, sterker, die zichzelf tegenspreken. Zie bij twijfel of zekerheid?. Die twijfel en onzekerheid lees je ook in alle recente publicaties, waar men toch steeds de 'oude bronnen' als uitgangspunt blijft hanteren Volgens de traditionele opvattingen:
Het ontstaan van de traditionele geschiedenis. De humanistische geschiedschrijving. Pas omstreeks 1500 komen in de Nederlanden de eerste verschijnselen voor, die er op wijzen, dat het humanisme bij onze geschiedschrijvers zijn intocht heeft gedaan. het begon allemaal met de boekdrukkunst (her-uitgevonden ca.1450; in China bestond de boekdrukkunst al in de 2e eeuw) waardoor geschriften in groten getale gedrukt en verspreid werden en de basis vormde van onze vaderlandse geschiedenis. Mannen, met het formaat van Erasmus zijn voor de Nederlandse geschiedschrijving in die tijd niet aan te wijzen. Het zijn allemaal schrijvers van de tweede of derde grootte, zoals Cornelis Aurelius, Gerardus (Geldenhauer) Noviomagus, Wilhelmus Heda, Petrus Montanus e.d. Vaak waren het geestelijken (monniken, kanunniken, pastoors), dominees, advocaten of rechtsgeleerden die een mondje potjeslatijn kenden en de oude Latijnse teksten interpreteerden en daarmee (letterlijk) geschiedenis schreven. Wat we van hen bezitten, bestaat in meer of minder korte geschriften en schetsen, vaak broksgewijze overgeleverd, welke fragmenten soms te grote waarde voor de geschiedschrijving gingen krijgen en nadien te nadrukkelijk aan de basis van de algemeen aanvaarde geschiedenis hebben gestaan. Toch bestond er tussen die eerste geschiedschrijvers al heel wat twijfel en was er de nodige kritiek op elkaar werk. Bekend voorbeeld is dat van de Bataven die Cornelis Aurelius in Zuid-Holland plaatste en die Gerardus Noviomagus met veel misprijzen voor Aurelius in Gelderland plaatst. Johannes Smetius plaatst ze vervolgens in Nijmegen, waarmee de 'Batavenmythe' ontstond. De huidige historici zitten nog te vast aan het geschrijf uit de 16e en 17e eeuw. Het "algemeen aanvaarde beeld" is de geschiedenis zoals men DACHT dat die zich had voorgedaan. Deze geschiedenis is grotendeels in de 16e en 17e eeuw samengesteld op grond van toen bekende en aangenomen gegevens. Elk argument dat later aangevoerd werd en niet overeenkwam met dit "aangenomen beeld", werd onjuist verklaard. Zelfs ondubbelzinnig duidelijke teksten werden vals verklaard en terzijde gelegd, omdat zij niet pasten in dat "algemeen aanvaarde beeld". FEITEN werden weerlegd met MENINGEN. Van veel algemeen aanvaarde zaken in de geschiedenis van ons land, is nooit enig fundamenteel bewijs geleverd van de juistheid ervan. Onweerlegbare feiten die in tegenspraak waren met de aanvaarde, maar nooit bewezen geschiedenis, worden als onjuist bestempeld. Dat is wat historici onder wetenschap verstaan. Voor hen draait de zon nog steeds om de aarde! De "Nederlandse geschiedenis" kent nog steeds vele vraagstukken. Alles wat wij Nederlanders van onze (vermeende) geschiedenis tussen de 1e en 10e eeuw weten, staat in buitenlandse, voornamelijk FRANSE kronieken. Het toepassen ervan levert de volgende absurditeiten op: 1. de veronderstelling dat Franse schrijvers belangstelling zouden hebben voor deze 'uithoek' van Europa; 2. dat zij op de hoogte zouden zijn van gebeurtenissen hier en 3. dat zij zaken uit hun eigen omgeving onbeschreven zouden laten. Was het wel de "Nederlandse geschiedenis" die deze buitenlandse schrijvers beschreven? De invoering van de onderdelen van deze mystificatie is vanzelfsprekend niet in één slag gebeurd. Men kan integendeel van elk onderdeel afzonderlijk vrij nauwkeurig de tijd aangeven, waarop het volkomen nieuw de kop opstak. Het is ingezet in de 12e eeuw; in de 17e hebben de post-humanisten en de eerste wetenschappers in de historie bepaalde fabeltjes tot fundament van de Nederlandse geschiedenis verheven. De Peutinger-kaart spant de kroon. Al werd een strookje van deze kaart reeds langer in het vage op Nederland toegepast, pas in het begin van de 20-ste eeuw heeft men dat voor het eerst hardop beweerd. Opvattingen uit de Middeleeuwen (tot 1500) en de 16e en 17e eeuw worden nog steeds voor volle waarheid gehouden, al werd aangetoond dat deze opvatting fout is. De bekendste zijn wel de opvattingen van de Nijmegenaren Willem van Berchen (kanunnik) en dominees vader en zoon Smetius, die de hele geschiedenis van Romeins en Karolingisch Noviomagus en van de Bataven naar Nijmegen hebben gehaald. Hun geschriften bevatten zoveel fouten dat ze in de tegenwoordige literatuur niet meer worden aangehaald, wil men als historicus serieus genomen worden. Ook het Bronnenboek van Nijmegen vermeldt hun geschriften niet. Toch worden hun foutieve denkbeelden nog steeds als uitgangspunt gehanteerd bij veel historische opvattingen. En dat noemt historisch Nederland wetenschap! Lees meer over Willem van Bechen en Johannes Smetius. Vooral het feit dat de boeken van Albert Delahaye zelfs anno 2020 in veel literatuurlijsten ontbreken, bevestigt de onwetenschappelijke houding van de historische wetenschap. Waar men het niet mee eens is, of wat niet weerlegd kan worden, wordt verzwegen. Dit negeren bespaart de diverse auteurs de moeite om in te hoeven gaan op zijn onderzoek en bevestigt feitelijk al het gelijk van Delahaye. Hieronder verzamelen we een aantal zaken die als mythen zijn ontstaan en nu algemeen als vaststaande traditie worden beschouwd. De vragen "Wanneer werd iets voor het eerste beweerd? En door wie?" zijn hierbij als uitgangspunt gehanteerd. |
Hoe is de geschiedenis van de Lage Landen (les Pays-Bas feitelijk tot stand gekomen?
1. De eerste 'Nederlandse' schrijvers.
2. Het ontstaan van enkele historische tradities!
In deze Latijnse zin staat gewoon Numegen en niet Noviomagus, wat bewijst dat de latinisatie Noviomagus in Nijmegen in 1265 nog niet bestond.Johannes Smetius en zijn nakomelingen.
In 1645 verscheen een heel bijzonder en al snel beroemd boek over de vroegste geschiedenis van Nederland en in het bijzonder Nijmegen: Oppidum Batavorum, seu Noviomagum (Nijmegen, stad der Bataven). De Nijmeegse predikant en oudheidkundige Johan Smidt, die zich naar de gewoonte van die tijd om alles te "verLatijniseren" Johannes Smetius noemde, betoogde daarin dat Nijmegen de oudste en ooit -in de tijd van de Bataven en Romeinen- belangrijkste stad van Nederland was. In de ogen van Smetius was Nijmegen, de hoofdstad der Bataven, drager van een grote traditie van dapperheid en vrijheidslievendheid. In zijn drang naar gewichtig doen en alles Latijnse namen te geven, vond hij de mythe van de Bataven in Nijmegen uit. Smetius eiste met zijn boek de aanvang van de beschaafde geschiedenis van Nederland op voor Gelderland en Nijmegen, vooral tegen alle pretenties van Holland in. Enig historisch besef bleek hem vreemd, wat wel blijkt uit de vele onjuistheden en zelfs grove fouten in zijn werk. Een van die fouten waarop de Nederlandse traditie nog steeds blind vaart, was zijn bewering dat het Oppidum Batavorum te Nijmegen gelegen zou hebben.4. Het ontstaan van de mythen in historisch Nederland.